De Taalgids. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Zevende jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1865.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Nederduitsche spreekwoorden.

I.

Onder bovenstaand opschrift bood de Heer H. Molema den lezers van dit Tijdschrift (IV, No. 4; V, No. 3) eene reeks van spreekwoorden en zegswijzen aan, welke gebezigd worden in onderscheidene streken van Duitschland en ons land, waar het Nederduitsch met zijne verschillende tongvallen gesproken wordt, o.a. met het doel om te doen zien, hoe dezelfde uitdrukking dikwijls over eene groote oppervlakte is verbreid en nog in den mond des volks voortleeft. Aan het slot van zijn inleidend woord drukt de schrijver den wensch uit, dat men het veld, waarop hij slechts een paar schreden gedaan heeft, in alle richtingen doorkruise, om zoodoende tot eene gewenschte volledigheid te geraken ten opzichte van het verzamelen der taalvormen van het Nederduitsch, vooral wat de hoofdafdeeling der spreekwoordelijke

[p. 205]

uitdrukkingen betreft, zooals zij nog onder het volk in levend gebruik zijn. Wij willen trachten, dien wensch te helpen vervullen en daarom in de volgende bladen eenige opmerkingen mededeelen, welke ons voor den geest kwamen bij het nalezen van de door den schrijver meêgedeelde spreekwoorden en gezegden, en dat wel met betrekking tot gelijksoortige of verwante zegswijzen, die gang hebben in Zeeuwsch-Vlaanderens westelijk deel. Om allen noodeloozen omhaal te vermijden, laten wij zooveel mogelijk die spreekwoorden onaangeroerd, welke als Nederlandsche worden vermeld en ook in deze streken gehoord worden: wij zullen er slechts dán bij stil staan, als een gewijzigde vorm daartoe als van zelf aanleiding geeft.

Aan de klok hangen; aan de groote klok hangen: iets ruchtbaar maken. In die beteekenis ook hier in gebruik. Wordt er van wege het gemeentebestuur iets afgekondigd, zoo wordt er te voren geklipt (geklept 1)), d.i. het volk wordt door eenige slagen met een' hamer op de klok, of met den klepel tegen den boord van de klok, vóór de pui van het raadhuis bijeen geroepen, of ter plaatse waar men gewoon is de publicaties af te lezen: zulk eene aflezing mag dan wel heeten, iets aan de klok hangen. Op veel plaatsen hebben echter de gemeentehuizen geene klok, maar eene bel, waarmede natuurlijk dan geklipt wordt: vandaar, dat men hier ook algemeen hoort aan de bel hangen met dezelfde beteekenis als aan de klok hangen. Is er geen gemeentehuis, maar slechts eene gemeentekamer; of wel, heeft het gemeentehuis geene bel, dan gaat, in buitengewone gevallen, de veldwachter met eene bel de dorpsstraat af en roept zoo de gemeentenaren bijeen.

Maar dit aan de bel hangen, dat ik in Harrebomées uitmuntend Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal te vergeefs heb gezocht, en ook bij Bomhoff of Kramers niet heb ge-

[p. 206]

vonden, heeft hier nog eene andere beteekenis: het beduidt ook verkoopen, en dat wel op eene wijze, die in sommige gevallen als het ware een blaam op den verkooper werpt. Hoe is aan de bel hangen aan deze tweede beteekenis gekomen? Zoo wij ons niet bedriegen, op deze wijze. In vele gemeenten gaat de omroeper niet rond met een koperen bekken en hamer (zooals te Sluis b.v.) om verkoopingen van allerlei aard aan te kondigen; het uur bekend te maken, waarop deze of gene verloting zal plaats vinden, of om te roepen dat er iets verloren is, enz.; maar hij gaat de plaats rond met eene bel. Van genen zegt men: hij klinkt dit of dat uit; van dezen: hij belt het uit. Wil nu iemand spoedig iets kwijt wezen, dan laat hij den omroeper dit uitbellen, aan de bel hangen: eene wijze van handelen, die overigens niets ongewoons heeft en de eenige weg om er het publiek van te verwittigen, dat deze of gene iets voor zekeren, vaak een' verminderden prijs verkoopen wil.

