|
|
|
| | | | | |
LOSSE AANMERKINGEN, BETREKKELIJK WOORDEN, BIJ VONDEL
VOORKOMENDE.
| |
Woed (woedig). Godvrucht (godvruchtig). lg weggelaten.
In zijne
Amsteldamsche Hecuba, v. 1030, zegt
Vondel:
‘'T woed ongediert, daer oyt af wert
gehoort:’
Niet over de beteekenis, die in het oog loopt, maar over den aard en
oorsprong van dit bnw. woed, zijn wij het oneens met
Dr. van Vloten.
Zoo als reeds vroeger door ons in ‘de Taalgids’ te
kennen gegeven is, houden wij het er voor, dat er hier (even als bij
veil voor veilig en bij eene menigte soortgelijke adjektieven)
eene weglating van het achtervoegsel ig heeft plaats gehad.
Onze redenen zijn bekend. Bij de oudste Nederduitsche Schrijvers
wordt woed niet, wel woedig, gevonden, welk woedig
klaarblijkelijk van het znw. woede gevormd is, even als vredig,
vreugdig, genadig, enz. van de substantieven vrede, vreugde,
genade.
Van de onderdrukking der g in onze oude taal en de wegwerping
der toonlooze i zijn daarenboven talrijke bewijzen geleverd. De
gutturale klank der g werd dikwijls (en wordt nog in sommige oorden van
Duitschland) tot dien van een j verzacht. In dezen stand behoefde men
geen grooten stap te doen om de g geheel te doen wegsmelten. Straks
komen wij hierop nog terug: doch ieder zijn beurt! Hooren we nu wat Dr. van
Vloten te zeggen heeft. | | | |
Omtrent dit woed (men gelieve hier wel op te letten) beweert
hij nu niet, gelijk hij zoo onvoorzigtig omtrent veil (veilig)
gedaan had, dat het een oud oorspronkelijk Nederlandsch adjektief zoude zijn,
waaraan later de staart ig was toegevoegd. De hoogleeraar had een zeker
voorgevoel, dat we hem dan weêr met het lastige verzoek aan boord zouden
komen, om ons dat oorspronkelijke adjektief eens bij de oudste Schrijvers te
toonen; en tweemaal te zeggen, dat hij ‘zijn kostelijken tijd niet
verbeuzelen wilde om het daar voor ons op te scharrelen,’ zou al het
aardige en bevreemdende der nieuwheid hebben gemist. Wat heeft hij nu gedaan?
We weten, dat een verzinseltje aan zijne vindingrijkheid niet veel moeite kost;
hij heeft er thans iets anders, iets zeer koddigs ook, op verzonnen, en dit
koddige verzinseltje heeft hem zoo behaagd, dat hij, naar het schijnt,
geëindigd is met het voor waarheid te houden.
Het is den lezer uit 's hoogleeraars ‘Levensbode,’ II
gebleken, dat hij zich een zeker zuiver Hollandsch taalgevoel toekent, hetwelk,
onder meer, zelfs zoo ver gaat, dat het hem de spiksplinternieuwe uitdrukking
‘er wordt bestaan’ heeft doen uitvinden. Wel nu iets dergelijks,
zoo niet nog verwonderlijkers, schrijft hij aan
Vondel toe.
Voor een eeuw of tien was er (naar
Graff in zijn
Sprachschatz opgeeft) een bnw. wuot in het
Oud-hoogduitsch bekend. Wel is waar, Vondel (dit stemt de hoogleeraar
toe) verstond dat overoude Hoogduitsch niet, en de Sprachschatz is pas
in 1842 uitgekomen; maar desniettegenstaande (en dit is juist het fraaiste van
de zaak) bragt de puikpoëet geheel buiten zijn weten, dit oude wuot
weêr te voorschijn. Dat wuot (ontdaan van de dikke schimmel, die
er op zat) is zijn Hollandsch woed.
Hoe ging dit toe?
