|
|
|
| |
KINDSHEID OF KINDSCHHEID?
Moet men kindschheid (in de beteekenis van infantia,
puerilis aetas) met of zonder ch schrijven?
De Heeren
Weiland en
Siegenbeek (gelijk bekend is) bezigden de
ch. Velen hebben dit beaamd, en niet lang geleden is het nog krachtig
verdedigd door den kundigen redakteur van het Tijdschrift: ‘de
Navorscher,’ den HeerP. Leendertz wz.
1).
Het tegenovergestelde gevoelen echter is reeds voor een twintigtal
jaren door den Heer
A.C. Oudemans, in het Magazijn der Ned.
Taalkunde, D. I. bl. 50, met zulk gevolg beweerd, dat Dr.
W.C. Brill in zijne
Ned. Spraakleer
2) en andere | | | | geleerden na hem (zonder
een opzettelijk onderzoek in te stellen) zich er bij nedergelegd hebben.
Volgens het zeggen van den Heer
Oudemans was het bewuste woord zamengesteld uit
kind en heid, zoodat men eigenlijk (even als onze voorouders
deden, dit zijn zijne woorden, kindheid zoude moeten schrijven;
zijnde er de s (dus gaat hij voort) maar voor de welluidendheid
ingezet.
Wat is er van deze bewering, die zooveel bijval heeft gevonden? Nu
het woord eerlang plaats zal moeten nemen in het Woordenboek, waarmede kunde en
vlijt onze taal staan te verrijken, verdient het nog wel eens van nabij en met
aandacht bekeken te worden.
Naar onze bescheidene meening, zijn er twee punten, waarop men
vroeger niet genoegzaam gelet heeft, en die toch bij de behandeling der vraag
van het uiterste gewigt zijn.
In de eerste plaats staat het wel onomstootelijk vast, dat in onze
taal, naar den algemeenen regel, het achtervoegsel heid (niet aan
substantieven, maar) aan adjectieven wordt gehecht.
Gelijk op iederen algemeenen regel, zoo zijn er, ja, hier ook
uitzonderingen; doch, vergeleken bij de honderden voorbeelden, die den regel
bevestigen, is haar getal zoo bij uitstek gering, dat men er misschien geen
half dozijn zal kunnen oprakelen
1).
Waar er dus mogelijkheid bestaat, dat een woord, op heid
uitgaande, zamengesteld is met een bnw., zouden er al bijzonder zware redenen
aangevoerd moeten worden, indien men met goed gevolg staande wilde houden, dat
het tot de zeer zeldzame afwijkingen behoorde, en heid daarbij aan een
znw. gekoppeld was. | | | |
Een tweede belangrijk punt, dat men ook ten deze niet over het hoofd
moet zien, maar toch over het hoofd gezien heeft, komt hierop neder:
Van het ontelbaar getal woorden in onze taal, die met heid
zijn zamengesteld, is er (voor zoo ver wij hebben kunnen nagaan) geen enkel,
waarbij welluidendheidshalve de voorgewende inschuiving van een s voor
heid heeft plaats gegrepen.
Waartoe zou ze ook noodig zijn geweest? De h immers is geen
consonant, waarop een andere consonant met hardheid konde stooten? Oudtijds
(zoowel als heden nog) zeide men gezwindheid, gezindheid, blindheid,
zonder dat het oor er door gekwetst werd, en waarom zou dan het beweerde
kindheid juist alleen zoo ongelukkig geweest zijn van te mishagen en
eene verandering te behoeven?
Maar hoe zit het met dat kindheid, hetwelk de Heer
Oudemans verzekert, dat door onze voorvaders
gebruikt werd en later in kindsheid voor de euphonie veranderd is?
Welk bewijs levert hij voor dat oude gebruik?
Van al de voorvaderen wordt er slechts één door hem
aangehaald. ‘Spieghel (zegt hij) schreef in zijn
Herte-spieghel, Kallyoop, bl. 393, (lees: vers
393) en Terpsichore, bl. 125 (lees: vers 125) kindheid, en ik
geloof, dat deze schrijver wel zal nagedacht hebben, hoe dit woord te spellen,
of dat hij het gewone spraakgebruik van die tijden zal in acht genomen
hebben.’
