|
|
|
| | | | | |
EENIGE TAAL- EN DICHTKUNDIGE AANMERKINGEN, NAAR AANLEIDING VAN
DE TWEE EERSTE AFLEVERINGEN VAN HET WOORDENBOEK DER NEDERLANDSCHE TAAL.
voorgedragen in de vergadering van de maatschappij der
nederlandsche letterkunde te leiden, van den 2den
december 1865.
door
Mr. S.J.E. Rau
1).
M.H.
Sinds ik het laatst de eer had het woord hier te voeren, is eene
langgewenschte en bijna opgegeven zaak haar verwezenlijking ingetreden, die bij
het gansche letterlievend publiek van Nederland aangenaam is, en in 't byzonder
de belangstelling dezer Maatschappij steeds gewekt heeft. Het
Woordenboek der Nederlandsche Taal, van een der rijkste
en schoonste talen die de beschaving ooit gesproken heeft, heeft aangevangen te
verschijnen, onder eene Redactie harer waardig; en wij mogen ons verheugen, dat
een zoo colossaal als onmisbaar werk op eene wijze in het licht treedt, die ons
telkens het spreekwoord voor den geest roept: een goed begin is het halve
werk. | | | |
Het zal U dus niet bevreemden, dat ik, in deze gevoelens deelend,
met de liefde die ik steeds voor onze moedertaal gevoed heb, aan hetgeen wij
thands reeds van dit werk ons mogen ten nutte maken de stof ontleene, waar ik
uwe aandacht eenige oogenblikken op wilde vestigen.
Het kan niet anders, bij een werk als dit, of zelfs hij die het meer
dan iemand waardeert en geniet vindt er het een of ander in, dat hij anders zou
gewenscht hebben dan het is. Over eenige punten, die bij mij zoodanig verschil
van gevoelen met de geëerde Redactie gewekt hebben, verlang ik te spreken,
met die vrijmoedigheid die zij, bij monde van onzen Voorzitter, in zijn
welsprekende en echt vrijgevige rede voor het Nederlandsch letterkundig Congres
onlangs uitgesproken, heeft aangemoedigd en uitgelokt. Ik kan mij dus hier
onthouden van vervelende plichtplegingen en verzekeringen, dat ik aan mijn
tegenspraak niet meer waarde hecht dan zij tot wie zij gericht is er aan
toekennen: - dit alleen moet ik hier zeggen, om eens-voor-al aan de oprechtheid
en bescheidenheid die deze rede vordert te voldoen, dat ik mij bewust ben, hier
niets anders in uw midden te brengen dan het werk van een dilettant, die zijn
taal lief, en steeds eenigen smaak voor philologische studiën gevoed
heeft. Niets meer.
Ik begin met wat mij het meest ter harte gaat, daar het samenhangt
met den wensch naar den spoedigen voortgang van het werk dat wij toejuichen;
een natuurlijken wensch, vooral bij den reeds gevorderde in leeftijd, die gaarn
wat goed begonnen is goed voleindigd wilde zien. Welkom waren mij daarom de
toezeggingen hieromtrent, in de door mij vermelde rede, gedaan: maar door
hetzelfde gevoel wordt mijn aandacht getrokken tot al wat de voltooiing van het
Woordenboek der Nederlandsche taal zonder noodzaak zou vertragen.
Eenige losse gedachten, die hiertoe betrekking hebben wilde ik het
eerst u mededeelen.
Mocht het zijn, dat te weinige bekendheid, met wat omtrent dit
onderwerp in tijdschriften reeds gezegd is, mij onwillekeurig | | | | iets
doet herhalen, dat reeds door anderen is opgemerkt, dan verzoek ik vooraf
hiervoor uwe verschooning.
Misschien zou men den gewenschten voortgang van het geheel kunnen
bespoedigen door de uitgebreidheid in wat niet volstrekt vereischt wordt te
besnoeien. Het zou kunnen zijn, dat men in de ter verduidelijking aangevoerde
voorbeelden, wanneer het geene aanhalingen zijn, soms minder omhaal van woorden
verlangde. Eene andere bedenking, die, ter bekorting, van meer belang zou zijn,
wenschte ik hier vooral in overweging te geven. Ten aanzien van samengestelde
werkwoorden, wanneer bij de behandeling van het voorzetsel of bijwoord zekere
kracht duidelijk is aangewezen, die dit rededeel aan een bepaald slag van
werkwoorden waar het meê samengesteld kan worden geeft, komt het mij
overtollig voor, de gansche reeks dier samenstellingen, waar zij slechts de
zuivere toepassing zijn van het reeds opgegeven taaleigen, in het Woordenboek
op te nemen, immers met uitgebreide voorbeelden te staven. Zoo, wanneer op het
woord aan, als bijwoord beschouwd, (sub no. 34, lit.
j, 2e al.) is opgeteekend, dat dit woord strekt om aan te
duiden, dat ‘eene werking met ijver en spoed geschiedt’ - en dat
‘deze beteekenis zich laat toepassen op alle werkwoorden die eene werking
te kennen geven welke eenigen duur heeft, en waarbij men denkt aan eene taak
die afgedaan moet worden’: - dan komt mij voor, dat het niet noodig is,
de reeks van alle zoodanige werkwoorden met aan samengesteld, wanneer
die samenstelling hun geene andere dan de vermelde beteekenis geeft, in het
Woordenboek op te nemen; althands van voorbeelden te voorzien; en dat, waar men
ze meende in dien zin te moeten vermelden, een bloote verwijzing naar de
bedoelde paragraaf der behandeling van aan genoegzaam zou zijn. Zoo
had men zich kunnen ontslaan van de vermelding van het w.w.
aanarbeiden, of die kunnen bekorten: men had even zoo kunnen handelen
met de 2e § van het onzijdig aanbaggeren; met de
2e § van aanbakken, enz. Want | | | | indien men
zich verplicht acht, de gansche reeks der werkwoorden die eene werking
voorstellen, in deze hunne verbinding met aan, breedvoerig te
behandelen, dan zal men dezelfde reeks, indien men zich gelijk wil blijven,
evenzoo moeten behandelen, wanneer men tot andere bijwoorden of voorzetsels
gekomen is, die of een dergelijke of een verschillende, maar evenzeer door de
gansche reeks zich gelijkblijvende kracht op de beteekenis dezer werkworden
uitoefenen. Zoo als men zegt, aanarbeiden, aanbaggeren, aanbakken, enz.,
zegt men, voortarbeiden, voortbaggeren, voortbakken. Zal men, wanneer
men op voort is gekomen, en deze kracht van het bijwoord in de
samenstelling voldoende heeft opgegeven, op nieuw beginnen met de vermelding
van ieder dezer woorden afzonderlijk? met zoodanige voorbeelden: ‘Gij
moet wat voortarbeiden, anders verdient gij den kost niet: - Gij moet
wat voortbaggeren, anders zend ik u weg: - De man moet goed
voortgebakken hebben; de gansche bestelling is reeds geleverd’
enz. Zal men hetzelfde niet reeds vroeger moeten doen, wanneer men is gekomen
aan toe? en de reeks aldaar behandelen van toearbeiden,
toebaggeren, toebakken: - om de gebruikers van het Woordenboek te doen
beseffen, hoe men kan zeggen: ‘arbeid maar toe: - bagger
maar toe: - bak maar toe’. - Men zie zelf toe, in
welk eene onbegrensde uitgebreidheid men zich dus begeeft. En dan nog zal men,
bij het wederom opvatten dier reeks, zich verplicht achten die te verlengen;
omdat men op zal merken, dat men onder de samenstellingen met aan
sommige der werkwoorden eene werking voorstellende heeft overgeslagen, en zich
in hunne vermeldingen niet gelijk is gebleven. Dat men b.v. een 2e
§ bij aandweilen heeft verzuimd te maken: - immers zegt men tegen
de dienstmeid: ‘dweil wat aan: de gasten komen
haast’, of iets dergelijks: - dat men zoodanige § heeft overgeslagen
bij aanjuichen: soms toch worden in den schouwburg, en ook wel elders,
gehuurde juichers gebezigd; men kan zich voorstellen, dat door den aannemer van
zulk gejuich tegen hen gezegd | | | | wordt: - ‘juicht wat
aan: men hoort u niet genoeg’: - dat even als men aanharken,
aanschoffelen, en aanploegen heeft vermeld, men aanboomen,
aaneggen, aandelven vermeld kon hebben.