Zeker niet op eene alledaagsche wijze; doch we willen hier
Dr. van Vloten's eigen woorden geven,
zoo als die gedrukt staan in zijn ‘Levensbode,’ II, bl. 53, r. 4
v.o. ‘Natuurlijk (zegt hij daar) behoefden Vondel
noch eenig ander schrijver | | | | daarom dien oorspronkelijken vorm
niet te kennen: zij gingen daarbij geheel onbewust
1), maar met het zuiverste taalgevoel te werk; een
taalgevoel, dat
Mr. Bogaers daarentegen schijnt te derven, of
hij hadde zich even gemakkelijk van die afkapping reden kunnen
geven.’
Men ziet dus, er is hier iets wonderbaars in 't spel. Dat
zuiverste taalgevoel heeft uitwerkselen, die niemand nog vermoed had.
Het werkt als eene soort van openbaring bij de uitverkorenen, die het bezitten.
Vondel,
Hooft,
Huygens,
Six van Chandelier, die alle het adjektief
woed gebezigd hebben, zijn, zonder dat de vrome zielen het eens wisten
of gisten, met zulke openbaringen begunstigd geweest.
Dr. van Vloten ondervindt ze ook, maar op eene
andere manier, en geniet het voorregt van te weten, dat hij ze ondervindt. Wij
daarentegen ('t is geen schijn, maar wezenlijkheid) wij erkennen het opregt,
dat wij ze derven, en wij erkennen tevens, dat wij ontroostbaar zouden zijn
over het gemis van dat zonderlinge taalgevoel, indien het niet (zoo als de
meeste zaken) ook zijne keerzijde had en, met name, bij prof. van
Vloten in zijne Aanteekeningen op Vondel zulke resultaten
opleverde, als waarvan wij er reeds vele in dit Tijdschrift hebben medegedeeld,
en thans weêr een versch half dozijntje leveren.
Doch dit nu daargelaten; zeker is het altoos, dat die
bovennatuurlijke werking van dat zuiverste taalgevoel, door den hoogleeraar
verkondigd, al moge zij ernstig gemeend zijn, toch geheel onbewezen is. Zijne
innige overtuiging betwisten wij hem niet; doch zij is en blijft niets meer dan
een individuëel geloof aan een taalmirakel. Voor ongeloovigen, zoo als wij
en anderen, heeft ze niets te beduiden, bewijst ze niets. Wanneer
alzoo het wonder wegvalt, wat blijft er dan over? | | | |
Het adj. woed, dat, gelijk de hoogleeraar toestemt, geen oud
oorspronkelijk Neêrlandsch adjektief is.
Van waar dit woed, dat dezelfde beteekenis heeft, als het
oude woedig?
Indien er nu in onze taal geen enkel voorbeeld ware van de weglating
der g, noch van de onderdrukking der toonlooze i, zoo zoude het
zeer moeilijk zijn, er een natuurlijk herkomen van aan te wijzen; maar juist
het tegendeel is waar.
Een aantal voorbeelden daarvan hebben we uit
Dr. Brill's
Spraakleer (bl. 124) in dit Tijdschrift
aangehaald. Wij hadden hun getal aanmerkelijk kunnen vermeerderen, maar waren
overtuigd, dat deze volstonden. Hoe tracht
Dr. van Vloten zich van dit klemmend bewijs af te
maken?
Na op bl. 54 van zijn ‘Levensbode,’ II, gezegd te
hebben, dat
Mr. Bogaers zich geen goede rekenschap der
afkapping van ig heeft kunnen geven door het derven, zoo het scheen, van
dat taalgevoel, hetwelk de hoogleeraar zich zelven toeschrijft, laat hij
dadelijk daarop volgen:
‘Thans neemt hij, om haar te verklaren, tot een geheel
onjuiste vergelijking zijne toevlucht, en wil er eene ‘weglating dier
zelfde zachte g’ in zien, die in de woorden reinen en
rein (voor regenen en regen), zeil (voor
zegel), dweil (voor dwegel) voeg er nog bij teil
voor tegel en brein voor bregen, tien voor tegen!,
plaats grijpt. De verhouding is inderdaad zoo ongelijk mogelijk. Deze
zamentrekking van twee lettergrepen tot ééne, waarbij de g
verloren gaat en de klinker verlengd wordt, is blijkbaar geheel iets anders dan
het wegvallen van een aangehechte lettergreep, die op een g uitgaat: om
er een zweem van gelijkvormigheid in te brengen, moet hij dan ook niet
ig maar ige als gelijksvorm stellen, waarin de g ook
tusschen twee klinkers in 't midden staat. Intusschen wanneer men, om de
welluidendheid of de versmaat, dezen wil verkorten, laat men niet de g,
maar de toonlooze i weg, en zegt bijv. een'ge, heil'ge, veil'ge,
enz.’ | | | |
Voor alles moeten we hier aanmerken, dat, minder waarheidslievend,
dan slim, de hoogleeraar uit de door ons aangehaalde voorbeelden slechts die
uitkipt, welke best in zijne kraam te pas komen. De g, weggelaten op het
eind van hoog in hoovaardij, laat hij stil rusten; de onderdrukte
g in de eerste lettergreep deeg van deesem, wordt door hem
niet aangeroerd. Zoo ook blijven wijnand voor wig-nand, spij-en
voor spij-gen, gaan voor gangen geheel verzwegen. Doch we halen
dit slechts aan om een nieuw proefje van zijne manier van argumenteren te
geven; we kunnen, zonder schade voor onze bewering, ons tot reinen, zeil,
dweil, teil, brein enz. bepalen. In deze woorden, erkent
Dr. v. Vloten, is de g uitgeworpen.
