[p. 206]

OVER DE NOODWENDIG PASSIEVE BETEEKENIS VAN DEN INFINITIEF, ALS ADJEKTIEF GEBRUIKT.

Wanneer men bij onze schrijvers, voornamelijk, het is waar, in onze nieuwspapieren, maar daaronder in de best geschrevene, gedurig uitdrukkingen aantreft, als: de aan te breken toekomst; een uit te breken opstand; de bijeen te komen Staatsraad, zou men wezenlijk in de verzoeking komen om het er voor te houden, dat een zoodanig gebruik van den infinitief, adjektief gebezigd, met niet-passieve beteekenis, in onze taal gewettigd zijn moet. Intusschen kan dit het geval niet zijn, op grond dat zulk een infinitief met te, adjektief gebruikt, noodzakelijk zijn subjekt tot objekt heeft, dat is, in passieven zin gebezigd wordt. - Ik verklaar mij nader. Zeg ik de knaap is te prijzen, dan is de knaap het voorwerp, dat men prijzen moet. De uitdrukking beteekent eigenlijk, de knaap is tot prijzen, strekt tot prijzen, is zoodanig dat men, niet een ander, maar hem prijst: immers, wordt er geen objekt bij den infinitief genoemd, dan blijft er geene keuze over en het subjekt wordt als zijn objekt gedacht. Daarom heeft ook in het Latijn de infinitief, en wat is het gerundium anders dan een verbogen infinitief? zoodra hij adjektief gebruikt wordt, eene passieve beteekenis: wordt (ad) amandum (om te beminnen) adjektief gebruikt, als zoogenaamd gerundivum (amandus), dan beteekent het: die bemind moet worden.

In de aangehaalde uitdrukkingen nu: aan te breken toekomst enz. komt aan te breken in intransitief actieven zin

[p. 207]

voor; zij bedoelt eene toekomst, die zal aanbreken, die staat aan te breken. - Maar strekt deze omschrijving: die staat aan te breken, niet juist om die zegswijze aan te breken toekomst te rechtvaardigen? Of zou men niet staande er onder kunnen verstaan: op deze wijze: eene aan te breken staande toekomst? Staande is hier zoo veel als zijnde, en bovendien voorheen bestond werkelijk de uitdrukking zijn om te, gevolgd door een infinitief, met den zin van het futurum. Zoo lees ik in een uitnemend gesteld Staatstuk van 1628 van onheylen bij continuatie van het oorloge te ontstaan, dat is, die ontstaan zullen; en bij Hooft: de handel waar om beter te bloeyen, dat is, de handel zou beter bloeien. Dus is de aan te breken toekomst, de aan te breken zijnde toekomst, dat is de toekomst, die zal, die moet aanbreken, en hiermede is immers de uitdrukking gewettigd? - Maar, vraag ik verder, wordt die zegswijze: de onheilen zijn te ontstaan, de handel is om te bloeien, in onzen tijd nog verstaan? Immers neen! Wanneer men dus niet meer kan zeggen: de opstand is om uit te breken, hoe zou men dan van een uit te breken opstand kunnen spreken? Neen! de infinitief, op die wijze adjectief gebezigd, is noodwendig passief, en men mag wel spreken van een aan te breken vat, een uit te breken tand of steen (uit een muur), maar niet van een aan te breken dageraad, noch van een uit te breken strijd. Bijeenkomen is een uitsluitend intransitief werkwoord, en er kan dus geen substantief zoo gekozen worden, dat de infinitief bijeen te komen er voegzaam, als adjectief, bij zou kunnen staan. - Een schoolonderwijzer, die gelukkig zijnen naam niet genoemd heeft, maakte het in eene aankondiging in de courant nog erger, daar hij, van zich zelven in den derden persoon gewagende, spreekt van den zich aldaar te vestigen kostschoolhouder. Hier hebben wij den infinitief van een transitief werkwoord, die dus, adjektief gebruikt, passief wordt opgevat (als in een te vestigen gebruik), en toch heeft die passieve uitdrukking zich, dat is, een objekt in den accusatief bij zich! Welk eene verwarring van spraak!