Een dergelijke aanmerking zou men kunnen maken op de reeks der
werkwoorden een beweging te kennen gevende, met aan samengesteld, in
den zin van ‘nadering’. (§ 34. g.) Evenwel strekt deze
aanmerking niet daarheen, dat ik, waar onze groote dichters en schrijvers
zoodanige eigenschap der taal gebruikt hebben, om minder gewone, sierlijke en
krachtige woorden te vormen, ik deze onvermeld zou wenschen.
Zoo heb ik, integendeel, juist in deze reeks het woord
aanbrallen gemist, door Vondel zeer schoon aangewend, in zijn
Hierusalem Verwoest: (bl. 33),
Lang eer de gramschap noch des Kaizers, veel getergt,
Zijn hengsten briesschen dede, en draven in 't geberght:
Lang eer noch Titus kwam aanbrallen op ons vesten.
Bij het woord aangrenzen had misschien ook kunnen worden
aangeteekend, dat het op personen wordt overgedragen, die, door hunne
bezittingen, of hun gebied, in nabuursbetrekking ergens toe gebracht worden.
Zoo leest men bij
Vondel, in de
Gebroeders: (bl. 20.) (Hoe) -
- -al 't land en de aangegrensde heeren
Zich wapenden om strijt, om dit geweld te keeren.
En daar wij bij de samenstellingen met aan stilstaan, mag
ik hier een paar andere uitdrukkingen hiertoe behoorende vermelden? die uit een
zeer beperkte belezenheid mij bijgebleven, mij schenen, onder de schatten van
het Woordenboek een plaats te kunnen vinden. Alhoewel ik zeer goed besef, hoe
onbillijk, en zelfs eenigszins ongerijmd het zou zijn, in een taal als de onze,
van haar lexicografen de volstrekte volledigheid te eischen.
Waar het woord aanslag vermeld wordt, in zijne beteekenis
van ‘beraamd plan, of voornemen’, had, dunkt | | | | mij, de
uitdrukking kunnen zijn opgeteekend: in aanslag zijn, voor: ‘samen
iets beramen; ergens toe samenzweren.’ Men vindt haar bij
Hoogvliet, (Abraham, bl.
85.)
Die twee gedrochten die den rijkdom meest verzellen
Zijn nu in aanslag, om mijns Abrams rust te
ontstellen.
Ook had, bij het w.w. aanschennen waar het
‘aanporren, aanhitsen’ beteekent, met een persoon als voorwerp,
aangeteekend kunnen worden, dat soms het zakelijk voorwerp, waartoe de daad
betrekking heeft, met tot wordt in de rede gebracht; als bij
Feitama, in
Pertharitus, (Ve Bedr. 2e toon.
bl. 344).
't Is Garibald alleen, die, uit een laffe list,
Wiens wit ik licht vermoed, zijn Koning niet wil kennen,
En mij tot koningsmoord verwoed tracht aan te
schennen.
Ik weet, dat Feitama als dichter niet hoog staat
aangeschreven, en vooral tegenwoordig moet hij vreeselijk in minachting zijn.
Reeds
Bilderdijk heeft zijn naam gebruikt, om hem de
zwakke poëzy der XVIIIe eeuw te doen vertegenwoordigen; waar
hij sprak van: het spoor te volgen ‘van zooveel Feitamaas’. Hem
ontbraken, als dichter, als aan velen op onzen zangberg, vinding en verheffing
van geest; maar als taalkenner, of (wilt gij 't zoo) als taalzifter, verdient
hij eene eervolle plaats en het recht van spreken, in een Woordenboek der
Nederlandsche Taal. Hij zou anders niet, ook waar hij vertaalde en slechts de
denkbeelden van anderen behoefde uit te drukken, verzen kunnen maken, die,
zelfs als poëzy, te prijzen zijn. Hoort, tot een voorbeeld, deze plaats
uit den Telemachus; waar Minerva, de onbekende geleidster van den Held, zich
onthult, en de sinds jaren aangenomen gedaante van Mentor aflegt.
Zodra hij heeft voleind den offerdienst te plegen,
Geleid hem Mentor in een bosch, langs duistre wegen.
Hier speurt hij, op één stond, dat zijn doorluchte
vrind,
Van wezenstrek vernieuwd, veel schooner zich bevind.
(Waren er veel verzen als dit, ik zou het stuk niet
voorlezen).
| | | |
Hij ziet de rimpels uit het aangezicht verdwijnen:
Gelijk de duisternis, als 't licht begint te schijnen.
En dat de schoone Auroor de poort ontsluit van 't Oost, (dit
dat valt ook moeielijk te verdedigen.)
Wanneer ze, op Febus komst, met purpren kaken bloost.
Zijn straf en hol gezicht, met nevels korts betogen,
Verandert nu in zagte en hemelverwige oogen.
Zij tintlen meer en meer van goddelijken glans.
De grijze oneffen baard des achtbren ouden mans
Verdwijnt in dunne lucht: de fiere en eedle trekken
Op 't minzaam aangezicht, die 't zoetste ontzag verwekken,
Vertoonen aan den Prins een maagdelijk gelaat,
Veel gladder dan een bloem die 's morgens opengaat;
Waarop het lelywit en 't lieflijk blos der rozen
Eene eeuwigfrissche jeugd aanbiddelijk doen blozen.
(Ook die gladde bloem, die 's morgens opengaat; en
dien blos, die de jeugd doet blozen, wil ik volstrekt niet
gehouden zijn te bewonderen.)
Daar zich een ongezochte, een lieve eenvouwdigheid
Bekorelijk vermengt met achtbre majesteit.
Haar golvend hair verspreidt de lieflijkste ambergeuren,
Haar kleeding blinkt, gelijk de levendige kleuren
Waarmeê de morgenzon de hemelboog bemaalt,
Als zij, met goud gehuld, door donkre wolken straalt.
