[p. 307]

ER WORDT BESTAAN.

In spijt van al de ‘nauwgezetheid,’ waarmeê mijn scherpzinnige vriend Te W., in 't vorig nommer, tegen deze uitdrukking is opgekomen, moet ik bij mijne meening blijven, dat zij, in 't gegeven geval, volkomen en eeniglijk juist was. Trouwens die ‘nauwgezetheid’ bleef juist op één, maar hier alles afdoend punt in gebreke. ‘Er kan’ zegt Te W. aan 't slot van zijn betoog ‘nooit behoefte zijn aan de uitdrukking er wordt bestaan.’ Ik zelf nu had die behoefte gevoeld, had - niet willekeurig, maar na lang en rijp beraad - de gewraakte uitdrukking, als de eenige gebruikt, die mijn gedachte volledig terug gaf, en hij had dus in de eerste plaats moeten beginnen, de zinsneden, waarin zij voorkwam, in oogenschouw te nemen, om zoo uit te maken, of die elders nooit gevoelde behoefte, hier al of niet plaats greep en de uitdrukking dus billijkte. Daarvan is er echter in zijn gansche betoog geen sprake, en begin ik daarom met zijn - natuurlijk geheel onopzettelijk - verzuim te herstellen, en de bedoelde plaats zelve aan te halen en te doorloopen. Zij komt voor - als men weet - in mijn Baruch d'Espinoza (bl. 229), waar over het beginsel, de grondslag zijner wijsgeerige bespiegelingen gesproken wordt. ‘Om den Spinozistischen gedachtenloop’ (zoo lezen wij er) ‘wel te volgen, moeten wij als grondslag die waarheid aannemen, hem door de natuur zelf aan de hand gedaan, die wij het eenvoudigst, en - naar wij meenen - tegen alle misvatting gewaarborgd, uitdrukken, als: er wordt oorspronkelijk en zelfstandig, onbegonnen en oneindig bestaan. Wie zich daar

[p. 308]

niet van overtuigd houdt, mag zich onder de deernis waarde kudde der twijfelaars scharen,’ enz. Men ziet uit deze laatste woorden zelf zeer duidelijk, dat mij, even als Te W., onloochenbaar voorkomt, ‘dat er bestaan bestaat’, dat men ‘het bestaan van bestaan, al ware 't dan ook slechts ten aanzien van één wezen, van zich zelf wel moet toegeven.’ Terwijl nu echter Te W. daaruit de slotsom trekt, gelijk hij doet, ‘dat er derhalve nooit behoefte zijn kan aan de uitdrukking: er wordt bestaan’, heeft hij - door geen kennis te nemen van 't verband, waarin die uitdrukking bij mij voorkomt - juist de eenige gelegenheid voorbijgezien, waarbij die behoefte plaats grijpt: wanneer men namelijk die onomstootbare, door niemand - naar zijn eigen inzicht - te loochenen waarheid tot grondslag legt van een wijsgeerig betoog. Juist naarmate dan die uitdrukking onomstootelijker en onweêrsprekelijker waar is; zóó waar, dat het in niemands hersenen op kan komen haar te loochenen, en dat zij, in elk ander geval, daardoor zelfs overbodig schijnt; juist naar die mate zal zij als grondslag eener dergelijke wijsbegeerte des te deugdelijker zijn. Wat dus bij Te W. tegen de uitdrukking pleit, pleit er in mijn zinsverband ten sterkste voor, en volstaat geheel, om de uitdrukking te wettigen. 't Is volkomen waar, wat Te W. zegt: (dergelijke) ‘existentiale oordeelen kunnen (anders) alleen daar te pas komen, waar aan de existentie, aan het plaats hebben of geschieden van iets wordt getwijfeld, maar niet waar dit van zelf spreekt en door iedereen erkend wordt.’ Maar het was hier juist om zoo iets algemeen erkends te doen; er moest zoo iets, waaraan zelfs niet de minste twijfel mogelijk was, gesteld worden. Het gold hier volstrekt niet ‘de noodzakelijkheid, om als een nieuwtje meê te deelen of in vollen ernst te verzekeren: er wordt gegroeid, geslagen (of bestaan)’; het gold hier de uiting van een zoo weinig mogelijk nieuwe, maar voor ieder bij 't eerste inzicht, onmiddelijk waarblijkende stelling, waarop men dus onbeschroomd verder voortbouwen kon.

Wat nu het tweede bezwaar betreft, dat ‘de gewoonte het

[p. 309]

gebruik (van dergelijke oordeelen) beperkt heeft tot handelingen van menschen, tot werkingen, die menschen met bewustzijn en opzet verrichten,’ dat ‘niet alleen werkingen van levenlooze dingen, planten, en dieren van de toepassing uitgesloten (zijn), maar ook die verrichtingen van menschen, die onwillekeurig of huns ondanks plaats hebben’; - zou ik vooreerst kunnen opmerken dat ‘gewoonte’ geen wet is, maar buitendien moet ik ontkennen, dat 's menschen bestaan zijns ondanks en onwillekeurig plaats hebben zou. De dagelijksche ervaring leert het ons helaas! maar al te duidelijk, dat hij er ieder oogenblik op de meest willekeurige wijs een einde aan maken kan, en dat zijn voortdurend bestaan dus wel degelijk een ‘handeling’ genoemd moet worden, en dus ook, in dit opzicht, mijne uitdrukking - voor zoover er ook de mensch meê gemoeid is, die dan natuurlijk al 't overig bestaande in zijn gevolg neemt - door die ‘gewoonte’ reeds gewettigd is.

Bedrieg ik mij in mijne meening, dan zal ik mij gaarne van dwaling zien overtuigen. Voor 't oogenblik meen ik het hierbij te kunnen laten.

 

Deventer, 31 Jan. 1867.

V. Vloten.