De Taalgids. Jaargang 8


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Achtste jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1866.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Beantwoording van ingezonden vragen.

(Zie blz. 160).

Geloofsoplichterij.

In het Rotterdamsch Weekblad, Nieuwe Serie, No. 1, komt de volgende uitdrukking voor:

‘ - - Von Bismarck heeft, naar men zegt, de geloofsoplichterij gepleegd, terwijl het donderde en bliksemde [tot het volk] te zeggen, dat de hemel met hen instemde, door zoo hunne jubeltonen te accompagneeren.’

Men vraagt of het woord geloofsoplichterij onbepaald afgekeurd moet worden.

 

Het woord geloofsoplichterij kan, mijns inziens, onmogelijk goedgekeurd worden. Wel zou men kunnen zeggen dat er in het gegeven geval oplichterij heeft plaats gehad; immers, wanneer er bedrog gepleegd wordt, dat den schijn eener eerlijke handelwijze heeft, spreekt men van oplichterij, b.v. iemand vraagt voor eene goede zaak bijdragen van weldadige en belangstellende lieden, en hij steekt het geld in den zak; of hij vraagt in een winkel voor een bekend en vertrouwd persoon artikelen ter bezichtiging, beleent of verkoopt die, en gebruikt het geld, dan pleegt hij oplichterij. Iets dergelijks deed v. B. volgens het bericht. Hij maakte ook dat

[p. 211]

men hem geloof schonk; hij verkreeg het, even als degeen, die bij den lichtgeloovigen of zorgeloozen winkelier van den naam van een eerlijk man gebruik maakt; het middel, waarvan hij zich bediende om het geloof te verkrijgen, was het onweder, en dat was zeker voor een ander doel bestemd. Er is dus werkelijk eenige overeenkomst in de daad van v. B. en van hem, die zich onder valsch voorgeven van het een of ander meester maakt. Gewoonlijk wordt de oplichterij gepleegd met doel om zich voorwerpen van stoffelijke waarde toe te eigenen; als de bedrieger het op het geloof, het vertrouwen, de liefde of wat ook van dien aard gemunt heeft, dan is het gebruik van dit woord als eene soort van aardigheid te beschouwen.

Mijne bezwaren treffen echter meer de samenstelling. Welk verband zou er tusschen de beide bestanddeelen gedacht kunnen worden? Oplichten immers is synoniem met bedriegen, niet met stelen en ontvreemden. Het is aardig hoe dit begrip wordt uitgedrukt door woorden, die in eigenlijken zin eene beweging beteekenen. Iemand bedriegen of, minder ernstig, foppen wordt ook wel aldus uitgedrukt: hem meenemen, hem inpakken, hem beetnemen, hem misleiden (verkeerd doen gaan) een loopje met hem nemen, hem in de hoogte steken, hem oplichten. De laatste uitdrukking hebben wij ook voor ‘iemand op eene bedrieglijke wijze wegvoeren,’ gelijk de edelen Floris V, en Leicester Maurits en Oldenbarneveld doen wilde.

De geëerde inzender zal wel inzien, dat zijn beroep in zijn begeleidend schrijven op de woorden zinsbedrog, gewetensdwang en andere hier niet opgaat, omdat in deze woorden wordt aangenomen, dat de zin bedrogen en het geweten gedwongen wordt. In het gegeven voorbeeld wordt niet het geloof, maar de Pruisen opgelicht. De vergissing laat zich gemakkelijk verklaren; zelden wordt bij het werkwoord oplichten in deze beteekenis een voorwerp geplaatst, het werkwoord wordt zelfs weinig gebruikt, de gewone uitdrukking is zich aan oplichterij schuldig maken of oplichterij plegen.

[p. 212]

Maar dit blijft tegelijk een beletsel voor de samenstelling. Anders is het met bedriegen dat gewoonlijk een persoonsnaam als voorwerp heeft. De samenstelling boerenbedrog is bekend, en toch zou zij die van boerenoplichterij niet wettigen, want, en dit is het laatste bezwaar, dat natuurlijk nog sterker op geloofsoplichterij drukt, het woord oplichterij schijnt ongeschikt om samenstellingen te vormen: voor zooverre mij bekend is, bestaat er in onze taal geene enkele.