Dees godheid raakt geen grond, maarzweeft door deijdle perken
Der lucht, zo vlug gelijk een arend op zijn vlerken.
De glinsterende speer, in haren vuist gevat,
Verschrikt het moedigst volk, en de allersterkste stad,
Ja, Mavors zelf: haar stem is zacht, bedaard, en tevens
Vol nadruks: ieder woord, vol minzaamheid, vol levens,
Dringt als een blimsemschicht in 's jonglings edel hart,
Waardoor het wordt vervuld met liefelijke srnart.
Of wilt gij een ander voorbeeld, uit de vertaling van de Henriade
(VIIe boek, bl. 135), waar ‘het paleis van 't hemelsch
Raadsbesluit,’ als het daar genoemd wordt, voor den. Held geopend
wordt? | | | |
De rustelooze Tijd, die met een' vluggen voet
Zich onbemerkbaar uit en in dit Raadshof spoedt,
Stort, naar Gods wil, van daar, uit zijnen vollen horen,
Den rampspoed en 't geluk, ons dag aan dag beschoren.
Een ijzren outer draagt een boek van diamant,
't Geschichtboek van 't aanstaand', beschreven door Gods hand,
Onleesbaar voor den mensch, wiens neiging, vreugd en kwelling,
Hier aangeteekend, niets verijdlen dier voorspelling.
De Vrijheid, hoe verwaand ze op haar vermogen stoff',
Op onnaspeurbre wijz' gebreideld in dit hof,
En magtloos zich den toom, haar onbekend te ontrukken,
Leert, zonder dwang verheerd
(ik las liever: beheerscht:)
hier voor haar Schepper bukken.
Somwijl te meer geboeid, hoe die geheimenis,
Die wondre toom, te meer voor haar verborgen is.
Schoon ze, onderworpen, waant steeds uit zich zelf te werken;
Ja, dikwijls Gods bewint vermetel durft beperken.
Die zich op deze wijze van de Nederlandsche taal bediende heeft er
aanspraak op, dat hij in haar Pantheon (als hoedanig ik haar Woordenboek, onder
zulk eene Redactie uitgegeven, beschouwe) worde opgenomen, nevens meer geniale,
maar soms minder zuivere schrijvers.
En dit geleidt mij tot eene andere beschouwing, die misschien tot de
besnoeiing van eenige min dienstige ranken in het Woordenboek zou kunnen
strekken, en dus tot de bevordering eener beknoptheid, die mij bij zoodanig
werk wenschelijk schijnt, overal waar zij, zonder opoffering van iets
degelijks, kan worden bereikt.
De schrijvers door de keuze der Redactie tot classieke auteuren, in
den eigenlijken zin des woords, verheven, om als getuigen te strekken van de
Nederlandsche taal, zoo als zij zich tot haar hoogsten bloei ontwikkeld heeft
en thands bestaat, hebben daarom niet allen volstrekt onberispelijk
geschreven. | | | | De Redactie erkent dit, waar zij b.v. spreekwijzen in
Van der Palm aanwijst, om die af te keuren, en
er tegen te waarschuwen. Het is daarom zeer te wenschen, dat geene voorbeelden
van twijfelachtige gehalte, die door het gezag dier schrijvers, vereenigd met
dat der Redactie, wet zouden kunnen maken, in het Woordenboek worden opgenomen,
veelmin door opzettelijk daartoe vervaardigde voorbeelden worden gesteund.
Vooral is dit van belang, ten aanzien van schrijvers die den gemeenzamen stijl
hebben beoefend; waarin, wanneer de smaak niet zeer gekuischt is, men
lichtelijk vervalt tot idiotismen niet aan het heerschend gebruik ontleend,
maar aan den persoon eigen die ze bezigt. Ik heb hier het oog op de gevierde
schrijfsters, aan wie bij de samenstelling van het Woordenboek een breede
plaats is ingeruimd, de dames
Wolff en
Deken. Ik verlang niets van de letterkundige waarde der
schriften dezer dames af te dingen.
Bilderdijk, in eene opwelling van
verstoordheid, noemde haar pen ‘onkiesch;’ maar ik geloof dat hij
die soort van onkieschheid bedoelde, die op lichtvaardigen toon spreekt van wat
eenvoudige en gemoedelijke lezers, en die zelven eerbiedwaardig zijn,
eerbiedigen. Ik wilde alleen dit zeggen, dat deze dames zeer vlug met haar pen
waren, en wel eens het voorkomen hebben, van brief op brief aan hare lange
romans te hebben toegevoegd ‘stantes pède in uno,’
als
Horatius zegt; of zóó, dat zij
aan eene uitdrukking van
Chateaubriand, aangaande de gedenkschriften van
den
Hertog de st. Simon, doen denken: ‘il
écrivait à la diable des pages immortelles.’ Vooral wanneer
zulke onsterfelijke bladzijden in gemeenzamen stijl geschreven zijn, bevatten
zij dikwijls wat den toets der zuiverheid niet kan doorstaan. Ik meen, in den
voorraad van plaatsen, die de twee eerste afleveringen van het Woordenboek uit
de Wolff- en Dekenromans ons aanbieden, te kunnen aanhalen wat dit gevoelen
bevestigt.
Bij de behandeling van aan als voorzetsel (col. 33) vinde
ik de spreekwijze: ‘kennis hebben aan iets’ opgenomen, | | | | en tot staving daarvan een voorbeeld uit
Sara Burgerhart: ‘Mijne liefde voor u is gegrond
op de kennis die ik aan uw karakter heb.’ Nu kan
men, dunkt ons, in het algemeen opmerken, dat waar twee z. naamwoorden in de
rede zijn, waarvan het een een zielseigenschap of toestand uitdrukt, die het
ander tot voorwerp heeft harer werking, beschouwing, of ondervinding, dit
voorwerp met van aan het onderwerpelijke z. naamwoord wordt vastgehecht.
Zoo spreekt men van: ‘een gevoel van leegte ondervinden:’
‘een besef van eigen onkunde ontveinzen:’ - ‘een
bewustheid van schuld overal ronddragen.’ Zou nu kennis
eene uitzondering maken in de bedoelde spreekwijzen? Misschien soms in het
dagelijksch gebruik. Maar is het niet, dat dit gebruik zich dan vergist, en de
spreekwijze kennis hebben verwart met andere soortgelijke, in de
aangehaalde § door het Woordenboek opgenoemd: denken, herinneren,
gelooven, twijfelen, gedachtig zijn? Maar ten onrechte: - en doen de
woorden van de Redactie zelve dit niet beseffen, daar zij opmerkt, dat in deze
spreekwijze aan te kennen geeft, ‘dat het voorwerp als het ware
slechts eventjes wordt aangeroerd?’ Nu is kennis hebben [althands
wanneer het iemands karakter geldt] iets blijvends, iets niet in 't voorbijgaan
aanrakends, en aan behoort daar niet bij t'huis.
