|
|
|
| |
LOSSE AANMERKINGEN, BETREKKELIJK WOORDEN, BIJ
VONDEL VOORKOMENDE,
door
Mr. A. BOGAERS.
| |
Verzetten.
In de alleenspraak van Josephus, waarmede
Vondels
Hierusalem verwoest aanvangt, komen de navolgende
regels voor: (v. 67 en 68).
‘Zoo ben ick wel ontaerd en in den grond verzet
Van d' yver, die mijn ziel verplichte aen Moses wet.’
Dr. v. Vloten (I. bl. 123. Kol. 2. n. 7.)
teekent op het | | | | woord verzet aan: ‘Rijmshalve voor
geweken.’ Dit rijmshalve past hier even weinig, als op andere
plaatsen, waarover we vroeger reeds gesproken hebben. Zeker zou het den
hoogleeraar niet uit de pen gevloeid zijn, indien het hem ingevallen ware, dat
bij onze Ouden verzetten overdragtelijk gebruikt wordt in de beteekenis
van iemand van zijn vroeger gevoelen afbrengen, van gedachte doen
veranderen; maar nooit in die van wijken.
In proza (alzoo niet rijmshalve) bezigt
Vondel het woord op deze wijze, wanneer hij in
den Inhoud van zijn
Koning Davidherstelt (uitg. v.
1660), bl. 1. reg. 7. v.o. zich uitdrukt als volgt: ‘De vader
(David), van des zoons (Absolon) ‘nederlaege
verwittight, borst uit in onmaetigen rouwe, maer wert verzet door
Joab, die hem riedt ergernis en gevaer te schuwen, zich vrolijck voor
zijn volck te toonen, enz.’
In den
Joseph in Egypten luidt vers 654:
‘Wie kan dit landt verzetten?’
beteekenende, ‘Wie kan dit volk van zin doen
veranderen?’
In
Ovidius Herschepp. B. IX. v. 865, zegt
Biblis, te kennen willende geven, dat, indien hare pogingen om het
hart van Kaunus tot andere gevoelens te brengen, ieder afzonderlijk,
niet hadden mogen baten, zij alle, bijeen gevoegd, dit doel wel bereikt zouden
hebben:
‘Zij hadden alle te gelijk zijn hart
verzet.’
In v. 154 van de
Maeghden geeft Vondel door een verzet
gemoed te kennen, ‘een gemoed, dat van gezindheid veranderd
was.’ (Dr. v. Vloten verklaart daar verzet
door hersteld!); terwijl nog in datzelfde treurspel v. 342 dus
luidt:
‘Zoo won ick tijd, of tijd zijn' zin verzetten
moght.’
Bij
Six van Chandelier,
Poesy bl. 494; leest men:
‘Hij, door het vroom gebed,
Zal Englands krygh en wee
en bij
Anslo,
Poëzy. bl. 389. v. 12:
De schrik heeft mijn gemoedt ontzet, maar niet
verzet.’
| | | |
We zouden het getal der voorbeelden nog kunnen vermeerderen, maar
voor ons oogmerk zijn er hier genoeg.
| |
De haan zingt.
In
Vondels
Heerlijckheyd van Salomon (uitg. v. 1620) wordt
op bl. 29 een geschilderde haan beschreven, van wien hij (reg. 3) zegt:
‘Hy zinght, zoo 't schijnt: -’
Gelijk
Dr. v. Vloten zich bijzonder dikwijls verbeeldt
bij onzen hoofddichter Germanismen te vinden, waar die, van nabij
beschouwd, blijken inderdaad niet aanwezig te zijn; zoo heeft hij, alleen om
het tegenwoordig spraakgebruik denkende, hier vermeend hem op een
Gallicisme te kunnen betrappen. (Zie D. I, bl. 92, kol. 1, noot 3).
In dezen is hij echter even weinig gelukkig geslaagd, als bij die
gewaande Germanismen.
De oorspronkelijke beteekenis van zingen (gelijk men weet) is
klank uitbrengen.
In het oud-Nederlandsch werd het, evenzeer als kraaijen,
gebezigd om het geluid aan te wijzen van den haan.
Zoo lezen we in het
Leven van Jezus, gedrukt te Delff in Holland,
Ao. 1488. IIde Boek; Capittel 61:
‘Ende pieter dat hoorende zwoer ende seide dat hi den man
ihesum synen here ende meester meenende niet en kende. Ende terstont so
sanck of craeyde die hane.’
en in de
Gesta Romanorum, gedrukt te Antwerpen
Ao. 1512; Cap. 68. ‘Daerna te middernacht so sanck die
anderde haen.’ en desgelijks aldaar op meer plaatsen.
Wij kunnen hier nog bijvoegen
Meyer,
het Leven van Jezus. bl. 221. r. 6 en r. 9;
Vermeulen,
Van den levene ons Heren. v. 2295 en v. 2302;
alsmede
Maerlant.
Der natueren bloeme. Brussel 1857. D. I. bl. 337.
v. 1970.
Bij allen vindt men hanen, die zingen. Mogen zij het thans niet meer
doen bij ons, in Vondels dichthof moest Dr. van Vloten hen
maar laten begaan en er zich niet aan ergeren.
| | | |
| |
Smeeken.
Als in
Vondels treurspel
Joseph in Egypten de Voedster den held van 't
stuk tracht over te halen om aan Iempsar toch een weinig liefde te betoonen,
daar ze anders welligt tot wanhoop overslaan, en zich van 't leven berooven
zal, gebruikt zij onder anderen deze woorden: (z. v. 817-819).
‘Moet ick u leeren, 'tgeen u harssens niet ontbreeckt,
Hoe een voorzichtigh arts met al zijn wijsheit smeeckt
Gebreken, die geen mensch noch kunst vermagh te heelen.’
Het is vrij duidelijk, dat zij zeggen wil, dat, als de kwaal
ongeneeslijk is, de wijze geneesheer haar ten minste tracht te
lenigen.
