[p. 237]

BRIEVENBUS.

Aan de Redactie van den Taalgids.

 

Onder dankbetuiging voor de welwillende opheldering van het woord verzels (Taalgids, 8e jaargang no. 1) neem ik de vrijheid u andermaal beleefd te verzoeken, een drietal uitdrukkingen wel te willen verklaren.

1. Hoedanig is de beteekenis en afleiding van ondadelbaar?

(Zie Bilderdijk's Dichtwerken door Da Costa, 1e deel, pag. 12).

2. Busken huet schrijft in ‘Ernst of Kortswijl,’ pag. 11: ‘Die graaf van Eylar is over het geheel een tamelijk bekomzaam persoon.’ Wat beduidt dat woord bekomzaam? Is het goed Hollandsch?

3. Hoe moet de uitdrukking verstaan worden: ‘Tessels oevers zwellen?

(Zie Tollens' Overwintering, vs. 36).

Moge voor deze woorden ook een plaatsje in den Taalgids gevonden kunnen worden!

 

Wij willen trachten aan het verlangen van den geëerden inzender te voldoen.

1. Het woord ondadelbaar vindt men in Bilderdijk's romance ‘Olinde en Theodoor.’ Wij laten het geheele couplet hier volgen.

 Het stroomt, het vloeit hem niet meer toe
      Uit zulk een open hart,
 Als toen het, wederhoudens rnoê,
      Hem 't eerst ontsloten werd;


[p. 238]

 
 Toen met een wederkeerig slaan,
      Hun harten in elkâar
 Een wellust deden overgaan,
      Voor God ondadelbaar.

Uit den zin maakt men terstond op dat ondadelbaar hier onberispelijk moet beteekenen, en deze opvatting wijst dadelijk op het Hoogduitsche werkwoord tadeln, Ned. berispen laken en de Hoogduitsche bijvoeglijke naamwoorden tadelbar, tadelhaft, tadelig, Ned. berispelijk, laakbaar. Men weet dat Bilderdijk zich niet ontzag van tijd tot tijd een germanisme te gebruiken en zelfs van meening was, dat een dichter over alle ‘-ismen’ vrijelijk beschikken mocht.

Het bedoelde woord heb ik nooit elders ontmoet.

2. De Heer Busken Huet heeft het woord bekomzaam gebezigd in de veronderstelling, dat het algemeen gangbaar was en door iedereen verstaan wierd. Het komt mij voor, dat hij zich hierin vergist heeft, algemeen verstaan wordt het niet. Ik heb er verscheidene menschen naar gevraagd en telkens een zeer bepaald antwoord ontvangen, òf dat men het nooit, òf dat men het sedert lang bijna dagelijks gehoord had. Het is mij gebleken, dat het in den mond des volks leeft en door zeer beschaafde lieden gebruikt wordt. De Heer Huet heeft het hoogst waarschijnlijk niet uitgedacht maar opgevangen, gelijk zooveel andere, die wij in onze moedertaal alleen door het hooren leeren; en hij vond er geen bezwaar in het neder te schrijven. Wat de beteekenis betreft, het wordt als attribuut gebruikt om uit te drukken, dat men van iemand of iets spoedig zijne bekomst heeft: eene bekomzame visite, eene bekomzame verhandeling, een bekomzame roman, een bekomzaam heer, eene bekomzame - want ook die zijn er - dame, zelfs als de tegenwoordige, een bekomzame winter. Deze uitdrukkingen leven alle in onze spreektaal. Wat zullen wij nu antwoorden op de vraag of bekomzaam goed Nederlandsch is? Wij zouden de wedervraag kunnen stellen: Waarom zou het geen goed Nederlandsch wezen? Het is niet naar het model

[p. 239]

van een uitheemsch woord gevormd; het wordt, zooals reeds opgemerkt is, door beschaafde lieden in het gesprek gebruikt; ook de bestanddeelen waaruit het bestaat, leveren geen bezwaar op, ze zijn zoo Nederlandsch, als men ze bij mogelijkheid wenschen kan, zoowel de stam bekom als het achtervoegsel zaam. En toch zou er in de wijze van vorming grond gevonden kunnen worden om het woord af te keuren. In het volgende nommer hoop ik het met andere woorden op zaam te vergelijken.

