[p. 191]

PROF. J. VAN VLOTEN'S WOORDVERKLARINGEN, TEKSTVERANDERINGEN, REDENEERSELS 1)   ENZ.

 1)  In het VIIde Deel van dit Tijdschrift (bl. 224, reg. 3; bl. 226, reg. 22; bl. 227 en volg.) hebben we met bezadigden ernst onzen afkeer te kennen gegeven van Dr. van Vloten's onwaarheidspreken en verregaande onkieschheid. De bewijzen legden wij er bij over. Aan degelijke tegenspraak viel derhalve niet te denken. Kordaat en mannelijk zou het in dat geval geweest zijn, rondborstig ongelijk te erkennen. Tegenover zijn kleine eigenliefde is echter de prof. niet sterk genoeg geweest om dit van zich te kannen verkrijgen. In plaats daarvan heeft hij onze regtmatige afkeuring op rekening gesteld van bekrompen kwaadwilligheid, vitzucht, toorn, wrok enz. (Zie zijne ‘Levensbode,’ III. bl. 132, reg. 1 v.o. en ‘de Taalgids,’ VIII, bl. 62). Op zulke aantijgingen, dewijl ze Dr. van Vloten kenschetsen, maken we den Lezer opmerkzaam, maar voor het overige spreekt het wel van zelf, dat wij er ons niet mede inlaten.

door

Mr. A. BOGAERS.

Zingen (geluid uitbrengen, in 't bijzonder schel geluid).

Even als later Bilderdijk, was Vondel in zijn tijd niet warsch van nu en dan, waar het pas gaf, een oud woord of eene verouderde spreekwijs te gebruiken. Zoo schreef hij

[p. 192]

eens, waar niets hem belette ‘de haan kraait’ te stellen, ‘de haan zingt.’ Prof. van Vloten (de lezer van dit Tijdschrift zal het zich wel herinneren) verbeeldde zich, dat dit een taalfout, een gallicisme was. We merkten hem toen op, dat deze spreekwijs meermalen in het oud-nederlandsch voorkwam, en dat dit zich gereedelijk liet verklaren dáárdoor, dat in onze oude taal zingen eigenlijk geluid uitbrengen, in 't bijzonder, een schel geluid uitbrengen, beteekende. Ter staving van dit ons zeggen, deden wij Dr. van Vloten (zie Taalgids, D. VII, bl. 143 en bl. 218) niet minder dan een half dozijntje voorbeelden aan de hand, en wezen we hem op de Woordenboeken van Wachter, Schade en Graff. Tegen geen enkel dezer bewijzen heeft de professor iets degelijks kunnen in het midden brengen; maar desniettegenstaande wil hij Vondel's haan toch niet met rust laten. Met een nieuw argument is hij nu (zie hiervoren bl. 63 r. 4 en volg.) voor den dag gesprongen. ‘Het zou,’ zegt hij, ‘in ieder Nederlander òf een slecht muzikaal gehoor òf een gebrek aan goeden smaak verraden, een haan onder de zangvogels te rangschikken.’ Na deze diep doordachte tegenwerping, die de hoogleeraar met slim beleid voor het eind gespaard heeft, durven we niet meer voor den ongelukkigen haan pleiten. We laten aan Dr. van Vloten's muzikaal gehoor den triumf. Dit eenige verzoeken we slechts, dat ons, namelijk, geoorloofd zij in het belang der Taalkunde (niet der Toonkunst) en ter aanvulling onzer vroegere bewijsredenen, betrekkelijk de oude beteekenis van het woord zingen, hier nog te mogen wijzen op een paar plaatsen uit het Gedicht: ‘Der natueren bloeme’ van den door zuiverheid van taal uitmuntenden Jacob van Maerlant.

De eene plaats komt voor in het IIIde Boek, waar hij het geluid, dat de Paauw uitbrengt (vers 3040) sanc noemt. Dat hij er echter niet veel melodij in vond, blijkt wel uit vers 3033, waarin hij zegt:

 Sijn luut est ofte die duvel ware.’

De andere plaats vindt men in het IIde Boek, v. 2231,

[p. 193]

en heeft betrekking tot den Hond, door Maerlant denkelijk ook niet onder de zangvogels gerangschikt.

Als men een leeuw (zoo verhaalt hij daar een middeleeuwsch sprookje) bedwingen wil, slaat men in zijn bijzijn een hond, en dan denkt de leeuw, dat de mensch hem even zoo als dien hond, dien hij hoort janken, kan bedwingen. Dit janken nu drukt hij uit door het woord: singhen.

Maerlaut's tekst luidt:

 ‘Als men hem (den lewe) gheet met bedwanghe ane,
 Bluwet men vor hem enen hont:
 So waent hi te diere stont,
 Dattene die man also mach dwinghen
 Alse den hont, dien hi hoort singhen.’

