|
|
|
| | | | | | | |
Het bovenstaande woord vond ik o.a. in eene publicatie van Maart
1498. Daarin luidt het aldus:
Item: dat niemend coerene
1) ter muelene
2) en draghe ten slete
3) van eeneghen
inghezetenen deser stede, noch ooc insghelycx eenich multere ter muelene
en hale, ten zij bij wetene vanden pachtere [van den meel- en graanaccijns]
enz., hij en hebbe ghehaelt een teeken van alzo vele coerens of multers
als hij ter muelene doen of halen wille, enz.
Item: dat hem gheen muelenare en vervoordere
4) eenich meel te
malene oft multere te ghevene, hij en zal ontfaen
5) een behoorlic loot ende
dat hij hem ooc niet en vervoordere eenich multere breedere
6) te ghevene dan tzelve loot
ghedraecht enz.
In Sporkle
7) 1505 luidt het
weder:
Insghelycx; dat gheen muelenare eenich multere en geve, hij
en heeft alvooren een behoorlic loot van also vele melz [meels], als hij
uutgheven zal enz.
Wij vragen: is dit multere niet hetzelfde als het bij
Kiliaan voorkomende molster, molter? -
Dat Kiliaan multere niet heeft, zal ons niet bevreemden,
wanneer wij bedenken, dat hij wel moller = molenaer heeft
opgenomen, hetzelfde als het West-Vlaamsche mulder, dat in
Vlaanderen niet alleen in de spreek-, maar zelfs in de schrijftaal
opgenomen is, | | | | maar mulder zelf niet heeft. Gelijk
mulder uit Muller en dit weêr uit moller ontstaan
is, zal uit molter, multer, multere gevormd zijn. Nog heden ten dage
maakt in Vlaanderen (en Zeeuwsch-Vlaanderen) de
geslotene o in vele woorden voor de geslotene u plaats: zoo hoort
men zunne voor zonne, tunne voor tonne, vul voor vol,
dul voor dol, enz.
J.H. van Dale.
| |
Gaarne voldoe ik aan het verlangen van den geachten inzender der
bovenstaande bijdrage, te meer dewijl wij in de publicatiën, door den Heer
Van Dale aangehaald, het woord multere of molter - de
identiteit der beide woorden is boven allen twijfel - in eene ongewone, mij
althans onbekende, beteekenis aantreffen. Multere beteekent hier
kennelijk gemalen graan, en wel in onbepaalde hoeveelheid. Het
eerste blijkt hieruit, dat het van koren (coeren) wordt
onderscheiden en er aan tegenovergesteld. Het koren wordt naar den molen
gedragen, het multer (of de multere) wordt er van daan gehaald en
door den molenaar afgegeven. Dat het geene bepaalde hoeveelheid aanduidt, ziet
men uit de woorden: ‘dat hij hem ooc niet en vervoordere eenich multere
breedere te ghevene dan tselve loot ghedraecht;’ d.i. ‘dat hij zich
ook niet verstoute eenig multer meer te geven dan het loodje
bedraagt.’
Bij
Kiliaan heeft molter een eenigszins
gewijzigde beteekenis. Zijne verklaring luidt aldus:
‘Molster, molter. Pretium molarium: certa farinae
portio, quam molitor mercedis loco sibi sumit; & Emolumentum.’
‘Maalloon, zekere hoeveelheid meels, die de molenaar in stede van loon
voor zich neemt; en Verval (emolumenten).’ Bij hem is molter dus
slechts een gedeelte van het multer in de publicatiën, t. w.
zooveel als hem voor zijne moeite daarvan toekomt. Hij kent er nog eene tweede
beteekenis aan toe, namelijk, die van verval of voordeel in het
algemeen: emolument(en). De voorzichtigheid verbiedt echter
vooralsnog | | | | deze laatste verklaring als juist aan te nemen; men moet
eerst nadere bewijzen hebben, dat multer, de winst van den molenaar, ook
voor winst of voordeel in het algemeen in gebruik is geweest.
Kiliaan, die van etymologische verklaringen
hield, kan zich door de etymologie hebben laten verleiden. Immers, gelijk
molter met malen in verband staat, zoo komt emolumentum,
het voordeel of nut, dat men uit eene zaak trekt, van emolere, uitmalen
en vermalen. Ook moet men in het oog houden, dat er bij de Romeinen geene
sprake van maalloon kan zijn, dewijl zij al het meel, dat zij voor eigen
gebruik behoefden, door hun eigen slaven lieten malen.
Weder eene andere beteekenis heeft het verwante malder, dat
o.a. in Gelderland in gebruik was. Men bezigde het als benaming
van zekere korenmaat, en men verklaart het gewoonlijk door mud. Het
woord komt ongetwijfeld insgelijks van malen, en zal vermoedelijk de
hoeveelheid hebben aangeduid, die men gewoon of gerechtigd was op eens naar den
molen te brengen. In het Middelndl. althans was sante (van
zenden) als korenmaat in gebruik; het stond waarschijnlijk gelijk met
malder, en beteekende ongetwijfeld zooveel koren als op eens naar den
molen werd gezonden.
Eene merkwaardige toepassing vond malder als maat in de
uitdrukking koningsmalder, voor 32 slagen met een groenen eiken stok:
‘Des koninges malder, dat sin twene und drittich slege mit ener gronen
ekenen gart.’ Saksensp. Men denke hierbij aan de gebruikelijke
uitdrukkingen: eene dracht, een pak slagen.
Vraagt men, vanwaar de o en u in molter en
multere komen, terwijl in malen, maalde (oudt. moel),
gemalen, geene o wordt aangetroffen, dan bedenke men, dat de
woorden meel, malder, malen, molen e.a. bewijzen, dat er vroeger een
werkwoord melen, mal, malen, gemolen (overeenkomende met stelen,
stal, stalen, gestolen) moet bestaan hebben, ofschoon men dat werkwoord
zelf nog niet heeft aangetroffen. Van dit melen is ook malen,
moel enz. zelf afgeleid, evengoed | | | | als meel, molen,
mulder enz. Een aantal woorden in de verwante Germaansche talen, verheffen
die hypothese tot eene ontwijfelbare waarheid; terwijl lat. molere,
malen, en gr. μυλή (mulee), molen, de hooge
oudheid der geheele woord familie aantoonen.
L.A.t.W.
|
|
|