Nu is het waar, dat deze ééne voorvader (want andere
zijn ons geheel onbekend) in bovengem. v. 393 van zijn Kallyoop,
kindheid met gesintheid heeft laten rijmen; maar in het
medeaangehaalde v. 125 van zijn Terpsichore schrijft hij niet
kindheid, maar kindsheid. In al de drukken van den
Hart-spieghel, te beginnen met dien van 1614, leest men daar:
‘Ghi zijt al vroegh verrokt. U kindsheid valsche
beelden Zijn ingedrukt,…’
Meer zal er niet noodig zijn om te bewijzen, dat, voor het minst,
Spieghel het met zich zelven omtrent dit woord niet geheel eens was,
en dat ook de stoute verzekering omtrent het gewone spraakgebruik onzer
voorvaders (ware zulks | | | | niet onmogelijk geweest) wel wat beter had
dienen ondersteund te worden.
Doch het is niet noodig hier langer bij stil te staan. Wij zijn
overtuigd, dat de Heer
Oudemans, die, sinds hij het aangehaalde art.
schreef, van zijne aanhoudende taalstudie zulke loffelijke bewijzen gegeven
heeft, het thans niet meer, zoo als het daar ligt, schrijven zoude; maar
intusschen heeft het toch vele anderen, die op zijne verzekeringen met al te
veel vertrouwen afgingen, aan het dwalen gebragt, en daarom vorderde de
waarheid, er niet over te zwijgen.
Dus nu weder ter zake!
Waar het hier geheel op aankomt is dit, dat, daar er aan eene
euphonische inschuiving van een s voor heid niet valt te denken,
en in den regel heid achter een bnw. geplaatst wordt, er slechts de
vraag overblijft, of er een adjectief is, waarvan kindsheid of
kindschheid afkomstig kan zijn.
Dat die vraag niet anders dan bevestigend te beantwoorden is, weet
ieder; maar, dat onze voorouders bij de spelling van dit adjektief geene
eenparigheid in acht hielden, hierop heeft men niet genoeg gelet.
Zij schrijven, zonder zich er veel om te bekommeren, zoowel
kinds, als kindsch, in de beteekenis van infantilis,
puerilis
1), en dat ze dus van dit adjektief nu eens
kindsheid
| | | | en dan weêr kindscheid (de dubbele
h vindt men bijna nooit) maakten, laat zich ligt begrijpen.
Zie hier eenige voorbeelden:
Kiliaen heeft in zijn
Etymologicon (uitg. v. 1599, p. 236):
‘kinds, kindsch, kindisch. Puerilis: & Infans: stultus atque
inconsideratus instar pueri.’
In
Een notabel boec van den leven ons heeren Jesu
Christi, gheprent te Delft, 1488, leest men B. I. Cap 3: ‘Si
(t. w. Maria) heeft haer so doechdeliken so oetmoedeliken in haren
kijntschen dagen voor ende na gedragen gehadt, dat se
…’
J. v. Zevecote (zie zijne
Gedichten, uitg. v. 1840, bl. 223. r. 14)
schreef: ‘Eer dat zijn kintsche tong den drank kan
onderkennen.’
Bij
J.B. Houwaert (in zijn
‘Generalen loop der werelt.’ Amst. 1612,
(volgens onze paginatie bl. 237 r. 18) ontmoet men de uitdrukking:
‘- van in u kintse daghen,’
In
Spieghels
Hert-spieghel treft men de navolgende regels aan:
als
B. V, vers 257:
‘Hij volght d'onnosel kindse neigingh der
naturen.’
B. V, vers 275:
‘- al onnosel kindse neighingh drijft tot
ghoed.’
B. VI, vers 535:
‘De kindse slechte luy ghemeenlik leven
best.’
Six van Chandelier zegt in zijn
Poësy, bl. 585. r. 1:
‘Zoo groet hij, met een kindsche, en broederkus,
Niet naa gewente, u, en ons huis aldus.’
In de
Minnekunst (van
J. v. Heemskerck) uitg. v. 1620, bl. 352, r. 9.
leest men:
‘Wat! loopt niet meer soo kinds heen na u
Moer.’
Bij
Cats in zijn
Spiegel van den Ouden en Nieuwen Tijt. (uitg. v.
1635) Kinder-op-voedinge, bl, 5:
‘- men moet de kintsche jaren
Boven reden niet bezwaren.’
maar in zijn
Twee-en-tachtig-járig leven luidt vers
170: | | | |
‘Oock was 'er toen een gril, die mij geduurig quelde,
En oock mijn kints gemoet in vreemde bochten
stelde:’
In zijn
Gulden Winckel (uitg. 1622) bl. 10. b. r. 12,
schrijft
Vondel:
‘Is 't niet omdat de Wijn den Mensch maect kinds en
vreugdigh.’
maar in zijn
Poëzij, (uitg. v. 1682) D. I. bl. 524, r. 15:
Die van haar kintsche beenen
't Heillicht volght, zoo ras zij 't vint.’