Zoo heeft uitbellen, aan de bel hangen, de beteekenis gekregen van verkoopen en wel van verkoopen voor een' minderen prijs. Toen het woord eenmaal deze beteekenis had, was er maar één stap meer noodig, om aan dit verkoopen den zin te hechten van het streven, om maar op de eene of andere wijze, ware het dan ook met verlies of voor een' geringen prijs, van zijn goed af te komen, gelijk dit vaak geschiedt door hem, die om deze of gene reden geld noodig heeft. Daarom zegt men hier van iemand, die zich op losse wijze van deze of gene roerende goederen ontdoet: hij hangt alles aan de bel, en van een' dronkaard, die geld en goed verdrinkt, hoort men niet zelden: hij hangt heel zijn vermogen aan de bel.

Door klokgeklep wordt der gemeente bekend gemaakt, dat er eene huwelijksafkondiging plaats hebben zal: van hen, wier huwelijksgeboden worden afgekondigd, zegt men dus niet oneigenaardig in Drenthe, dat zij aan de klok hangen (zie Harrebomée). Hier echter zegt men, dat zij van de trappen rollen, en niet zelden vraagt men

[p. 207]

elkander, wanneer men des Zondags het kleppen hoort: wie rolt er nu weêr van de trappen? De Heer Harrebomée vermeldt in zijn Woordenboek (II, bl. 343) het spreekwoord: zij is op den koogsten trap en hij voegt er bij: ‘Posthumus zegt ter opheldering dezer spreekwijze: ‘zij is de bruid, zij staat op het toppunt van vrouwelijke zaligheid.’ Ook ik heb dit zeggen altijd alleen in het algemeen hooren gebruiken van de jonge dochter, die het huwelijksbootje denkt in te stappen. Dr. J.H. Halbertsma denkt bepaaldelijk aan het derde huwelijksgebod, enz. Hij zegt: ‘Ik geef den Heer Posthumus in bedenking, of dit niet ziet op den hoogsten trap des predikstoels, vanwaar de predikant, toen de acten van den burgerlijken stand nog door de geestelijkheid gehouden werden, drie Zondagen achter elkander de huwelijksgeboden afkondigde, voordat de verloofden trouwen mochten. Drie weken was immers de gansche duur van hare bruidschap?’ Verder vindt men nog bij Harrebomée: De trappen van het stadhuis zijn glibberig, waarop onmiddellijk het spreekwoord volgt: Die trappen zullen mij nog doen trouwen. Deze spreekwoordelijke gezegden hoort men hier niet. Ik kan dus over hunne beteekenis moeilijk een oordeel vellen. Toch geloof ik geene te stoute gissing te wagen, wanneer ik vermoed, dat er eenig verband bestaat tusschen het Zeeuwsch-Vlaamsche van de trappen rollen en de twee laatstvermelde spreekwoorden. Maar nu doet zich, naar aanleiding van het door den Heer Halbertsma geopperde, de vraag op: heeft men bij het van de trappen rollen aan de trappen van den predikstoel te denken of, gelijk nu iedereen meent, die van de oude ‘drie zondaagsche geboden’ niets weet, aan de trappen van het stadhuis? Alleen in het laatste geval, dit is duidelijk, bestaat er verwantschap tusschen de drie laatstvermelde spreekwoorden.

Bij Harrebomée vind ik nog opgenomen:

 
Het gaat er niet wel,
 
Waar men de kleeren vermaakt aan de bel.

Wat beteekent dit spreekwoord? Staat vermaakt hier gelijk

[p. 208]

met bemaakt, bezet, en zegt het dan zooveel als dat de kleeren aan de bel moeten, dat is: verkocht moeten worden, hetzij om schuld, hetzij uit nood, hetzij omdat de erfgenamen het niet eens kunnen worden? In al deze gevallen kan men gerust zeggen, dat het er niet wel gaat.

Bij het nalezen der spreekwoorden met klok in H's Wdb. trok: Als het klokje van Rome luidt, blijft gij scheel zien, mijne aandacht. Ik gis, dat daarmeê verwant is het volgende, dat ik bij H. niet heb gevonden:

 
Als de haan kraait,
 
De molen draait,
 
De wind waait
 
En de klok slaat,
 
Blijft uw gezicht zoo staan.

Dit is de bestraffende waarschuwing van de moeder tot het kind, dat leelijke gezichten trekt; of wel, van den eenen makker tot den anderen, wanneer deze de onderste oogleden op afzichtelijke wijze naar beneden trekt. Hierbij dient nog aangemerkt te worden, dat op sommige plaatsen de 2e en 3e regel wegvallen; op andere plaatsen, alleen de derde.