Dit zij genoeg ten opzigte van de oude beteekenis van het woord zingen. Nog in den Lovenschen Bijbel van 1548 (zie Matth. XXVI op het eind) vinden wij het voor het kraaijen van den haan gebezigd.

Achtslaan, als b. w. Achtnemen, als b. w.

Eene uitdrukking in Vondel's Hierusalem verwoest was door Dr. van Vloten op zijne manier verbeterd, en dusdoende onhollandsch en onverstaanbaar gemaakt. Wij schreven daarop in dit Tijdschrift, D. V, bl. 226, letterlijk het navolgende: ‘In den oorspronkelijken tekst behoeft niets veranderd te worden, indien men slechts aanneemt, dat Vondel het woord achtslaan als een bedrijvend werkwoord heeft gebruikt; even gelijk nu nog het woord gadeslaan, dat hetzelfde beteekent, oor ons gebezigd wordt. Dat overigens Vondel de eerste niet was, die zich op deze wijze van achtslaan bediende, kan men zien in Spieghel's Hertspieghel, waar v. 448, Boek II, dus luidt: ‘Slaet maer u weghen acht,’ 1)  .

 1)  Wij hebben met opzet onze woorden hier nog eens uitgeschreven, dewijl prof. van Vloten ze eerst geheel veranderd heeft laten drukken om het den schijn te geven, dat wij achtslaan met den accusatief, als door het gebruik gewettigd, hadden voorgesteld, en hij nu nog (zie hiervoren bl. 63, r. 5 v.o.), nadat hem de onwaarheid hiervan ernstig voorgehouden was, zich niet geschaamd heeft die onwaarheid te herhalen. Zoo handelt een man, die aan de akademische jeugd het voorbeeld behoorde te geven van echte humaniteit en waarheidsliefde!


[p. 194]

Tegen het feitelijke dezer stelling was niets in te brengen en is dan ook door Dr. van Vloten niets noemenswaardigs ingebragt. Toch komt hij er op terug in dit Tijdschrift, D. VIII, bl. 63, reg. 11 v.o., met te zeggen, dat wij voor achtslaan met den accusatief altoos nog geen ander gezag bijgebragt hebben dan dat van den taalverkrachtenden Spieghel. In zijne gewone overhaasting ziet de hoogleeraar hier weder voorbij, hoe scheef zijne redenering is. Het was immers voor ons doel niet noodig, dat we Spieghel's spreekwijze verdedigden. Voor dat doel volstond de bewijslevering, dat deze, die ontegensprekelijk in zijn tijd als dichter beroemd was, achtslaan met den accusatief had gebruikt, voorts dat de jeugdige Vondel dit voorbeeld dus wel had kunnen volgen, en dat, indien men aannam, dat zulks door dezen gedaan was, zijn versregel, die anders onverstaanbaar werd, een verstaanbaren zin opleverde. Aan dit alles dacht de oppervlakkige uitlegger niet, anders had hij zijne faliekante redenering misschien wel achterwege gehouden. Overbodig zou het dus zijn er hier meer over te zeggen: alleen willen wij, ten blijke hoe opmerkzaam de Deventersche hoogleeraar de Schrijvers leest, die hij met aanteekeningen en tekstveranderingen ter markt brengt, aanstippen, dat ook bij Cats achtslaan, als bedr. ww., voorkomt. In den Self-stryt, te Middelburg Ao. 1621, in 4to verschenen, leest men op bl. 54 de navolgende regels:

 ‘Maer die des Heeren woort in tijts geen acht en slaet,
 Clopt dickwils aen de deur, wanneer het is te laet.’

Zoo ook had vroeger Coornhert in zijne Odyssea, IIde deel, uitg. van 1605, bl. 65, v. 11, reeds geschreven:

 ‘- Penelope sloech die woorden acht.’


[p. 195]

Voor hen, die in taalkundige nasporingen belang stellen, voegen we hier nog bij, dat ook achtnemen soms met den accusatief voorkomt.

Bij Van Mander, in zijne Gronden der Schilderconst, cap. VIII, coup. 8, v. 7, vindt men:

 ‘Dit acht te nemen laet u niet verdrieten.’

Desgelijks zegt Coornhert in den aanvang van het VIIde zijner Liedekens (z. zijne Werken, uitg. v. 1630, D. I, fol. 489):

 ‘Neemt mensch u self sorghvuldelijcken acht

en in zijne Odyssea (1ste Ged. uitg. v. 1561), bl. 88, v. 16:

 ‘- die heeft Jasonem acht genomen.’

Evenmin als achtslaan met den acc., is achtnemen als bw. door het gebruik gewettigd geworden. Zulks is alleen met gadeslaan het geval geweest. Wat over dit laatste woord Dr. W.G. Brill, in de Jager's Archief, D. II, bl. 87, r. 11 v.o., heeft opgeteekend, is der lezing zeer waardig.