Intusschen geef ik den geachten inzender de verzekering, dat mijn antwoord mij maar half voldoet en dat ik het besproken woord in gedachten zal houden. Gaarne had ik door eenige plaatsen uit onze beste hedendaagsche schrijvers mijne opvatting van het woord bevestigd, maar de gelegenheid daartoe ontbrak mij geheel en al. Inlichtingen en aanmerkingen van anderen zullen mij, als altijd, welkom wezen.

 

J.A.v.D.

Wilg.

Is het waar, dat wilg (ge)willig beteekent?

Er zijn woorden wier etymologische verklaring tot den primitieven wortel opklimt en tevens de uiterste grens van zekerheid bereikt heeft, welke bereikt kan worden bij kennis van iets, dat eeuwen geleden gebeurd, maar niet door oog- of oorgetuigen opgeteekend is. Bij andere woorden echter komt men niet verder dan tot een grondwoord, hetwelk kennelijk zelf afgeleid moet wezen, maar dat men òf in 't geheel niet, òf niet met voldoende zekerheid weet te verklaren. Tot de laatste soort behoort vooralsnog ook het woord wilg, welks geslachtboom nog niet stellig bewezen kan worden. Dit zal mij evenwel niet verhinderen mijn vermoeden mede te deelen, ten einde, zooveel in mijn vermogen is, aan het verlangen van den geëerden Vrager te voldoen;

[p. 213]

te minder, omdat hetgeen ik te zeggen heb, althans een stapje nader tot de waarheid kan brengen.

Bij het vorschen naar eene etymologie is men reeds een goed eind op den weg om ze te vinden, wanneer men weet, in welke taal men te zoeken heeft. Het is dus al aanstonds van belang op te merken, dat het woord wilg, a priori beschouwd, hoogst waarschijnlijk Germaansch is en niet uit den vreemde ontleend, dewijl de wilgen inheemsche boomen zijn, die al van de oudste tijden af in Duitschland en ook in ons waterrijke landje groeiden. Men heeft dus alle reden om te vermoeden, dat de boom zijnen naam van onze eigene voorouders heeft gekregen, zoodat de afkomst van dezen in onze of althans in eene zeer na verwante taal gezocht moet worden.

Eene andere, niet minder belangrijke opmerking is, dat de zaak, naar wier naam wij zoeken, geen product is van de kunst noch van de menschelijke samenleving, maar een voortbrengsel der natuur; iets dat wel veredeld of verbasterd kan zijn, maar dat zijn aard, zijne natuur, toch niet geheel afgelegd kan hebben. Wij hebben derhalve met een woord van eene geheel andere soort te doen, dan b.v. bij lombard en provoost, eigenlijk persoonsnamen, maar geheel van beteekenis veranderd, zoodat men ze thans niet meer zou begrijpen, zoo de geschiedenis niet te hulp kwam. De eigenaardigheid, waarnaar eene boomsoort genoemd is, moet er ook nu nog in gevonden kunnen worden. De vraag is dus: welke in het oogloopende eigenschap of eigenschappen hebben de wilgenboomen? Het antwoord is niet moeielijk te vinden. Wie maar eenigszins de natuur van den wilg kent, die weet dat zijn hout zeer buigzaam en taai is, waarom de jonge takken en loten gebruikt worden tot het vervaardigen van manden en ander vlechtwerk; vervolgens, dat de boom eene buitengewone groeikracht bezit en schielijk opschiet. De eerste eigenschap heeft, buiten allen twijfel, een naam opgeleverd. De wilg heet in het Ohd. o.a. wîda, nhd. weide, ags. wîdig, eng. withe en withy, onrd. wîdir, deensch widie,

[p. 214]

zw. wide, gr. ἴτεα (voor Είτεᾶ). De meeste der genoemde woorden hebben eene dubbele beteekenis, en duiden niet slechts den boom zelven aan, maar ook zijne als teentjes gebezigde takken, of iets daaruit vervaardigd. Wij worden derhalve verwezen naar een werkwoord, dat vlechten en binden beteekent, en dus naar het lat. viere en naar germ. windan, winden, waarin de n slechts eene ingeschoven letter is, die niet tot den stam behoort. Het woord was vroeger ook bij ons bekend. Kiliaan vermeldt wiede als teentje, wilg en band; wied-hamme als wilgenbosch, en weydboom als wilgeboom; en een geacht lezer van den Taalgids deelde mij eenigen tijd geleden mede, dat in Zeeland eene bijzondere soort van mandjes of korfjes nog heden ten dage wiedjes heeten. Kiliaans dobberende spelling: weyd en wied, bewijst, dat er te zijnen tijde tweeërlei uitspraak in zwang was, hetgeen daaruit is te verklaren, dat men toen de ij als ei begon uit te spreken, zoodat sommigen den ei-klank lieten hooren, terwijl anderen nog bij de oude uitspraak î volhardden. Alle verwante talen leeren ten duidelijkste, dat het woord bij ons met eene ij behoorde geschreven te worden, gelijk Plantijn (op het woord wilge) dan ook werkelijk doet.