Aanzien doet gedenken, Ned., ook Gron. Dial. - De bakker te Hadersleben liet dit vóór zijn gevel schilderen: hier zijn de uithangborden, die met dit opschrift prijken, niet zeldzaam. Zoo ken ik er een, zeker niet veel minder dan een paar el lang en eene el hoog - een reus onder de uithangborden! - dat vóór een ijzerwinkel hangt en waarop een tal van voorwerpen geschilderd zijn, welke in den winkel te bekomen zijn. - Zie H., III, bl. 2, waar Aanzien doet gedenken voorkomt als een deel van twee andere spreekwoorden, waarvan het tweede: Aanzien doet gedenken, sprak de man, en hij zette een geschilderden oven op het venster, ons weder onwillekeurig aan een bakker doet denken.

Al is 't older nog zoo arm, hij dekt doch warm. Gron. - Hier zegt men met kleine wijziging: Al is een ouder nog zoo arm, toch dekt hij warm. Hierbij moeten we doen opmerken, dat het woord ouders hier zeer dikwijls in het enkelvoud ge-

[p. 209]

bruikt wordt, en dat, gelijk ik toevallig zag, H. onder de spreekwoorden met hand heeft:

 
Al is een moederhand ook arm,
 
Toch dekt zij warm.

Alle amten bin smerig, Gron. - Hier zegt men: Alle baantjes zijn smerig, zei de koster, en hij stak de endjes kaars in zijn zak. Daar dit wel endjes smeerkaars zullen geweest zijn, had de man het volste recht om zoo te spreken. Bij H. hebben wij 't spreekwoord niet gevonden. - Het Nedsaks. Wbk. I, 14, heeft: Alle Aembter gevet Kappen, hetzelfde als het bij H. voorkomende: Het ambt geeft kappen. Bij dit laatste woord zal men wel aan ons kap-laken moeten denken.

Alle baat helpt, Ned. - Alle baat helpt, zei de muis, en ze waterde in de zee (bij H.). Enz. - Hier luidt het: Alle bitjes (beetjes) helpen, zei de mug (de man, de muis) en zij piste in de zee. Zoo hoort men het spreekwoord het vaakst. Ook luidt het als volgt: Alle beetjes helpen, zei de muis, en ze piste in de zee; en de schipper zei daarop: alle ballast verlicht en hij schopte ze over boord.

Alle baksels en brouwsels vallen niet even goed uit, Ned. bij H. - Hier luidt dit: Alle bakten en brouwten zijn niet eender, of gelijk; Bakte en brouwte vind ik noch bij Kiliaan, noch bij Bomhoff of Kramers. Hier hoort men die woorden dagelijks. Een brouwer b.v. zegt: 'k Heb dit jaar reeds veertig brouwten gedaan. Op het platte land brengt de dorpsbewoner niet zelden zijn meel naar den bakker; hij noemt dit zijne bakte, dat is: zooveel als hij gewoonlijk in eens laat verbakken. Op andere plaatsen weêr zegt men b.v.: Hij is naar het hof (de hofstede), naar den molenaar om zijne bakte. Is de bakte al thuis van den molenaar? Enz.

Alle loopers bin geen koopers, Gron. - Hier: alle kijkers zijn geen koopers. Zoo ook: Meer kijkers dan koopers. Veel kijkers en weinig koopers.

Rome is niet op één dag gebouwd, Ned. - Hier hoort men alleen: Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd (zie H. op Aken). Keulen en Aken komen nog nevens elkander voor

[p. 210]

in het gezegde: Hij zou Keulen en Aken verzetten, om zijn doel te bereiken, d.i. al het mogelijke, de uiterste pogingen, bijna het bovenmenschelijke daartoe aanwenden. Bij H. vond ik dit gezegde niet.

Als kinderen en gekken ter markt komen, krijgen de kooplieden (in Gron. de kramers) geld, Ned. - Hier luidt het: Als de kinders geld hebben, hebben de kramers nering.

Als men van den duivel spreekt, ziet men zijne horens, of: ziet men zijn staart, Ned. - Hier hoort men alleen het laatste. Even algemeen is:

 
Spreekt men van den vent,
 
Hij is er bij of omtrent.

