[p. 208]

OVER DE ONRECHTMATIGHEID VAN HET GEBRUIK VAN EEN VERLEDEN DEELWOORD IN EENE ACTIEVE BETEEKENIS.

Hebben wij in het voorgaande stukje gezien, dat de infinitief, bijvoegelijk gebruikt, noodwendig passief wordt opgevat, nog veel meer zal het deelwoord van den volmaakten tijd, hetwelk van nature passief is, niet anders dan in passieven zin adjektief gebezigd kunnen worden. Een beminde is noodwendig een die bemind is, en kan nimmer een die bemind heeft beteekenen. Met bereden (in bereden ruiter), bekend (in: met de zaak bekend) bediende (voor dienaar) en dergelijke is het een ander ding: zulke woorden zijn geene verleden deelwoorden, maar afgeleide bijvoegelijke naamwoorden, welke een voorzien zijn met datgene wat de stam aanwijst, beduiden. Maar, ik herhaal het, een verleden deelwoord heeft steeds een passieve beteekenis. Slechts door het werkwoord hebben daarbij uit te drukken, kan het verleden deelwoord een der volmaakte tijden ook van het actief eens werkwoords uitdrukken. Bij voorbeeld: het heeft plaats gegrepen. Deze uitdrukking is actief, omdat heeft bij gegrepen staat, en, bovendien, bij eene behoorlijke ontleding dezer uitdrukking bespeurt men, dat zelfs hier gegrepen passief is en blijft: immers is het heeft plaats gegrepen, eigenlijk: het heeft eene plaats, die gegrepen is: het heeft eene gegrepene plaats, alsof men in het Latijn zeide: habet locum captum voor capit locum. - Verlangt men dus een verleden deelwoord actief opgevat te zien, zoo drukke men er het werkwoord hebben bij uit, en zegge, bij voorbeeld, een plaats gegrepen hebbend ongeval. Doch zulk eene uitdrukking vindt iedereen te hard: men vervange ze door

[p. 209]

een ongeval, dat plaats gegrepen heeft: want een plaats gegrepen ongeval (welke uitdrukking ik intusschen meermalen in zeker dagblad gelezen heb) gaat niet aan: bij een verleden deelwoord kan geen ander hulpwerkwoord dan zijn verstaan worden: het is en blijft passief, en hoe kan het dan het vermogen bezitten om een accusatief (hier plaats) bij zich te hebben? Het is alsof men in het Latijn zeide: locum capta calamitas. - Nog vermeteler uitdrukking vond ik in hetzelfde dagblad, te weten, opheffing van het door de Regering zich aangematigde recht. Niet dat een verleden deelwoord geen datief bij zich kan hebben: eene hem geoorloofde handelwijze, is onberispelijke taal; maar eene zich veroorloofde daad gaat niet aan, omdat een terugwerkend werkwoord niet passief kan gebruikt worden. Een zich aangematigd recht is derhalve verwerpelijk: zelfs zou een hem aangematigd recht onaannemelijk zijn, vermits aanmatigen noodwendig en niet bloot willekeurig terugwerkend is. Een aangematigd recht kan alleen daarom geduld worden, omdat aangematigd daar het karakter van een adjektief heeft.

Doch ik zeide: bij een verleden deelwoord kan geen ander hulpwerkwoord dan zijn verstaan worden. En hoe dan: de middag kwam, den schoot met rampen opgevuld, te verklaren? Beteekent dit niet: den schoot met rampen opgevuld hebbende? Voorzeker! Maar men merke op, dat, zoo hier hebbende is uitgelaten, dit niet het deelwoord is van het hulpwerkwoord, maar van het concrete werkwoord hebben, dat zoo veel als houden beteekent. Den schoot met rampen opgevuld is den schoot met rampen opgevuld houdende, eenen met rampen opgevulden schoot hebbende, in één woord: de middag kwam, met eenen met rampen opgevulden schoot, met den schoot met rampen opgevuld. Juist daarom, omdat hebbende in zulke uitdrukkingen de kracht heeft van het voorzetsel met is het aan uitlating onderhevig: want waarom kan men in plaats van: hij verliet haar, den dood in het hart hebbende, met uitlating van dit laatste woord, zeggen: hij verliet haar, den dood in het hart? omdat men even goed zeggen zou: hij verliet haar met den dood in het hart. Dit

[p. 210]

voorzetsel toch is voor uitlating vatbaar: onderdrukt men het, zoo staat het substantief den dood in eene duidelijk voelbare betrekking, in de betrekking van den zoogenaamden instrumentalis, tot den volzin.

 

W.G. Brill.