auteur:


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Zevende jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1865.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

KINDSHEID OF KINDSCHHEID?

Moet men kindschheid (in de beteekenis van infantia, puerilis aetas) met of zonder ch schrijven?

De Heeren Weiland en Siegenbeek (gelijk bekend is) bezigden de ch. Velen hebben dit beaamd, en niet lang geleden is het nog krachtig verdedigd door den kundigen redakteur van het Tijdschrift: ‘de Navorscher,’ den HeerP. Leendertz wz. 1).

Het tegenovergestelde gevoelen echter is reeds voor een twintigtal jaren door den Heer A.C. Oudemans, in het Magazijn der Ned. Taalkunde, D. I. bl. 50, met zulk gevolg beweerd, dat Dr. W.C. Brill in zijne Ned. Spraakleer 2) en andere

[p. 242]

geleerden na hem (zonder een opzettelijk onderzoek in te stellen) zich er bij nedergelegd hebben.

Volgens het zeggen van den Heer Oudemans was het bewuste woord zamengesteld uit kind en heid, zoodat men eigenlijk (even als onze voorouders deden, dit zijn zijne woorden, kindheid zoude moeten schrijven; zijnde er de s (dus gaat hij voort) maar voor de welluidendheid ingezet.

Wat is er van deze bewering, die zooveel bijval heeft gevonden? Nu het woord eerlang plaats zal moeten nemen in het Woordenboek, waarmede kunde en vlijt onze taal staan te verrijken, verdient het nog wel eens van nabij en met aandacht bekeken te worden.

Naar onze bescheidene meening, zijn er twee punten, waarop men vroeger niet genoegzaam gelet heeft, en die toch bij de behandeling der vraag van het uiterste gewigt zijn.

In de eerste plaats staat het wel onomstootelijk vast, dat in onze taal, naar den algemeenen regel, het achtervoegsel heid (niet aan substantieven, maar) aan adjectieven wordt gehecht.

Gelijk op iederen algemeenen regel, zoo zijn er, ja, hier ook uitzonderingen; doch, vergeleken bij de honderden voorbeelden, die den regel bevestigen, is haar getal zoo bij uitstek gering, dat men er misschien geen half dozijn zal kunnen oprakelen 1).

Waar er dus mogelijkheid bestaat, dat een woord, op heid uitgaande, zamengesteld is met een bnw., zouden er al bijzonder zware redenen aangevoerd moeten worden, indien men met goed gevolg staande wilde houden, dat het tot de zeer zeldzame afwijkingen behoorde, en heid daarbij aan een znw. gekoppeld was.

[p. 243]

Een tweede belangrijk punt, dat men ook ten deze niet over het hoofd moet zien, maar toch over het hoofd gezien heeft, komt hierop neder:

Van het ontelbaar getal woorden in onze taal, die met heid zijn zamengesteld, is er (voor zoo ver wij hebben kunnen nagaan) geen enkel, waarbij welluidendheidshalve de voorgewende inschuiving van een s voor heid heeft plaats gegrepen.

Waartoe zou ze ook noodig zijn geweest? De h immers is geen consonant, waarop een andere consonant met hardheid konde stooten? Oudtijds (zoowel als heden nog) zeide men gezwindheid, gezindheid, blindheid, zonder dat het oor er door gekwetst werd, en waarom zou dan het beweerde kindheid juist alleen zoo ongelukkig geweest zijn van te mishagen en eene verandering te behoeven?

Maar hoe zit het met dat kindheid, hetwelk de Heer Oudemans verzekert, dat door onze voorvaders gebruikt werd en later in kindsheid voor de euphonie veranderd is?

Welk bewijs levert hij voor dat oude gebruik?

Van al de voorvaderen wordt er slechts één door hem aangehaald. ‘Spieghel (zegt hij) schreef in zijn Herte-spieghel, Kallyoop, bl. 393, (lees: vers 393) en Terpsichore, bl. 125 (lees: vers 125) kindheid, en ik geloof, dat deze schrijver wel zal nagedacht hebben, hoe dit woord te spellen, of dat hij het gewone spraakgebruik van die tijden zal in acht genomen hebben.’

Nu is het waar, dat deze ééne voorvader (want andere zijn ons geheel onbekend) in bovengem. v. 393 van zijn Kallyoop, kindheid met gesintheid heeft laten rijmen; maar in het medeaangehaalde v. 125 van zijn Terpsichore schrijft hij niet kindheid, maar kindsheid. In al de drukken van den Hart-spieghel, te beginnen met dien van 1614, leest men daar:

‘Ghi zijt al vroegh verrokt. U kindsheid valsche beelden Zijn ingedrukt,…’

Meer zal er niet noodig zijn om te bewijzen, dat, voor het minst, Spieghel het met zich zelven omtrent dit woord niet geheel eens was, en dat ook de stoute verzekering omtrent het gewone spraakgebruik onzer voorvaders (ware zulks

[p. 244]

niet onmogelijk geweest) wel wat beter had dienen ondersteund te worden.

