|
|
|
| | | | | | | |
Brandt's leven van de ruiter.
Bloemlezing. Een leesboek bij het onderwijs in de Nederlandsche taal- en
letterkunde voor Hoogere Burgerscholen en Gymnasiën. Met eene inleiding en
doorloopende historische toelichting van
Dr. J. ten Brink, Docent in de Nederlandsche
taal- en letterkunde en de Vaderlandsche geschiedenis aan het Gymnasium te 's
Gravenhage, te Arnhem bij D.A. Thieme, 224 blz. in groot
8o. prijs ƒ 1,40.
In het eerste nommer van den vorigen jaargang hebben wij eene
korte aankondiging geplaatst van de uitgave van
Vondels
Leeuwendalers, door
Dr. Eelco Verwijs en onze ingenomenheid betuigd
met de richting, die door deze en dergelijke handleidingen aan het onderwijs in
de Nederlandsche taal- en letterkunde zal gegeven worden. De taal te verstaan,
de kracht en de juiste beteekenis van woorden en uitdrukkingen te vatten, het
tegenwoordige te beschouwen bij het licht dat het verledene er op werpt, dit
doel is door geene grammatica te bereiken. De beoefening onzer klassieken moet
er toe leiden. Beoefenen is echter iets meer dan lezen. De heer
ten Brink noemt zijn boek een leesboek,
‘het heeft geen ander doel dan uwe studiën der Nederlandsche taal-
en letterkunde te bevorderen en te veraangenamen. Taalleer is noodzakelijk,
moet met de meeste vlijt worden beoefend, maar uit den aard der zaak is zij
eene studie welke op uwen leeftijd zeldzaam (?) groote sympathie wekt.
Gelukkig | | | | behoeft zij niet enkel te bestaan in het memoriseeren van
regels, in het opzeggen van paradigmaas, in het vervaardigen van ontledingen,
we kunnen aanstonds geest en hart verkwikken door het geleerde toe te passen
bij de lezing van al wat er ooit in onze kostelijke moedertaal heerlijks en
schoons is gezongen of gesteld.’ Dit is nog niet alles. De schrijver
heeft nog een ander, ik mag wel zeggen een hooger doel. ‘Onze oefening in
de taalgronden heeft geene andere strekking dan om u heerschappij te doen
voeren over de vormen der taal - maar hiermede is nog maar het halve werk
verricht. Ge moet u met oordeel en smaak van die vormen kunnen bedienen en hoe
zult ge dit kunnen, als ge u niet vertrouwd maakt met de beste werken onzer
luisterrijke letterkunde, als ge onze grootmeesters van den Nederlandschen
stijl het geheim niet ontfutseld hebt, vaardig en cierlijk met de rijkdommen
onzer taal te woekeren.’ Deze woorden zijn genomen uit de inleiding, eene
in 7 afdeelingen gesplitste toespraak aan de Hollandsche jongens
die het boek zullen lezen. Misschien is het daarom onbescheiden, de aanmerking
te maken dat schrijvers inleiding niet zeer duidelijk is. Voor de leerlingen
van het Haagsch Gymnasium doet dit minder kwaad, omdat zij dagelijks in de
gelegenheid zijn, den schrijver te raadplegen en naar zijne eigenlijke meening
te vragen. Het boek is echter, door den uitgever ongetwijfeld, wellicht ook
door den schrijver, voor uitgebreider kring bestemd; daarom mag ik mij door
bovengenoemde bedenking niet laten weerhouden om nader aan te wijzen wat mij
niet duidelijk is. Studiën, die de jongens, ik meen de Hollandsche
jongens, saai vinden, - daargelaten of de taalkunde er bij behoort of niet, -
‘te bevorderen en te veraangenamen’ is verdienstelijk; die 't kan
is benijdenswaardig, die 't niet kan, zal 't gaarne willen leeren en daarom zou
de schrijver een zeer nuttig werk verricht hebben, indien hij door korte
duidelijke trekken aangewezen had, hoe zijn boek voor dit doel aangewend kan
worden.
