auteur:


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Zevende jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1865.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 279]

LOSSE AANMERKINGEN, BETREKKELIJK WOORDEN, BIJ VONDEL VOORKOMENDE.

Woed (woedig). Godvrucht (godvruchtig). lg weggelaten.

In zijne Amsteldamsche Hecuba, v. 1030, zegt Vondel:

 
‘'T woed ongediert, daer oyt af wert gehoort:’

Niet over de beteekenis, die in het oog loopt, maar over den aard en oorsprong van dit bnw. woed, zijn wij het oneens met Dr. van Vloten.

Zoo als reeds vroeger door ons in ‘de Taalgids’ te kennen gegeven is, houden wij het er voor, dat er hier (even als bij veil voor veilig en bij eene menigte soortgelijke adjektieven) eene weglating van het achtervoegsel ig heeft plaats gehad.

Onze redenen zijn bekend. Bij de oudste Nederduitsche Schrijvers wordt woed niet, wel woedig, gevonden, welk woedig klaarblijkelijk van het znw. woede gevormd is, even als vredig, vreugdig, genadig, enz. van de substantieven vrede, vreugde, genade.

Van de onderdrukking der g in onze oude taal en de wegwerping der toonlooze i zijn daarenboven talrijke bewijzen geleverd. De gutturale klank der g werd dikwijls (en wordt nog in sommige oorden van Duitschland) tot dien van een j verzacht. In dezen stand behoefde men geen grooten stap te doen om de g geheel te doen wegsmelten. Straks komen wij hierop nog terug: doch ieder zijn beurt! Hooren we nu wat Dr. van Vloten te zeggen heeft.

[p. 280]

Omtrent dit woed (men gelieve hier wel op te letten) beweert hij nu niet, gelijk hij zoo onvoorzigtig omtrent veil (veilig) gedaan had, dat het een oud oorspronkelijk Nederlandsch adjektief zoude zijn, waaraan later de staart ig was toegevoegd. De hoogleeraar had een zeker voorgevoel, dat we hem dan weêr met het lastige verzoek aan boord zouden komen, om ons dat oorspronkelijke adjektief eens bij de oudste Schrijvers te toonen; en tweemaal te zeggen, dat hij ‘zijn kostelijken tijd niet verbeuzelen wilde om het daar voor ons op te scharrelen,’ zou al het aardige en bevreemdende der nieuwheid hebben gemist. Wat heeft hij nu gedaan? We weten, dat een verzinseltje aan zijne vindingrijkheid niet veel moeite kost; hij heeft er thans iets anders, iets zeer koddigs ook, op verzonnen, en dit koddige verzinseltje heeft hem zoo behaagd, dat hij, naar het schijnt, geëindigd is met het voor waarheid te houden.

Het is den lezer uit 's hoogleeraars ‘Levensbode,’ II gebleken, dat hij zich een zeker zuiver Hollandsch taalgevoel toekent, hetwelk, onder meer, zelfs zoo ver gaat, dat het hem de spiksplinternieuwe uitdrukking ‘er wordt bestaan’ heeft doen uitvinden. Wel nu iets dergelijks, zoo niet nog verwonderlijkers, schrijft hij aan Vondel toe.

Voor een eeuw of tien was er (naar Graff in zijn Sprachschatz opgeeft) een bnw. wuot in het Oud-hoogduitsch bekend. Wel is waar, Vondel (dit stemt de hoogleeraar toe) verstond dat overoude Hoogduitsch niet, en de Sprachschatz is pas in 1842 uitgekomen; maar desniettegenstaande (en dit is juist het fraaiste van de zaak) bragt de puikpoëet geheel buiten zijn weten, dit oude wuot weêr te voorschijn. Dat wuot (ontdaan van de dikke schimmel, die er op zat) is zijn Hollandsch woed.

Hoe ging dit toe?