Ook luidt in den
Sofompaneas vers 57:
‘Indien de droom van 't ampt, waartoe ick steegh in 't
endt,
Mijn kindsche onnozelheit dien bittren haet kon
baeren.’
Bij
Camphuysen in zijne
Stichtelijke Rijmen, (uitg. v. 1647) bl. 140, r.
1. v.o., vindt men:
en bl. 221, b. r. 7. v.o.:
‘- 't sot en kindsch gesicht,’
en in zijne
Uytbreyding over de Psalmen, (uitg. v. 1630) Ps.
LXXI. v. 3:
‘- van kindtschen dagen.’
Jeremias de Decker schreef in zijne
Rijm-oeffeningen, (Amst. 1726) D. I. bl. 6, r.
22:
‘Van kindsche beenen Gode en Godsdienst
toegewijd:’
bl. 195, r. 1. v.o.:
‘Derhalven is 't een' meer dan kindsche
zotternye:’
D. II. bl. 109, r. 8. v.o.:
‘Schoon met uw' kindsche jeugd uw koten is
verdwenen.’
In
Poot's
Gedichten. Delf, 1728. D. II. bl. 32, r. 6. leest
men:
‘My heugt nogh van d'onnoosle dagen;
De kindsche vriendschap smaekt my nogh.’
Ten slotte voegen wij hier nog bij
Bilderdijk in zijn
Winterbloemen. (Haarl. 1811.) D. I. bl. 46, r.
13:
‘ Beschroomdheid, kindsche vrees, gaat on macht aan
de hand.’
Uit al deze voorbeelden, waarbij men nog zou kunnen | | | | voegen die, welke de Heer
Leendertz opgegeven heeft, blijkt ten
overtuigendste, dat sinds eeuwen het adjektief kindsch (hoe dan ook
gespeld), in de beteekenis van infantilis, puerilis, bij ons in zwang
geweest is. Een natuurlijk gevolg hiervan mag men het noemen, dat men er ook
van ouds door de gewone toevoeging van heid een substantief van gemaakt
heeft, hetwelk alzoo in den eigenlijken zin infantia, puerilis aetas
beduidde en nog beduidt, en, zonder van natuur te veranderen, overdragtelijk
voor senilis ineptia is aangenomen.
Aan voorbeelden van het eerste is hier almede geen gebrek.
Zoo leest men in het 2de deel der
Oudvlaemsche Gedichten, waarmede Jonkhr.
Ph. Blommaert onzen ouden letterschat vermeerderd
heeft, op bl. 110, v. 84 en 85:
‘Oude kintscheit es worden joecht.
Ende jonghe kintscheit, die niet en weet,
Maect men wethouders ochte beleet.’
In het
Leven van Jesus van 1488, hiervoren aangehaald,
vindt men vooraan in de Tafel:
Dat anderde Capittel. - van der ontfanghenisse ende gheboerte der
ghebenedyder moeder gods marien ende van haer kintscheit
In het N. Testament, gheprent te Antwerpen bij
Jan van Ghelen, Ao. 1526, luidt
Marcus IX. (vers 21.):
ende hi heeft sinen vader ghevraecht, hoe veel tijts ist gheleden,
dat hem dit gebeurt is ende hi heeft hem gheseyt. Van syn kintscheyt
aen.
In een
Handschrift der IV Euangeliën van 1472, in
Le Long's Boekzaal, op bl. 278 en 279 omschreven, en thans in
ons bezit, luidt het antwoord: ‘van sijne kijnscheit.’
In den Leuvenschen Bijbel van 1548, leest men hier: ‘van
sijnder kintscheyt’
Houwaert in zijn
Generalen Loop der Werelt, schrijft op bl 243
(volgens onze paginatie), r. 4:
‘Hoe de kintscheyt veel onghelucken
aencleven.’
| | | |
Is het woord, waarover wij handelen, op al de voormelde plaatsen met
een ch gespeld; dikwijls ontmoet men het ook zonder ch: gelijk
b.v. in den aangehaalden tekst uit
Marcus Euangelie, zoowel in den
Antwerpschen Bijbel, wiens druk
Jacob van Liesveldt met den dood bekocht heeft,
als in onzen Staten-Bijbel.