Dr. Verwijs heeft in zijn
Leeuwendalers niet alleen duidelijk gezegd, | | | | dat hij op verklaringen van woorden, zinnen en taalvormen hoogen prijs
stelt, maar tevens door de menigvuldige aanteekeningen aan den voet der
bladzijden den onderwijzer in de gelegenheid gesteld om zijne opmerkingen aan
het daar vermelde te kunnen vastknopen, terwijl de leerling door diezelfde
aanteekeningen in staat gesteld wordt om zich het gesprokene later te
vertegenwoordigen. In den Michiel Adriaansen de Ruyter vinden wij geene enkele
aanteekening, daarom is dit boek, indien het hetzelfde doel heeft, veel minder
bruikbaar dan dat van den heer
Verwijs. Ten tweede, alvorens men geest en hart
kan verkwikken door de toepassing van het geleerde, dient er toch
geleerd te wezen; deze toepassing neemt dus niets weg van de hoeveelheid der
‘zeldzaam groote sympathie’ wekkende studiën, die voor den
leerling noodzakelijk zijn. Ten derde kan ik mij geene voorstelling maken van
die toepassing zelve. Bedoelt schrijver het nagaan van de verbuigingen en
vervoegingen der in het stuk voorkomende woorden, de toepassing der geleerde
regels, ik geloof het niet. Het geest- en hartverkwikkende van zulke
toepassingen is zeer verre te zoeken; en neemt men ze om haar nut, dan is er
geen doen aan met een boek dat zoo weinig beantwoordt aan de regels die de
leerling geleerd heeft. Wat blijft er b.v. van de geleerde spelregels, de
regels van verbuiging en vervoeging toe te passen, als men een hoofdstuk uit
Brandt of van welken schrijver der zeventiende
eeuw leest? Ten vierde kan ik volstrekt niet begrijpen hoe men iemand
heerschappij kan doen voeren over de vormen der taal. Heerschappij
voeren over de taal is eene gebruikelijke benaming, maar heerschappij voeren
over de taalvormen, over de vormen der woorden, door aanhechting van uitgangen
of verwisseling van klinkers ontstaan, dit had werkelijk een woord tot
opheldering noodig gehad; nu loopt het gevaar voor eene zinledige uitdrukking
gehouden te worden. Aangenomen dat deze opheldering het noodige licht zou
gegeven hebben, dan zou nog eene andere zwarigheid overgebleven zijn. Als men
het zooverre gebracht heeft dat men | | | | heerschappij over de vormen der
taal voeren kan, dan is ‘hiermede nog maar het halve werk
verricht,’ dan moet men nog leeren zich met oordeel en smaak van die
vormen te bedienen. Een oogenblik heb ik gedacht dat schrijver zijnen jongens
op eene niet zeer klare wijze vertelde: gij moet eerst leeren verbuigen en
vervoegen en dan de geleerde vormen van pas gebruiken. Wie zou echter aan iets,
dat zoo eenvoudig is, durven denken, als het wordt aangeduid met de woorden:
‘heerschappij voeren over de vormen der taal, en onze grootmeesters van
den Nederlandschen stijl het geheim ontfutselen, vaardig en cierlijk met de
rijkdommen onzer taal te woekeren.’ Hier is het gelukkig geen rijkdom van
taalvormen, die bedoeld wordt.