Bij de behandeling van hetzelfde aan, waar het eene
verbinding aanduidt, en wel in een meer figuurlijken zin, komen, na
eenige zeer voldoende voorbeelden, uit
Van der Palm genomen, deze woorden voor uit
Cornelia Wildschut: ‘Alle die fraaie
verhandelingen en geschriften - die hij nageschreven, erbarmelijk aan
elkander geknoeid, of zelf uitgedacht heeft.’ Dit beeld van
‘aan elkander knoeien’ is zeer onjuist, en alsof men sprak van, aan
elkander weeken, of aan elkander kruimelen: omdat knoeien nooit gedacht
kan worden als een middel van verbinding; daar de werking die het voorstelt
juist daarin bestaat, dat zij alle verband losmaakt en oplost; zoodat hoe meer
men in iets knoeit, hoe meer de samenhang losraakt. Men kan daarom
wel | | | | spreken van ‘verhandelingen en geschriften door
elkander knoeien:’ omdat die spreekwijze de ordeloos bijeen gebrachte
deelen door elkander liggend, en zonder dat zij eenig geheel uitmaken, voor den
geest stelt; als ‘discordia semina rerum,’ of ‘disjecti
membra:’ maar zijn die deelen aan elkander verbonden, dan zijn zij
tot een geheel geworden, al is 't ook nog zoo slecht, en er is iets meer gedaan
dan alleen geknoeid. Soms is er gelapt; soms gekunsteld; soms
geknutseld; soms geregen. Maar gij verlangt niet van mij, dat ik alle de wijzen
opnoem, waarop uit vele goede werken één slecht kan worden
samengesteld.
Zoo zoude ik wenschen, dat waar het werkwoord aanbestellen
gewettigd wordt met een voorbeeld uit
Abraham Blankaart, deze vermelding ware achterwege
gelaten; of dat een tweede aanhaling, uit een onzer meest gekuischte schrijvers
geput, de vernuftige schrijfsters had verdedigd tegen de verdenking, dat dit
woord uit hare hoogduitsche lectuur bij haar was blijven hangen; terwijl ons
Hollandsch te vreden is met van ‘besteld werk’ en van
‘aanbesteed werk’ te spreken.
Insgelijks zoude ik, door een ander voorbeeld, het vermoeden willen
bestreden zien, dat bij mij oprijst, dat de uitdrukking: ‘Ik zal u mijn
vriend aanbieden,’ die uit
Sara Burgerhart, op het woord aanbieden, wordt
aangehaald, geen bloot gallicisme is. ‘Madame, j'aurai l'honneur de vous
présenter Monsieur,’ etc. Het hollandsche woord hiervoor is, meen
ik, voorstellen.
Op het woord aanbidden, vind ik deze plaats uit
Cornelia Wildschut aangehaald: ‘Niemand uwer -
hoog opsnoevende bewonderaars hebben
1) u immer
met zulke oogen beschouwd.’ - Is dit woord, opsnoeven goed? Ik
meende dat men zeide: ‘snoeven op iets;’ niet ‘iets
opsnoeven.’ Of, neemt men het onzijdig of onbepaald, dat
opsnoeven, voor, ‘opsnijden,’ ‘grootspreken,’
‘pogchen,’ tot een minder gekuischte | | | | spreektaal
behoorde; even als opspelen, in den zin van ‘een hoogen toon
voeren;’ dat ik wel eens mijne geldersche landslieden hoorde bezigen, van
den een' of anderen Thraso of Pyrgopolynices, die het hoogste woord gevoerd, en
zijne uitdrukkingen niet gewogen had: ‘O! hij speulde zoo
op!’
Zoo vind ik, op het woord aandoen, deze zinsnede uit
Abraham Blankaart: ‘Zoo knapjes aangedaan, dat ik
er met aandagt op stond te gapen.’ Nu dacht ik, dat men wel
zeide: ‘op iets letten, - op iets zien, - op iets
staren;’ maar dat ‘op iets gapen’ een
spreekwijze was die een onjuist beeld voorstelde, en men in 't Hollandsch
daarvoor zeide: ‘iets aangapen.’ Even als in het Fransch
bayer (saamgetr. van bailler). ‘Vous bayez aux
corneilles,’ zegt mad. Pernelle, in Tartuffe (Act. 1. sc. 1).
Ik meen dat de vlugge schrijfsters zich verzonnen, toen zij, in de
op het woord aangorden uit Abraham Blankaart aangehaalde plaats, van
‘het harnas aangorden’ spraken. Immers men spreekt van
‘de wapenen aangorden,’ en meent daarmede de of- en
defensieve wapens die aan gordels of draagbanden om het lijf gevoegd of
gehangen worden. Maar het harnas heeft zoodanigen gordel niet, en men zegt:
‘het harnas aantrekken,’ of ‘aanschieten,’ of
‘aandossen’ (fr. endosser la cuirasse), naarmate die beweging met
meer of minder vlugheid en omslag geschiedt: en meer bepaald: ‘het harnas
aangespen;’ met het oog op de gespen, waarmede dit wapenstuk, wanneer het
is aangedaan, om het lijf wordt vastgemaakt.
Bij het woord aanmerken, lees ik, in een uit
Willem Levend aangehaalde plaats, deze woorden:
‘Gij hebt de bekwaamheid - om beminnelijk te zijn.’ Dit
woord bekwaamheid schijnt mij hier al zeer ongelukkig gekozen.
Bekwaamheid toch is niet iets aangeborens, maar wat men door oefening
verkrijgt; en de bekwame schrijfsters zouden het, meen ik, hebben toegegeven,
dat men zich tot vele zaken door vlijt bekwaam kan maken; maar dat er van het
‘beminnelijk | | | | zijn’ geen kunst of wetenschap bestaat. -
Ook komt mij, op de aangehaalde plaats, in de woorden: ‘Zoo dat men niet
aanmerkt dat gij niet mooi zijt,’ dit werkwoord misplaatst voor:
Aanmerken, zooals uit alle de andere ter dezer plaatse aangehaalde
voorbeelden blijkt, is een met opzet vestigen der aandacht op iets; maar om tot
de gewaarwording te komen, dat iemand van schoonheid verstoken is, behoeft men
zulk eene inspanning der aandacht niet.
Ik verlang een voorbeeld van meer gezag, dan dat van de geestige
schrijfsters om te gelooven, dat men, om uit te drukken wat men in gewoon
Hollandsch zegt: ‘iemand te laten voortschreeuwen’, ook zeggen kan,
dat men hem laat aanschreeuwen; zoo als in de plaats uit
Willem Levend, bij dit werkwoord aangehaald: ‘Ik
laat onzen Frerijk wat aanschreeuwen, en doe wel netjes mijn zin.’