Weren. Voeren.

Niet bekend met de oude beteekenis van het woord weren, heeft prof. van Vloten het, in een Gedicht van Vondel, voor onzinnig verklaard en door voeren vervangen; later nog daarenboven, als een proef van zijn kritisch doorzigt, aan het lezend publiek op den mouw spellende, dat, bij inzage van den zeldzamen eersten druk van het vers, hij daarin ook voeren of vueren gevonden had (z. Levensbode, II, bl. 50). Hiermede deed de prof. de waarheid, op eene wat al te onvoorzigtige wijze, te kort; want, hoe zeldzaam die druk ook ware, en hoe onwaarschijnlijk, dat men de moeite zou nemen dien na te slaan, dit kon evenwel geschieden, en dan moest het valsche van de vertelling dadelijk blijken, gelijk dit dan ook (zie Taalgids, VII, bl, 226) gebleken is.

Nu natuurlijk het niet langer kunnende doen voorkomen, alsof de door hem ingeziene oorspronkelijke tekst-zelf zijne

[p. 196]

scherpzinnige gissing bevestigde, maakt hij er zich (zoo als men zegt) met een Jantje van Leiden van af 1)   en tracht hij het over een anderen boeg te wenden.

Al heeft Vondel weren laten drukken, voeren is toch, volgens zijn verbeterzieken commentator, de ware lezing. ‘Agnes (zegt hij, zie hiervoren, bl. 64) diende eerst door de Engelen in (den) Hemel gevoerd te zijn, voor zij daar neen ‘dubble kroon’ dragen kon; terwijl zij daarbij in dien Hemel van zelf zoo goed bezorgd is, dat zij er niet nog door Engelen beschermd behoeft te worden. De dichter ziet haar in zijn geest door de Engelen geleyen en in den Hemel voeren; tegen wien zij echter nu daar nog beschermd zou moeten worden, vat ik niet.’

Niets weêrspreekt beter het oppervlakkige dezer redenering, dan Vondel's tekst zelf, mits met opmerkzaamheid gelezen. Wij schrijven daarom hem hier nog eens uit:

      ‘De Rechter moe' vant lang vertrek
 Des doods, verwijst haer teere nek.
 Sy sterft eer danse smert kan voelen
 De siel vertrekt na hooger stoelen.
      En langs een wit en suiver pad
 Geswint sy reist na 's Heeren stad,
 En siet de maen beneen haer voeten
 Als d' Engelen vrolijck haer ontmoeten.
 1)  Op bl. 64 hiervoren, in de noot, zegt Dr. van Vloten thans, dat hij, in den oorspronkelijken druk van het vers gemeend heeft vueren te lezen. Hij vergeet daarbij, dat hij in zijn ‘Levensbode’ II, bl. 50, r. 10, verklaarde, na onze bestrijding van zijn vueren, inzage van dien eersten druk genomen en daar vueren gevonden te hebben. Zijne woorden luiden: ‘-een inzage der eerste uitgave van 't gedicht, voor 't bekende cieraet van Stalpert van der Wiele (in 't bezit van den heer Alberdingk Thijm) heeft mij de juistheid mijner gissing bewezen. Er staat daar inderdaad, met oude spelling, vueren en niet weren.’
Een bewezen feit is het dus, dat Prof. van Vloten, als ooggetuige, iets bevestigd heeft, dat onwaar was, en dat hij, nu het duidelijk blijkt onwaar te zijn, waant er zich van af te kunnen maken, door te zeggen, dat hij het maar meende en dat, indien het niet zoo is, hij zich dan vergist heeft.
Regtschapen mannen denken anders op dit punt.


[p. 197]

 
      ‘Die haer geleien onbesurgt,
 En weren hooch in 's Hemels burgt

Als men nu de zes laatste regels in hun logisch verband beschouwt, dan ziet men St. Agnes; terwijl ze gezwind naar 's Heeren stad reist, door de Engelen vrolijk ontmoeten, die haar, thans vrij van zorgen, in 's Hemels burgt geleiden en in hunne bescherming nemen. In den blijkbaren geest des dichters behoort de uitdrukking in 's Hemels burgt zoowel tot geleien als tot weren. Op die wijze is er een poëtische klimax. Geleid in 's Hemels burgt, behoefde St. Agnes niet meer derwaarts gevoerd te worden; maar, de Hemel voorgesteld zijnde als eene burgt, was het veel passender de Engelen ook voor te stellen, als de legermagt, die dezen burgt bewaakte en beschermde, dan als bloote gezelschappers van St. Agnes.

Dit alles ziet de hoogleeraar geheel over het hoofd, wanneer hij voeren voor weren laat drukken, omdat (zegt hij) St. Agnes in den Hemel niet meer behoeft beschermd te worden.