Het leesboek dan, dat
Dr. ten Brink ten dienste van Gymnasiën en
Hoogere Burgerscholen vervaardigd heeft, bevat merkwaardige episoden uit het
leven van
M.A. de Ruiter, door
Gerard Brandt. Voor elke episode vindt men een
korte en duidelijke historische toelichting, waardoor de leerling het volgende
beter begrijpen kan. Als leesboek is het wel bruikbaar. Als leesboek, dat,
gelijk de titel zegt, bij het onderwijs in de Nederlandsche taal en letterkunde
gebruikt kan worden, verdient het mijns inziens minder aanbeveling, ik zou,
zooals ik reeds gezegd heb, aan de Nederlandsche Klassieken van
Dr. Verwijs verreweg de voorkeur geven; deze
zijn er op ingericht om bij het onderwijs gebruikt te worden. Men kan het boek
van Dr. ten Brink ook wel gebruiken, even als men zooveel gebruiken
kan, maar de schrijver geeft geene verklaringen of aanwijzingen, die bij het
onderwijs zoo dringend noodzakelijk zijn.
De buitengewoon lange inleiding kan tegen dit gemis niet opwegen. De
onderwijzer, die het boek gebruiken wil, vindt er niets dat hem belang
inboezemt; de leerling kan er weinig in leeren. Men mag ook eischen dat aan de
redeneeringen en den stijl van zulk eene inleiding meer zorg besteed wordt.
Vraagt de lezer bewijzen? Uw doorzicht te kwetsen - vruchten ondervinden -
de fijnste schakeeringen der weelde kennen - de
| | | |
hoogste
eischen van den goeden smaak aanleeren - cierlij woekeren. - Toen ze
(de 17e eeuw) als dartel wicht de oogen opensloeg,
dreunde haar het kanon van Nieuwpoort in de ooren en vol vreugde reikte ze
Prince Mouring den eersten lauwertak. - Als de staatzucht tot
eenzijdigheid lokte en de eenzijdigheid tot ramp oversloeg. Jaarhonderd,
uitbundige taal, - zijn deze uitdrukkingen ook gerold uit den zak van - of
ontfutseld aan dezen of genen grootmeester van den Nederlandschen stijl?
Verlangt men eene proeve van de wijze van redeneeren? Onze keus valt op het
volgende stuk.
‘Ge hebt uw vaderland lief en daaruit volgt nu in de eerste
plaats, dat ge ook uwe moedertaal op den hoogsten prijs stelt. Herinnert ge u
nog den tijd, toen ge aan de knieën uwer lieve moeder de eerste klanken
der Nederlandsche taal leerdet spellen, en eene zoete omhelzing uw loon was,
als ge vlug en vlijtig uw best deedt? Maar de taal uwer moeder is nog dezelfde
taal, waarin eens het
Wilhelmus van Nassouwe werd geschreven, is nog dezelfde
taal, waarin
Ridder Huyghens zong ter eere van
Prince Mouring, die de vrije schepen der
Zevenlandsche buurt zoo manhaftig bestierde - is nog dezelfde taal, waarin
Joost van den Vondel zijne stedekroon aan
Prins Frederik Hendrik aanbood en den zeetriumf
der der vrije Nederlanden bij Chattam vierde! ‘De taal is gantsch
het volk!’ Zoo spraken onze wakkere broeders in Zuid-Nederland. En
zoo dacht ook eens
Keizer Karel V, want hij was fier op zijne
geboortestad Gent, want hij sprak Vlaamsch tot zijne onderdanen en
zij hadden hem lief - maar
Filips II sprak slechts Spaansch!’
Het is waarlijk eene groote kunst met zoo veel woorden niets te
zeggen. Moge zij zeldzaam blijven!
J.A. van Dijk.
| | | |
| |
Practisch-Theoretische handleiding ter vervaardiging van
opstellen in de moedertaal, ten dienste van Instituten, Gymnasiën
en andere inrigtingen van onderwijs, door
W.F. Carlebur. Tweede druk. Met een Voorwoord
1)
van Dr. W.G. Brill, Tiel, Wed. d.r. van wermeskerken, 1864,
241 blz. Prijs ƒ 1,10.