Om die reden kunnen wij met
Prof. v. Vloten niet instemmen, wanneer hij (I.
bl. 449 Kol. I. n. 6) smeekt hier verklaart door vleit, welke
beteekenis het wel op andere plaatsen hebben kan, maar die hier door den zin
gewraakt wordt.
Eigenlijk is smeeken, zacht strijken, streelen.
Zoo zegt Vondel in zijn Hippolytus:
v. 694:
‘De wolf veeleer den das zal smeecken met zijn'
muil’
De overgang van zacht strijken tot lenigen, verzachten
en stillen ligt voor de hand.
Deze beteekenis heeft het woord in de
Gebroeders; vs. 1396:
‘Een damp holp 's Konings brein aan 't woen, en uit zijn
stel,
Zoodat men 't smeecken moest met 's herders
snaerespel.’
Zie mede in
Hierusalem verwoest, v. 763.
Ook zacht streelen is niet ver verwijderd van
liefkozen, in welken zin het woord voorkomt in de
Vorst. Warande, bl. 5, r. 4, waar van de Simme,
die tweelingen gebaard had, gezegd wordt:
‘'t Een zij met liefde omhelsde en lieflijk heeft
gesmeeckt.’
Eindelijk bezit smeeken nog de beteekenis van vleijen,
zoo wel in een meer- als in een mingunstigen zin.
Aldus zegt Israëls Wijze Koning, in Vondels
Helden Godes, bl 21: | | | |
‘Mijn wysheyd blonck in 't pleyt, als 't kind, noch niet in
stucken,
De ware moeder 't hert quam uyt haer boesem rucken:
In d' heyl'ge Tempelbouw: in 't brommen van mijn hof:
In 't wijen van Gods Kerck: in d' uytgeborsten lof,
Die voor mijn aenghezicht, om Salomon te
smeken,
De schrand're Koningin quam honichzoet uytspreken.’
Terwijl in de fabel van den Vos en den Bock (zie
Warande. CVI.) twee regels van het slot dus luiden:
‘Zoo wie zijn ooren wendt nae der verleyders
smeeken,
Bij een gebaerde Bock te recht wort hij geleken.’
Wie meer voorbeelden mogt verlangen van smeeken in den zin
van vleijen, kan er een overvloed van vinden in Ypeij's
Taalk. Aanmerk. op den St. Bijbel, bl. 101, en
ook in de
Taalk. Handleiding tot de Staten-Overzetting des
Bijbels van Dr.
A. de Jager, bl. 100, waar buitendien melding
gemaakt wordt van het frequentatief smeekelen, dat met het H. D.
schmeicheln overeenkomt.
Dat uit de laatstgenoemde beteekenis van smeeken die van
ootmoedig bidden, waarin thans het woord gebruikt wordt, ontstaan is,
laat zich ligtelijk bevroeden.
| |
Rooken.
Zoeken.
‘Wat, zoeckt ghy 't volck, 't welck schuwt Apollen
aen te bidden,
Te roocken voor hun beelt? hier staet 'er een in 't
midden,
Die 's afgronts offerhande en roock en stanck
veracht.’
Deze versregels ontmoet men in Vondel's
Maeghdebrieven, (uitg. v. 1642) bl. 27. r. 23 en
24.
Het woord rooken verklaart
Dr. v. Vloten (in zijne uitg. I. bl. 524. k. 1.
n. 5) door doen wierooken. Volgens zijne meening kan dus iemand
rooken, beteekenen iemand doen wierooken.
Voor zoo verre ons bekend is, heeft rooken nooit die
beteekenis gehad. Het komt meermalen bij Vondel en andere oude
schrijvers, gelijk ook nog bij
Bilderdijk, voor in den | | | | hier
voegenden zin van offeren, hetzij daar dan het branden van wierook en
specerij, of eenig ander brandoffer mede bedoeld worde.
Zoo leest men in de
Helden Godes, (uitg. 1727), bl. 3. r. 11.
‘Heeft Abel dan om zunst hem dagelycx
geroockt.’
Bij
Herckmans in
Der Zeevaert lof. bl. 22. v. 2.
‘Hier toyt sich Grieckenlant met Aethiops ghespin:
Bij
Six van Chandelier in den
Olijfkrans der vreede (uitg. v. 1649), bl. 317.
v. 17. overdragtelijk:
‘Men zal haar rooken onze harten.’
Menigmaal heeft
Bilderdijk het gebezigd: de volgende drie
voorbeelden mogen volstaan:
Navonkeling. (uitg. v. 1826) I. bl. 166. v.
20.
‘Leg af dat trotsche zelfbedrog
Waaraan de wijsgeer rookt.’
en II. bl. 45. v. 16.
‘Rookt wierookoffer aan zijn macht.’
's Konings Komst tot den Throon: bl. 22. v.
5.
‘Het geurig Oosten zal Hem rooken.’
Blijkbaar is de hoogleeraar tot zijne onaannemelijke uitlegging
gekomen, door dat hij het voorafgaand woord zoeckt in den gebruikelijken
zin van poogt heeft opgevat. Dat dit niet kan, springt in 't oog.
Zoekt staat hier voor vergt.
Kiliaen geeft, onder de beteekenissen van
soecken, niet slechts quaerere (vragen); maar ook petere,
exigere (vorderen vergen, eischen).
Zoo vertaalt
Vondel de woorden van
Ovidius: (Metamorph. IV. v.
641.)
‘Hospitium requiemque peto: -’
‘-'k zoek hier eenen nacht te rusten.’
(Herschepp. B. IV. v. 873)
In dienzelfden of daaraan naauw verwanten zin vinden we
zoeken reeds in
Maerlants
Rijmbijbel, v. 2384. gebruikt, en bij
Ruusbroec in
Dat boec van den gheesteleken tabernacule, II bl.