Arme lu pankouken en rieke lú zijkte roeken wied, gron. - Hier luidt het: Arme lui's koekebakken en rijke lui's ziekte ruikt men ver. - Onder de door den Heer Molema meêgedeelde spreekwoorden trok vooral mijne aandacht het Noordfriesche Rikman's Krankheit an Armman's Pankuken stirmi fiir (rieken ver), en wel om het woord stirmi, waarmeê hoogstwaarschijnlijk een hier langzamerhand wegstervend woord samenhangt, namelijk sturmen (stormen), in den zin van rieken, liever nog: aangenaam, lekker rieken, een aangenamen geur verspreiden. Wanneer de zoete geur der bloemen ons als van verre tegenwaait, zoo zeggen we: Het sturmt hier; de bloemen sturmen; de resida's sturmen iemand tegen; en niet zelden zegt hij, die langs de straat gaat: Het sturmt hier: men bakt zeker hier of daar koeken.

As de löcht valt, bin wie altemoal dood, Gron. - Hier: Als de hemel valt, zijn we allemaal dood (Ned.) of, gelijk men in Holstein zegt: Als de hemel valt, liggen we er allemaal onder. As komt in de meulen te pas, Gron. - Hier: Assie (asch) is verbrand hout en gevonkte kooltjes. - H. heeft: Asch is verbrande turf, en: Asch ligt aan den haard. Wil men dergelijke gezegden uit de kinderwereld en uit het dagelijksch leven opzamelen, dan zal men zekerlijk op vele plaatsen een' rijken oogst vinden. Wij willen dit hier met een paar voorbeelden bevestigen Zegt hij, die zijn' makker niet goed begrepen

[p. 211]

of verstaan heeft, tot dezen: watte (d.i.: wat)? dan luidt het: 't Is geen watte, maar wolle; of: Watte verkoopt men in den winkel. Zegt hij: Wat bliefje? Zoo hoort men: 't Zijn geen brieven, maar almanakken. Bij Ei! - 't Zijn geen eiers. Enz.

Als Paschen en Pinksteren op één dag komen, Ned. - Hier: In 't jaar nul (of één), als de uilen preeken.

Bekend zijn als de bonte hond, Ned. - Ook hier, en tevens: Bekend zijn als de kwade dubbeltjes. - H. heeft alleen, zoo 'k mij niet bedrieg: Hij is overal als de kwade dubbeltjes.

Beter 'n loes in de pot as hylendal gijn vlijs, Gron. - Hier: Beter een luis in den pot, dan geen vet. (Zie H., deel III, bl. 284.)

Dat is wind op zijn molen, Ned.-Gron. dial. - Hier alleen: Dat is koren op zijn molen. Heeft het Ned. Saks.: Dat is kein Spek vor mein Bek = dat is niet naar mijn smaak, wij hebben hier hetzelfde, doch met geheel andere beteekenis. Het zegt zooveel als: dat is te hoog, te aanzienlijk, te voornaam voor mij, hoe begeerlijk ik het anders ook achten zou. Het spreekwoordelijk gezegde komt ook voor bij H.

't Ligt gijn boer in 't venster en gijn edelman in de deur, Gron.-Ned., H., I, bl 70. = 't ligt niemand in den weg. - Hier hoort men alleen: Blijf maar zitten; gij zit geen boer in 't venster.

Die den Gloven het, kan so drae up den Afen bakken as darin, Ned.-Saks. Wbk. - Dit spreekwoord kent men hier niet. Alleen hoort men hier: Een goed geloof en eene kurken ziel, dan kan men te Breskens overvaren. Te Breskens is het groote overzetveer van Zeeuwsch-Vlaanderens Westelijk deel naar Vlissingen. - H. heeft: Een goed geloof en een kurken ziel, dan drijft men de zee over, of: altijd boven. Het algemeene in dit laatste heeft in het gewestelijke Zeeuwsch-Vlaamsche spreekwoord voor het bijzondere plaats moeten maken, gelijk dit met meer spreekwoorden het geval is. Zoo heet het b.v. hier: Alle baat helpt, zei de mug, en ze piste in de zee; elders: ze piste in den Rijn; weêr elders: ze piste in de Eems. - Bij H. komen (I, bl. 225) een zevental spreekwoorden voor, waarin