Wij zijn het met
Prof. Brill volkomen eens, dat dit boekje van
den Heer Carlebur wel aanbeveling verdient. Ofschoon het nut van
handleidingen tot den Nederlandschen stijl meermalen en met veel reden
betwijfeld is, zoo blijkt het toch niet onmogelijk te wezen over dit onderwerp
iets bruikbaars te leveren. De Heer Carlebur heeft zich de moeite
gegeven, om naar aanleiding van een Deensch werkje, deze Practisch-Theoretische
handleiding op te stellen, terwijl hij bij de vervaardiging Nederlandsche,
Fransche en Duitsche werkjes over dit onderwerp geraadpleegd heeft. Wat ons in
deze handleiding zoo zeer toelacht, is de menigte voorbeelden en oefeningen. Er
is in dit opzigt overvloed van stof, als: over het gebruiken van woorden, de
afwisseling in de plaatsing van woorden en zinnen, de afwisseling in
uitdrukking, de omschrijving, de verzachting, de ontbinding, de zamentrekking,
de zinverwante woorden en hunne onderlinge verwisseling, de verandering van
gebonden in ongebonden stijl, de rangschikking, de begripsbepaling en
begripsonderscheiding, de overeenkomst, de woordherhaling (tautologie), het
vormen eener vertelling uit enkele losse zinnen, vertelling naar het geheugen,
het uitbreiden eener vertelling, het verkorten of inkrimpen eener vertelling,
de beschrijving, de eigenschappen van eenen goeden stijl, de keerwoorden, de
figuren, de verhandeling, het vinden der stof, de behandeling, het schikken der
stof enz. Het aanhangsel bestaat | | | | uit zes hoofdstukken, die over de
begrippen, de bepaling, de verdeeling, het oordeel, de bewijzen en de
sluitreden handelen.
Misschien vraagt iemand hoe men voor al deze oefeningen tijd zal
vinden. Wij antwoorden, dat het boekje hoofdzakelijk bestemd is als leidraad
voor den onderwijzer; deze moet de oefeningen, die voor zijne leerlingen het
meest geschikt zijn, uitkiezen en de andere overslaan. Er is voorraad genoeg.
Men kan heel wat overslaan en toch nog heel wat overhouden. Een voorbeeld make
onze meening duidelijk. In de twee en twintigste les wordt eerst iets van de
beschrijving in het algemeen gezegd en dan opgegeven welke regels men daarbij
in acht te nemen heeft. Twee beschrijvingen (eene van de zuil van
Pompejus en eene van het graafschap Cornwall) dienen om de regels
nader op te helderen. Achter ieder voorbeeld vindt men zestien opgaven tot
eigene oefening, dat is te zamen twee en dertig. Behandelt men wekelijks twee
van deze onderwerpen, dan vereischt dit eene hoofdstuk reeds zestien weken. Op
deze wijze is er geen doorkomen aan. Wij moeten echter billijk wezen en
aanmerken dat de bedoeling ook anders kan zijn, namelijk dat ieder leerling van
de klasse een afzonderlijk onderwerp ter behandeling krijgt. In dit geval
blijft echter de klassikale behandeling achterwege en een groot gedeelte van
het nut der stijloefening gaat verloren. Het uitkiezen van een paar
voorbeelden, die door de gansche klasse behandeld worden, zou mijns inziens de
voorkeur verdienen.