2. r. 17.
| | | |
| |
Stok.
In den aanvang des derden bedrijfs van
Vondel's
Gebroeders, (vers 595), zegt Rispe:
‘Hoe buight mijn stock? hoe beeft mijn
hand?’
Mr. v. Lennep (D. III. bl. 670) teekent hierop
aan:
‘Myn stock, d.i. ‘mijn oud, vervallen
lichaam.’ Stock staat hier, en overal, waar van een afgeleefd
mensch sprake is, in de beteekenis van ‘romp’ truncus,
namel. truncus corporis. Een mensch, dat tot niets behoorlijks in staat
is, werd door de Lat. schrijvers dikwerf met den naam van truncus
bestempeld.’
De hoogleeraar
v. Vloten heeft deze uitspraak (D. I. bl. 406.
kol. 2. noot 1) kortelijk overgenomen, stok door stramme lijf
verklarende.
Bij zulk eene dubbelde bevestiging zou men al ligt denken, dat in
het oud Nederduitsch (want met het Latijn hebben we hier niets te maken),
stok meer voorkwam in den zin van een oud, vervallen, stram
lijfen dat
Plantijn,
Kiliaen en andere lexicographi er die
beteekenis aan toekenden. Wat nu het eerste aanbelangt, zoo kunnen we niets
anders zeggen, dan dat ons nooit eene enkele plaats voorgekomen is, waar
stok die beduidenis had; terwijl we tevens gelooven, dat beide de
bekwame uitleggers niet ligt zulk eene plaats zullen kunnen aanwijzen; en, ten
opzigte van het tweede, voegen wij er bij, dat ook stok in gezegden zin
niet in de oude woordenboeken te vinden is.
Bij Plantijn leest men: ‘Stock, un baston. Fustis,
baculum vel baculus. Stock des booms. Un tronc d'arbre. Truncus,’
Kiliaen is uitvoeriger. Bij hem vindt men: ‘Stock,
steek, stipes, baculus, ook Truncus, caudex, alsmede compedes:
compes lignea; wijders stock, stam; stirps, stemma; en (om ons tot
het hoofdzakelijkste te bepalen) stock-man. j. stock-oud. Senex
decrepitus, - baculo gradum adjuvans.’
Van der Schueren heeft ‘stock,
staff; en Kerckener, gevenckniss, - stock.’ | | | |
Maar stok met de beteekenis van vervallen ligchaam of
stram lijf zou men vruchteloos bij hen zoeken. Zij is dus geheel
onbewezen en zal dit wel blijven.
Wat beduidt dan (vraagt men welligt) stock in den
bovenaangehaalden versregel?
Onzes inziens, niets anders dan staf, baculus.
Rispe, de ongelukkige oude moeder, in doodsangst over het
lot harer gevangen zonen, komt waggelend op het tooneel, en steunende op een
stoksken, dat onder haar wigt buigt.
‘Hoe buight mijn stock! (roept ze uit) hoe beeft mijn
hand!
Ick trede, als tot den hals, in 't zand.’
Dat deze opvatting de ware is, wordt (naar onze meening) overtuigend
gestaafd door de woorden van
Vondel zelven op bl. 4 der Opdragt van
het Treurspel, waar hij Rispe, de stockoude weduwe, zich
voorstelt, als ‘al bevende met de rechte hant op
haer stoxken, en met de slincke op de rechte schouder van hare
kamenier leunende.’
| |
Vermaal.
In de
Heerlijckheyd van Salomon luidt vers 179:
‘Die suf beschouwt 't vermael, medallien, beelden,
standen,’
en vers 679:
‘De Maeghd die op 't vermael der velden plagh te
weyen.’
Op beide plaatsen blijkt
Dr. v. Vloten vermael voor een
basterdwoord, t. w. het Fransche vermeil te houden. D. I. bl. 85. k. 2.
n. 4 zegt hij verguldsel (verg. 't Fransche vermeil) en bl. 89.
k. 2. n. 17 schitterend, bont (eig. 't Fransche vermeil.)
Het Fransche znw. vermeil beduidt (zoo als men weet)
verguld zilver, en althans in v. 679 zou het woord vermael dan al
zeer slecht gekozen zijn geweest.
Mr. v. Lennep, wien de hoogleeraar hier
schijnt gevolgd te hebben
1) en die ook vermael voor vermeil houdt,
keurt | | | | dien ten gevolge (D. I. bl. 368) het woord af.
‘Vondel (zegt hij) spreekt hier verkeerdelijk van
verguldsel.’ | | | |
Naar onze overtuiging, verdient de oude dichter deze beschuldiging
niet en verkeeren beide zijne uitleggers in eene dwaling.
Vondel heeft geen Fransch, maar een Hollandsch
woord willen gebruiken om weder te geven het émail, dat op beide
plaatsen bij
du bartas wien hij navolgde, te lezen
staat.
Vermalen is schilderen, beschilderen, in welken zin
hij het woord meer dan eens gebruikt. Zie b.v.
Poëzy (uitg. v. 1682), I. bl. 159. r. 12,
Hippolytus (uitg. v. 1628), v. 61, en de
Heerlyckheyd van Sal. v. 942.
Het zaaklijk deel van dit w.w. heeft de Dichter als znw. in den zin
van schildering, beschildering, gebezigd om het Fransche
émail, dat toch ook eene schildering met brandverw is, weder te
geven:
en dat hij de eenige niet geweest is, die het in dien zin gebruikte,
blijkt uit de Lijst van verouderde woorden in meijer's
Woordenschat, waarin men leest vermaal,
geschilder.
| | | |
| |
Pronken.
Als
Vondel, in de fabel van den Vos en de
Kraan, (zie
Vorst. Warande, VII) aan laatstgenoemde door haar
ondengenden gastheer de spijs laat toedienen op een platten schotel, waarvan
zij met haar langen puntigen snavel niets nuttigen kan, zegt hij:
‘Dies pronckten Juffrou Kraen, maer
Reyntgen kreegh zijn deel.’