Zeker niet op eene alledaagsche wijze; doch we willen hier Dr. van Vloten's eigen woorden geven, zoo als die gedrukt staan in zijn ‘Levensbode,’ II, bl. 53, r. 4 v.o. ‘Natuurlijk (zegt hij daar) behoefden Vondel noch eenig ander schrijver

[p. 281]

daarom dien oorspronkelijken vorm niet te kennen: zij gingen daarbij geheel onbewust 1), maar met het zuiverste taalgevoel te werk; een taalgevoel, dat Mr. Bogaers daarentegen schijnt te derven, of hij hadde zich even gemakkelijk van die afkapping reden kunnen geven.’

Men ziet dus, er is hier iets wonderbaars in 't spel. Dat zuiverste taalgevoel heeft uitwerkselen, die niemand nog vermoed had. Het werkt als eene soort van openbaring bij de uitverkorenen, die het bezitten. Vondel, Hooft, Huygens, Six van Chandelier, die alle het adjektief woed gebezigd hebben, zijn, zonder dat de vrome zielen het eens wisten of gisten, met zulke openbaringen begunstigd geweest. Dr. van Vloten ondervindt ze ook, maar op eene andere manier, en geniet het voorregt van te weten, dat hij ze ondervindt. Wij daarentegen ('t is geen schijn, maar wezenlijkheid) wij erkennen het opregt, dat wij ze derven, en wij erkennen tevens, dat wij ontroostbaar zouden zijn over het gemis van dat zonderlinge taalgevoel, indien het niet (zoo als de meeste zaken) ook zijne keerzijde had en, met name, bij prof. van Vloten in zijne Aanteekeningen op Vondel zulke resultaten opleverde, als waarvan wij er reeds vele in dit Tijdschrift hebben medegedeeld, en thans weêr een versch half dozijntje leveren.

Doch dit nu daargelaten; zeker is het altoos, dat die bovennatuurlijke werking van dat zuiverste taalgevoel, door den hoogleeraar verkondigd, al moge zij ernstig gemeend zijn, toch geheel onbewezen is. Zijne innige overtuiging betwisten wij hem niet; doch zij is en blijft niets meer dan een individuëel geloof aan een taalmirakel. Voor ongeloovigen, zoo als wij en anderen, heeft ze niets te beduiden, bewijst ze niets. Wanneer alzoo het wonder wegvalt, wat blijft er dan over?

[p. 282]

Het adj. woed, dat, gelijk de hoogleeraar toestemt, geen oud oorspronkelijk Neêrlandsch adjektief is.

Van waar dit woed, dat dezelfde beteekenis heeft, als het oude woedig?

Indien er nu in onze taal geen enkel voorbeeld ware van de weglating der g, noch van de onderdrukking der toonlooze i, zoo zoude het zeer moeilijk zijn, er een natuurlijk herkomen van aan te wijzen; maar juist het tegendeel is waar.

Een aantal voorbeelden daarvan hebben we uit Dr. Brill's Spraakleer (bl. 124) in dit Tijdschrift aangehaald. Wij hadden hun getal aanmerkelijk kunnen vermeerderen, maar waren overtuigd, dat deze volstonden. Hoe tracht Dr. van Vloten zich van dit klemmend bewijs af te maken?

Na op bl. 54 van zijn ‘Levensbode,’ II, gezegd te hebben, dat Mr. Bogaers zich geen goede rekenschap der afkapping van ig heeft kunnen geven door het derven, zoo het scheen, van dat taalgevoel, hetwelk de hoogleeraar zich zelven toeschrijft, laat hij dadelijk daarop volgen:

‘Thans neemt hij, om haar te verklaren, tot een geheel onjuiste vergelijking zijne toevlucht, en wil er eene ‘weglating dier zelfde zachte g’ in zien, die in de woorden reinen en rein (voor regenen en regen), zeil (voor zegel), dweil (voor dwegel) voeg er nog bij teil voor tegel en brein voor bregen, tien voor tegen!, plaats grijpt. De verhouding is inderdaad zoo ongelijk mogelijk. Deze zamentrekking van twee lettergrepen tot ééne, waarbij de g verloren gaat en de klinker verlengd wordt, is blijkbaar geheel iets anders dan het wegvallen van een aangehechte lettergreep, die op een g uitgaat: om er een zweem van gelijkvormigheid in te brengen, moet hij dan ook niet ig maar ige als gelijksvorm stellen, waarin de g ook tusschen twee klinkers in 't midden staat. Intusschen wanneer men, om de welluidendheid of de versmaat, dezen wil verkorten, laat men niet de g, maar de toonlooze i weg, en zegt bijv. een'ge, heil'ge, veil'ge, enz.’