Doch het is niet noodig hier langer bij stil te staan. Wij zijn overtuigd, dat de Heer Oudemans, die, sinds hij het aangehaalde art. schreef, van zijne aanhoudende taalstudie zulke loffelijke bewijzen gegeven heeft, het thans niet meer, zoo als het daar ligt, schrijven zoude; maar intusschen heeft het toch vele anderen, die op zijne verzekeringen met al te veel vertrouwen afgingen, aan het dwalen gebragt, en daarom vorderde de waarheid, er niet over te zwijgen.

Dus nu weder ter zake!

Waar het hier geheel op aankomt is dit, dat, daar er aan eene euphonische inschuiving van een s voor heid niet valt te denken, en in den regel heid achter een bnw. geplaatst wordt, er slechts de vraag overblijft, of er een adjectief is, waarvan kindsheid of kindschheid afkomstig kan zijn.

Dat die vraag niet anders dan bevestigend te beantwoorden is, weet ieder; maar, dat onze voorouders bij de spelling van dit adjektief geene eenparigheid in acht hielden, hierop heeft men niet genoeg gelet.

Zij schrijven, zonder zich er veel om te bekommeren, zoowel kinds, als kindsch, in de beteekenis van infantilis, puerilis 1), en dat ze dus van dit adjektief nu eens kindsheid

[p. 245]

en dan weêr kindscheid (de dubbele h vindt men bijna nooit) maakten, laat zich ligt begrijpen.

Zie hier eenige voorbeelden:

Kiliaen heeft in zijn Etymologicon (uitg. v. 1599, p. 236): ‘kinds, kindsch, kindisch. Puerilis: & Infans: stultus atque inconsideratus instar pueri.’

In Een notabel boec van den leven ons heeren Jesu Christi, gheprent te Delft, 1488, leest men B. I. Cap 3: ‘Si (t. w. Maria) heeft haer so doechdeliken so oetmoedeliken in haren kijntschen dagen voor ende na gedragen gehadt, dat se …’

J. v. Zevecote (zie zijne Gedichten, uitg. v. 1840, bl. 223. r. 14) schreef: ‘Eer dat zijn kintsche tong den drank kan onderkennen.’

Bij J.B. Houwaert (in zijn ‘Generalen loop der werelt.’ Amst. 1612, (volgens onze paginatie bl. 237 r. 18) ontmoet men de uitdrukking:

 
‘- van in u kintse daghen,’

In Spieghels Hert-spieghel treft men de navolgende regels aan: als

B. V, vers 257:

 
‘Hij volght d'onnosel kindse neigingh der naturen.’

B. V, vers 275:

 
‘- al onnosel kindse neighingh drijft tot ghoed.’

B. VI, vers 535:

 
‘De kindse slechte luy ghemeenlik leven best.’

Six van Chandelier zegt in zijn Poësy, bl. 585. r. 1:

 
‘Zoo groet hij, met een kindsche, en broederkus,
 
Niet naa gewente, u, en ons huis aldus.’

In de Minnekunst (van J. v. Heemskerck) uitg. v. 1620, bl. 352, r. 9. leest men:

 
‘Wat! loopt niet meer soo kinds heen na u Moer.’

Bij Cats in zijn Spiegel van den Ouden en Nieuwen Tijt. (uitg. v. 1635) Kinder-op-voedinge, bl, 5:

 
‘- men moet de kintsche jaren
 
Boven reden niet bezwaren.’

maar in zijn Twee-en-tachtig-járig leven luidt vers 170:

[p. 246]
 
‘Oock was 'er toen een gril, die mij geduurig quelde,
 
En oock mijn kints gemoet in vreemde bochten stelde:’

In zijn Gulden Winckel (uitg. 1622) bl. 10. b. r. 12, schrijft Vondel:

 
‘Is 't niet omdat de Wijn den Mensch maect kinds en vreugdigh.’

maar in zijn Poëzij, (uitg. v. 1682) D. I. bl. 524, r. 15:

 
‘- hij bemint
 
Die van haar kintsche beenen
 
't Heillicht volght, zoo ras zij 't vint.’

Ook luidt in den Sofompaneas vers 57:

 
‘Indien de droom van 't ampt, waartoe ick steegh in 't endt,
 
Mijn kindsche onnozelheit dien bittren haet kon baeren.’

Bij Camphuysen in zijne Stichtelijke Rijmen, (uitg. v. 1647) bl. 140, r. 1. v.o., vindt men:

 
Kindsch is de vraeg. -’

en bl. 221, b. r. 7. v.o.:

 
‘- 't sot en kindsch gesicht,’

en in zijne Uytbreyding over de Psalmen, (uitg. v. 1630) Ps. LXXI. v. 3:

 
‘- van kindtschen dagen.’

Jeremias de Decker schreef in zijne Rijm-oeffeningen, (Amst. 1726) D. I. bl. 6, r. 22:

 
‘Van kindsche beenen Gode en Godsdienst toegewijd:’

bl. 195, r. 1. v.o.:

 
‘Derhalven is 't een' meer dan kindsche zotternye:’

D. II. bl. 109, r. 8. v.o.:

 
‘Schoon met uw' kindsche jeugd uw koten is verdwenen.’