Op pronckten teekent
Dr. v. Vloten aan (I. bl. 56. k. 1. n. 6)
‘prijkte, (vergelijk ons te pronk staan).’ Deze
uitlegging is niet de ware: de hoogleeraar had beter gedaan te schrijven:
‘vertoonde een strak, ontevreden gelaat.’ Zulks komt overeen met
den zin, waarin prijkte volstrekt niet voegt, en laat zich buitendien
voldoende staven
1).
In Kiliaen's Woordenboek lezen we:
‘pronck. vetus. Nubilum, nubes.’ en ‘pronck. Frons
nubila, supercilium nubilum, supercilii nubes, frontis nubecula.’
Voorts ‘Proncken. Nubilare, nubilum fieri. en ‘proncken.
Vultum, componere, adducere: frontem subducere, induere vultum severum,
contrahere supercilium: obnubilare vultum.’ eindelijk ook nog
‘pronckende weder. Nubilus aer: caelum caligans.’ en
‘pronckende opsicht. Frons nubila: vultus caligans.’
Nagenoeg hetzelfde geeft
mellema in zijn schat der Duytscher
tale; terwijl we in tuinman's
Fakkel, als een der beteekenissen van pronken,
pruilen vinden.
Men ziet dus, de eigenlijke beteekenis van het oude woord
pronck is wolk, nevel: van daar proncken, nevelen. In een
onverdragtelijken zin werd dit toegepast op het menschelijk gelaat; en,
evenzeer, als het weder, wanneer het er betrokken of druilig
uitziet, pronkend genoemd werd, zoo ook werd de mensch gezegd te
pronken, als er een zweem van strengheid, zwaarmoedigheid of
ontevredenheid zijn voorhoofd bedekte. | | | |
Het pronken van Juffrou Kraen in de fabel, bij de
teleurstelling en de snakerij, die zij ondervond, was dus niets anders dan het
vertoonen van een strak, ontevreden gezigt.
Vondel gebruikt het woord nog op eene andere
plaats; t. w. in zijn
Helden Godes (uitg. v. 1620), bl. 35. v. 13.
Dáár, na beschreven te hebben job, bedekt met
booze zweren en zittende op een mesthoop, laat hij deze versregels volgen:
‘Zo pronckende hij van verr' gesneuvelt ziet zijn
knapen
In 't ijzer der Chaldeen, en zijn gewolde schapen
Van 's Hemels vlam geroost,…’
Dat pronken dáár een ernstig en bedrukt
gelaat vertoonen, beduidt, is in het oog loopend.
Ook in het Vde bedrijf van den
Gijsbreght van Aemstel komt het voor. De
hoofdpersoon dezes treurspels, het verhaal gevende van zijn vlugt en ontkomen,
zegt onder anderen: (zie v. 1372-1378.)
‘Dies gleê ick by een touw in 't kloosterschuitje
neêr,
Dat juist noch achter lagh, en 'k voer den Aemstel over.
Daer klom ick op een' boom, nu dor en zonder lover,
En luisterde hoe 't met Godts klooster voort verging.
My dacht, dat ick 't misbaer met bey mijn ooren ving,
En zagh, toen ick een poos verbaest had zitten
proncken,
Een' dicken roock en smoock,…’
waar de woorden van v. 1377 beteekenen: ‘toen ik in dien boom
een poos, ontzet, met een strak gelaat, had zitten uitkijken.’
Bij deze voorbeelden, door Vondel ons aan de hand gedaan,
zullen wij er ten slotte nog een paar voegen uit
aldegonde's
Bijen-Corf, (uitg. 1620). Op fol. 29 verso,
onderaan, lezen wij:
Ende tot dien eynde worden sy ernstelijck van den Paus vermaent,
dat sy sullen te biechten gaen, ende voorts des Woensdaeghs, Vrydaeghs ende
Saterdaeghs vasten, ende dan des Sondaeghs Hooch-tijdt houden, in de Processien
gaen proncken, ende haer Aelmissen geven: - | | | |
Dat proncken hier beduidt met een ernstig en stemmig
gelaat zich vertoonen bij de processiën, bewijst de geheele zin.
In dezelfde beteekenis, maar ironicè, gebruikt hij het ook
fol. 16. verso. r. 12, waar hij verhaalt van een oud wijf te Venetië, dat
zich een grooten naam van heiligheid verworven had door soms vijf of zes dagen,
onder devote contemplatiën, in haar celleken te vasten. Zij nam slechts
(zegt hij) twee groote boeken meê ‘van eender formaet ende groote,
daervan het een was een Bijbel ende het ander een kistken van binnen hol,
gemaect, effen gelijck met sloten als een boeck, dat vulde sy met platte
Flesschen vol Malveseyn, ende met goede leckere Marcepeyn, die sy selve van 't
Spier van Capuynen ende velthoenderen, met Suyker ende Amandelen bereyt hadde,
als eenen Bagijnenbout: Ende daer ginc sy henen met dese twee boecken in een
Celleken proncken, ende bleef daer alleen in hare devote contemplatien,
wel somwijlen vyf of ses daghen, biddende voor hare vrome campvechters, ende
lesende wel devotelijck, so langhe tot dat de Bybels heel uytwaren,
-’
Ten slotte stippen wij nog aan, dat hèt zich gereedelijk laat
begrijpen, hoe uit de beteekenis van pronken, als met een strak en
streng gelaat, te voorschijn komen, de thans nog levende beduidenis
van dit woord, als vertooning maken, in het oogloopend opgeschikt in het
openbaar zich voordoen, en pralen zich ontwikkeld heeft.
| |
Vergissen, als bedr. w.w.
In den
Joseph in Egypten zijn v. 691-693 van den
volgenden inhoud:.
