|
|
|
| | | | | |
Rigghe.
Reeds voor vier jaren werd door mij in dit tijdschrift gevraagd naar
de beteekenis van het Middelnederlandsche ric, ricghe, en heb ik, daar
mijne vraag onbeantwoord bleef, later zelf getracht (Taalgids, III, 304
en 5), naar aanleiding van eene aanteekening in eene Sluische Stadsrekening,
die beteekenis min of meer aan te wijzen. Voor zoover mij bekend is, is dit
woord sedert in den Taalgids niet meer ter sprake gekomen. Ik neem
derhalve de vrijheid er op terug te komen, met opgave van een viertal
aanteekeningen, waarin het woord voorkomt, in de hoop, dat we daardoor een
stapje nader zullen komen tot de kennis van zijne beteekenis. Ik trof het woord
meermalen aan in de twee oudste Boeken en Registers van Weezen,
berustende onder de aan mijne zorg toevertrouwde archieven, loopende van 1447
tot 1473, en van 1485 tot 1537. Daarin luidt het o.a.:
5 Februari 1451. Item, zo es den vorn. kindren ghebuert eenen brunen
roseyden vrauwenkeerel, ghevoedert met grauwen rigghen of daer
vooren drie ponden groten torn.
19 Dec. 1470. Item, eenen graeuwen vrauwekerle, ghevoedert met
graeuwen rigghen.
10 Maart 1494. Item, eenen vrauwen moreydenkaerle, ghevoert met
graeuwen rigghen.
1505. Eenen vrauwen zwartenkeerle met graeuwen
rigghen.
Het treft al dadelijk de aandacht dat in alle vier de door | | | | ons meêgedeelde plaatsen rigghen onmiddellijk wordt
voorafgegaan door grauwen, hetgeen het o.i. zeer waarschijnlijk maakt,
dat, waar deze stof gebruikt werd tot het voederen der kerels (een zeer
bekend en gewoon kleedingstuk, zoo voor mannen als vrouwen) grauw hare
gewone, eigenaardige kleur was, of, ten minste, dat deze kleur met den naam van
grauw bestempeld werd. Verder weten wij, dat de kerels, en vooral zulke
die zoo kostbaar waren, dat men er bij verweezingen bijzondere melding van
maakt en niet zelden de erflater er bij zijn testament over beschikte
1), gevoerd waren met kostbaar bont, dat den naam droeg van
voederse. De pels- en bontwerkers nu heetten in het algemeen
grauwwerkers, terwijl men door grauwwerk eene bijzondere soort
van pelswerk verstond: vair et gris, wit en grijs pelswerk
(appelgrauw zegt
Kramers in zijn bekend woordenboek), afkomstig
van een eekhorentje uit het noorden. Vandaar, dat wij ook vermeld vinden:
‘ongewrocht grauwwerk of wilde pelterij, komende uit het noorden.’
(Zie Bijdragen tot de oudheidk. en Gesch. inzonderheid van
Zeeuwsch-Vlaanderen, door
Janssen en
Van Dale, vijfde deel, eerste en tweede
stuk).
Uit het bovenstaande meenen wij met eenigen grond te mogen afleiden
dat men door grauwe rigghen grauwwerk, grauw pelswerk, vair et
gris te verstaan hebbe, en dat rigghe ook hier de beteekenis heeft
van huid, hetzij eene bereide huid, eene pelshuid, of iets dergelijks.
Intusschen bevelen wij het woord in de aandacht van alle taalkundigen aan, en
in 't bijzonder in die van de geëerde Redactie van den Taalgids en
den kundigen uitgever van het Middelnederlandsch Woordenboek.
Sluis, 18 Juli 1865.
J.H. van Dale,
Archivaris.
|
1)Dat het voeders dat in de kerels
stond, kostbaar was, blijkt o.a. daaruit, dat zekere Bouden Maes, een
aanzienlijk poorter van Sluis, in zijn testament (4 Sept. 1387) bepaalde, dat
Jan Hames zijn pantsier erven zoude, ‘dat men heet een
igserant’, en 't voeders, dat in zijnen satijnen kerel
stond.
|
|