[p. 212]

geloof de beteekenis heeft van crediet; als: Het beste geloof is gereed geld, of: een gelders geloof; enz. Bomhoff zegt in zijn Nieuw groot woordenboek:Geloof = goed vertrouwen: Iets op geloof (crediet) koopen, hetgeen echter zelden voorkomt.’ - Dat het woord geloof niet zoo zeldzaam is, als de Heer B. meende, kan reeds blijken uit de zeven spreekwoorden van den heer H. In Zeeuwsch-Vlaanderens Westelijk deel wordt dan ook niet alleen het zelfst. naamw. geloof, maar ook het werkw. gelooven, in den zin van crediet hebben, crediet geven, dagelijks gehoord; b.v.: Men mag hem voor geen kwartje gelooven; hij is voor geen tien stuivers geloofd; hij heeft hoegenaamd geen geloof. Dat het woord geloof reeds sedert eeuwen de beteekenis van crediet heeft, moge blijken uit de volgende publicatie van den jare 1498:

Omme dieswille, dat Scepenen duechdelic te vullen gheinformeert zijn van den grooten ghebreken van zinnen van eenen, ghenaemt Lievin de Coc, bij denwelken hij niet en behoort noch sculdich es te antierene eeneghe fait van coopmanscepen, van wat maniere het zij, maer alleenlic zijn gheloove niet breeder ghehouden te wesene dan vijf grooten (12,5 cents), so eist, dat, omme de redenen voorscreven ende ooc ter begheerte van vrienden ende van maghen vanden zelven Lievin, men elken, wie hij zij, adverteert, dat van nu voort an de voornoemde Lievin niet breedere ghelooft wesen en zal dan 5 gr., ende zo wie hem vervoorderde breeder jeghens denzelven Lievin eenege coopmanscepe oft gheloove te ghevene dan tot 5 gr., zoo 't voorseit es, zal bekent wesen als ghedaen op een weeze ende den zelven gheen recht daerof en zal ghescieden.

Bedriegen wij ons niet, dan hebben geloof en gelooven in de door ons besproken beteekenis te oude brieven en leven ze nog te zeer in de spreektaal, dan dat men ze niet een plaatsje zou gunnen in het Nieuwe Woordenboek der Ned. taal.

De dood wil'n oorzaak, hebben, Gron.-Holst. Idiot. - Hier luidt het: de dood moet eene oorzaak hebben.

De druiven zijn zuur, Ned.-Gron. - Volledig: De druiven

[p. 213]

zijn (te) zuur, zei de vos, maar hij kon er niet bij. Zie H. - Hier laat men het laatste gedeelte van het spreekwoord weg. Ook hoort men hier vaak: Ik wil dat grijze hoen niet hebben, zei de vos, en hij kon het beestje niet krijgen: een spreekwoord, dat ik bij H. niet heb gevonden.

Dei Keurboom zöcht, dei Voelboom vindt, Gron. enz. - Dit is hier niet bekend. Men zegt: Hij zoekt naar de blom en hij valt met zijn achterste in 't gruis (de zemelen), en past dit voornamelijk toe op een' vrijer, die te kieskeurig is en eindelijk iemand neemt, die weinig aanbevelenswaardigs bezit. - H. heeft, meen ik, dit spreekwoord niet.

Die waagt, die wint, Ned. - Bij H.:

 
Die waagt, die wint,
 
Die zoekt, die vindt.

Hier voegt er de jeugd nog bij:

 
Die op God vertrouwt,
 
Is nooit benauwd.

Die zijne schuld betaalt, vermeerdert zijn goed, Gron.-Dial., Ned.-Saks. - Hier: Die zijne schuld betaalt, vermindert zijn goed niet, waarop bij H. nog volgt: maar hij raakt zijn geld toch kwijt.

Daar wil ik geen hond in wezen, Gron. - Da biin ik keen Hond in, Holst. Idiot. - Ook hier, met de verandering van hond in beest: Daar zal ik geen beest in zijn; daar is hij geen beent in.

Er kunnen veel makke schapen in een hok, Gron. - Ook hier. H. heeft volledig: Er gaan veel tamme schapen in een hok, maar nog meer wilde, want die kruipen op elkander. Met dit spreekwoord komt min of meer in beteekenis overeen: Er gaan veel schikken in een zak. H. heeft: Er gaan veel woorden in een zak en eenden in eene kooi. Bedrieg ik mij niet, dan komt schikken alleen in evengenoemd Z. Vlaamsch spreekwoord in het meervoud voor.

 

Sluis, 5 Nov. 1865.

J.H. van Dale.

 

(Wordt vervolgd).