Gaarne gelooven we, dat Dr. van Vloten niet minder poëtisch talent, dan muzikaal gehoor voor zangvogels en een ongewoon Nederlandsch taalgevoel bezit, maar toch zouden we o. v. van oordeel zijn, dat hij aan Vondel maar zijn eigen verzen moest laten. Er is wat te veel onderscheid tusschen de dichterlijke zienswijze van beiden; zoodat de oude poëet met 's professors beproefde tekstverbeteringen, had hij die kunnen voorzien, zeker niet bijzonder gediend zou geweest zijn.

Kindschheid en Kindsheid!

In dit Tijdschrift, D. VII, bl. 241 en volg., is met aanvoering der noodige bewijzen aangetoond, dat, indien men de adjektieven kindsch, kuisch, boersch, slaafsch en dergelijke

[p. 198]

meer, die in onze oude taal dikwijls zonder ch verschijnen thans algemeen met een ch spelt, de regelmaat vordert dat men ook in de substantieven, die daarvan door de bijvoeging van hcid gevormd zijn, de ch behoude, en dus kindschheid, kuischheid enz. schrijve. Niemand is daartegen opgekomen; zelfs niet prof. van Vloten. Deze echter heeft er iets anders op verzonnen. In kindschheid, met de oneigenlijke beteekenis van suffenden ouderdom, wil hij analogicè de ch toestaan; maar, ter onderscheiding, wil hij kindsheid zonder ch schrijven, in de eigenlijke beteekenis van kinderlijken leeftijd. Waarom dús, en niet anders om, zegt hij niet; misschien heeft hij er ook geen reden voor.

Wat hiervan wezen moge, de heer P. Leendertz wz. heeft (zie Navorscher XV, bl. 307) deze nieuwe uitvinding van den hoogleeraar ongerijmd genoemd, en, zoo wij meenen, met volle regt: want, waarlijk onze taal zou er al zeer potsierlijk gaan uitzien, indien wij de woorden in hun oneigenlijken zin volgens de regelmaat spelden, maar, ter onderscheiding, eene, met de analogie strijdige, spelling voor hunne eigenlijke beteekenis fabriceerden. Hoe tastbaar dit ook zij, Dr. van Vloten, ofschoon wij eerst dachten, dat hij er wijslijk in berustte, is er echter naderhand niet minder dan driemaal in ‘de Navorscher’ (Jaarg. XVI, bl. 177, bl. 245 en bl. 264) tegen op gekomen. Driemaal heeft dan ook de heer Leendertz 's professors drogredentjes met gemak omver geblazen.

Dit zou men denken dat wel genoeg was; maar neen! in ‘de Taalgids’ D. VIII, bl. 65, noot l, komt hij er nog een vierdemaal tegen op, tevens zeggende, dat wij het zijn, die zijn kindsheid voor ‘ongerijmd uitkrijten,’ en er bijvoegende, dat hij toch kindsheid en kindschheid zal blijven schrijven.

Van krijten of uitkrijten is er bij ons geen sprake geweest; het lagchen was ons nader dan het krijten: maar, indien Dr. van Vloten meent, dat hij met het volhouden zijner dubbelde spelling ons grieft, dan bedriegt hij zich uitermate: wij wenschen hem veeleer geluk met zijne onverbeterlijke

[p. 199]

standvastigheid, ofschoon er misschien wel zijn zullen, die haar uit bekrompen kwaadwilligheid, betweterij, wrok en vitzucht den naam van koppige verwaandheid zullen geven. In allen gevalle zou het o.i. wel een beetje hardkindersch mogen heten, indien men aan een hoogleeraar, die, naar zijn eigen getuigenis, zulk een zuiver Hollandsch taalgevoel bezit, en die, volgens de menigvuldige blijken, daarvan in dit Tijdschrift voorhanden, zoo door en door met onze taal bekend is, het onschuldig genoegen wilde betwisten om een spellinkje op zijn eigen hand te hebben, al ware het dan al in der daad nog zoo ongerijmd.

 

We zijn hier, onzes ondanks, genoodzaakt geweest den belangstellenden lezer het een en ander op te disschen, dat, althans voor een gedeelte, wel wat opgewarmd genoemd mag worden 1)  . Wij vragen er verschooning voor, en hopen dit bij eene volgende gelegenheid met een versch schoteltje weder goed te maken. Een nieuwe, pas uitgevente tekstverbetering van prof. van Vloten, die voor al zijne vorige niet onderdoet, is reeds aan het spit gestoken.

 

Rotterdam, October 1866.

 1)  Over Dr. v. Vloten's nieuw uitgevonden spreekwijs: er wordt bestaan, zeggen wij hier niets, gaarne het woord latende aan de Red. van dit Tijdschrift, welke (bl. 65) beloofd heeft dienaangaande haar gevoelen mede te deelen.