[p. 283]

Voor alles moeten we hier aanmerken, dat, minder waarheidslievend, dan slim, de hoogleeraar uit de door ons aangehaalde voorbeelden slechts die uitkipt, welke best in zijne kraam te pas komen. De g, weggelaten op het eind van hoog in hoovaardij, laat hij stil rusten; de onderdrukte g in de eerste lettergreep deeg van deesem, wordt door hem niet aangeroerd. Zoo ook blijven wijnand voor wig-nand, spij-en voor spij-gen, gaan voor gangen geheel verzwegen. Doch we halen dit slechts aan om een nieuw proefje van zijne manier van argumenteren te geven; we kunnen, zonder schade voor onze bewering, ons tot reinen, zeil, dweil, teil, brein enz. bepalen. In deze woorden, erkent Dr. v. Vloten, is de g uitgeworpen. Waarom kon dit geschieden? Immers om geen andere denkbare reden, dan dewijl de uitspraak der g zoo zacht was, dat het gehoor de weglating duldde. Op het eind eens woords klinkt de g zeker scherper, dan tusschen twee vokalen in, en daarom werd ze dáár oudtijds met een ch of gh verwisseld. Dit mag de oorzaak zijn, dat we veel meer verbogen woorden op ige vinden, wier uitgang een zachte e geworden is, dan onverbogen woorden op ig, die dit ig (zoo als woed) geheel verloren hebben: maar dit blijft altoos vaststaan, dat de g in reinen, zeil, enz. uit hoofde van haar zachtheid kon wegblijven.

Geeft nu de hoogleeraar eenige reden, waarom zulks wel kon plaats hebben in reinen voor regenen, enz., maar niet b.v. in woede voor woedige, godvruchte voor godvruchtige enz.? - Volstrekt niet. - Bewijst hij, dat de g harder was in woedige of godvruchtige, dan in regenen? - Verre van daar; hij beweert het zelfs niet, - Wat wil dan al zijn tegenhaspelen beduiden!

Ja maar, thans schrijven we bij verkorting een'ge, heil'ge, veil'ge? - Wat doet het er toe? Bewijst het, dat oudtijds in die woorden niet bij wijlen de g te loor ging? Wat is Hei-lo anders dan Heilich-lo, dat men bij Melis Stoke leest? Schrijft niet J. van Heemskerk in zijn Minnekunst (Amst. 1622), bl. 416, r. 6: ‘Een eene Phoenix’ voor ‘een een'ge of eenige

[p. 284]

Phoenix,’ en bl. 419, r. 7, ‘de eene Maeght’ voor ‘de eenige Maagd?’ - en, wat veile voor veil'ge betreft, zoo zou het immers overbodig zijn, bij de reeds gegeven voor-beelden er nog nieuwe te voegen?

In allen opzigte schiet dus Dr. van Vloten's redenering te kort. Voor ieder, die de zaak onbevooroordeeld beschouwt, is het duidelijk, dat in onze oude taal met de g op een kleiner schaal heeft plaats gehad, wat met de d, ook om haar zachtheid, op een grooter gebeurde en nog heden ten dage gebeurt. Zoo zien wij immers b.v. in dooden de tweede d soms wegvallen en de zamentrekking tot doôn volgen; in houden gaat meermalen de d te loor en blijft er houën overig, terwijl in hiel voor hield, in vin voor vind, in rij voor rijd, in dee voor deed, enz. de d op het einde des woords dikwijls werd en soms nog wordt onderdrukt.

Wij meenen ons betoog hier te mogen sluiten.