Een andere aanmerking op ditzelfde hoofdstuk, die ook op andere
van toepassing is, mag ik niet achterwege houden: de voorbeelden zelve zijn mij
niet eenvoudig genoeg. Mij dunkt, dat zij meer nut zouden stichten, indien zij
meer uit de omgeving der leerlingen gegrepen waren. Blijkbaar wil het voorbeeld
de leerlingen zoover brengen dat zij duidelijk en ordelijk een hun bekend
voorwerp kunnen beschrijven. De opgaven zijn de beschrijving van een vertrek,
een huis, eene kerk, een wagen, een schip, eene brug, eene schrijflessenaar,
een zakuurwerk, een kameruurwerk, een ploeg, | | | | eene egge, een hakmes,
eene spuit, eene fabriek en een molen. Als voorbeeld gaat vooraf de
beschrijving van de zuil van Pompejus. Nu verschilt deze zuil al te
veel van de genoemde voorwerpen. Vandaar dat ook de stijl verschillen moet. Het
voorbeeld had iets moeten geven in dien hoogst eenvoudigen klaren stijl, die
bij de behandeling van zulke eenvoudige bekende onderwerpen vereischt wordt. De
beschrijving van het Graafschap Cornwall zal verder als model moeten dienen bij
de beschrijving van een reisje, eene sledevaart, een voertochtje, eene
jachtpartij, eene vischpartij, een marktdag, een feest, een optocht, de
akkerbouw, een onweêr, een storm, eene overstrooming, een brand des
nachts, een schip in nood, eene verkooping en eene belegering. Ook hier is het
verschil groot - te groot, en waarom zijn nu als voorbeelden juist zulke
voorwerpen gekozen, waarmede de Nederlandsche kinderen geheel onbekend
zijn?
Zoo zouden wij kunnen voortgaan en nog eenige min of meer
gewichtige aanmerkingen kunnen maken. Wij achten dat echter onnoodig. Het
boekje bevat goede oefeningen in overvloed en daarvoor moeten wij reeds
dankbaar zijn.
J.A. van Dijk.
| |
Nederlandsche Klassieken, uitgegeven en met
aanteeningen voorzien door
Dr. Eelco Verwijs, ArchivarisBibliothecaris
van Friesland en schoolopziener.
II. Episodes uit
Hoofts
Nederlandsche Historiën, te Leeuwarden bij
Hugo Suringar, 1864. Prijs ƒ 0,80.
De Heer Verwijs geeft ons hier in No. 2 van
zijne Nederlandsche Klassieken een kostelijk boekje, waaruit veel te leeren is.
Hoofts Nederlandsche Historiën zijn reeds eene uitmuntende
lectuur voor jonge lieden, hoeveel te meer zullen zij dat wezen, als zij
overal, waar de uitdrukkingen duister zijn, behoorlijk opgehelderd worden,
gelijk hier geschiedt. Men vindt ook in dit stukje der Nederlandsche
Klassieken, | | | | aan den voet der bladzijden een schat van
aanteekeningen, waardoor de leerling niet alleen
Hooft leert verstaan, maar tegelijker tijd
zijne moedertaal kennen en gebruiken. Voor hen, die vooral het laatste willen
leeren, die de grammatica eene plaats in hunne studiën inruimen, maar
begrijpen dat de taalkunde in de eerste plaats de taal zelve op het oog moet
hebben, voor hen is dit boekje van groote waarde. Wij wenschen het in handen
van alle onderwijzers, die taalonderwijs moeten geven en van alle leerlingen,
die genoeg ontwikkeld zijn om het met vrucht te gebruiken. Reeds bij de
aankondiging van
de Leeuwendalers heb ik den wensch geuit dat de
Nederlandsche Klassieken op Kweek- en Normaalscholen gebruikt mochten worden.
Ik herhaal thans dien wensch en maak van deze gelegenheid gebruik om
den Heer Verwijs aan te bevelen bij het
stellen van zijne aanteekeningen op de jonge lieden, die daar gevormd worden,
en op hunne onderwijzers te letten. Ik wil daar voornamelijk mee zeggen, dat ik
de aanteekeningen zoo wensch, dat de lezer ze, zonder dat hij oude talen
verstaat, begrijpen kan. Nog noodiger is dit voor hen, die door zelfoefening
eenige bruikbare kennis van de taal willen opdoen. Op bladz. 7 b.v. leest
men:
Nuchter Van nuchte, nuchten, Kil. mane,
matutino tempore, kwam als eerste beteekenis vroegtijdig (zie ld. 21,
aant. 1), en daarna die van jejunus. Overdrachtelijk, zoo als hier,
behoedzaam, bezadigd, het tegenovergestelde van dronken. Dan toch
is de wijsheid in de kan.