Ook naar de andere eigenschap van den wilg, naar zijne groote groeikracht is de boom genoemd. Immers lat. salix kan wel niet anders zijn dan een andere vorm van salax, weelderig, geil, van menschen en dieren gesproken; de uitgangen -ax, -ix, -ox toch hebben dezelfde beteekenis.

Met deze kennis toegerust kan het niet meer moeielijk vallen den zin van het woord wilg te vatten; het zal òf op de taaiheid, òf op de groeikracht moeten zien. Nu vindt men in het Ohd. wilih met de beteekenis van velox, vlug, snel, dat door Plinius gezegd word van snel opschietende boomen (17, 20), onder welke hij ook de salix (wilg) telt. In het Ags. heet de wilg, behalve wîdig, ook welig; maar dit woord is tevens een bijvoeglijk naamwoord, hetzelfde als ons welig, weelderig.

Het lijdt dus wel geen twijfel, of wilg is zooveel als: de

[p. 215]

welig grociende. - Hier echter houdt onze wijsheid op. Het is wel is waar niet onwaarschijnlijk, dat welig van het bijw. wel gevormd is, en dat dit woord met willen samenhangt, doch met zekerheid is zulks nog niet te bewijzen. Wilg zou in dat geval verwant zijn met willen, maar kan in geen geval gehouden worden voor (ge)willig, hoe gepast die naam ook zou wezen; dit verbieden de ohd. en ags. vormen wilih en welig met de enkele l, terwijl alle onmiddellijke afleidsels van willen eene dubbele l hebben. Kiliaan schreef het is waar, ook willighe nevens wilghe; hij deed dit echter blijkbaar ten gevalle zijner afleiding: ‘wilghe = willighe;’ Plantijn kende slechts wilge.

 

L.A.t.W.

Tegen heug en meug.

Wat beteekent die uitdrukking? Kan dit heug ook in verband staan met (ge)heugen?.

 

Bij Kiliaan vindt men op het woord heughe niet alleen de zegswijze: teghen heughe ende meughe drincken (invito stomacho bibere, drinken in weerwil van zijne maag), maar ook: met heughe ende meughe eten (cum voluptate et appetitu edere, met lust en graagte eten). Uit zijne verklaring der laatstvermelde zegswijze blijkt, dat hij heug met voluptas (lust, genoegen), meug met appetitus (trek, appetijt) gelijkstelt; - tegen heug en meug zal dus de ontkenning van het een en ander behelzen, en gelijkstaan met: zonder dat het smaakt, zonder dat men trek heeft.

Van heughe en meughe geeft Kil. ook de meer oorspronkelijke uitspraak hoghe en moghe op, welke door de hedendaagsche uitspraak heug en meug trouwens reeds noodwendig ondersteld wordt. Hoghe en heughe wijzen op een nog ouderen

[p. 216]

vorm hugi, die dan ook in het Ohd., Osaks. en Onrd. wordt aangetroffen, en waarvan ags. hyge op dezelfde wijs gevormd is als ons heuge: y toch is de ags., gelijk eu de nederl. umlaut der u (oe), bewerkt door den invloed der volgende i, welke in hyge, evenals in heuge, in e is overgegaan. Nevens die vormen hugi en hyge heeft het Onrd. een, naar het schijnt, meer gebruikelijken vorm: hug-r goth. hug-s, waarin de r en s niet tot den woordstam behooren, maar teekens van den 1sten nv. zijn. Van dit hug-r stammen deensch hu en zw. hug af. Het is noodig al die vormen in hun samenhang te kennen, indien men het verband tusschen de verschillende schijnbaar uiteenloopende beteekenissen van heug en zijne afstammelingen zelf wil inzien, en men zijne kennis niet tot een bloot gelooven aan de verzekeringen van anderen wil beperken.