‘Laet die om Joffrenpracht zijn tijdt vry gaen
vergissen,
Die zoo veel over heeft, dat hy er van kan missen:
Wat my belangt, mijn tijdt valt kort en schaers
genoegh.’
Vergissen beteekent volgens
Dr. v. Vloten (I. bl. 441. k. 1. n. 2)
verkwisten. Dit wijkt niet ver af van hetgeen | | | | Mr.
v. lennep III. bl. 834, in de noot, gezegd had; t. w.:
‘Vergissen is hier voor vergiessen, vergieten,
weggooien.’
Beide heeren vergissen zich.
Vestigen wij eerst de aandacht op gissen!
Het beduidt: naar waarschijnlijkheid berekenen.
‘Conjectare, conjecturam facere, aestimare conjectura:’ zegt
Kiliaen.
Als de schipper, die er belang bij heeft te weten, wanneer het vloed
of eb zal zijn, het getij naar waarschijnlijkheid berekent, wordt hij gezegd:
het tij te gissen.
Nu kan het gebeuren, dat hij verkeerd gist, en dan drukt men dit uit
door de spreekwijs: ‘zijn tij vergissen.’ Dat het
voorvoegsel ver meermalen dien zin aan de w. w. bijzet, is overbekend:
men denke slechts aan verkijken, verzeilen, enz.
Bij de dichters wordt dit tij vergissen dikwijls
overdragtelijk gebruikt voor zijn kans verzuimen, zijn slag niet wel
waarnemen.
Zoo lezen we bij
Vondel in de
Maeghdebrieven. (Zie v. lennep's
uitgave, IV. bl. 315. v. Vloten, I. bl. 526. k. 2. reg. 2.)
‘De priesterlijcke tong zou licht die kladde afwissen,
En caesar, dus geleert, zijn tij niet meer
vergissen,
Maer, tydigh op de been, verpletten 't godtloos zaet.’
en bij
anslo,
Poëzy, (uitg. v. 1713) bl. 438. v. 1 en
2.
‘- - Maer gy, die 't al verquist
Met sukkelen, denk vry, dat gy uw ty vergist.’
Gelijk nu hij, die zijn tij vergist, zijne goede gelegenheid
verzuimt; zoo wordt vergissen ook in ruimer beteekenis voor
verzuimen en verachteloozen gebruikt. De versregel uit
Vondel in den aanvang dezes aangehaald, strekt
er ten bewijze van. Zijn tijd vergissen is daar zijn tijd niet wel
waarnemen of verwaarloozen.
Desgelijks schrijft anslo, bl. 446. v. 2. vo.
‘ - Hier dient geen tijt vergist.’ d.i. geen
tijd verzuimd.
en in Vondel's Altaergeheimenissen. B. II. v. 947.
(bij
Mr. v. lennep. IV. bl. 536. en bij
Dr. v. Vloten, I. bl. 582. k. 1 reg. 35) vindt
men: | | | |
‘Dat geene ziel haer heil dan zoo
vergisse.’
waar vergisse, verachtelooze beduidt.
Ten slotte voegen wij hier nog bij een tweeregelig versje uit
de brune's
Jok en Ernst, bl. 166. r. 25, luidende:
‘'t Nut, dat gy slof vergist
Is zo, of gy 't verquist.’
vergist is ook hier verachteloost, of
verwaarloost.
Dat we thans vergissen niet meer als bedrijvend, maar slechts
als wederkeerig w.w. gebruiken, weet ieder.
| |
Weren, b. w.w.
In Vondel's dichtstuk: ‘Tot
lof van de kuische en Godvruchtige Martelaresse St. Agnes,’
treft men de navolgende zinsneden aan:
De Rechter moe' van 't lang vertrek
Des doods, verwijst haer teere nek.
Sy sterft eer danse smart kan voelen,
De siel vertreckt na hooger stoelen.
En langs een wit en suiver pad
Geswint sy reist na 's Heeren stad,
En siet de maen beneen haer voeten
Als d'Englen vrolijck haer ontmoeten.
Die haer geleien onbesurgt,
En weren hooch in 's Hemels burgt:
Het woord weren, in den laatstvoorgaanden regel gebruikt, is
door
Dr. van Vloten (I. bl. 151. kol. 2. n. 3)
veranderd in voeren, met bijvoeging dezer aanteekening: ‘Zoo lees
ik voor het onzinnige weren, dat wel niet anders dan een drukfeil zijn
zal.’
In dit vermoeden deelen we niet. Weren komt ons hier alles
behalve onzinnig voor. Het is oorspronkelijk hetzelfde woord, als waren,
(zie Ten Kate's Aenl. II. 723) en beteekent niet
alleen verdedigen, maar ook bewaren, beschermen, beschutten.
Op het einde van den
Ferguut lezen we:
| | | |
‘ - moet ons van vernoye weren,’
d.i. moge ons voor leed bewaren:
en in het Fragment, door
Prof. de Vries medegedeeld in de Verslagen
en berigten, uitgegeven door de vereeniging ter bevordering der oude Ned.
Letterkunde. IIde Jaargang, bl. 23.
‘Ende wy worden gheweert op een slot gheheyten
Campaduck,’ d.i. bewaard.
In de
Spelen van Sinne, van 1539 (Antw. uitg.), fol. 186,
verso. vindt men:
‘Aenveert u cleedt van innocentien,
Weert dees habyten met herten clachtich.’
waar weert weder bewaart beduidt.
Dienovereenkomstig heeft
Kiliaen voor ver-weren, ver-weyren,
zoowel defendere (verdedigen), als tueri
(beschermen).
In den zin van bewaring, beschutting gebruikt Vondel
zelf (zie Pascha, vers 2087) het znw. verweyre.