Treedt men tot ons gevoelen toe (dit is de slotsom van onze geheele redenering), dan ziet men woed, veil, godvrucht, enz. voor woedig, veilig, godvruchtig, enz. op eene natuurlijke wijze verklaard. Men heeft een taalverschijnsel voor oogen, dat met de erkende zachtheid der g in verband staat en ook bij andersoortige woorden, dan de adjektieven op ig, dikwijls waargenomen wordt.

Is men daarentegen met onze natuurlijke uitlegging niet te vrede, dan moet men Dr. v. Vloten's wonderwerkend taalgevoel en bovennatuurlijke woord-openbaringen - al ondervindt men die zelf niet, zoo als hij, - ten opzigte, niet slechts van Vondel, Hooft en hun tijdgenooten, maar ook van Bilderdijk en de zijnen, geloovig aannemen.

Wie nu veel van mirakelen houdt, schare zich aan de zijde des hoogleeraars: ons, die niet zoo bijzonder tot het mystieke overhellen, zij het geoorloofd bij het natuurlijke te blijven.

[p. 285]

Te weicke of weeke leggen.

In zijne Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst, uitg. v. 1662, bl. 96 en 97, stelt Vondel ons den schilderenden Apelles op deze wijze voor:

 
‘Apelles volght natuur met kunst na in het diepen
 
En hoogen op zijn maet, hij starooght en verdrijft
 
Zijn verwen liefelijck, wie suft en achterblijft,
 
Hij volght zijn leitsvrou kloeck en wenscht haer in te stappen,
 
En leght zijn geest te weicke op aert en eigenschappen
 
Van 't leven, -’

Bij den voorlaatsten regel schenkt Dr. v. Vloten zijn inteekenaars weder eene kritische tekstverbetering, die in hare soort niet onderdoet voor zijne vroegere van den stierenman; de Israëlieten, die acht slaan zonder te weten waarop; de vrouw, die duurt; zijn voeren of vueren, voor weren (in een boek door hem gezien, waarin het niet staat) en dergelijken meer.

Naar zijn oordeel deugt te weicke niet. In de plaats daarvan laat hij te werke drukken, kortaf daarbij in de noot zeggende (zie zijn Vondel I, bl. 617, kol. 1, no. 4): ‘zoo leze men voor weike.’

Terwijl wij bij dit nieuwe resultaat van 's hoogleeraars mirakuleus taalgevoel een oogenblik stilstonden, schoot ons zoo het een en ander te binnen, dat daar maar in 't geheel niet mede overeenstemde. Wij keken dat woordenlijstje eens in, hetwelk hij zoo knap geweest is van uit te vinden, dat wij ons vervaardigd hebben, maar hetwelk hij om zekere redenen volstrekt niet lijden mag. Wat we daar opteekenden, deelen we hier den lezer mede:

Te weicke of te weeke leggen, gelijk ook kortaf, weeken, komt meermalen in een overdragtelijken zin bij onze oude Schrijvers voor. Wat op of in iets vochtigs weekt of te weeke gelegd wordt, raakt daarvan geheel doortrokken. Daarom ook wie zijn geest op eenige zaak te weeke legt, wordt van die zaak gansch doordrongen, raakt er volkomen bekend

[p. 286]

mede. Vondel heeft in zijne Bespiegel. B. III, v. 402, deze uitdrukking aldus gebezigd.

De ooren te weeke leggen op iets wordt gezeid voor aandachtig hooren naar iets. Deze spreekwijze vindt men in Aldegonde's Bijenkorf, stuck II, cap. 11 (uitg. v. 1574, fol. 140 verso, r. 4 v.o.): ‘Hier mogen de Ketters (staat daar) hare ooren wel te weycke legghen,’ dat is zooveel, als wel scherp toeluisteren. Ook bij Vondel treft men haar aan. Zie Poëzy, uitg. v. 1682 D. I, bl. 661. Hij zegt daar van het hoog verblijf der Goden:

 
‘Men leit er 't oor te week op 't goddelijk gezang
 
Der heemlen, -’

(Deze plaats heeft Dr. v. Vloten niet eens opgemerkt! Zie zijn Vondel I, p. 331, kol. 2, r. 6 v.o.).

