[p. 287]

DE MERWEDE.

De beantwoording der vraag, betreffende de beteekenis van wilg (VIII, 212) noopt mij om, zoo mogelijk, ter voorkoming van eene nieuwe dwaling en ter wegneming van drie reeds bestaande over de beteekenis van den naam Merwede te handelen. Bilderdijk hield het voor eene afleiding van het bijvoeglijk naamwoord murw, met het achtervoegsel -de, later -te; merwede zou volgens hem zooveel zijn als murwte, weekheid. Anderen verklaren het door paardenweide, nog anderen door moerassige weide; en nu men weet, dat wijde, hd. weide (wilg), ook in onze taal in gebruik is geweest, zou het zeer wel mogelijk zijn dat men het tweede lid der samenstelling -wede voor eene verbastering van dat wijde ging aanzien, vooral wanneer men weet, dat in den omtrek der Merwede veel wilgen groeien. Geene der drie eerste verklaringen is juist, en de laatste zou het evenmin zijn.

Vooreerst is het zeker, dat de landstreek, die haren naam aan de voorbijstroomende rivier geleend heeft, oudtijds voor weide volstrekt ongeschikt was. Een oud schrijver, Baldericus Noviomensis, die niet zeer lang na den tijd, toen de naam moet opgekomen zijn, zijne kroniek opstelde, noemde die landstreek, ‘quidam locus paludibus ac silvis inhabitabilis.’ ‘zekere streek, om hare poelen en bosschen onbewoonbaar;’ zulk land nu deugt niet om er vee in te laten weiden, het allerminst paarden. Noviomensis zegt dan ook, dat er ‘niemand woonde, behalve eenige jagers en visschers.’ Van herders

[p. 288]

of veehouders spreekt hij niet, en dezen hadden toch wel verdiend het eerst genoemd te worden, indien het land geweest ware wat de naam noodwendig mede zou brengen: nagenoeg ééne weide. Doch wat hier beslissen moet, is die naam zelf: wij zullen zien, dat hij in volmaakte overeenstemming is met de beschrijving in de kroniek.

De hedendaagsche vorm: merwede, alleen beschouwd, zou ons niet ver brengen, doch gelukkig zijn ons oudere vormen bekend: meriwido, merowido, en later miriwide en mereweda. De eerste vraag moet hier luiden: is het woord afgeleid of samengesteld? eindigt het op het achtervoegsel -de thans -te, òf maken de laatste lettergrepen een zelfstandig woord uit? Zij is niet moeielijk te beantwoorden. Het achtervoegsel -te luidde oorspronkelijk -itha (in diupitha, diepte; sconitha, schoonte, schoonheid), en in den tijd toen er nog zulke welluidende vormen als meriwido en merowido bestonden, was de oudnederlandsche th nog niet in d overgegaan. Het woord zou derhalve meriwitha of merowitha of, naar het ohd. murawi (mürbe, murw) te besluiten, murawitha geweest zijn, in allen gevalle op -itha geeindigd hebben. Daar nu in geen enkelen vorm eene th voorkomt, vervalt iedere gedachte aan een afgeleid woord en daarmede tevens Bilderdijks verklaring.

Wij moeten dus met eene samenstelling te doen hebben; en daar bij Nederlandsche composita het laatste lid het voornaamste is, waarvan de aard van het eerste altijd gedeeltelijk afhangt, zoo hebben wij in de eerste plaats na te gaan, wat wido; wide of weda kan beteekenen. Het kan noch weide (weiland), noch wijde (wilg) zijn. In het eerste geval zou het woord meri- of meroweida hebben moeten luiden. Weide, ohd. weida, met eene ei uit ai ontstaan, heeft bij ons nooit weede geluid, en doet zulks nog niet, en daarom is de vorm weda, die reeds bij Noviomensis voorkomt, ondenkbaar, indien de e uit ei ontstaan ware. Buitendien leert de Hoogd. d van weida en de dh in ags. waedhan, dat ons woord eene th, en dus den vorm meri- of meroweitha moest gehad