Wanneer men de verschillende begrippen die de gansche woordfamilie van heug vertegenwoordigt, onderling vergelijkt, dan blijkt het, dat de grondbeteekenis het best door ziel uitgedrukt wordt, t. w. ziel, niet als het bloote leven of het levendmakend beginsel, maar als datgene, wat in ons denkt, gevoelt en begeert, als de stem die in ons binnenste spreekt.

Ulfila bezigde hugs ter vertaling van gr. νόος, νοῦς. Dit woord nu heeft, gelijk bekend is, twee hoofdbeteekenissen: 1o. die van verstand, gedachten; en 2o. die van gemoed, gezindheid; beide opvattingen loopen niet zelden in een en zijn dan niet wel te scheiden. De eenige maal, dat goth. hugs voorkomt (Ephes. 4, 17), laat het zich dan ook zoowel in verstandelijken als in zedelijken zin opvatten. Dat vers luidt in onze vertaling: ‘Ick segge dan dit, ende betuyge het in den Heere, dat gy niet meer en wandelt gelijck als de andere Heydenen wandelen in de ydelheyt hares gemoets (hugis, 2de nv. van hugs). Gemoed zou hier door overleggingen, overdenkingen kunnen vervangen worden; of liever, het omvat hier alles wat het doen en laten der menschen bepaalt, zoowel hunne overleggingen en berekeningen als hunne lusten en begeerten. De Vulgata vertaalt νοῦς hier door sensus, Luther

[p. 217]

door zin; terwijl lat. sensus en hoogd. sinn, evenzeer als nederl. zin, zoowel op werkingen van het verstand en de rede als op werkingen van het gevoel en het gemoed toegepast worden. In de overige oudere talen treft men het woord in dezelfde onbepaalde of tweeslachtige opvatting aan: meestal kan het op de geschiktste wijze door gemoed, gezindheid, maar niet zelden ook door verstand, doorzicht overgebracht worden. Vooral in de Agsaks. samenstellingen treden de twee beteekenissen beurtelings op den voorgrond: in hygecraeft (sterkte van ziel) heeft hyye de onbepaalde beteekenis; maar in hygefrôd (wijs), hygeleas (onwijs), hygeleast (onachtzaamheid), hygesceaft, hygethanc, (gedachte) ziet hyge op het verstand; in hygegeomor (droefheid), hygesorg (angst), hygeteona (haat) op het gemoed.

In het Deensch is hu zooveel als zin, gedachte en verlangen: komme i hu, is zich herinneren; hans hu staaer til enz. beteekent: zijn zin, zijn verlangen is gericht op enz. Doch dat dobberen en weifelen houdt bij de afstammelingen doorgaans op; deze hebben veelal beslissend partij gekozen, hetzij voor het verstand, hetzij voor het gevoel. Goth. hugjan en gahugjan (denken, meenen, gelooven, achten), afhugjan (het verstand benevelen), faurahugjan (zich voornemen); ohd. hugjan (denken), gahugjan, arhugjan (herinneren), bihugjan (bedenken), hucti, gahugi en gahucti (geheugen) zien op het denkvermogen. Daarentegen hebben goth. ufarhugjan (trotsch zijn) en ohd. farhugjan (verachten), zw. hugswala (troosten) meer betrekking tot het gemoed. Zoo ook ags. hygian, gahygian, wier beteekenis beantwoordt aan lat. studere, streven, met ijver zoeken te doen of te verkrijgen. In onze taal vertoonen zich de beide richtingen: heugen (het heugt mij), heugenis en geheugen hebben betrekking op werkingen van den geest, verheugen en heuglijk betreffen het gemoed; zoodat er niet de minste reden bestaat om Kiliaan te veroordeelen wanneer hij aan heughe, hoghe de uiteenloopende beteekenissen van ‘Mens, sensus, intellectus; et Consolatio; et Spes; et Delectatio, voluptas, laetitia’ (verstand, zin, troost, hoop, vermaak, genoegen, vreugde) toeschrijft.