Waarom kon dit geschieden? Immers om geen andere denkbare reden, dan dewijl de
uitspraak der g zoo zacht was, dat het gehoor de weglating duldde. Op
het eind eens woords klinkt de g zeker scherper, dan tusschen twee
vokalen in, en daarom werd ze dáár oudtijds met een ch of
gh verwisseld. Dit mag de oorzaak zijn, dat we veel meer verbogen
woorden op ige vinden, wier uitgang een zachte e geworden is, dan
onverbogen woorden op ig, die dit ig (zoo als woed) geheel
verloren hebben: maar dit blijft altoos vaststaan, dat de g in
reinen, zeil, enz. uit hoofde van haar zachtheid kon wegblijven.
Geeft nu de hoogleeraar eenige reden, waarom zulks wel kon plaats
hebben in reinen voor regenen, enz., maar niet b.v. in
woede voor woedige, godvruchte voor godvruchtige enz.? -
Volstrekt niet. - Bewijst hij, dat de g harder was in woedige of
godvruchtige, dan in regenen? - Verre van daar; hij beweert het
zelfs niet, - Wat wil dan al zijn tegenhaspelen beduiden!
Ja maar, thans schrijven we bij verkorting een'ge, heil'ge,
veil'ge? - Wat doet het er toe? Bewijst het, dat oudtijds in die woorden
niet bij wijlen de g te loor ging? Wat is Hei-lo anders dan
Heilich-lo, dat men bij
Melis Stoke leest? Schrijft niet
J. van Heemskerk in zijn
Minnekunst (Amst. 1622), bl. 416, r. 6:
‘Een eene Phoenix’ voor ‘een een'ge of eenige | | | | Phoenix,’ en bl. 419, r. 7, ‘de eene Maeght’
voor ‘de eenige Maagd?’ - en, wat veile voor veil'ge
betreft, zoo zou het immers overbodig zijn, bij de reeds gegeven voor-beelden
er nog nieuwe te voegen?
In allen opzigte schiet dus
Dr. van Vloten's redenering te kort.
Voor ieder, die de zaak onbevooroordeeld beschouwt, is het duidelijk, dat in
onze oude taal met de g op een kleiner schaal heeft plaats gehad, wat
met de d, ook om haar zachtheid, op een grooter gebeurde en nog heden
ten dage gebeurt. Zoo zien wij immers b.v. in dooden de tweede d
soms wegvallen en de zamentrekking tot doôn volgen; in
houden gaat meermalen de d te loor en blijft er houën
overig, terwijl in hiel voor hield, in vin voor
vind, in rij voor rijd, in dee voor deed,
enz. de d op het einde des woords dikwijls werd en soms nog wordt
onderdrukt.
Wij meenen ons betoog hier te mogen sluiten.
Treedt men tot ons gevoelen toe (dit is de slotsom van onze geheele
redenering), dan ziet men woed, veil, godvrucht, enz. voor woedig,
veilig, godvruchtig, enz. op eene natuurlijke wijze verklaard. Men heeft
een taalverschijnsel voor oogen, dat met de erkende zachtheid der g in
verband staat en ook bij andersoortige woorden, dan de adjektieven op
ig, dikwijls waargenomen wordt.