[p. 289]

hebben. Ook aan wijde (wilg) is niet te denken. De Nieuwhoogd. vorm weide, Kiliaans weyd en wied, Plantijns wijde, en de Zeeuwsche uitspraak wiedje toonen genoeg, dat de i in ohd. wida (wilg) lang was. Dit kan de i in meri-wido niet geweest zijn, want zij heeft, gelijk alle korte i's op het einde eener lettergreep, eene e, niet ij opgeleverd. Wij zijn dus gedwongen in -wido met de korte i een ander woord te zien; en het eenige, dat zich nog aanbiedt is ohd. witu, onrd. widhr, hout en bosch; twee beteekenissen, die elkander ook bij ons afwisselen, b.v. in den Haarlemmer Hout en het Haagsche Bosch. Dat de i in dit woord kort is, bewijst de Oudnoordsche schrijfwijze i, zonder het teeken van lengte, alsmede de afwisseling met u in ags. wudu (hout). Het is dus zeker, dat wij in Merwede een bosch moeten erkennen; en dit helpt al eenigszins bij het onderzoek naar het eerste lid meri, mero enz. Het bijwoord van hoeveelheid meer (plus) zou daarbij geen zin opleveren; daarover behoeft men dus niet te denken. Bij het eerste lid treft men wezenlijk verschil in spelling aan. Van de drie vormen meri, miri en mero, zijn de twee eerste onderling onbestaanbaar; één van beide moet volstrekt als eene schrijffout aangemerkt worden. Een Grermaansch woord miri nu is onbekend. Het eenige, dat voor een oogenblik in aanmerking zou kunnen komen, ons mier, onderstelt een vorm miur, nagenoeg overeenstemmende met onrd. maur; de oude vorm zou miurwido, de nieuwe mierwede zijn. Daarentegen ligt ohd. meri, ook mari, ons meer (waterplas) als 't ware voor de hand. Mere kan niet anders verklaard worden, dan als eene verbastering van meri, ten gevolge van de flauwe uitspraak der i in meri; anders is de duidelijk luidende e in de lettergreep met den klemtoon niet te verklaren. Uit a kon zij dan niet ontstaan zijn, daar de o den overgang in e zou verhinderd hebben; mero zou miru onderstellen, en zulk een woord zeiden wij reeds bestaat niet.

Meriwido moet derhalve onder de bekende vormen de echte wezen, en in nog vroegeren tijd mariwidu geluid hebben. De beteekenis, die de afleiding van ons woord a priori oplevert,

[p. 290]

is dus meer- of waterbosch, moerassig bosch; eene uitkomst volkomen strookende met de beschrijving van den voormaligen toestand der landstreek.

Een paar bedenkingen mag ik niet met stilzwijgen voorbijgaan. Het onrd. widhr (bosch) kan men zeggen, vereischt bij ons eene th; atqui ergo etc. Zij zou gegrond wezen en onze geheele verklaring in duigen doen vallen, indien de ohd. vorm widu luidde; doch aan witu beantwoordt nederl. wido met de echte d, niet met die welke uit th ontstaan is. Wido, voor widu, sluit zich aan den Hoogduitschen vorm aan, niet aan den oudnoordschen widhr, gen. widhar, pl. widhir, waarin zich geene u of o vertoont. De d in meriwido is dus geen bezwaar. - Men kan ook nog vragen, of men niet paard kan beteekenen. Dit is niet aan te nemen. Meri zou dan in allen gevalle niet paard in 't algemeen, maar bepaaldelijk merrie beduiden, dewijl paard oudtijds marah heette, waarin de a niet in e veranderde, maar blijkens maarschalk, maere (equus) en maer-staller (stall-knecht) bij Kiliaan, de a onveranderd bleef. Van dit marah is meriha of merrihha gevormd, dat in dien tijd nog niet tot merrie verkort kon zijn; men zou dan òf marah-, òf meriha- of merigawido hebben moeten aantreffen. Het eerste strijdt geheel met de oude vormen: paardenbosch kan het onmogelijk zijn; en merrie, gesteld dat het toen reeds meri luidde, komt nooit als eerste lid in samenstellingen voor; men zegt niet merrieweide, merrieknecht, merriestal, zelfs niet eens merriemelk , maar paardemelk; eene benaming merriebosch is dus niet aannemelijk, wanneer er eene andere, volkomen waarschijnlijke, als die van waterbosch, tegenoverstaat.

Is mijne redeneering juist, dan hebben wij hier wederom een sprekend voorbeeld, dat toont van hoeveel belang iedere letter in de afleiding is, en dat de Fransche aardigheid: ‘Dans l'étymologie, les voyelles n'y sont pour rien, et les consonnes pour peu de chose’ geheel logenstraft.

 

L.A.t.W.