Immers alle zoodanige werkwoorden die een handeling beteekenen, waarbij
aan in de samenstelling een voortgang daarvan aanduidt, hebben of
krijgen daardoor de beteekenis, dat zoodanige handeling met opzet en met zeker
doel wordt voortgezet; iets geheel anders dan een redeloos schreeuwen. Zoo kan
men zich voorstellen, dat de profeet Elia, tot de Baälspriesters,
had kunnen zeggen: ‘Schreeuwt wat aan: Uw God hoort u niet’. Omdat
hier het schreeuwen beschouwd kan worden, als het plegen eener daad om tot iets
te geraken. Maar wanneer een kind zijn luim viert met schreeuwen, kan het
niemand in de gedachte komen, dit kind te laten aanschreeuwen, alsof 't
een werk was daar iets mede gevorderd werd; en iemand die het uit
hardvochtigheid laat schreeuwen, en het aan dat kind te kennen geeft, zegt
niet: ‘schreeuw maar aan’; maar, ‘schreeuw maar voort’:
zooals in een engelsch treurspel: ‘Groan on, and with the sounds, refresh
my soul’
1).
Vooral heeft het mij verwonderd, dat de begaafde schrijfsters
gevallen zijn op zoodanige slordige uitdrukking, als er | | | | van haar
wordt aangehaald uit
Willem Levend, op het woord aankomen:
‘Oom zei dat hij alles voor hem over had: geld kwam er niet op
aan.’ - Ik geloof dat men zich in het dagelijksch gesprek, meermalen
zulke gezegden laat ontvallen; maar zelfs in een gemeenzamen brief zal men zulk
een wantaal vermijden. De spreekwijze, op aan komen kan onpersoonlijk,
met het onbestemde er gebezigd worden; en hetgeen waar het op aan komt
volgt dan met het exponeerende om, of dat; maar wanneer deze
spreekwijze een bepaald z. n. als voorwerp heeft, dan wordt dit door het voorz.
op beheerscht: en de briefschrijver in W. Levend had, om Hollandsch te
schrijven, zich dus moeten uitdrukken: ‘Oom zei dat hij alles voor hem
over had: op geld kwam het niet aan.’
Maar ook bij de aanhalingen uit schrijvers wier werk een hoogeren
stijl vereischte, of uit dichters, wenschte ik de grootste keurigheid in acht
genomen, en onder de schatten van dien aart, die wij het Woordenboek reeds
danken, geen enkele plaats opgenomen, die, vooral wat de zuiverheid van taal
aangaat, het geschrift waar het aan ontleend is niet voordeelig doet kennen:
ten ware de aanhaling tot een voor den lezer nuttige terechtwijzing kan
leiden.
Waar
de génestet, in eene plaats aangehaald
op het woord aalmoes, zich dus heeft uitgedrukt:
‘Zoo geeft ge van uw ruim gewin
Wel veel in aalmoes weg?’
schijnt het Fransch hem voor den geest gestaan te hebben:
‘en aumônes: [en de Redactie heeft het vreemde in deze
uitdrukking niet onopgemerkt gelaten.] Alle de met het hier gebezigde
weggeven, in goede of kwade beteekenis, gelijksoortige uitdrukkingen;
als, ‘uitgeven’, ‘besteden’, ‘verkwisten’,
‘verdoen’, verbinden, in het Nederduitsch, het eigenlijk voorwerp
hunner handeling met het meer verwijderde, en als het doel dier werking, door
aan: ‘geld uitgeven | | | |
aan boeken:
‘millioenen besteden aan spoorwegen’ ‘zijn vermogen
verkwisten aan overtolligheden’. - Maar het voorzetsel in
dient om eenige omstandigheid of byzonderheid tot de vermelde werking te
betrekken: ‘zijn goed, aan noodeloozen praal, in armoede
verteren’ - ‘zijn nooddruft aan giften, in liefde,
uitputten’; of wilt gij, ‘wegschenken’, om nader tot het
voorbeeld uit
de Génestet terug te keeren.
Ik heb in het dichtstuk, ‘de Boekanier’
van den veelbelovenden
Meyer veel schoons gevonden; maar ik zal hem niet
navolgen in het gebruik dat hij van het woord aanschieten maakte, in het
Woordenboek, op dit werkwoord, aangehaald (col. 294).
‘En schoot zich het feestgewaad aan.’
Dat zich is blijkbaar om het vers te vullen, en zooals uit
alle de voorafgaande voorbeelden blijkt, bij het w. w. aanschieten
overtollig, en waar het in dien zin genomen wordt niet te dulden. Waarom? Omdat
het een beweging en handeling uit drukt die men zich niet anders kan
voorstellen dan op den persoon die haar pleegt, terugkeerend; zoodat hot
wederkeerige voorn, zich, om dit uit te drukken, daartoe niet noodig is.
Wanneer men spreekt van ‘kleederen aandoen,’ denkt men gewoonlijk
aan de daad eens persoons die zichzelve kleedt, en vandaar, dat in al de
spreekwijzen die het aandoen van kleedingstukken voorstellen het voorn.
zich thands uit de taal verdwenen is; ofschoon men het begrijpt, dat het
oudtijds bij die spreekwijze soms gebezigd werd; zooals wordt aangemerkt in het
Woordenboek, col. 99. Want men kan zich voorstellen, en het is niet ongewoon,
dat men anderen kleederen aandoet. Maar het aanschieten van een
kleedingstuk, of van wat het ook zij, beteekent een snelle en eigenaardige
beweging des ligchaams, waardoor het zich in het omkleedsel als opgeeft: - en
nu bid ik u, wanneer men dit bedenkt, hoe kan men zich dan voorstellen dat men
een' ander' een kleedingstuk aanschiet?
Maar al is de taal onberispelijk, zoo zoude ik toch, het Woordenboek
als een bloemlezing van al het beste wat de | | | | taal oplevert
beschouwend, er geen plaatsen uit dichters in willen aangehaald zien, die hun,
als dichter, niet tot eere kunnen zijn. Zoo zoude ik regels als deze, in den
bundel van
Spandaw waar zij staan, onvermeld hebben
gelaten:
‘Ziet! een drom ontzinde scharen
Rukt reeds aan, en raast en rooft.’
nadat er reeds andere goede voorbeelden van het w.w.
aanrukken, op dat woord waren aangehaald. Daar toch, in dichterlijke
taal, een drom en een schaar hetzelfde is, en het een voor het
ander gebruikt wordt, komt het mij voor, dat een drom scharen, zij mogen
‘ontzind’ of bedaard zijn, geen ander beeld voor den geest roept,
dan of men van een drom drommen gesproken had.
Zelfs bij de besten zou ik het keurigst zijn, en ik zou, op het
woord aangedaan, onder andere goede voorbeelden, dezen zeer
twijfelachtigen zinsbouw van
Tollens niet hebben aangehaald:
‘En tot schreijens aangedaan,
Beeft er langs mijn wang een traan,
Waartoe behoort toch, grammaticaal, de omschrijving in de twee
eerste verzen? Zeer zeker tot het onderwerp, ‘een traan:’ en wat
zegt dan de voortreffelijke dichter? Eigenlijk dit: ‘Er beeft langs mijn
wang een tot schreiens aangedane, eng en week geknede traan.’
Ik wilde om een lief ding, dat er op het w.w. aanschoeien
een ander voorbeeld stond, dan hetgeen uit dien zelfden dichter is
aangehaald:
‘Waarbij het klinkend span, in brieschend vuur
ontgloeid,
Den hoef heeft afgeschud, en vleuglen
aangeschoeid.’