Is men daarentegen met onze natuurlijke uitlegging niet te vrede,
dan moet men Dr. v. Vloten's wonderwerkend taalgevoel en
bovennatuurlijke woord-openbaringen - al ondervindt men die zelf niet, zoo als
hij, - ten opzigte, niet slechts van
Vondel,
Hooft en hun tijdgenooten, maar ook van
Bilderdijk en de zijnen, geloovig aannemen.
Wie nu veel van mirakelen houdt, schare zich aan de zijde des
hoogleeraars: ons, die niet zoo bijzonder tot het mystieke overhellen, zij het
geoorloofd bij het natuurlijke te blijven.
| | | |
| |
Te weicke of weeke leggen.
In zijne
Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst, uitg. v.
1662, bl. 96 en 97, stelt
Vondel ons den schilderenden Apelles op deze
wijze voor:
‘Apelles volght natuur met kunst na in het diepen
En hoogen op zijn maet, hij starooght en verdrijft
Zijn verwen liefelijck, wie suft en achterblijft,
Hij volght zijn leitsvrou kloeck en wenscht haer in te
stappen,
En leght zijn geest te weicke op aert en eigenschappen
Bij den voorlaatsten regel schenkt
Dr. v. Vloten zijn inteekenaars weder eene
kritische tekstverbetering, die in hare soort niet onderdoet voor zijne
vroegere van den stierenman; de Israëlieten, die acht slaan
zonder te weten waarop; de vrouw, die duurt; zijn voeren of
vueren, voor weren (in een boek door hem gezien, waarin het niet
staat) en dergelijken meer.
Naar zijn oordeel deugt te weicke niet. In de plaats daarvan
laat hij te werke drukken, kortaf daarbij in de noot zeggende (zie zijn
Vondel I, bl. 617, kol. 1, no. 4): ‘zoo leze men voor
weike.’
Terwijl wij bij dit nieuwe resultaat van 's hoogleeraars mirakuleus
taalgevoel een oogenblik stilstonden, schoot ons zoo het een en ander te
binnen, dat daar maar in 't geheel niet mede overeenstemde. Wij keken dat
woordenlijstje eens in, hetwelk hij zoo knap geweest is van uit te vinden, dat
wij ons vervaardigd hebben, maar hetwelk hij om zekere redenen volstrekt niet
lijden mag. Wat we daar opteekenden, deelen we hier den lezer mede:
‘Te weicke of te weeke leggen, gelijk ook
kortaf, weeken, komt meermalen in een overdragtelijken zin bij onze oude
Schrijvers voor. Wat op of in iets vochtigs weekt of te weeke gelegd wordt,
raakt daarvan geheel doortrokken. Daarom ook wie zijn geest op eenige zaak te
weeke legt, wordt van die zaak gansch doordrongen, raakt er volkomen bekend | | | | mede.
Vondel heeft in zijne
Bespiegel. B. III, v. 402, deze uitdrukking aldus
gebezigd.
De ooren te weeke leggen op iets wordt gezeid voor
aandachtig hooren naar iets. Deze spreekwijze vindt men in
Aldegonde's
Bijenkorf, stuck II, cap. 11 (uitg. v. 1574, fol.
140 verso, r. 4 v.o.): ‘Hier mogen de Ketters (staat daar) hare ooren wel
te weycke legghen,’ dat is zooveel, als wel scherp
toeluisteren. Ook bij Vondel treft men haar aan. Zie
Poëzy, uitg. v. 1682 D. I, bl. 661. Hij zegt
daar van het hoog verblijf der Goden:
‘Men leit er 't oor te week op 't
goddelijk gezang
(Deze plaats heeft
Dr. v. Vloten niet eens opgemerkt! Zie zijn
Vondel I, p. 331, kol. 2, r. 6 v.o.).
Desgelijks schrijft
Broekhuizen in zijn
Gedichten, bl. 33, v. 10.
‘Dit bos heeft ook verstant. Ick zie vast esch en eik
Hun ooren leggen in uw tovertaal te weik.’