Alvorens te eindigen moet ik nog even opmerken, dat de Heer Polak in zijne Brochure ook aanmerking op het woord bekomzaam maakt en - ik geloof ironisch - gist of stelt dat het eene vrucht van Huet's Middelnederlandsche studiën is. Eigenlijk betreft de vraag het woord binnenborst. ‘Liever wenschten we den Heer Huet te vragen, waarom hij een blijk van zijn taalscheppend vermogen gegeven heeft, door aan een woord als binnenborst het aanzijn te schenken. Wij voor ons hopen dat de Vader het naar oud Germaansch gebruik, als zijner onwaardig ten Vondeling zal leggen, en dat geen tweede ‘Dorstige Pleiaden’ 't zullen adopteeren. Misschien echter is het even goed als bekomzaam of 't adjectivum ‘olympisch-vrolijk’ een vrucht van de Middelnederlandsche taalstudiën,’ enz. Bekomzaam heb ik voor het eerst van mijn leven in ‘Ernst of Kortswijl?’ gedrukt gezien, maar binnenborst is een oude kennis, dien ik in de Brieven van Hooft meermalen ontmoet heb, waarbij dus het taalscheppend vermogen van een schrijver dezer eeuw zeer kalm kan blijven. Ik heb de plaatsen niet aangeteekend, en gebruik daarom die in Hoogstraten's Lijst der gebruikelijkste zelfst. naamw. voorkomen: Brieven blz. 20: de beelden in zijnen binnenborst te metsen; blz. 86: Spiegel van de binnenborst.

3. Zwellen is in omvang toenemen. Er wordt dus van de oevers gezegd dat zij grooter worden, hetwelk niet anders beteekenen kan dan, dat er heel veel menschen op komen staan. Ik geloof dat dit uit het verband duidelijk blijkt.

[p. 240]

Nadat de dichter een beeld van Heemskerk, Rijp en Barends geteekend heeft, schetst hij met een flinken trek, hoe sterk hun verlangen is om het beraamde plan ten uitvoer te brengen.

 Zij smachten naar het uur waarop zij henen (zullen) snellen.

En om nu verder de groote, de levendige belangstelling te malen, die de tocht bij hunne landgenooten vond, zegt hij:

 Het slaat: de kust stroomt vol en Tessels oevers zwellen;
 De palen zijn bevolkt, en booten zonder tal
 Zijn op- en volgepropt, en kruisen langs den wal.
 . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
 Heel Neerland zendt haar wensch ten hemel.

Wij zien het, er mag geen plaatsje onbezet blijven: de kust volgestroomd, de oevers gezwollen, de palen bevolkt, het water bedekt, met tallooze booten, en deze weer opgepropt vol, eindelijk, wie geen getuige van den uittocht wezen kan, is toch met zijne gedachten en gebeden tegenwoordig: gansch Neerland bidt.

Er kan, als men dit alles in aanmerking neemt, omtrent de beteekenis van het woord zwellen geen twijfel overblijven. Het is een figuurlijk gebruikt woord, eene metaphora. Stellig is het niet een van de beste, want eene vermeerdering van omvang door aanhechting, toevoeging of ophooping van buiten wordt in eigenlijken zin geen zwellen genoemd; dat woord gebruikt men, als het buitenste deel van het lichaam hetzelfde blijft en hoe langer zoo verder van het midden verwijderd wordt. Den dichter echter mag men zoo nauwkeurig niet nacijferen, vooral wanneer het een rijmwoord betreft. Er is bovendien iets teekenachtigs in de uitdrukking, dat wij niet voorbij mogen zien, en dat ruimschoots opweegt tegen de mindere juistheid van een enkel woord: de kust, de breede zoom, was vol, maar de oever, de smallere rand langs het water, was veel sterker bezet, de toeschouwers stonden er zoo dicht opeengepakt, dat zij met den oever een geheel schenen uit te maken.

 

J.A.v.D.