In deze verzen is, dunkt mij, een dichterlijk beeld tot eene
ongerijmdheid geworden. De dichter wil dat men zich de paarden met vleugelen
aan de voeten voorstelle; zooals meermalen de paarden der goden door de kunst
zijn afgebeeld. Maar wat duidt nu de hoef bij het paard aan, wanneer | | | | de dichter er van spreekt? Niets dan den voet. Hier wil de
dichter dus, dat de paarden hun voeten wegwerpen om nieuwe schoeiselen aan te
nemen. Het is of men tegen iemand die zich te laag langs den grond sleept, en
dien men brozen wilde doen aantrekken, zeide: ‘werp uwe voeten weg en
schoei die brozen aan.’ Hij deed immers genoeg wanneer hij de oude
schoeisels aflegde; indien hij slechts zeker wist, dat de brozen hem
pasten.
Maar even als ik ongaarne uit onze dichters plaatsen genomen zie,
die getuigen, dat ook zij somtijds aan dien sluimer onderhevig waren, waarvan,
volgens
Horatius, zelfs
Homerus niet vrij bleef, zoo verlang ik nog
veel minder, dat in het Woordenboek der Nederlandsche Taal werken worden
aangehaald, die, al waren zij ook in het zuiverst Hollandsch geschreven, onze
letterkunde tot geene eere hoegenaamd kunnen strekken, zoo min als aan den
smaak van het publiek waarbij zij opgang maakten. Non-sens, ook in
onberispelijk Hollandsch geschreven, komt mij der eere onwaardig voor van in
dit Woordenboek, door zulk eene Redactie, te worden opgenomen. Gij
veronderstelt te recht, dat ik hier doel op de ‘Gedichten van den
Schoolmeester;’ - en ik wil het u niet ontveinzen, dat ik met een soort
van smart, als een gedenkstuk onzer taal, in het Woordenboek het werk eens
schrijvers aangehaald heb gevonden, die, ofschoon bij ons publiek ingeleid door
een der grootste sieraden onzer letterkunde, en met een getuigschrift van
onberispelijkheid voorzien, een bundel heeft nagelaten, waarvan ik de uitgave
nooit anders heb kunnen beschouwen, dan als een vergedreven en uiterst wel
geslaagde mystificatie. Nooit heb ik mij kunnen voorstellen, dat de uitstekende
schrijver en dichter, die, waar hij in de vrijheid die hij zich veroorlooft
mate houdt, zooveel fijne en echte geestigheid ten toon spreidt, inderdaad
zooveel behagen, als hij het wilde doen voorkomen, in de eentonige onnoozelheid
van
den ‘Schoolmeester’ had | | | | kunnen
scheppen. Nooit heb ik mij kunnen ontdoen van het vermoeden, dat hij de proef
had willen nemen, hoe een grof en smakeloos zout, indien hij er zijn gulden
naam als étiquette aanhing, door een zeker publiek, dat soms voor
veel fijner zout weinig trek getoond had, zou worden gesmaakt; - dat hij de
proef wilde nemen, in hoeverre de spreuk van
La Bruyère
1) bevestigd zou kunnen
worden: ‘C'est ignorer le goût du peuple, de ne pas hazarder
quelquefois de grandes fadaises.’ Wat mij betreft, die de geestigheid van
den hoogen patroon van
den ‘Schoolmeester’ waardeer, ook waar zij
zich, met aristofanéische speelzucht, als in ‘de Betooverde
Viool,’ vermeidt, ik vind bij zijn cliënt, in de eenvormige
uitstorting van altijd dezelfde scherts, zeer weinig waarlijk geestige
gezegden, ‘nantes in gurgite vasto;’ en zeer veel waar ik geen
anderen naam voor weet, dan non-sens. Of is dit woord te hard bij deze,
in het Woordenboek, op het woord aanslaan, reeds aangehaalde
plaats?
‘Zoo slaat men aan een rieten hengel
Veeleer een worm aan dan een Engel:
Gesteld dat m' Englen krijgen kon.’
Is er in zoodanig gezegde eenige geestigheid verborgen, dan moet ik
bekennen, dat mij het zintuig ontbreekt om die te ontdekken.
Onze letterkunde komt mij niet zoo misdeeld voor in voortbrengsels,
waar de taal des gemeenzamen omgangs met levendigheid en geest in is
weêrgegeven, dat men uit armoede zijn toevlucht tot dezen
‘Schoolmeester’ zou behoeven te nemen. Ik beroep mij op de werken
zelven van zijn uitgever, wiens dramatische stukken, als ‘Het Dorp
aan de grenzen,’ ‘Het Dorp over de
grenzen,’ ‘Een Amsterdamsche
Winteravond,’ ‘De Betooverde Viool,’
‘Een Droom uit Californië,’ enz., hier vooral
verdienen in aanmerking te komen. Ook de blijspelen van
Langendijk, die ik tot nu toe | | | | nog
niet in het Woordenboek vond aangehaald, mogen hier niet worden
verwaarloosd.
Maar schrijft (den inhoud daargelaten) ‘de
Schoolmeester’ dan zoo uitnemend zuiver? - Ik zou het woord
aanklauteren, in den zin en het verband zoo als hij het gebruikt, niet
willen aannemen. Hij zegt, in de aanhaling van het Woordenboek op dat woord,
dat een hond ‘Aan komt klauteren over 't gegrendeld
hek.’ - Ik heb van de Redactie geleerd, dat werkwoorden een beweging
beteekenende, met aan, een ‘nadering’ te kennen geven. Nu
kan, bij zoodanig ‘klauteren’ als in de aangehaalde plaats wordt
voorgesteld, waar een beweging in de hoogte wordt bedoeld, van geen nadering
sprake zijn. Ik kan mij voorstellen, dat iemand die zich haast te klauteren
‘duchtig aanklautert:’ dat iemand die het hek gesloten vindt er
‘tegen aan klautert,’ of ‘op klautert;’ maar dat,
wanneer hij tegen dat hek opklimt, men zegt, dat hij ‘aan komt
klauteren,’ dit komt mij zeer onjuist voor.
Ik neem het van den Heer ‘Schoolmeester’ ook niet aan,
dat men, - zooals hij zich in het Woordenboek, op het woord
aankrijgen, uitdrukt, - zijn laarzen ‘met exteroogen’
aankrijgt: ik heb altijd gedacht, dat men hierin met geschikte werktuigen het
verste kwam.
Ik zou dan ook niet gaarne zien, dat men, op zijn geleerd gezag,
spreekwijzen als deze aannam: - ‘Een nachtfloers
openhangen;’ voor ‘openslaan of opslaan’ (bl. 26 der
vierde druk!): ‘zijn eigen helpen;’ voor ‘zich
zelve’ (bl. 33): ‘nachtelijke uren;’ voor ‘de
uren der nacht’ (bl. 65): ‘ergens op prachen;’ voor,
‘op pogchen’ (bl. 79): naturalist; voor
‘natuurkenner’ (bl. 89, 109 et passim): ‘de vaart met een
schuit in zich;’ voor ‘waarop, of waarin een schuit,’
of, ‘met een schuit er op’ (bl. 124): ‘Keesje - slaat
aan 't janken en andere muziek;’ waar het werkwoord slaan tegelijk
als onzijdig en bedrijvend dient (bl. 163): lakensche rokken; voor,
‘lakenen of laken rokken’ (bl. 168). Noch een constructie als deze:
(bl. 179). | | | |
‘Steel nog eens het hart mij binnen.’
voor: ‘Steel mij 't hart nog eenmaal binnen.’
