NOG IETS OVER VEILIG.

Het vertoog van den Heer Bogaers over de afleiding van veilig (blz. 177, vlgg.) geeft mij aanleiding om ook iets over dit woord in het midden te brengen. Ik houd die afleiding voor de ware; en het doel van dit geschrijf is, de eenige zwarigheid, die men opperen kan, en die mij sedert jaren in twijfel gehouden heeft, gelijk ik hoop, uit den weg te ruimen.

Bij alle etymologie komt het op twee dingen aan; 1o. het natuurlijke verband tusschen de beteekenis van het grondwoord en die van het afgeleide moet aangetoond, en 2o. van elke letter rekenschap gegeven worden. Het eerste punt laat niets te wenschen over. Uit fela, filhan, dekken, bedekken, kan zeer goed een zelfstandig naamwoord (fal, falh, of fel, filh) met de beteekenis van bedekking afgeleid zijn, hetwelk met het achtervoegsel -ig, dat bezit aanduidt, een

[p. 233]

woord oplevert: falig, felig, dat niets anders kan beteekenen dan bedekking hebbende, beschutting hebbende, dus veilig. Dit komt derhalve volmaakt goed uit; maar niet al de letterklanken schijnen aan die afleiding te beantwoorden. De verandering van f in v is geheel overeenkomstig met ons taaleigen; en het wegvallen der h (ch) van filhan, die in onrd. fela, fal trouwens ook al niet meer aanwezig is, kan niet verwonderen. Onze taal bezit een aantal woorden, die eene ch hebben verloren; een voorbeeld dat zulks ook achter eene l kon plaats hebben, is alsem, alh-samo (tempelzaad); een ander is deensch mulm (duisternis), met goth. milhma (nevel, wolk) verwant. Doch de moeielijke vraag is: waar komt de tweeklank ei van daan? De stam van filh-an eindigt op lh, op eene vloeiende letter, gevolgd door eene vaste (liquida cum muta); dit woord behoort dus tot de eerste klasse der sterke werkwoorden: filhan, falh, fulhun, fulhans. Uit fela is de h weggevallen zonder de verdubbeling der l te bewerken; dit werkwoord is daardoor gedeeltelijk in de 2de klasse overgegaan en luidt: fel, fal, fâlu, folgit (waarin de h onder den vorm g weder te voorschijn treedt). De vocalen, die in de beide werkwoorden voorkomen, zijn derhalve:


i, a, u (oe), u (oe),
e, à,   â,   o;

 

doch ei is daaronder niet te vinden. Derhalve, indien veilig werkelijk van de genoemde werkwoorden afstamt, dan moet de tweeklank ei niet, gelijk gewoonlijk, uit ai, ag of eg ontstaan zijn, maar een anderen, minder gewonen oorsprong hebben, en zijn ontstaan uit a of e, gelijk in sommige woorden vóór eene n, t.w. in einde, geinster, heinde, kleinzen, peinzen en veinzen, door mij reeds opgemerkt was. Dit was het bezwaar, waarom ik de afleiding van veilig nog niet ontdekt achtte, en ik mij, in het woordenlijstje achter mijn Leerboek voor de spelling, vergenoegen moest met een beroep op het gezag van den Teuthonista. Nu uit het vertoog van Mr. Bogaers mijns inziens overtuigend is gebleken, dat veil-ig, en niet veil, de ware vorm is, voelde ik mij aangespoord om