Desgelijks was oudtijds (zie
melis stoke op verschillende plaatsen) were,
weer, een sterkte, dienende evenzeer tot beveiliging, als tot
verdediging. Weergeld beduidde in de oude Friesche Wetten
1) het geld, tot
bescherming van het vee betaald, en nog gebruiken we borstweer,
borstwering, om den muur aan te wijzen, die de borst beschut.
Doorgaans echter bezigt
Vondel in den bovenvermelden zin het woord
waren, en, zoo
Dr. van Vloten, met opgave van die reden,
hetzelve in plaats van weren had laten drukken, er zou (ofschoon nogtans
door Vondel en zijn tijdgenooten de a meermalen met de e
verwisseld werd) iets voor die geringe verandering te zeggen geweest zijn;
hetgeen voor zijn voeren, naar alle regels eener goede kritiek, het
geval niet is.
Voorbeelden van wat wij daar zoo even zeiden, ontbreken er niet. Zoo
luidt in het Iste Boek van
ovidius
Herscheppinge, vers 189:
‘En om den naam van zulk eene afkomst van nu af
| | | |
‘Te waeren -’ (d.i. Te bewaren.)
en in het XIIIde Boek, vers 1185, 1186.
‘Een bladelooze boom staet lalijk, en een paert
‘Is lalijk, zoo de maen den hals niet dekt en
waert.)’
In het Treurspel
Zungchin (vers 921, 922) zingt de
rei:
‘Natuur, om uw geluk te waeren,
Omheinde, ô Sina, u met baeren,’
(d.i. om uw geluk te beschermen.)
Ware het noodig, wij zouden nog meer dergelijke plaatsen uit
Vondel bij kunnen brengen, doch deze volstaan
voor ons oogmerk. Weren en waren hebben de beteekenis van
bewaren, beschutten, beveiligen, en die beteekenis beschermt hier den
oorspronkelijken tekst van den ouden dichter tegen alle beschuldiging van
onzinnigheid.
| |
Zweveling. Zweven.
Zwerveling. Zwerven.
De woorden van
ovidius (Heroid. Epist.
XV. v. 53 et 54.)
‘At vos erronem tellure remittite nostrum
Nisiades matres, Nisiadesque nurus,’
worden aldus door
Vondel (Heldinnebr. uitg.
v. 1716, bl. 73) in het Neêrduitsch overgebragt:
‘Maer gy Siciliaensche vrouwen en dochters zent mijnen
Door
Mr. v. lennep is in zijne uitgave D. IV. bl.
229, in plaats van zweveling, zwerveling gesteld.
Dr. v. Vloten (I. bl. 504 k. 1. reg. 30) heeft
dit stilzwijgende gevolgd. Beter ware het geweest zulks niet te doen. Zonder
volstrekte noodzakelijkheid moeten er geen woorden in Vondel's tekst
veranderd worden, en die noodzakelijkheid was hier niet aanwezig
1). | | | |
Gelijk van zuigen, zuigeling, van afkomen, afkomeling,
van | | | |
zwerven, zwerveling gevormd wordt; even regelmatig
ontstaat uit zweven, zweveling; en dat dit woord, niet minder juist dan
zwerveling, het Latijnsche erro uitdrukt, lijdt
dáárom geen twijfel, dewijl in onze taal zweven ook de
beteekenis van zwerven (bij
Kiliaen, vagari) bezit.
In dien zin heeft
Vondel in zijn
Helden Godes het aan jacob in den mond
gelegd, als deze (zie Dr. v. Vlotens uitg. I. bl. 106. kol. 2, waar
dit woord, even als meermalen met oude woorden bij hem het geval is, ten
onregte met stilzwijgen wordt voorbijgegaan) zich dus uitlaat:
‘Voor broeder esaus wrock gewaerschouwt van myn
moeder,
Ick zweefde in ballinghschap by laban haren
broeder.’
en zoo ook, in de
Ifigenie in Tauren v. 554, zegt orestes
van den omdolenden ulysses:
‘Hy keerde noch niet t'huis, men zeght hy zwerft en
zweeft.’
Dat bij andere dichters zweven in dien zelfden zin voorkomt,
kan met menig voorbeeld gestaafd worden. Zie hier er eenige: | | | |
Six van chandelier,
Poësy, bl. 325. v. 15.
‘ - kain, naa den doodslagh, gaande
sweeven,’
en dezelfde dichter in zijne
Psalmen (uitg. v. 1690) Ps. CVII v.
20.
‘Hy stortte smaad, en schand,
Op prinssen, trots verheeven,
Als in woest, wegloos land,
Dee hy die dwaalend sweeven’
Cats (uitg. Amst. 1828.) D. II. bl. 218. k. 1.
v. 21. v.o.
‘Maer t' wijl dit seltsaem volck op haere wijze leefde,
En sonder vaste plaets in alle landen sweefde;’
Zie mede aldaar bl. 195. k. 1. v. 31.
Camphuysens
Sticht. Rijmen. (uitg. v. 1647) bl. 302. k. 1.
onderaan.
‘Ach! wendt het gunstich licht
Van 't vaderlijck gesicht
Op my, die eensaem sweeft,’
en bl. 309. kol. 1. r. 5 en 6.
‘Sijn kind'ren moeten weesen, zijn huis-vrou weduw
leven,
En jammerlijck gaen sweven.’
De decker in zijn
Baptistes of Dooper. (Amst. 1656.) bl. 56. v.
20-22.
‘- maer God sal hem 't besit
Eens nemen van sijn rijck, sijn kroon een' ander geven,
En hem in ballingschap ellendig om doen sweven,’
en in zijn
Rijm-oeffeningen (uitg. v. 1726) D. II. bl. 122.
v. 7.
‘Gods oog ontloopt men niet, hoe ver men loopt en
zweeft.’
ook aldaar bl. 200, v. 8.
‘Ghy, die hier zwerft en zweeft langs onbekende
stranden.’
Ook bij
Bilderdijk, die zijn dichterlijk regt om van
een oud woord, als het hem te pas kwam, gebruik te maken, nooit verzaakte, komt
meermalen zweven in den zin van zwerven voor, b.v.
