De Taalgids. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Zevende jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1865.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 130]

Rigghe.

Reeds voor vier jaren werd door mij in dit tijdschrift gevraagd naar de beteekenis van het Middelnederlandsche ric, ricghe, en heb ik, daar mijne vraag onbeantwoord bleef, later zelf getracht (Taalgids, III, 304 en 5), naar aanleiding van eene aanteekening in eene Sluische Stadsrekening, die beteekenis min of meer aan te wijzen. Voor zoover mij bekend is, is dit woord sedert in den Taalgids niet meer ter sprake gekomen. Ik neem derhalve de vrijheid er op terug te komen, met opgave van een viertal aanteekeningen, waarin het woord voorkomt, in de hoop, dat we daardoor een stapje nader zullen komen tot de kennis van zijne beteekenis. Ik trof het woord meermalen aan in de twee oudste Boeken en Registers van Weezen, berustende onder de aan mijne zorg toevertrouwde archieven, loopende van 1447 tot 1473, en van 1485 tot 1537. Daarin luidt het o.a.:

5 Februari 1451. Item, zo es den vorn. kindren ghebuert eenen brunen roseyden vrauwenkeerel, ghevoedert met grauwen rigghen of daer vooren drie ponden groten torn.

19 Dec. 1470. Item, eenen graeuwen vrauwekerle, ghevoedert met graeuwen rigghen.

10 Maart 1494. Item, eenen vrauwen moreydenkaerle, ghevoert met graeuwen rigghen.

1505. Eenen vrauwen zwartenkeerle met graeuwen rigghen.

Het treft al dadelijk de aandacht dat in alle vier de door

[p. 131]

ons meêgedeelde plaatsen rigghen onmiddellijk wordt voorafgegaan door grauwen, hetgeen het o.i. zeer waarschijnlijk maakt, dat, waar deze stof gebruikt werd tot het voederen der kerels (een zeer bekend en gewoon kleedingstuk, zoo voor mannen als vrouwen) grauw hare gewone, eigenaardige kleur was, of, ten minste, dat deze kleur met den naam van grauw bestempeld werd. Verder weten wij, dat de kerels, en vooral zulke die zoo kostbaar waren, dat men er bij verweezingen bijzondere melding van maakt en niet zelden de erflater er bij zijn testament over beschikte 1), gevoerd waren met kostbaar bont, dat den naam droeg van voederse. De pels- en bontwerkers nu heetten in het algemeen grauwwerkers, terwijl men door grauwwerk eene bijzondere soort van pelswerk verstond: vair et gris, wit en grijs pelswerk (appelgrauw zegt Kramers in zijn bekend woordenboek), afkomstig van een eekhorentje uit het noorden. Vandaar, dat wij ook vermeld vinden: ‘ongewrocht grauwwerk of wilde pelterij, komende uit het noorden.’ (Zie Bijdragen tot de oudheidk. en Gesch. inzonderheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, door Janssen en Van Dale, vijfde deel, eerste en tweede stuk).

Uit het bovenstaande meenen wij met eenigen grond te mogen afleiden dat men door grauwe rigghen grauwwerk, grauw pelswerk, vair et gris te verstaan hebbe, en dat rigghe ook hier de beteekenis heeft van huid, hetzij eene bereide huid, eene pelshuid, of iets dergelijks. Intusschen bevelen wij het woord in de aandacht van alle taalkundigen aan, en in 't bijzonder in die van de geëerde Redactie van den Taalgids en den kundigen uitgever van het Middelnederlandsch Woordenboek.

 

Sluis, 18 Juli 1865.

J.H. van Dale,

Archivaris.