Hooft gebruikt eenvoudig weeken. Zie
zijne
Gedichten, uitg. v. 1636, in 4to, bl,
345, r. 3 v.o., waar hij van Arbele's lied zingt:
‘'t Gediert in 't lief geschal zijn' ooren zoude
weiken.’
Tot hier toe het zoogenaamde woordenlijstje. Ieder zal nu ligtelijk
begrijpen, waarom wij het er voor houden, dat 's hoogleeraars wonderdoend
taalgevoel hem hier, bij zijn alles behalve Vondeliaansch te werke
leggen, weder onbarmhartig bij de neus gehad heeft.
| |
Waren, bw.
In Vondel's
Hippolytus (v. 1484-1488) komen de navolgende
woorden voor, door Phedra in hare wanhoop uitgesproken:
‘D'onnoosle jongeling, heel kuisch van siel en oogen,
Door mijn' bloedschennis hier gesmoort legt in sijn bloed,
Ontfang, ô Hippolyt, het geen u waeren doet.
Mijn' goddelooze borst ontbloot ick voor 't rechtvaerdigh
Ter wraeck geslepen spits. -’
| | | |
Den middelsten regel, waarin 't woord waeren voorkomt,
verklaart
Mr. v. Lennep (Vondel II, bl. 753) met
zijne gewone rondborstigheid, dat hij zeer onduidelijk vindt, zoowel in
Vondel's Hollandsch, als in
Seneca's Latijn. Hij poogt hem dan ook niet uit te
leggen.
Dr. v. Vloten heeft zich verbeeld hier beter
in te zullen slagen. In zijne aanteekening op deze plaats (zie zijn
Vondel I, bl. 268, kol. 2, n. 10) zegt hij: ‘versta: uw schim
nog rondwaren; in 't Latijn schijnt Vondel moras voor
mores gelezen te hebben (recipe jam mores): de oorspronkelijke
zin is: ontvang wat u naar 't gebruik toekomt.’
Dit alles echter, ronduit gezeid, raakt kant noch wal. De
hoogleeraar stelt zich ten onregte voor, dat Vondel met zulk eene
overhaasting las, als we niet zelden bij Dr. v. Vloten dit
onderstellen moeten.
Bij seneca luidt vs. 1196: ‘- recipe jam mores
tuos!’ en voor het aannemen van moras tuos zou in 's
dichters tijd een pas beginnende schoolknaap een of misschien wel twee plakken
gekregen hebben. Het is weêr een roekelooze en ongegronde gissing van den
uitlegger, zoo als wij er al meer onder handen hadden.
Zie hier wat er van de zaak is:
Vondel, die, ofschoon geen groot Latinist, zich echter den
tijd gunde om, eer hij schreef, aandachtig te onderzoeken, heeft bij de
overbrenging dezer plaats de zeer aannemelijke uitlegging van den ouden
commentator
Farnabius zich toegeëigend, welke den
voormelden versregel dus verklaart:
‘Recipe, ô Hippolyte, justam castitatis tuae famam
1).’
| | | |
Bij den Hollandschen dichter laat zich dus de geheele zin op de
navolgende wijze omschrijven:
Ten gevolge van Phedra's snoode betigting is
Hippolytus deerlijk omgekomen. Zij door te laat berouw, liefde en
wanhoop gemarteld, staat gereed zich het leven te benemen; maar, dit doende,
wil ze toch tevens, dat haar dood alom de onschuld van haar geliefd slagtoffer
doe erkennen. Zich, bij dezes misvormde overblijfselen, den dolk in het hart
stootende, roept zij uit: ‘Ontfang, o Hippolyt, het geen ‘u
waeren doet.’ Dit waeren doet beduidt: o.i. niets anders,
dan waart; en een der beteekenissen van waren (in den grond
hetzelfde als weren) is (gelijk men bij
Kiliaen zien kan) vindicare, defendere,
immunem servare: welken zin het woord meer heeft bij onzen Dichter, als
o.a. in zijn
Lucifer v. 685. Wat wijders waren doen,
voor waren, betreft, zoo is het bekend, dat deze spreekwijze (nog heden
ten dage in het Engelsch levende), ook bij onze oude Schrijvers gevonden wordt.