Desgelijks schrijft Broekhuizen in zijn Gedichten, bl. 33, v. 10.

 
‘Dit bos heeft ook verstant. Ick zie vast esch en eik
 
Hun ooren leggen in uw tovertaal te weik.’

Hooft gebruikt eenvoudig weeken. Zie zijne Gedichten, uitg. v. 1636, in 4to, bl, 345, r. 3 v.o., waar hij van Arbele's lied zingt:

 
‘'t Gediert in 't lief geschal zijn' ooren zoude weiken.’

Tot hier toe het zoogenaamde woordenlijstje. Ieder zal nu ligtelijk begrijpen, waarom wij het er voor houden, dat 's hoogleeraars wonderdoend taalgevoel hem hier, bij zijn alles behalve Vondeliaansch te werke leggen, weder onbarmhartig bij de neus gehad heeft.

Waren, bw.

In Vondel's Hippolytus (v. 1484-1488) komen de navolgende woorden voor, door Phedra in hare wanhoop uitgesproken:

 
‘D'onnoosle jongeling, heel kuisch van siel en oogen,
 
Door mijn' bloedschennis hier gesmoort legt in sijn bloed,
 
Ontfang, ô Hippolyt, het geen u waeren doet.
 
Mijn' goddelooze borst ontbloot ick voor 't rechtvaerdigh
 
Ter wraeck geslepen spits. -’
[p. 287]

Den middelsten regel, waarin 't woord waeren voorkomt, verklaart Mr. v. Lennep (Vondel II, bl. 753) met zijne gewone rondborstigheid, dat hij zeer onduidelijk vindt, zoowel in Vondel's Hollandsch, als in Seneca's Latijn. Hij poogt hem dan ook niet uit te leggen.

Dr. v. Vloten heeft zich verbeeld hier beter in te zullen slagen. In zijne aanteekening op deze plaats (zie zijn Vondel I, bl. 268, kol. 2, n. 10) zegt hij: ‘versta: uw schim nog rondwaren; in 't Latijn schijnt Vondel moras voor mores gelezen te hebben (recipe jam mores): de oorspronkelijke zin is: ontvang wat u naar 't gebruik toekomt.’

Dit alles echter, ronduit gezeid, raakt kant noch wal. De hoogleeraar stelt zich ten onregte voor, dat Vondel met zulk eene overhaasting las, als we niet zelden bij Dr. v. Vloten dit onderstellen moeten.

Bij seneca luidt vs. 1196: ‘- recipe jam mores tuos!’ en voor het aannemen van moras tuos zou in 's dichters tijd een pas beginnende schoolknaap een of misschien wel twee plakken gekregen hebben. Het is weêr een roekelooze en ongegronde gissing van den uitlegger, zoo als wij er al meer onder handen hadden.

Zie hier wat er van de zaak is:

Vondel, die, ofschoon geen groot Latinist, zich echter den tijd gunde om, eer hij schreef, aandachtig te onderzoeken, heeft bij de overbrenging dezer plaats de zeer aannemelijke uitlegging van den ouden commentator Farnabius zich toegeëigend, welke den voormelden versregel dus verklaart:

 
‘Recipe, ô Hippolyte, justam castitatis tuae famam 1).’
[p. 288]

Bij den Hollandschen dichter laat zich dus de geheele zin op de navolgende wijze omschrijven:

Ten gevolge van Phedra's snoode betigting is Hippolytus deerlijk omgekomen. Zij door te laat berouw, liefde en wanhoop gemarteld, staat gereed zich het leven te benemen; maar, dit doende, wil ze toch tevens, dat haar dood alom de onschuld van haar geliefd slagtoffer doe erkennen. Zich, bij dezes misvormde overblijfselen, den dolk in het hart stootende, roept zij uit: ‘Ontfang, o Hippolyt, het geen ‘u waeren doet.’ Dit waeren doet beduidt: o.i. niets anders, dan waart; en een der beteekenissen van waren (in den grond hetzelfde als weren) is (gelijk men bij Kiliaen zien kan) vindicare, defendere, immunem servare: welken zin het woord meer heeft bij onzen Dichter, als o.a. in zijn Lucifer v. 685. Wat wijders waren doen, voor waren, betreft, zoo is het bekend, dat deze spreekwijze (nog heden ten dage in het Engelsch levende), ook bij onze oude Schrijvers gevonden wordt. Om geen meer voorbeelden bij te brengen, wijzen wij slechts op het versje, dat voorkomt in Vondel's Tooneel des Menschelikken Levens, (uitg. v. 1661) bl. 71:

 
‘'s Werelts goet
 
Dat dikwils doet
 
Den Mensch bekoren:
 
Word moeylik vergaart,
 
Met zorg bewaart,
 
Met rouw verloren.’

Klaarblijkelijk beduidt hier doet bekoren niets anders dan het Eng. does allure, of ons tegenwoordig bekoort.

Deze uitlegging komt ons de aannemelijkste voor: echter,

[p. 289]

indien men waren in den bovenvermelden zin van vindicare, defendere opvat, en in het praesens (gelijk meer) een zeer nabijzijnd futurum ziet, zou de uitdrukking: ‘Ontfang ô ‘Hippolyt, hetgeen u waeren doet!’ de beteekenis kunnen hebben van: ‘Ontvang ô Hippolyt, (in deze met mijn dood bezegelde bekentenis) datgene, wat (van dit oogenblik af) u of uwe nagedachtenis zal doen verdedigen: met andere woorden: u als onschuldig zal doen erkennen.’

Aan welke dezer twee, elkaâr niet ver ontloopende, opvattingen men den voorkeur geven moge, dit blijft altoos zeker, dat er aan het ‘rondwaren der schim van Hippolytus’ volstrekt niet te denken valt. De eenige schim, die hier aan 't waren geweest is, was een hersenschim van Dr. v. Vloten.

Heersch, bnw.

In Vondel's Sophompaneas IIIde Bedrijf, vindt men de beschrijving eens tafereels, voorstellende Joseph's kuische vlugt uit de armen van Jempsar. Naar mate Joseph's ingetogenheid meer waarde zoude hebben, naar die mate moest ook de verliefde vrouw verleidelijker geschilderd zijn. Bij de aanwijzing wordt ze dan ook genoemd (zie vers 870):

 
‘Een schoone en heersche vrouw, -‘

Wat beduidt dat heersche?

Dr. v. Vloten in zijn Aant, (I, bl. 316, kol. 2) zegt: baatachtige; doch dit was een drukfout, gelijk men zien kan in de drukfouten lijst achter zijn Iste Deel, en moest baasachtig wezen. Volgens hem was dus de bekoorlijke Jempsar eene schoone en baasachtige vrouw. Gelijk, wanneer men zegt: eene engelachtige vrouw, men daardoor meent eene vrouw, die naar een engel lijkent, die iets van een engel heeft; zoo zou eigenlijk een baasachtige vrouw beteekenen eene vrouw, die iets had van een baas, die het voorkomen van een baas had. Dit evenwel kan de bedoeling des uitleggers

[p. 290]

niet geweest zijn. Het schijnt dus, dat hij er heerschzuchtig mede gemeend en slechts het zonderlinge baasachtige heeft genomen, omdat bij Mr. v. Lennep heerschzuchtig in de noot stond. Maar dan nog dwaalde Dr. v. Vloten bij het blindelings volgen van zijn bekwamen, doch niet onfeilbaren, voorganger. Als eene heerschzuchtige vrouw is Jempsar, noch door Vondel, noch door iemand anders, voorgesteld. In 's dichters plan kon het niet liggen haar een karakter toe te kennen, dat haar vooral bij hare huisbedienden, waartoe Joseph behoorde, alles behalve bemind zou hebben gemaakt. Dat zij, als eene andere Phedra van liefde razende, gaarne door Jozeph gekust zou geweest zijn, daarin stak geen heerschzucht, en, trekken van heerschzucht haar te geven, kon dus ook in de bedoeling des schilders niet liggen.