Ook
Vondel (zie
Gulden Winckel. bl. 1, r. 8, en
Maria Stuart, vers 378), en vele met- en na hem
volgden deze spellingswijze; doch daar zulks, inderdaad hier niets ter zake
afdoet, achten wij het overbodig er over uit te weiden. Dit toch staat
onomstootelijk vast, dat, daar een oud algemeen gebruikt kindheid,
waarin men later een s voor de welluidendheid zou hebben geschoven,
niets meer dan een hersenschim is, en in onze taal heid in den regel
achter bijvoegelijke naamwoorden wordt geplaatst, men met geen
mogelijkheid in kindschheid of kindsheid iets anders zien kan dan
eene zamenstelling met het adjectief kinds of kindsch.
Heeft men nu in later tijd tot op den huidigen dag, minder op de
bloote uitspraak, dan op afleiding en regelmaat acht gevende, verkozen om
kindsch, als uit kindisch zamengetrokken, te schrijven met een
ch; dan dienen wij ook (evenzeer als we thans kuischheid,
boerschheid, slaafschheid, wulpschheid spellen) eenparig kindschheid
te gebruiken.
Het voorstel, door
Dr. v. Vloten gedaan om, niettegenstaande dit
alles, kindsheid, zonder ch, voor infantia te bezigen,
en kindschheid, met een ch, voor suffenden ouderdom te
nemen, noemt de Heer
Leendertz (Navorscher XV. bl. 307) iets
ongerijmds. Deze uitdrukking is zeker niet malsch, maar de taalkundige
redakteur van gez. tijdschrift staaft ze met zulke bondige redenen, dat er wel
niets tegen valt in te brengen. Ook schijnt de hoogleeraar er stilzwijgend in
te hebben berust, hetwelk gewis niemand zal afkeuren.
Rotterdam, den 1sten November 1865.
A. Bogaers.
|
1)De zaakrijke artikelen, door dezen
taalkenner aanvankelijk ter teregtwijzing van
Dr. van Vloten geschreven, vindt men in
jaarg. XIII, bl. 377; XIV, bl. 48 en 375; en XV, bl. 307. Wie belang stelt in
de vraag, moet niet voorbijgaan ze te lezen.
2)Bl. 127 (uitg. 1860). ‘Soms (leest men
daar) worden substantieven - door middel van heid van substantieven
afgeleid: als godheid, kindsheid (de s is een verbindingsklank
als anders tusschen de bestanddeelen eener zamenstelling treedt);
menschheid.’
1)Onder deze moet echter niet gebragt worden
menschheid, door
Dr. Brill t. v. p. als voorbeeld aangehaald.
Teregt toch erkent hij zelf in zijne
Spraakleer, bl. 216, dat mensch
oorspronkelijk een adjektief is. Evenmin had de Heer
Oudemans zich op dorperheid moeten
beroepen. dorper toch (gelijk hij had kunnen lezen in 't
Woordenboek van
Weiland, op wien hij toen wat te zeer uit de
hoogte nederzag) werd oudtijds ook als een bnw. gebezigd. Vergelijk
Kiliaen, i. v. alsmede
Maerlant,
Spiegh. hist. III P. V B. VI C. v. 21, en
Rijmbijbel. v. 5856 en v. 24153.
1)Zoo ging het bij hen ook met andere
woorden, thans algemeen met een ch gespeld. Spieghel b.v. (om slechts
één te noemen) schreef Schoolse, grootse, trotse, Noordtse,
winterse enz.
Christiaen van Heule zegt in zijne
Nederduitsche Grammatica, Leyden 1626, bl. 80 onderaan:
‘Als men in eenig woort eene Letter ofte silbe uytlaet, dat wort
uytlatinge genaemt, als goetheyd, voor goedicheyt, mens,
voor mensch, Zeeuse, Hollanse, voor Zeeusche, Hollansche, deze
uytlatinge wort veeltijts gebruykt, om swaere silben, lichter uyt te
spreken,…’ Later liet
W.A. Winschooten in zijne
Letterkonst, Leiden, 1683, zich over dit
onderwerp dus uit: ‘Wat dan het onderscheid der spelling s en
sch in het midden en het einde der woorden belangd, ons gevoelen is, dat
veele woorden, niet alle, beeter, met een s als sch geschreeven
worden: want wie twijfeld daar aan, dat men veele woorden nu flaauwer
uitspreekt, als wel voor heen; en dat men, lettende op de uitspraak, eer sal
hooren vleesselijk, als vleeschelijk; vissen, als visschen;
vlees, als vleesch; en diergelijke woorden
meer,…’
|
|