Om geen meer voorbeelden bij te brengen, wijzen wij slechts op het versje, dat
voorkomt in Vondel's
Tooneel des Menschelikken Levens, (uitg. v. 1661)
bl. 71:
Klaarblijkelijk beduidt hier doet bekoren niets anders dan
het Eng. does allure, of ons tegenwoordig bekoort.
Deze uitlegging komt ons de aannemelijkste voor: echter, | | | | indien men waren in den bovenvermelden zin van vindicare,
defendere opvat, en in het praesens (gelijk meer) een zeer
nabijzijnd futurum ziet, zou de uitdrukking: ‘Ontfang ô
‘Hippolyt, hetgeen u waeren doet!’ de beteekenis kunnen hebben van:
‘Ontvang ô Hippolyt, (in deze met mijn dood bezegelde bekentenis)
datgene, wat (van dit oogenblik af) u of uwe nagedachtenis zal doen verdedigen:
met andere woorden: u als onschuldig zal doen erkennen.’
Aan welke dezer twee, elkaâr niet ver ontloopende, opvattingen
men den voorkeur geven moge, dit blijft altoos zeker, dat er aan het
‘rondwaren der schim van Hippolytus’ volstrekt niet te
denken valt. De eenige schim, die hier aan 't waren geweest is, was een
hersenschim van
Dr. v. Vloten.
| |
Heersch, bnw.
In Vondel's
Sophompaneas IIIde Bedrijf, vindt men
de beschrijving eens tafereels, voorstellende Joseph's kuische vlugt
uit de armen van Jempsar. Naar mate Joseph's ingetogenheid
meer waarde zoude hebben, naar die mate moest ook de verliefde vrouw
verleidelijker geschilderd zijn. Bij de aanwijzing wordt ze dan ook genoemd
(zie vers 870):
‘Een schoone en heersche vrouw, -‘
Wat beduidt dat heersche?
Dr. v. Vloten in zijn Aant, (I, bl. 316, kol.
2) zegt: baatachtige; doch dit was een drukfout, gelijk men zien kan in
de drukfouten lijst achter zijn Iste Deel, en moest
baasachtig wezen. Volgens hem was dus de bekoorlijke Jempsar
eene schoone en baasachtige vrouw. Gelijk, wanneer men zegt: eene
engelachtige vrouw, men daardoor meent eene vrouw, die naar een engel lijkent,
die iets van een engel heeft; zoo zou eigenlijk een baasachtige vrouw
beteekenen eene vrouw, die iets had van een baas, die het voorkomen van
een baas had. Dit evenwel kan de bedoeling des uitleggers | | | | niet geweest zijn. Het schijnt dus, dat hij er heerschzuchtig
mede gemeend en slechts het zonderlinge baasachtige heeft genomen, omdat
bij
Mr. v. Lennep heerschzuchtig in de noot
stond. Maar dan nog dwaalde
Dr. v. Vloten bij het blindelings volgen van
zijn bekwamen, doch niet onfeilbaren, voorganger. Als eene
heerschzuchtige vrouw is Jempsar, noch door
Vondel, noch door iemand anders, voorgesteld.
In 's dichters plan kon het niet liggen haar een karakter toe te kennen, dat
haar vooral bij hare huisbedienden, waartoe Joseph behoorde, alles
behalve bemind zou hebben gemaakt. Dat zij, als eene andere Phedra van liefde
razende, gaarne door Jozeph gekust zou geweest zijn, daarin stak geen
heerschzucht, en, trekken van heerschzucht haar te geven, kon dus ook in de
bedoeling des schilders niet liggen.
Heersch, hoewel in een overdragtelijken zin dikwijls voor
heerschzuchtig gebruikt, beteekent oorspronkelijk iets anders. Gelijk
het bnw. boersch, van boer afgeleid, datgene beduidt wat tot den
boer of boerenstand behoort, en zoo ook slaafsch op den
toestand van een slaaf ziet; desgelijks beteekent heersch
eigenlijk wat tot den heerenstand behoort; dus aanzienlijk,
voornaam. In dien zin is het hier door Vondel aangewend. Het was
geen gemeene vrouw, dien de schilder voorgesteld had, maar een schoone vrouw
van hoogen rang, die voor een dienstman te verleidelijker moest wezen, naar
mate hij diep beneden haar stond, en zich niet over haar karakter te beklagen
had.