[p. 218]

De woorden meng, meughe, moghe (bij Kil.) loopen evenwijdig met heug, heughe, hoghe, en onderstellen een ouderen vorm mugi, van mugan (mogen). Een woord mugi vind ik echter bij geen onzer verwanten; moghe zal dus waarschijnlijk betrekkelijk jong zijn. Intusschen is de afstamming van mogen niet twijfelachtig. Dit werkwoord heeft bij ons o.a. ook de beteekenis van welgevallen vinden in iets, inzonderheid die van lusten, gaarne eten. Zoo hoort men dagelijks zeggen: Ik mag dien man, of die vrouw niet (lijden); Ik mag zulk eene ongepaste gemeenzaamheid niet; Die spijs mag ik gaarne enz. Die beteekenis had moghen reeds ten tijde van Kiliaan. Moghen eenighe spijse vertaalt hij door smaak vinden in eenige spijs; mogheliche spijse is bij hem en Plantijn: cibus stomacho gratus; viande savoureuse, bonne à manger; bij den laatsten beteekent mogelick eten: manger avec bon appétit. - Meug komt ook nog voor in de bekende gemeenzame zegswijze: Ieder zijn meug, zei de boer, en hij at vijgen met stroop, of hoe ze anders luiden mag. Weiland vermeldt in zijn Taalk. Woordenboek ook de zegswijze: over zijne meuge zijn, en het woord meugelijk voor smakelijk.

Uit het aangevoerde blijkt, geloof ik, de verwantschap van heug en geheugen overtuigend genoeg. Dat het volk heug en meug nu nog goed verstaat, zou ik niet durven beweren; er zijn meer spreekwoorden, waarvan men alleen de strekking van het geheel goed opvat zonder juist ieder woord te begrijpen. Wil men volstrekt een onderscheid tusschen heug en meug stellen, waartoe de bijeenvoeging der beide woorden misschien recht geeft, dan zou ik heug als de meer verstandelijke en beredeneerde lust, meug als de meer zinnelijke opvatten; tegen heug en meug zou dan zijn: tegen onze betere overtuiging en lust aan.

 

L.A.t.W.

[p. 219]

De uitspraak der a.

Hoe komt het dat de volkomen a in hetzelfde dialect in sommige woorden als ae, in andere als ao wordt uitgesproken? B. v. te Sliedrecht: Waer gao jullie nae toe? Hoe komt het, dat in sommige plattelandsgemeenten het bedoelde onderscheid gemaakt wordt en soms in eene onmiddellijk daaraan grenzende niet?

 

De a is een klinker die zelden geheel zuiver wordt uitgesproken, maar veelal òf naar de e òf naar de o trekt. Waar men ze verschillend uitspreekt is het onderscheid toe te schrijven aan verschil in oorsprong. Is de a eene ineensmelting van twee vocalen, dan luidt zij in de dialecten meestal als ao, en is in het Hd. soms geheel in o overgegaan, b.v. in maan-mond, adem-odem. Intusschen loopt ook bij deze letter, evenzeer als bij de e en o, de boel soms erg in de war. Zoo veroorzaakt eene volgende r dikwijls ten onrechte de uitspraak oa, en oefenen nagenoeg gelijkluidende woorden, als maat (om te meten), dat de lange â (ao) heeft, en maat (kameraad) met de korte a (ae), invloed op elkander. Dat men in onmiddellijk aaneengrenzende plaatsen verschillend uitspreekt, kan wel moeielijk eene andere oorzaak hebben dan verschil in den oorsprong der bevolkingen; de geschiedenis van elke plaats kan hier alleen het antwoord geven. Het ware niet slechts voor de taalkunde, maar ook voor de geschiedenis van groot belang, indien men nauwkeurige lijsten van dergelijke verschillen in de uitspraak als het hier bedoelde opmaakte. Eerst nadat dit geschied is, kunnen zulke quaesties eenigzins grondig behandeld worden.

 

L.A.t.W.

[p. 220]

Velen.

Is velen (dulden) hetzelfde als velen in bevelen?

 

Ook deze vraag kan vooralsnog slechts gissend worden beantwoord. Zeker is het echter, dat velen in bevelen, aanbevelen, een werkwoord is, dat goth., ohd. en ags filhan, osaks. felhan, onrd. fela1) luidde, en welks grondbeteekenis bedekken, verbergen is, waarom het ook voor begraven gebezigd wordt. Iemand iets bevelen, en vooral iets aanbevelen, is zooveel als het hem overgeven, opdat hij het uitvoere, er zorg voor drage. Wanneer men nu bedenkt, dat iets velen of dulden daarin bestaat, dat men het zich laat welgevallen, het aanneemt en niet van zich stoot, dan is het niet onwaarschijnlijk, dat velen het genoemde filhan is, opgevat als aannemen, verkroppen of verbergen, zonder iets van het onaangename dat men gevoelt, te laten blijken. Een streng, afdoend bewijs. echter kan ik niet leveren.

 

L.A.t.W.