[p. 230]

GOED OF VERKEERD?

Ik neem de vrijheid, der Red. van den Taalgids een paar bescheiden bedenkingen te opperen tegen enkele in haar beide vorige nommers geuite meeningen. De eerste geldt haar bladz. 141 en vv. meêgedeeld gevoelen, als zou de uitdrukking den dood kosten onvoorwaardelijke afkeuring verdienen. Ik kan in dat gevoelen niet deelen, en geloof de Redactie zich door de wat oppervlakkige voorstelling, dat ‘sterven geene handeling is, die winst of voordeel oplevert, de dood (alleen) de oorzaak van het verlies van een goed’ zou zijn, tot een min verdedigbare uitspraak heeft laten verleiden. Integendeel is de dood, als losprijs voorgesteld, wel degelijk een handeling, en kan men (naar 't mij voorkomt) zoo goed zeggen: dit komt mij op den dood, als op deze of die moeite, op dien arbeid, of ook (hoe tegenstrijdig het schijnbaar luiden moge) op het leven te staan. Bij de laatste uitdrukking, die toch wel door niemand gewraakt zal worden, verstaat men er dan het verlies van dat leven d.i. juist den dood door. Evenzoo ook, omgekeerd, kan mij dit of dat een hoope arbeids, moeite, geld, of ook den dood of het leven kosten. Dood is (mijns inziens) de 't zij dan ook veelal onvrijwillige en lijdelijke ‘handeling,’ waardoor men uit het leven scheidt; en wordt dus die handeling voor iets gevorderd, dan kost ons dat die handeling d.i. den dood. Ik kan ter wereld niet begrijpen, wat daar ongerijmds in zou zijn, of

[p. 231]

waarom ik dat niet even goed kunnen zeggen, als dat een of ander zaak iemand het leven kost. In 't laatste geval geeft hij er zijn leven, betaalt hij er met zijn leven voor, dat hij daardoor verliest; in 't eerste met de - niet altoos onvrijwillige - daad van sterven, die hij (gelijk bijv. een Schaffelaar of Claessens) daartoe doet. Een of ander ding kost mij honderd gulden, of kost mij de last dien ik mij opleg, die honderd gulden te missen, den arbeid of de moeite, die ik op mij neem of genomen had, die honderd gulden op nieuw of vroeger te erlangen; en evenzeer als ik in dat geval zoowel zeggen kon, dat mij dit of dat op honderd gulden of op het gemis van honderd g. te staan komt, dat het mij honderd gulden of het gemis van honderd gulden kost, kan ik ook zeggen, dat mij iets op het leven of op het verlies van dat leven - den dood - te staan komt, dat het mij het leven of het verlies van dat leven - den dood - kost.

Om dezelfde reden mag men ook de uitdrukking ‘den dood schuldig’ (doodschuldig = strafschuldig) niet verwerpen, al geef ik der Redactie gaarne toe, dat de genitief des doods in 't N. T. een Hellenisme is, en alleen door kansel- en kerk-gebruik allengs inheemsch geworden. Wat zij omtrent het onderscheid tusschen schulden en inschulden opmerkt, beaam ik natuurlijk ten volle.

Mijn tweede bedenking geldt eene opmerking van een harer leden, Dr. te Winkel, in zijn verdediging der spelling nogtans. Hij beroept zich daar op woorden als laagte, ruigte, hoogte, enz., in welke, zijns inziens, de voorstanders van nochtans dan evenzeer de ch in plaats van de g moesten stellen. Mijn scherpzinnige vriend ziet echter voorbij wat hij zelf vervolgens opmerkt, dat het te dier woorden uit itha geboren is, en in 't Nederlandsch oorspronkelijk dus ede luidde; dat hier dus ook niet een dadelijke aaneensluiting, een zamenbotsing zou men kunnen zeggen, van twee medeklinkers, maar beider verbinding door een klinker plaats had, en dat men dus evenmin hoochte behoeft te schrijven, als men, in volkomen soortgelijk geval, zecht, lecht en derg. in plaats van zegt, legt,

[p. 232]

enz. schrijven zal. Ook hier toch bestaat er geen andere reden de g vóór de t tot geen ch te maken, dan de thans weggevallen klinker, die vroeger beide letters scheidde.

Ten slotte nog een opmerking omtrent een uitdrukking in het onderhoudend en lezenswaard betoog van Dr. Bisschop over schertsend gevormde woorden. Hij beweert daarin (blz. 40), dat men te vergeefs zoeken zal naar plaatsen als o.a. Duren, Kloppenburg, Malleghem. Alle drie bestaan echter in de werkelijkheid, zoo goed als Vosmeer, Kortrijk, Schoonhoven en andere schertsenderwijs gebruikte dat doen. Tot de juistheid van zijn betoog doet dit natuurlijk niets af. De volkstaal had zoo goed het recht werkelijk bestaande namen schertsend te gebruiken, als er nieuwe uit te denken.

 

D., 31 Oct. 66.

Van Vloten.