Heersch, hoewel in een overdragtelijken zin dikwijls voor heerschzuchtig gebruikt, beteekent oorspronkelijk iets anders. Gelijk het bnw. boersch, van boer afgeleid, datgene beduidt wat tot den boer of boerenstand behoort, en zoo ook slaafsch op den toestand van een slaaf ziet; desgelijks beteekent heersch eigenlijk wat tot den heerenstand behoort; dus aanzienlijk, voornaam. In dien zin is het hier door Vondel aangewend. Het was geen gemeene vrouw, dien de schilder voorgesteld had, maar een schoone vrouw van hoogen rang, die voor een dienstman te verleidelijker moest wezen, naar mate hij diep beneden haar stond, en zich niet over haar karakter te beklagen had.

Reeds uit den aard der zaak blijkt het dus, dat laatstgenoemde beteekenis hier aan het woord toe te kennen is; doch zulks wordt nog versterkt door eene andere plaats bij Vondel, waar heersch nagenoeg denzelfden zin heeft. Als namelijk (in zijn Joseph in Egypten) de voedster van Jempsar haar afkeerig zoekt te maken van Joseph, door aan te merken, dat hij slechts een slaaf is, antwoordt zij: (v. 356-362).

 
‘Zwijg stil, verkleen hem niet: gij moort mijn ziel door d' ooren:
 
Wat zwerft 'er menigh heldt, dien 't aen geluck ontbreeckt,
 
Maar niet aen stam noch deught, al wat in Joseph steeckt
[p. 291]
 
Gelijkt niet slaefs, maer heers: dat zweemsel en die gaven
 
Getuigen; hoe hij nam zijn oorsprong uit de braven:
 
Doch 't zij zoo 't wil; ick wensch voor zijn slavin te gaen.
 
Geluckigh waer de vrouw, die onder hem moght staen.’

Heers ziet men staat hier tegenover slaefs. Ten opzigte van de spelling dezer woorden behoeven we niet te herinneren, wat we reeds vroeger in dit Tijdschrift, VII, bl. 220, aantoonden, t. w. dat in deze soort van adjektieven de sch dikwijls bij de ouden met de s verwisseld wordt. Overigens, indien we het geheele antwoord van Jempsar hier hebben overgenomen, het is geweest ter meerdere bevestiging van ons zeggen, dat Vondel in Jempsar's karakter niets heerschzuchtigs of (zoo als Dr. van Vloten zich sierlijk uitdrukt) baasachtigs gelegd heeft. Joseph's deugd blonk daardoor te uitstekender, dewijl Jempsar niet minder beminnelijk, dan schoon en aanzienlijk was.

Onverscheiden, bnw.

In het gedicht van Vondel op het Eeuwgetij van Franciscus Xaverius, Apostel van Oost-Indiën (Poëzij, I, bl. 487) komen deze twee regels voor:

 
‘Waar 's Hemels wil hem roepen wil en leiden,
 
Zijn wil is onverscheiden.’

Op dit onverscheiden teekent Dr. v. Vloten (II, bl. 68, kol. 1, n. 3) aan: onverschillig.

Die onverschilligheid klinkt hier vreemd, en haar aan Xaverius toe te schrijven kon onmogelijk in de bedoeling van zijn lofdichter liggen. Deze heeft blijkbaar willen zeggen, dat de heilige man geen anderen wil had dan den wil van God; dat zijn wil niet gescheiden was van dien van God; één was met dien van God.

Inderdaad heeft het w. w. verscheiden dan ook (gelijk men bij Plantijn en Kiliaen zien kan) de beteekenis van dividere, separare, disjungere.

Het bnw. onverscheiden komt meer voor bij Vondel, maar

[p. 292]

nooit in den zin van onverschillig, altijd in dien, welke daar zoo even opgegeven is.