Reeds uit den aard der zaak blijkt het dus, dat laatstgenoemde
beteekenis hier aan het woord toe te kennen is; doch zulks wordt nog versterkt
door eene andere plaats bij Vondel, waar heersch nagenoeg
denzelfden zin heeft. Als namelijk (in zijn Joseph in Egypten) de
voedster van Jempsar haar afkeerig zoekt te maken van Joseph,
door aan te merken, dat hij slechts een slaaf is, antwoordt zij: (v.
356-362).
‘Zwijg stil, verkleen hem niet: gij moort mijn ziel door d'
ooren:
Wat zwerft 'er menigh heldt, dien 't aen geluck ontbreeckt,
Maar niet aen stam noch deught, al wat in Joseph
steeckt
| | | |
Gelijkt niet slaefs, maer heers: dat zweemsel en
die gaven
Getuigen; hoe hij nam zijn oorsprong uit de braven:
Doch 't zij zoo 't wil; ick wensch voor zijn slavin te gaen.
Geluckigh waer de vrouw, die onder hem moght staen.’
Heers ziet men staat hier tegenover slaefs. Ten
opzigte van de spelling dezer woorden behoeven we niet te herinneren, wat we
reeds vroeger in dit Tijdschrift, VII, bl. 220, aantoonden, t. w. dat in deze
soort van adjektieven de sch dikwijls bij de ouden met de s
verwisseld wordt. Overigens, indien we het geheele antwoord van
Jempsar hier hebben overgenomen, het is geweest ter meerdere
bevestiging van ons zeggen, dat
Vondel in Jempsar's karakter niets
heerschzuchtigs of (zoo als
Dr. van Vloten zich sierlijk uitdrukt)
baasachtigs gelegd heeft. Joseph's deugd blonk daardoor te
uitstekender, dewijl Jempsar niet minder beminnelijk, dan schoon en
aanzienlijk was.
| |
Onverscheiden, bnw.
In het gedicht van
Vondel op het
Eeuwgetij van Franciscus Xaverius, Apostel van
Oost-Indiën (Poëzij, I, bl. 487) komen deze twee
regels voor:
‘Waar 's Hemels wil hem roepen wil en leiden,
Zijn wil is onverscheiden.’
Op dit onverscheiden teekent
Dr. v. Vloten (II, bl. 68, kol. 1, n. 3) aan:
onverschillig.
Die onverschilligheid klinkt hier vreemd, en haar aan
Xaverius toe te schrijven kon onmogelijk in de bedoeling van zijn
lofdichter liggen. Deze heeft blijkbaar willen zeggen, dat de heilige man
geen anderen wil had dan den wil van God; dat zijn wil niet
gescheiden was van dien van God; één was met dien van
God.
Inderdaad heeft het w. w. verscheiden dan ook (gelijk men bij
Plantijn en
Kiliaen zien kan) de beteekenis van
dividere, separare, disjungere.
Het bnw. onverscheiden komt meer voor bij Vondel,
maar | | | | nooit in den zin van onverschillig, altijd in dien,
welke daar zoo even opgegeven is.
Als b.v. in de
Herscheppinge van Ovidius, B. XI, door hem
verhaald wordt, hoe Ceïx en Halcyone, in ijsvogels veranderd, elkaâr
toch trouw blijven beminnen, gebruikt hij deze uitdrukking:
Genieten beide één lot, in 't minnen
onverscheiden.’
's Hoogleeraars onverschillig zou daar een zonderling figuur
maken.
Zie ook in het 2de Boek van 's Dichters
Bespiegelingen, (uitg. v. 1662) bl. 47, r. 2
v.o.:
‘Is Godt en stof hetzelve, en
één en onverscheiden
en aldaar bl. 82, r. 7:
‘Zoo brant de liefde in God met een' volkomen gloet;
Dewijl de liefde, van Godts wezen onverscheiden,
Niet laten kost zich zelve in 't schepsel uit te
breiden…’
Wij meenen met deze bewijzen te kunnen volstaan.
De schim van Xaverius heeft regt om tegen
Dr. v. Vloten's beleedigend taalgevoel
op te komen, en ten opzigte der beschuldiging van onverschilligheid
eerherstelling in de Corrigenda te vorderen.
| |
Rechtevoort.
