EENE VRAAG AAN DE REDACTIE VAN ‘DE TAALGIDS,’door
Mr. A. BOGAERS.
Ieder, die grondige geleerdheid waardeert, zal met genoegen het opstel van Dr. L.A. te Winkel gelezen hebben, voorkomende in dezen jaargang van ‘de Taalgids,’ bl. 170 en volg. Wij vooral zijn er den kundigen Schrijver erkentelijk voor, dewijl door het gewigt zijner argumenten een gevoelen, door ons slechts in korte woorden geuit, gestevigd en buiten alle bedenking gesteld is. Dr. van Vloten's barbaarsch: ‘Er wordt bestaan,’ welks afkeuring hij aan wrok en bekrompen kwaadwilligheid toeschreef, is er zorgvuldig in bekeken en ontleed. Gelijk we wel verwachtten, is de uitkomst der autopsie geweest, dat dit taalkundig wanschepseltje, waarvoor, nota bene! een plaats in het Nederl. Woordenboek gevraagd werd, verstoken van de noodige levensorganen was ter wereld gekomen. De Heer te Winkel heeft het stilletjes begraven, en ons blijft niets anders overig, dan den ongelukkigen vader, die uit blinde ingenomenheid met zijn monstertje er zich zulk een schoone toekomst van beloofde, bij dezen een kaartje van rouwbeklag toe te zenden. Over prof. van Vloten's: ‘Er wordt bestaan’ spreken we dus niet meer; maar er is een ander punt, dat ter
zelfde gelegenheid, als het voornoemde, is aangeroerd geworden, waarover wij gaarne met de Redactie van dit Tijdschrift een vriendelijk woordje wenschen te wisselen. Wij bedoelen de gangbare spreekwijze: ‘er wordt gedanst, er wordt gevochten’ en andere van gelijken aard. Hiervoren in Dl. VII, bl. 229, reg. 4, zeiden we, dat zulke uitdrukkingen, al noemen zij geen personen, toch altoos aanduiden, dat er door personen iets wordt verrigt. Men gelieve wel op te letten, dat wij de woorden personen en verrigten gebruikten. Op bl. 65 van het VIIIste Deel verklaarde de Redactie ons beweren voor gegrond te houden en met ons aan te nemen, dat ‘dergelijke zegswijzen steeds onderstellen, dat er door personen iets verricht wordt.’ Zij liet er echter dit op volgen: ‘Het eenige, dat aan de bepaling schijnt te ontbreken, is de bijvoeging, dat het met bewustzijn en opzet geschiedt, zoodat zulke uitdrukkingen alleen gebezigd worden van handelingen, d.i. van werkingen die van den wil afhangen.’ Uit dezen volzin is het ons gebleken, dat door de Redactie aan het w.w. verrigten, in verband met personen gebruikt, eene andere beteekenis gehecht wordt, dan wij ons verbeelden er aan te mogen toekennen. Met opzet hadden we de woorden, die we bezigden, gekozen, dewijl we meenden, dat, volgens het vaste gebruik van alle goede Schrijvers, als personen gezegd werden iets te verrigten, zulks steeds in zich sloot, dat zij het willens verrigtten; zoodat de bijvoeging, door de Redactie hier geopperd, in ons oog eene overtolligheid zoude geweest zijn. Bedriegen wij ons ten dezen opzigte? Indien er iets geschiedt, waarin de wil des persoons geen deel heeft, kan men dan toch van hem zeggen, dat hij iets verrigt? Stel, b.v., iemand geeuwt, slaapt, droomt, niest, valt, bezwijmt, enz.; zal dan daaraan de naam van ‘iets verrigten’ gegeven kunnen worden? Of als hij sterft, duldt dan
de taal, dat men van hem zegt: dat dit het laatste is, dat hij verrigt heeft? Onzes inziens, neen! dewijl dit alles, buiten zijn wil om, plaats grijpt. Dwalen we hieromtrent, zoo wijze ons de Redactie met afdoende redenen te regt: wij zullen er dankbaar voor zijn. In allen gevalle is het goed, dat, daar het w.w. verrichten met der tijd in het Ned. Woordenboek moet verschijnen, zijn ware beteekenis vooraf vastgesteld worde. |