In Poot's Gedichten. Delf, 1728. D. II. bl. 32, r. 6. leest men:

 
‘My heugt nogh van d'onnoosle dagen;
 
De kindsche vriendschap smaekt my nogh.’

Ten slotte voegen wij hier nog bij Bilderdijk in zijn Winterbloemen. (Haarl. 1811.) D. I. bl. 46, r. 13:

 
‘ Beschroomdheid, kindsche vrees, gaat on macht aan de hand.’

Uit al deze voorbeelden, waarbij men nog zou kunnen

[p. 247]

voegen die, welke de Heer Leendertz opgegeven heeft, blijkt ten overtuigendste, dat sinds eeuwen het adjektief kindsch (hoe dan ook gespeld), in de beteekenis van infantilis, puerilis, bij ons in zwang geweest is. Een natuurlijk gevolg hiervan mag men het noemen, dat men er ook van ouds door de gewone toevoeging van heid een substantief van gemaakt heeft, hetwelk alzoo in den eigenlijken zin infantia, puerilis aetas beduidde en nog beduidt, en, zonder van natuur te veranderen, overdragtelijk voor senilis ineptia is aangenomen.

Aan voorbeelden van het eerste is hier almede geen gebrek.

Zoo leest men in het 2de deel der Oudvlaemsche Gedichten, waarmede Jonkhr. Ph. Blommaert onzen ouden letterschat vermeerderd heeft, op bl. 110, v. 84 en 85:

 
‘Oude kintscheit es worden joecht.
 
Ende jonghe kintscheit, die niet en weet,
 
Maect men wethouders ochte beleet.’

In het Leven van Jesus van 1488, hiervoren aangehaald, vindt men vooraan in de Tafel:

Dat anderde Capittel. - van der ontfanghenisse ende gheboerte der ghebenedyder moeder gods marien ende van haer kintscheit

In het N. Testament, gheprent te Antwerpen bij Jan van Ghelen, Ao. 1526, luidt Marcus IX. (vers 21.):

ende hi heeft sinen vader ghevraecht, hoe veel tijts ist gheleden, dat hem dit gebeurt is ende hi heeft hem gheseyt. Van syn kintscheyt aen.

In een Handschrift der IV Euangeliën van 1472, in Le Long's Boekzaal, op bl. 278 en 279 omschreven, en thans in ons bezit, luidt het antwoord: ‘van sijne kijnscheit.’

In den Leuvenschen Bijbel van 1548, leest men hier: ‘van sijnder kintscheyt

Houwaert in zijn Generalen Loop der Werelt, schrijft op bl 243 (volgens onze paginatie), r. 4:

 
‘Hoe de kintscheyt veel onghelucken aencleven.’
[p. 248]

Is het woord, waarover wij handelen, op al de voormelde plaatsen met een ch gespeld; dikwijls ontmoet men het ook zonder ch: gelijk b.v. in den aangehaalden tekst uit Marcus Euangelie, zoowel in den Antwerpschen Bijbel, wiens druk Jacob van Liesveldt met den dood bekocht heeft, als in onzen Staten-Bijbel.

Ook Vondel (zie Gulden Winckel. bl. 1, r. 8, en Maria Stuart, vers 378), en vele met- en na hem volgden deze spellingswijze; doch daar zulks, inderdaad hier niets ter zake afdoet, achten wij het overbodig er over uit te weiden. Dit toch staat onomstootelijk vast, dat, daar een oud algemeen gebruikt kindheid, waarin men later een s voor de welluidendheid zou hebben geschoven, niets meer dan een hersenschim is, en in onze taal heid in den regel achter bijvoegelijke naamwoorden wordt geplaatst, men met geen mogelijkheid in kindschheid of kindsheid iets anders zien kan dan eene zamenstelling met het adjectief kinds of kindsch.

Heeft men nu in later tijd tot op den huidigen dag, minder op de bloote uitspraak, dan op afleiding en regelmaat acht gevende, verkozen om kindsch, als uit kindisch zamengetrokken, te schrijven met een ch; dan dienen wij ook (evenzeer als we thans kuischheid, boerschheid, slaafschheid, wulpschheid spellen) eenparig kindschheid te gebruiken.

Het voorstel, door Dr. v. Vloten gedaan om, niettegenstaande dit alles, kindsheid, zonder ch, voor infantia te bezigen, en kindschheid, met een ch, voor suffenden ouderdom te nemen, noemt de Heer Leendertz (Navorscher XV. bl. 307) iets ongerijmds. Deze uitdrukking is zeker niet malsch, maar de taalkundige redakteur van gez. tijdschrift staaft ze met zulke bondige redenen, dat er wel niets tegen valt in te brengen. Ook schijnt de hoogleeraar er stilzwijgend in te hebben berust, hetwelk gewis niemand zal afkeuren.

 

Rotterdam, den 1sten November 1865.

A. Bogaers.