Nu zitten de bedoelde lezers met dit jejunus en komen (ik
spreek hier bij ondervinding) licht op de gedachte, dat boeken met zulke slimme
woorden voor hen niet geschreven zijn. Daarin zouden zij, wat dit boek betreft,
groot ongelijk hebben. Het aantal verklaringen, waarbij zij nadere inlichtingen
behoeven, is bovendien uiterst gering en het zal den Heer Verwijs
gemakkelijk vallen door eene kleine bijvoeging alle nevelen te doen
verdwijnen.
Eenige aanteekeningen, die ik bij de lezing van Hoofts
Nederlandsche Historiën gemaakt heb, wil ik
mededeelen. | | | | Bladz. 1. Bij 't zelve plotselyk gesmoord, waar
't zelve op oorlog slaat, zou, dunkt mij, de opmerking niet
misplaatst geweest zijn, dat het woord oorlog vroeger in de drie
geslachten voorkwam en hier onzijdig is. Op dezelfde bladzijde bij de
verklaring van wrong meende ik reeds de inlichting, die later gegeven
wordt, te mogen verwachten, namelijk dat de a de klinker is van het
enkelvoud van den verleden tijd: wringen, wrang; binden, band; klinken,
klank, en dat deze stammen, hoewel niet meer als werkwoorden, toch nog als
naamwoorden voorkomen. Bladz. 5, aant. 2 staat ‘Doorverwt, geheel
doortrokken als met verw’ en aant. 3 ‘Van langher
handt.’ Oude datief, gelijk uit de sterke buiging van het adj.
blijkt. Zoo ook in de uitdrukkingen: ter goeder ure, in aller
ijl.’ Mij dunkt dat de Schrijver hier wat deun is. De Landzaaten,
doorverwt van langher handt in den eed des huis van Bourgonje - de
uitdrukking ‘van langher handt’ wordt stellig niet algemeen
verstaan, ook niet na de opheldering omtrent den vorm van het bnw.; eene
verwijzing op hetzelfde hand in te hand (thans), en
naderhand zou eenig licht gegeven hebben. Evenzoo ware het niet
overtollig geweest het heerlijk leven (blz. 8), het scheiden van den
bedde (blz. 9) paarden (blz. 12) onaardige beveinstheid (blz.
19) nader te verklaren. Doch ik geef dadelijk toe, dat het moeilijk is in dezen
ieder zijnen zin te geven en laat dus mijne verdere aanteekeningen, die de
volledigheid der verklaring betreffen, achterwege, ten einde er nog een paar
van anderen aard te kunnen mededeelen. Is de wortel van een gebergte
(blz. 12, aant. 1) eene min gewone uitdrukking voor voet? Is het niet
eene met ons taaleigen strijdende vertaling? Stal van stellen (blz. 17,
aant. 8) dit is immers juist het omgekeerde: stellen van stal. -
Uitvlucht van beroep tot hooger vierschaar. Zou uitzicht hier niet
juister wezen dan redmiddel? Doch genoeg. Met verlangen zie ik uit naar
Huygens
Zeestraat en
Kostelick Mall, dat volgens het bericht op den
omslag reeds eenigen tijd op de pers is en, zoo ik hoop, spoedig zal
verschijnen. | | | |
Den Heer Verwijs wensch ik lust en kracht toe
om met zijnen nuttigen arbeid ongehinderd te kunnen voortgaan. Mocht de
uitgever aan de volgende deeltjes een register van de verklaarde woorden kunnen
toevoegen, hij zou stellig de waarde van de Nederlandsche Klassieken verhoogen
en het debiet vermeerderen.
J.A. van Dijk.
|
1)In het boekje zelf leest men ‘een
woord bij den tweeden druk.’ Het is dus waarschijnlijk, dat dit
germanisme buiten weten van den Hoogleeraar op den titel geplaatst is.
|
|