Al werd ik met den plak bedreigd, ik kan zulke, onder een zeer
vluchtige lezing opgeteekende uitdrukkingen van
den Schoolmeester niet goedkeuren; zelfs al werden die
in het Woordenboek opgenomen.
Maar eer de tijd gebiedend van mij vordert, dat ik u niet langer
vermoeie, stap ik van deze aanhalingen af, om nog een onderwerp aan te roeren
dat mij byzonder ter harte gaat, als in verband staande tot de metrische
poëzy in onze taal, aan welke poëzy ik mij soms gewaagd heb.
Waar in het Woordenboek, bij de behandeling der A als letterklank,
gesproken wordt ‘over de soorten van a's ten opzichte van haren
oorsprong,’ wordt, indien ik de plaats wel gevat heb, deze leer
ontwikkeld: dat er oorspronkelijk in de taal twee onderscheiden a's geweest
zijn; waarvan de een, uit een tweeklank ontstaan, van nature lang; en de
andere, van haar oorsprong enkelvoudig, of uit eene andere eenvoudige vocaal
afgeleid, van nature kort was: - dat, ofschoon voor de etymologische
wetenschap dit onderscheid blijft bestaan, en in acht dient genomen te worden,
de hedendaagsche uitspraak het niet meer doet gevoelen; maar dat voor haar alle
a-klanken, - even als die van alle andere vocalen, waarop deze aanmerking
toepasselijk verklaard wordt, - even lang zijn: zoodat er van het lang of kort
zijn dier klanken, bij de uitspraak, geen rede kan zijn; - en dat wel daarom:
omdat, in onze, gelijk in de meeste nieuwere talen, het stelsel van
quantiteit voor dat van den klemtoon heeft plaats gemaakt. Heb ik
de meening der Redactie goed uitgedrukt, en is deze overeenkomstig met de
waarheid, dan volgt hieruit, dat in onze taal, en in alle die hedendaags met
haar vergeleken kunnen worden, geene metrische poëzy bestaan kan; dat
metrische poëzy, waarvan de grondslag is, dat op het lange of korte der
klanken, bij de uitspraak, meer | | | | of minder nauwkeurig gelet wordt,
die talen te willen opdringen, een hersenschim is, en dat voor deze talen,
buiten de rijmpoëzy met getelde lettergrepen, hoogstens rhythmische
poëzy bestaan kan, waarbij men alleen daarop te letten heeft, dat de
beklemde lettergrepen onder den maatslag (arsis) van het vers komen.
Nu vermeen ik, dat, bij deze wijze van beschouwing, twee
eigenschappen der taal als elkander uitsluitend, althands vervangend, worden
voorgesteld, die echter steeds beiden in de taal nevens elkander, maar, naar
den aard der spraak, met meer of minder wederkeerigen invloed, moeten bestaan;
daar de een (de quantiteit) den duur der taalklanken; de ander (de klemtoon) de
verheffing dier klanken betreft; zooals in de muziek omtrent de noten wordt
waargenomen, èn hoelang zij worden aangehouden, èn met welke
kracht men ze aanslaat en zachter of luider doet hooren. Nu kan de verheffing
van stem op den duur van den klank dien de stem uitbrengt van meer overwegenden
invloed zijn, naar den aard of gesteldheid der spraakdeelen des ligchaams bij
de verschillende volken. Onder onze stambroeders, in de groote Indo-Germaansche
familie, zijn de volken die zich in het zuiden van Europa, langs het bekken der
Middellandsche zee, hebben uitgebreid door de natuur begaafd geweest met een
vlugheid en buigzaamheid der spraakdeelen, waardoor zij de lettergrepen die zij
beklemmen wilden met een verheffing of versterking van stem konden uitspreken,
zonder daardoor den duur des taalklanks te verlengen; zoodat de quantiteit in
hunne taal geheel onafhankelijk is gebleven van den klemtoon: een benijdbare
eigenschap, die aan de voordracht van hunne metrische poëzy een schoonheid
moet gegeven hebben, die wij meer kunnen vermoeden, dan genieten of doen
voelen; daar het ons niet mogelijk is, hunne verzen, - die toch nog zoozeer
onze ooren streelen dat wij ze trachten na te bootsen, - anders dan naar ons
taaleigen uit te spreken. Onze Germaansche stamvaders toch, met hunne
verwanten, hierin minder rijk door de natuur bedeeld dan de Pelasgische
volken, | | | | hebben een meerdere stroefheid in de spraakdeelen ontvangen
en aan hun nageslacht medegedeeld, waardoor zij den klemtoon op den taalklank
niet konden laten vallen zonder den duur daarvan eenigzins te verlengen;
vandaar dat de beklemde lettergrepen allen lang bij hen geworden zijn; en daar
een schoone taaleigenschap overal het zakelijk deel des woords bij hen
beklemde, zoo zijn alle deze woorddeelen, zonder onderscheid, wat ook de natuur
van dien klank was, lang door hen uitgesproken. [Wij nemen daarbij wel aan, dat
in hun spraak het onderscheid der vocaalklanken, dat de etymologische
wetenschap ons aanwijst, nevens de beklemming merkbaar was, en zich sterker
deed gevoelen dan een meer beschaafde uitspraak het thands toelaat; ofschoon
het ook nu zijn sporen in de volkstaal heeft achtergelaten.] Het doet zich
echter, bij de opmerking dier beide onderscheiden taaleigens, gevoelen, hoe bij
de volken van pelasgischen oorsprong, de etymologische traditie (indien ik het
dus noemen mag), omtrent de natuur der klanken, in de uitspraak zuiver bewaard
is gebleven; terwijl zij, bij ons Germanen, is verduisterd. Maar, ondanks deze
afslijting (als 't ware) in de uitspraak der oorspronkelijk van nature lange
vocaalklanken, blijft het evenwel in 't algemeen waar, dat, daar waar bij ons
de klemtoon zijn overwegenden invloed op de lengte niet uitoefent, er nog een
ander onderscheid van lengte en van kortheid tusschen de taalklanken bestaat; -
dat in de meer-dan-eenlettergrepige woorden, bij die lettergrepen waar de
klemtoon den evenaar niet beslissend tot lengte doet overslaan, andere
elementen in aanmerking komen, die het oor bij de uitspraak waarneemt en
vergelijkt, en die het onderscheid dier klanken in de lengte en kortheid van
hun duur bepalen; - en dat, in de éénlettergrepige woorden,
hetzij het onderscheid dierzelfde elementen, hetzij wederom de aart van het
woord, als rededeel beschouwd, of de rhetorische nadruk, die zoodanig woord
in den volzin den klemtoon oplegt, de duurzaamheid dier klanken
onderscheidt. Is dit zoo, dan is er ook quantiteit | | | | in onze taal
aanwezig, al is in de bepaling daarvan de klemtoon in vele lettergrepen en
woorden van onbetwisten invloed, en dan heeft het ‘stelsel’, of
liever de eigenaardigheid der taal, waarna de klemtoon zich bij ons ontwikkelt,
de quantiteit uit onze taal niet weggenomen; al is het dat die quantiteit
slechts de hedendaagsche uitspraak volgt, en zich meestal heeft losgemaakt van
alle etymologische herinneringen. Ik meen dit met te meer vrijmoedigheid te
kunnen stellen, daar het mij is voorgekomen, dat de geëerde Redactie
zelve, in de Verhandeling over de Spelling (§ 78 en 79) het denkbeeld van
quantiteit, in onze taal, niet heeft laten varen, maar daarvan, als van een
verschijnsel nevens dat van den klemtoon daarin voortlevend, melding heeft
gemaakt.
