BRIEVENBUS.

Aan de Redactie van den Taalgids.

 

Het is naar aanleiding der voordragt, gehouden in de vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, op den 2den December 1865, en opgenomen in den Taalgids (Jaarg. VII, No. 4), dat ik meen de vrijheid te mogen nemen mij enkele aanmerkingen te veroorloven op de strenge, en, als het zoo eens genoemd mag worden, vernietigende kritiek op de Gedichten van den Schoolmeester. ‘Non-sens, ook in onberispelijk Hollandsch geschreven’ zoo vangt die beoordeeling aan: ‘is de eere onwaardig in het

[p. 158]

Woordenb. der Ned. Taal te worden opgenomen.’ Het is tot op zekere hoogte waar dat de Gedichten van den Schoolmeester non-sens bevatten, doch het is juist het op het regte tijdstip aanbrengen van die non-sens dat eene meer dan gewone geestigheid verraadt. Hoe vaak er moge beproefd zijn, de Gedichten van den Schoolmeester na te volgen, het is tot nog toe aan niemand gelukt dit in alle opzigten goed te doen: wel een bewijs dat deze soort van poëzie, zij moge dan niet in ieders smaak vallen, niet alleen oorspronkelijk, maar tevens geestig is, en dat men een bijzonder talent moet hebben om zulke gedichten te maken. Het is waar: de Gedichten van den Schoolmeester staan niet gelijk met verheven poëzie, maar het is eveneens waar, dat hij die deze twee soorten met elkander zou willen vergelijken, even dwaas zou doen als degene die b.v. op muzikaal gebied, fugen van Bach tegenover aria's of balletten uit Fransche opera's zou gaan stellen, en dan zeggen: het eerste is zóó kunstig en grootsch, dat het laatste non-sens is. Neen! alles in zijn soort: de Schoolmeester heeft een nieuw genre van poëzie geopend: hij staat daar tot nog toe alleen, en men moge dit genre ongelukkig en slecht vinden, wil men de gedichten beoordeelen, men beoordeele ze in hun soort. Burlesq is, als het zoo eens genoemd mag worden, de vorm en voorstelling: zooals de Heer van Lennep teregt in zijne voorrede aanmerkt: de Schoolmeester verwijlt nooit lang bij hetzelfde onderwerp maar springt van den hak op den tak, en weet daardoor verrassende tegenstellingen en combinatiën te maken, waar verreweg de meesten niet toe komen zouden. - Wat den inhoud der Gedichten betreft: onbegrijpelijke phrasen geloof ik niet dat men ergens zal vinden, mits men slechts de moeite neme de bedoeling na te gaan. De geëerde Spreker heeft in bovenvermelde voordragt dit wel eenigzins over het hoofd gezien: immers, wie kan er aan twijfelen of de Schrijver heeft bij dat: ‘laarzen met exteroogen aantrekken,’ niets anders bedoeld dan: ‘laarzen aantrekken aan voeten die exteroogen hebben,’ maar zich met opzet zóó uitgedrukt om

[p. 159]

dienzelfden onzin te débiteren, dien ik zoo even reeds trachtte te verdedigen. Hoe moet men het maken met uitdrukkingen als o.a. deze:

 ‘Doch de magistraat laat hem terstond per omgaande weten
 Dat het hier een uitgestorven eiland is, zonder een enkel ingezeten.’

‘Een visch met zijn parapluie op.’ ‘Een scherpschutter met een bril; want het is nacht’ en dergelijke, waarvan het geen moeite zou kosten er een honderdtal aan te halen, als het niet blijkbaar is dat de Schrijver met opzet non-sens heeft voortgebragt?

Is het hier alleenlijk de vraag of de Gedichten van den Schoolmeester onzin bevatten: het antwoord zal geenszins gunstig zijn; maar gaat men onderzoeken of de maker bereikte wat hij zich voorgesteld had, men zal moeten bekennen dat hij allezins geslaagd is.

Ten slotte nog een enkel woord over het ‘zuiver Hollandsch’ van den Schoolmeester. Zijn er uitdrukkingen in, die streng grammatikaal en logisch niet deugen, men bedenke dat de stijl wel eenige vrijheid in dit opzigt toelaat, en ten tweede: dat de Schoolmeester nimmer iets gezegd heeft dat voor een' Hollander niet terstond te begrijpen is. Ook verraadt hij, die zóólang in het Buitenland was, nog eene grondige kennis van zijne moedertaal en de volksspraak, hetgeen niemand den Heer van Lennep zal betwisten.

En hiermede genoeg. Het staat niet aan mij te beoordeelen of zijne verzen, of ten minste enkele uitdrukkingen daarvan in het Woordenboek der Nederlandsche Taal moeten worden opgenomen; alleen zij het spreken dáár vergund, waar men vermeent dat een te hard en te streng vonnis wordt geveld.

 

Utrecht, 8 Maart 1866.

S.