[p. 234]

opzettelijk na te gaan, of er in onze taal ook ei's gevonden worden die vóór eene l uit eene korte e of a ontstaan zijn. Ik heb er inderdaad eenige gevonden, waarvan het feit niet kan worden geloochend, en die derhalve bewijzen, dat men de afleiding van veilig niet om de ei behoeft te verwerpen. In de eerste plaats noem ik veil, een anderen naam van het klimop; bij Kiliaan: vaele en veyle, waaruit schijnt te volgen, dat de plant of boom genoemd is naar de eigenaardige vale kleur, die de oudere bladeren aannemen. Vervolgens veil (te koop), onrd. falr, deensch en zweedsch fal; feilen nevens falen; en dreyl-gast, bij Kiliaan, voor drael-gast, tafel-schuimer, die, door tegen het etensuur te dralen of te vertoeven, maakt dat hij te gast genoodigd wordt. Aan eene lange â uit ai, die bij ons regelmatig ei zou opgeleverd hebben, is hier, bij de drie eerstgenoemde woorden althans, niet te denken. Bij falen, lat. fallere, van zelf niet; maar ook evenmin bij vaal (kleur) en falr (veil, te koop). Dit blijkt uit onrd. fölr (vaal) en fölur (kooplust) en uit deensch en zweedsch fal, dewijl alleen de korte a in ö overgaat, maar de lange nooit, die daarentegen deensch aa en zw. å (faal, fål) zou opgeleverd hebben. Bij Kiliaan komt ook een werkwoord streelen, streylen, voor, dat hij door mingere (zijn water loozen) vertaalt; mag men dit aanmerken als een anderen vorm voor stralen, in het Mnl. schieten, dan heeft men een vierde voorbeeld van eene ei uit a. Ook in eiland schijnt de ei uit â ontstaan; in de Oudernederl. psalmen althans (Ps. 71, 10) heet eiland: âland, d.i. waterland, waaruit blijkt dat ahwa, aha (water) toen reeds, in de 8ste of 9de eeuw, in a, den naam van verscheidene riviertjes in ons land, was samengetrokken, zonder eenig spoor van den keelklank achter te laten.

De waarneming, dat ook vóór de l uit korte klinkers ei's ontstaan kunnen, heldert dit verschijnsel bij de n op. Deze beide letters toch, l en n, zijn juist die medeklinkers, die in de Romaansche talen voor zoogenaamde mouilleering vatbaar zijn, en die dan in het Fransch elken voorafgaanden

[p. 235]

zuiveren klinker in een tweeklank op i doen overgaan; b.v. in bétail (lat. bestiale), faillir (lat. fallere), bouillir (lat. bullire), mouiller (van lat. mollis), treillis (lat. trilix), de uitgang -aille, lat. -alis; feindre (lat. fingere), peindre (lat. pingere), teindre (lat. tingere), atteindre (lat. attingere), oignon (lat. unio) enz. Ik meen dus te mogen aannemen, dat de eigenaardige natuur dezer twee letters als de oorzaak van het ontstaan der ei's uit a's en e's moet aangemerkt worden.

Het resultaat dezer waarneming brengt ons ook nog een stap verder in de etymologie van veilig. Zij verklaart en rechtvaardigt niet slechts ei, maar leert tevens dat het zelfstandige naamwoord, waarvan veilig gevormd moet zijn, niet de vocaal van het praesens, i of e, maar die van het praeteritum, a, zal gehad hebben, dat het niet filh of fel, maar falh of fal zal hebben geluid. Volgens Outzen zegt het Noordfriesch werkelijk nog falig. Trouwens de bijvoeglijke naamwoorden op -ig, die een bezit aanduiden, zijn in den regel gevormd van zelfstandige naamwoorden met de vocaal van het praeteritum, wanneer deze afgeleid zijn van sterke werkwoorden der zes eerste klassen, als bondig en onbandig van binden, aandachtig van denken, handig van hinthan (vatten), matig van meten, vratig van vreten, nuttig van genieten, stoffig van stuiven, en andere. Uit het een en ander volgt, dat de Oudfriesche en Oudnederduitsche vorm felig niet uit feilig, noch deze uit felig ontstaan is, maar beide, onafhankelijk van elkander, uit falig.

Tevens is gebleken, dat de § § 159 en 160 in het Leerboek der spelling een herziening vereischen.

 

L.A.t.W.