Maar ik gevoel, dat ik misbruik zou maken van uwe toegevendheid,
indien ik hier langer bleef uitweiden, en mij niet haastte, deze reeds veel te
lange voordracht te besluiten. Evenwel leggen de vermelde Verhandeling over de
Spelling en het daar zoo even door mij gebezigde woord uitweiden als de
hand op mij, en houden mij op, om nog van een klein verschil van gevoelen te
spreken, dat mij is bijgebleven, na het lezen van het.
‘Voorbericht’ dier Verhandeling (bl. xi), waar het mij
voorkwam, dat het woord uitwijden (met den ij-klank), als ontstaan uit
een bloote slordigheid in 't schrijven, al te zeer werd verongelijkt. Het is
mij niet te doen om dit woord uitwijden voor 't gebruik te handhaven,
hetwelk zich vrij algemeen voor uitweiden verklaard heeft, dat juist
hetzelfde beteekent; zoodat men het daarnevens behouden van het verouderend
uitwijden als onnoodig kan beschouwen. Alleen wilde ik dit opmerken, dat
dit uitwijden (met den ij-klank) evenveel recht van bestaan had als zijn
tweelingbroeder, en even regelmatig gevormd is. Ik zal zeggen, hoe ik tot dit
besluit ben gekomen. Toen ik had opgemerkt dat
Bilderdijk, - niet in dichtmaat; want | | | | dat hij iets om het rijm gedaan zou hebben tegen taalkundige
overtuiging, zoude ik het minst van al voor mogelijk hebben aangenomen, - maar
in eene der aanteekeningen op den Fingal (Ie Dl. bl. 160) en in de
Verhandeling over dit dichtstuk, (IIe Dl., bl. 88) het woord
uitwijden bezigde, terwijl hij, in het dichtstuk zelf, IIden
Zang, bl. 55) ‘uit te weien’ schreef, kon ik mij niet voorstellen,
dat de groote dichter en taalkenner uit enkele slordigheid in zijn proza den
thands minder gebruikelijken vorm, maar die hem wellicht meer eigen was,
gebruikt had, en dat hij niet een gegronde reden zou gehad hebben om dien vorm
als etymologisch gewettigd te beschouwen. Ik ging aan 't zoeken, en ontdekte
inderdaad, naar ik meen, wat ik vermoedde. In
Kiliaan vond ik deze glosse: ‘Wijde,
wije, (Sax. et Sicambr.’ dat is naar de geldersche uitspraak)
‘wiede: Salix, slier et vimen.’ - Dit woord was mij
niet vreemd: het is in ons Greldersch blijven voortleven: wij zeggen nog:
weejen, voor teenen, buigzaam hout, als dat der jonge wilgen. Wanneer
men nu in aanmerking neemt, dat de wilgeboom in ons vaderland algemeen dient
om, in rijen geplant, de erven te bepalen; of dat dit hout, tot omtuiningen
gevlochten, den loop van het vee beperkt, dan kan men zich voorstellen, hoe,
even als het woord uitweiden overdrachtelijk is genomen van hetgeen
eigenlijk gezegd werd van het vee dat de weide uitloopt, en zich al te
ver in de ruimte en op vreemde plaatsen gaat vermeiden; men evenzoo, een
gelijke overdrachtelijke spreekwijze gebruikend, van iemand die te vrij buiten
de palen treedt waar binnen zijn rede zich moest houden, gezegd heeft, dat hij
uitwijdde, buiten de wijden, wijen, of wilgen trad, die hem
eigenlijk tot grens moesten strekken. Hetzelfde dat bij ons de wilgen doen,
doen in het zuiden van Europa, in de veldbezittingen, de olijfboomen: zij
scheiden de erven van elkander. Men vindt er een voorbeeld van in het proces
van Cecina, waar
Cicero in zijn pleitrede dit verhaalt
1): | | | | ‘Dit landgoed (namelijk dat waar het proces over liep) wordt aan
zijn uitersten grens door een rechte reeks van olijfboomen bepaald. Toen
(Cecina) deze was genaderd, kwam (Ebutius, de tegenpartij) met al zijn volk hem
te gemoet, riep een zijner slaven genaamd Antiochus tot zich, en beval met
luider stemme, dat hij al wie binnen deze reeks van olijfboomen trad, dood
zoude slaan.’ Wij zien hier, in dit romeinsche drama, de olijven het
tooneel stoffeeren, zooals bij ons de wilgen zouden doen; en vandaar het
bekende latijnsche spreekwoord: ‘extra oleas vagari’; dat volmaakt
onze overdrachtelijke spreekwijze teruggeeft; hetzij wij haar met
uitweiden (buiten de weide loopen) of met uitwijden (buiten de
wilgen treden) verkiezen uit te drukken, [Het is waar, dat de onzijdige
werkwoorden, op die wijze uit een, door het voorz. uit beheerscht, z.
naamw. gevormd, in onze taal zeldzaam zijn: evenwel verzet zich, meen ik, de
analogie niet tegen deze onze opvatting van de beteekenis der hier behandelde
werkwoorden. Zoo is uitmunten niets anders dan buiten den gewonen
muntslag of stempel gaan, in hetgeen ons, in eenig opzicht, boven het
alledaagsche onderscheidt. Zoo veronderstellen de woorden, uitlander,
uitlandig het w.w. uitlanden, waarvoor, in dien zin,
uitwijken in gebruik gekomen is, d.i. de stede zijner woning
(wijk, vicus, οικος; zoo als,
wijn, vinum, οινος; en wije, vimen,
οισυς) verlaten, om elders te
leven.]
Maar het is goed, M.H.! dat hier op het uitwijden niet zoo
streng gewaakt wordt als door den tegenpartijder van Cecina: ik gevoel dat ik
het er slecht af zou brengen, daar ik mij reeds zoo lang op een veld dat mij
meer lief dan eigen is beweeg: en ik moet u daarom te meer dank zeggen, dat gij
mij op die omzwerving tot zoover hebt willen volgen.
|
1)De tusschen haakjes [ ] gevatte plaatsen
zijn, nadat deze voordracht in de vergadering der Maatschappij der N.L. was
gehouden, ingevoegd.
|
|