Als b.v. in de Herscheppinge van Ovidius, B. XI, door hem verhaald wordt, hoe Ceïx en Halcyone, in ijsvogels veranderd, elkaâr toch trouw blijven beminnen, gebruikt hij deze uitdrukking:

 
‘- - - vrou en man
 
Genieten beide één lot, in 't minnen onverscheiden.’

's Hoogleeraars onverschillig zou daar een zonderling figuur maken.

Zie ook in het 2de Boek van 's Dichters Bespiegelingen, (uitg. v. 1662) bl. 47, r. 2 v.o.:

 
‘Is Godt en stof hetzelve, en één en onverscheiden
 
Zoo lijdt de Godtheit…’

en aldaar bl. 82, r. 7:

 
‘Zoo brant de liefde in God met een' volkomen gloet;
 
Dewijl de liefde, van Godts wezen onverscheiden,
 
Niet laten kost zich zelve in 't schepsel uit te breiden…’

Wij meenen met deze bewijzen te kunnen volstaan.

De schim van Xaverius heeft regt om tegen Dr. v. Vloten's beleedigend taalgevoel op te komen, en ten opzigte der beschuldiging van onverschilligheid eerherstelling in de Corrigenda te vorderen.

Rechtevoort.

In het Voorberigt van Vondels Hierusalem verwoest leest men de navolgende regelen, vertaald uit de Aeneis van Virgilius.

 
‘Wilt, Vader, kuysche vingren aen
 
d' Huysvaderlijcke Goden slaen.
 
't Waer mij een een schandvleck rechtevoort
 
Die -
 
- -
 
'Te roeren, -’

Dr. van Vloten, niet vertrouwd met de toch nog al bekende beteekenis van 't woord rechtevoort, heeft naar gewoonte

[p. 293]

zijn zuiver Hollandsch taalgevoel te baat genomen om die te raden, maar hij is er weêr slecht door gediend geworden. Het heeft hem ingegeven, dat rechtevoort (omdat het er zoo'n beetje naar leek) kortaf, ronduit moest beduiden; en ziet! het beduidt heel iets anders.

Ofschoon thans verouderd, komt het zeer dikwijls voor bij de vroegere Schrijvers en heeft het daar altoos den zin van nu of thans en ook wel van aanstonds. Dit wordt door Plantijn en Kiliaen bevestigd.

De eerste beteekenis bezit het in de hiervoren aangehaalde versregels, waar kortaf, ronduit op tastbaren onzin uitloopen.

Eneas, namelijk, zijn huisgoden uit den brand van Troje wenschende te redden, draagt die vrome taak op aan zijn vader. Hij zelf toch kwam bebloed uit den strijd en mogt die heiligdommen met geen onreine handen aanraken. ‘'t Waer mij een schandvlek (zegt hij) thans die te aanroeren.’

Op meer andere plaatsen komt het woord bij Vondel voor, maar altijd in een der opgegeven beteekenissen: b.v. in de Elektra, v. 1318, in den Sophompaneas, v. 1258, in den Hippolytus, v. 110 en v. 292, in Koning Edipus, v. 1674, enz.

De Commentator gaat het daar overal met stilzwijgen voorbij, waarschijnlijk vertrouwende zich met zijn kortaf, ronduit, al wel uitgesloofd te hebben; maar dat zijne jeugdige of minkundige lezers verbaasde gezigten trekken zullen, wanneer zij daar met ronduit en kortaf den zin zullen willen ontcijferen, kan wel aan geen twijfel onderhevig zijn.

Hier eindigen wij ons nieuw zestal proefjes, betrekkelijk woorden uit Vondel, door Dr. van Vloten verklaard of, liever, verduisterd. Veroorlooft ons nu, geachte Lezers, eer dat we sluiten, nog deze vraag: Vindt ge niet, dat de hoogleeraar verstandig zou handelen, indien hij zijn best deed om maar, hoe eer, hoe beter, van zijn zuiver Hollandsch taalgevoel af te komen?

 

Rotterdam, den 5den Januarij 1866.

Mr. A. Bogaers.