Zedel. Gispingen. (uitg. v. 1820.) bl. 62. v.
4, v.o.
| | | |
Door Azie en Euroop als balling rond moest
zweven.’
Nieuwe Vermaking. (uitg. v. 1829) bl. 53. v.
13.
‘Schoon leeuw en tijgers om ons zweven.
Zie almede
Afodillen. (uitg. 1814.) D. 1. bl. 3. r. 4.
Deze voorbeelden, die gemakkelijk vermeerderd zouden kunnen worden,
mogen volstaan.
Vondel kon met volle regt zweveling voor
erro gebruiken.
|
1)Mr. v. Lennep's Aanteekeningen op
Vondel bevatten ontegenzeggelijk veel goeds,
geestigs en waars. Dr. v. Vloten's werk kan er niet dan meê
winnen, zoo hij er nu en dan uit overneemt. Zulks echter dient met de noodige
zorg te geschieden, want geen graan zonder kaf. De hoogleeraar verliest dit wel
eens uit het oog. Nu en dan is hij wat al te goed van vertrouwen. Wij hebben er
vroeger reeds blijken van gezien en willen er hier nog een paar
aanstippen. Als
Vondel in zijn gedicht,
de Roomsche lier getiteld, den lof van
Horatius bezingt, kent hij dezen een
eereplaats toe
‘- neffens de Dirceesche Swaen,
Mr. v. Lennep (III. bl. 201) verklaart
de Dirceesche Swaen (misschien is het bij hem een schrijffout) door
Amphion. De hoogleeraar (I. bl. 356. kol. 1 n. 8) schrijft hem dit na.
Ondertusschen is het eene vergissing. De uitdrukking, aan den Latijnschen
dichter zelven ontleend, ziet op Pindarus, gelijk bij eene vergelijking
van Vondels versregel met vers 25 der 2 de Ode,
IV de Boek der Carmina, van
Horatius duidelijk blijkt. Nu nog een
staaltje van een anderen aard! In het II de Boek der
Altaergeheimenissen de wonderen des H.
Sacraments beschrijvende, brengt Vondel het voorbeeld bij van
Gorgonia, de zuster van Gregorius van
Nazianze. Ten haren tijde heerschte bij de christengemeente het
geloof, dat van de Αντιτυπα of
Eucharistie eene genezende kracht uitging. Had de bloote aanraking van
Jezus kleed eens heeling aangebragt (zoo redeneerde men), hoeveel te
meer moest dan zijn vleesch en bloed zelf, in 't Sacrament aanwezig, die
gezegende uitwerking hebben.
Gorgonia nu, aan eene ongeneeslijke
kwaal-lijdende, nam geloovig haar toevlugt tot dit vrome middel. Zij had iets
van de Eucharistie bewaard, en, onder gebeden en verzuchtingen dit met hare
ootmoedige tranen mengende, bestreek zij er haar ligchaam mede. Haar hoop werd
niet bedrogen: zij genas.
Vondel (met wiens overtuiging het
kleingeestig zoude zijn den spot te drijven) brengt dit over in fiksche verzen
op deze wijze:
‘De krancke, met den hoofde tegens 't outer
Vast leunende, berst uit met luit gesteen,
En smelt in druck; als eertijts Magdaleen
In tranen, van Godts voeten opgeholpen.
Zij zucht, zij steent, en zweert, niet ongeholpen,
Niet ongeredt te scheiden van 't altaer.
Zoo overstrijcktze al 't lichaam, hier en daar,
Met artsenij van tranen, dieze sprengde
In hare hant; waeronder zij iet mengde
Van 't Heilighdom des dierbren lijfs of bloets,
Voor de aangehaalde woorden heeft
Dr. v. Vloten (1 bl. 588 k. 2 n. 3) niets dan
de navolgende verklaring of aanteekening. ‘Naar
van Lenneps opmerking, komt dit mengseltjen
voor rekening van
Vondel, niet van den vromen Kerkvader of
zijne zuster.’ Zeker hadden we van den hoogleeraar iets deeglijkers
en juisters verwacht. In plaats van eene aardigheid van zijn voorganger
goedschiks over te vertellen, had de Theol. doct. den Kerkvader eens moeten
openslaan: als wanneer hij, ter regtvaardiging van den Dichter, ter
teregtwijzing van Mr. v. lennep en ter inlichting zijner min kundige
lezers, gevonden zoude hebben, dat Vondel bijna letterlijk het verhaal
van
gregorius nazianzenus gevolgd
heeft. ‘Cum caput suum (lezen wij in zijne Opera omnia, ed.
Par. 1778. T. I. fol. 228, 229.) pari cum clamore, lacrymisque, quibus
abundabat, mulieris illius instar, quae olim Christi pedes rigavit, altari
admovisset, nee se prius istud dimissuram esse denunciasset, quam sanitatem
obtinuisset; ac deinde hoc suo pharmaco corpus totum perfudisset; et si quid
uspiam antityporum pretiosi corporis aut sanguinis manus recondiderat, id
lacrymis admiscuisset, (ô rem admirandam!) statim liberatam se morbo
sentit…’ Wij zullen hier niets meer bijvoegen, maar slechts
verwijzen naar hetgeen wij reeds vroeger zeiden D. VI. bl. 16. van dit
Tijdschrift.
1)De min juiste verklaring van pronken
in Mr. v. lennep's, vondel, D. II. bl. 92, te vinden, schijnt Dr.
v. Vloten op den dwaalweg gebragt te hebben.
1)Uitgegeven te Campen en Leeuwarden,
1 ste stuk, bl. 102 § 80.
