KUIPEN.

De Hoogleeraar M. de Vries besprak in het eerste deel van dit tijdschrift de overdragtelijke beteekenis van het woord kuipen, waarvan hij de uitvinding aan den dichter

[p. 59]

Starter in zijnen Frieschen lusthof toekent, en merkte op dat het later door Aitzema, als reeds in de taal opgenomen, werd gebezigd. Onlangs vonden wij dit woord, schoon in eene gewijzigde beteekenis, gebruikt door A. van de Venne in zijn zeldzaam en zonderling boekje: Sinnevonck op den Hollandschen turf, in 1034 te 's Gravenhage uitgegeven. Op bl. 45 leest men van een straatrumoer door een kuiper gestild, het volgende

      Duijgen buijgen:
      Mits kwam daer een Kuijper schooijen,
      Met geroep: Wat 's hier te gooijen?
      ‘Dat is seker niet gemalt,
      Als een Mensch in duijgen valt!
      Dat waerij-mmers (ware immers) schijn van schande,
      Dat men sticken in een mande
      Sou vergaeren. Hola! beijdt;
      Beter is het, dat men scheijdt.
      Kuijpen kan:
      ‘Kuijpers konnen t' samen lassen,
      Slimme stucken aardigh passen.’
      Kuijpen mach:
      ‘Kuijpers konnen wonder doen,
      Meerder als men kan bevroen.’
 Wie rechte Reden buijgt en bindt, die wert voor een
      verstandigh Kuijper geacht:
      Hoort een reijs met sinnen kuijpen,
      Stutje tóóren. Gaet eens suijpen
      Ginsen over in de Swaen;
      Laet jou haspel-morre staen
      Kuijpen hecht:
      ‘Kuijpen is een heussche knoeijing,
      In beschicking en bemoeijingh,
      Kuijpen is het fraeijste werck,
      Nae dat ick en ijder merck.’
      Door gefleem en Kuijpers vleijen,
      Is al 't onbescheijdt gescheijen.

 

Hoorn, 1867.

Mr. J. Pan.