In het Voorberigt van Vondels
Hierusalem verwoest leest men de navolgende
regelen, vertaald uit de
Aeneis van
Virgilius.
‘Wilt, Vader, kuysche vingren aen
d' Huysvaderlijcke Goden slaen.
't Waer mij een een schandvleck rechtevoort
Dr. van Vloten, niet vertrouwd met de toch nog
al bekende beteekenis van 't woord rechtevoort, heeft naar gewoonte | | | | zijn
zuiver Hollandsch taalgevoel te baat genomen om die te raden, maar hij is er
weêr slecht door gediend geworden. Het heeft hem ingegeven, dat
rechtevoort (omdat het er zoo'n beetje naar leek) kortaf, ronduit
moest beduiden; en ziet! het beduidt heel iets anders.
Ofschoon thans verouderd, komt het zeer dikwijls voor bij de
vroegere Schrijvers en heeft het daar altoos den zin van nu of
thans en ook wel van aanstonds. Dit wordt door
Plantijn en
Kiliaen bevestigd.
De eerste beteekenis bezit het in de hiervoren aangehaalde
versregels, waar kortaf, ronduit op tastbaren onzin uitloopen.
Eneas, namelijk, zijn huisgoden uit den brand van Troje
wenschende te redden, draagt die vrome taak op aan zijn vader. Hij zelf toch
kwam bebloed uit den strijd en mogt die heiligdommen met geen onreine handen
aanraken. ‘'t Waer mij een schandvlek (zegt hij) thans die te
aanroeren.’
Op meer andere plaatsen komt het woord bij
Vondel voor, maar altijd in een der opgegeven
beteekenissen: b.v. in de
Elektra, v. 1318, in den
Sophompaneas, v. 1258, in den
Hippolytus, v. 110 en v. 292, in
Koning Edipus, v. 1674, enz.
De Commentator gaat het daar overal met stilzwijgen voorbij,
waarschijnlijk vertrouwende zich met zijn kortaf, ronduit, al wel
uitgesloofd te hebben; maar dat zijne jeugdige of minkundige lezers verbaasde
gezigten trekken zullen, wanneer zij daar met ronduit en kortaf
den zin zullen willen ontcijferen, kan wel aan geen twijfel onderhevig
zijn.
Hier eindigen wij ons nieuw zestal proefjes, betrekkelijk woorden
uit Vondel, door
Dr. van Vloten verklaard of, liever,
verduisterd. Veroorlooft ons nu, geachte Lezers, eer dat we sluiten, nog deze
vraag: Vindt ge niet, dat de hoogleeraar verstandig zou handelen, indien hij
zijn best deed om maar, hoe eer, hoe beter, van zijn zuiver
Hollandsch taalgevoel af te komen?
Rotterdam, den 5den Januarij 1866.
Mr. A. Bogaers.
|
1)Als een nieuw staaltje van Dr. v.
Vloten's zuiver Hollandsch taalgevoel verdient dit onbewust, en
niet minder ook de zinsnede. die het voorafgaat, 's Lezers bijzondere
opmerkzaamheid.
1)In de voor ons liggende uitgave der
Tragediën van
Seneca, met de noten van
Gronovius, etc. (in 4 to
A o. 1728 te Delft uitgekomen) is er blijkbaar een fout in de
punctuatie van v. 1195 en 1196. Achter de woorden, door Phedra tot
Theseus gerigt,
Mentita finxi. vana puuisti pater;
Juvenisque castus crimine incestæ jacet,
had o.i. geen comma, maar een punt of uitroepingsteeken
moeten staan. Daarentegen in den versregel, die er op volgt, waarin zij
Hippolytus, wiens verscheurd lijk voor haar oogen ligt, aanspreekt,
had de punt, die achter insons. staat, door een comma aldus dienen
vervangen te zijn:
Pudicus, insons, recipe jam mores tuos.
d.i. kuische, onschuldige, herneem nu (voor aller oog en
oor) uw deugdzaam karakter, (dat mijne valsche betigting u ontroofde)! Dat
de beteekenis van mores bij de Romeinen, deze opvatting niet
weêrspreekt, kan men bij
Scheller in zijn
Lexicon, en
Faber in diens
Thesaurus, I. v. Mos gestaafd
vinden.
|
|