1)Het is jammer (vroeger merkten wij het
reeds aan), dat prof. van Vloten wat al te dikwijls aan zijne
bezorgdheid om Vondel's tekst (zoo hij meent) te verbeteren gehoor
geeft. Soms maakt hij in zijne noten melding van die veronderstelde
verbeteringen; maar ook niet zelden verandert hij woorden zonder er iets van te
zeggen. Dit is een groot gebrek in zijne uitgave, dewijl men nu zoo als wij
reeds vroeger aanstipten, nooit met zekerheid weet of men Vondel's
woorden, dan wel die van zijn uitlegger, voor zich heeft. Het is niet dan
toevallig, dat men zulke veranderingen bespeurt, doch eenige, waarop onze
aandacht viel, zijn waarlijk niet gelukkiger dan de openlijk door hem bekend
gemaakte. Wij willen ze hier opgeven. In Vondel's
Pascha (uitg. v. 1612) luiden v. 1141 en
1142, als volgt:
‘Daer Pharos met syn kruyn de Firmamenten doet
Verschricken, en vertreet het Aerdrijc met de
voet.’
Door
Dr. v. Vloten (I. bl. 19. Kol. 2. v. 19.
v.o.) is met de voet stilzwijgende veranderd in
met den voet. Dit had hij niet moeten doen. Voet
toch (gelijk vrij bekend is) staat te dezer plaatse bij verkorting voor het
meervoudige voeten. Pharos, verpersoonlijkt wordende, treedt niet met
slechts éénen voet. Het is hier hetzelfde geval, als met de
uitdrukkingen op de been, in de wapen, bij de werke en dergelijken,
waarover door den minkundige verdient nagelezen te worden de
aanteekening van
kluit in
Hoogstraten's Woordenlijst, bl. 45, en de
daar aangehaalde plaats uit
Huydecoper's Proeve. Een ander
voorbeeld! In de fabel van den Arend en den Vos
(n o. XXV van de
Vorst. Warande) komen deze twee versregels
voor:
‘Maer och! 't is al vergeefs, 't en houd niet op van
branden
Oft al 't gebroetsel is met nest met al
ter schanden.’
voor met nest met al heeft de
hoogleeraar laten drukken met nest en al. Zoo zoude men
zeker thans zeggen, maar
Vondel volgde het gebruik van zijn tijd,
hetgeen zijn uitlegger, die toch 's dichters woorden niet behoort te
modernizeren, had dienen te eerbiedigen. Met dit te doen en er dan in zijn noot
dit oude gebruik bij aan te wijzen, zoude hij de jeugd of de mingeoefenden,
voor wie hij schrijft, welligt nog iets, dat ze niet wisten, geleerd
hebben. Van de gezegde oude spreekwijze vindt men menig voorbeeld bij
Vondel. Zie
Ovid. Herschepp. B. XII. v. 645. ‘met
wortelen met al.’
Salmoneus. v. 265. ‘Met koninckrijck
met al,’
Salomon. v. 1898. ‘met stad met
al’
Virgil. in onrijm bl. 218 v. 10. ‘met
roer met al,’ en zoo ook op andere plaatsen. Desgelijks zegt
camphuysen, Ps. LXXV. v.
22.’ ‘met heff' met al.’ Dit met al
(ook wel met allen geschreven) had de beteekenis van gansch en al,
geheel en al, omnino, die nog in ons niet met al, geheel niets,
volstrekt niets, overig is. Nog een voorbeeld! In den
VII den der
Heldinnebrieven (uitg. v. 1716. bl. 35 v. 8)
schrijft
Vondel.
Op 't geleide van dezen Godt wordt gij op de
ongestuimige golven geslingert…’ en in den
XVIII den Brief (bl. 104. v. 11): ‘-de zee nogh
ongestuimiger maken.’ Wat de hoogleeraar hier tegen dit
ongestuimig heeft, deelt hij ons niet mede, maar stilzwijgende verandert
hij het op de eerste plaats in ongestuime en op de tweede in
onstuimiger; (zie zijne uitg. I. bl. 494. k. 1. r. 3. v.o. en bl. 512.
k. 1. r. 12.) Daar dit ongestuimig dikwijls bij
Vondel en de oude dichters voorkomt, had zijn
uitlegger het niet moeten veranderen, waarmede nu buitendien een weinig
inconsequent door hem gehandeld is: op andere plaatsen toch (zie b.v. I. bl.
639. kol. 1. r. 26, en kol. 2. r. 22. bl. 662. kol. 1. r. 6. v.o. enz.) heeft
hij het woord onveranderd laten staan. Ten besluite: In v. 574 van het
Pascha heeft
Dr. v. Vloten in plaats van Gheleeckt
laten drukken Geleek; daarbij aanteekenende (I bl. 14. k. 2. n. 2.):
‘Versta: geleek zij.’ Maar Vondel had
Gheleeckt geschreven (zoo als bij de Ouden dikwijls voorkomt) in plaats
van Gheleeck't, t. w. ‘ het serpentynigh dier’ , dat
het naaste voorafgaat. Met aan den dichter zijn eigen woorden te laten,
behoudens het modernizeren van zijne spelling, had dus de uitlegger veel beter
gedaan. In dat zelfde Pascha, vers 857, heeft 's hoogleeraars
editie, I. bl. 17. k. 1. r. 14. ontvange, voor Vondels
ontfanghen, dat de ware lezing is. Dit echter komt ons voor
slechts een abuis of drukfout te zijn, gelijk er meer dergelijke
onnaauwkeurigheden in zijne uitgave van dit tooneelstuk voorkomen, onder welke
voorzeker niet de geringste is, dat er op bl. 21. kol. 1. twaalf Alexandrijnen
(v. 1305 tot en met v. 1316) geheel zijn weggelaten. De uitgever had wel gedaan
ze bij een ander dozijn tezoekgeraakten, dat in zijn Lijst van
drukfeilen achter Dl. I. is opgenomen, een plaatsje te vergunnen. Het gemis
in den tekst is ondertusschen zeer zinstorend.
|
|