auteur:


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Negende jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1867.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

SPROKKELINGEN.

I. Onmiddellijk.

‘De spelling midde-lijk is gegrond op de onjuiste onderstelling, dat het grondwoord mid of midden zou wezen. Het tegendeel blijkt overtuigend uit de spreekwijze zonder middel, die eertijds in gebruik was, waar wij thans onmiddellijk bezigen (zie Janssen en Van Dale, Bijdragen Dl. VI, blz. 180, art. 23).’ Zóó leest men in De Grondbeginselen der Nederlandscke spelling. Regeling der spelling voor het Woordenboek der Ned. taal. Vanwege de Red. bewerkt door Dr. L.A. te Winkel, bladz. 82 en 83. Wij willen hier, ten gerieve van hen, die bovengenoemde Bijdragen tot de Oudheidkunde en Geschiedenis, inzonderheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, niet bezitten, het bedoelde 23ste artikel van de Keuren der Sluische vischkoopers (in de 15de eeuw) mededeelen. 't Luidt als volgt:

‘Item, zo ne es gheoorlooft niemene [niemand] van nu voortan te vercoopene binnen der stede eenighe musselen [mossels], tenzij dat hi die ghebrocht heeft vander zee, of dat hi die ghecocht heeft zonder middele [d.i. onmiddellijk]

[p. 279]

jeghen den ghuenen, diese vander zee ghebrocht heeft, zonder vercutsen, ende dat bi maten ende anders niet; te wetene, bi ghehijcten helckene of half helckene upgehoopt.’

Wij twijfelen niet, of den lezers van den Taalgids zal de beteekenis van dit artikel duidelijk zijn, wanneer we hier nog doen opmerken, dat nu nog in Zeeuwsch-Vlaanderen, zoowel als in Oost- en West-Vlaanderen, het werkwoord kutsen en 't zelfstandig naamw. kutser dagelijks gehoord worden: kutsen in de beteekenis van opkoopen, met de bedoeling om het opgekochte weder in het klein te verkoopen; kutser in de bet. van iemand, die met het kutsen den kost wint. Zoo heeft men dan boterkutsers, eierkutsers, konijnenkutsers enz. Eene helkene was eene maat, waarbij de mossels verkocht werden.

De voorbeelden van 't gebruik van zonder middele zijn, bedriegen we ons niet, niet zeer talrijk. Daarom willen we er hier eenige mededeelen, welke klaar bewijzen, dat de uitdrukking ontwijfelbaar de beteekenis heeft van onmiddellijk. Ze zijn ontleend aan een merkwaardig boekske, getiteld Tractaet vanden Leenrechten nae de Hoven van Vlaenderen, metgaders de diensten daertoe staende: Vergadert [in 1491] bij Meester Philips Wielant, President in de camer vanden Raede in Vlaenderen, in 1557 te Antwerpen gedrukt. Onder het opschrift Divisie van Leene lezen we (bladz. 16 tot 18) het volgende:

Alle leenen zijn gheestelijc oft weerlijc [wereldlijk]. Gheestelijcke leenen zijn de ghene, die men hout vander kercke, of uutghegheven zijn bij gheestelijcke persoonen, digniteyt hebbende ende auctoriteyt Leen uut te moghen gheven. Weerlijcke leenen zijn de ghene, die bij de weerlijcke heeren of vassalen uutghegheven zijn. Vanden weerlijcken leenen eenighe zijn edele ende princelijck, andere edele ende niet princelijck, andere min edele, andere middelbaer edele oft eenichsins edele, ende andere vilaine ende onedele. Tprincelijck edele leen, twelcke si heeten feudum regale, is 'tgheen datmen sonder middele ontfaet [ontvangt] vanden Keijsere

[p. 280]

of vanden Coninc in zijn rijcke, met eenigher grooter digniteyt daermede ghevoecht. Ghelijck als zijn de Graefschepen van Vlaenderen ende van Aelst. Edele ende niet Princelijck leen, twelcke si heeten feudum nobile, is in twee manieren: want het is tghene, dat sonder middele ghehouden is van den Keijsere of van den Coninc sonder groote digniteijt: ofte het is tgene dat compt vanden Grave met eenighe groote officie of banieren, ghelijck als te sine Burchgrave, erfachtich Camerlinck, erfachtig Maerschalc, Berbier van Vlaenderen, ofte dierghelijcke: ende dese zijn gheheeten in Leenrechte Capitainen, Baroenen oft groote Vassalen. Min edel Leen, twelcke de Clerken heeten feudum minus nobile, is ooc in twee manieren: want het is tghene, datmen ontfaet sonder middele van den Grave met minderen officien, ghelijc als te zijne schiltknape, schinker, bottelgier, ontfangere van den spijkere, Castelains van Casteelen ende dierghelijcke: of tis tghene, dat men ontfaet sonder middele vande voorseijde groote vassalen. Leen middelbaer oft eenichsins edele, twelcke si heeten mediocriter seu aliquantum nobile, is tghene dat men ontfaet vande voorschreven cleene vassalen’ enz.

Sonder middele, dit zal nu uit de bovenstaande leenverdeeling wel duidelijk zijn, heeft de beteekenis van ons tegenwoordig onmiddellijk. Men zou zich echter zeer bedriegen, zoo men het middele van sonder middele voor iets anders aanzag dan voor midden. De Hoogleeraar Brill heeft in zijne Nederlandsche Spraakleer, sprekende over de verwisseling van n met l, te recht gezegd (§ 19, 4o.): ‘middel en midden is eigenlijk één.’ We kunnen ons ter bevestiging hiervan beroepen op het Zeeuwsch-Vlaamsch. Daarin zegt men b.v. Hij ging te middelen voor Hij ging te midden; Zij stond in de middel voor Zij stond in het midden of, wat men ook niet zelden hoort: Zij stond in de midden. Maar wat meer zegt, Philips Wielant zelf schrijft, in zijn bovenvermeld Tractaet, in de middele voor in het midden. ‘Ende segghen eenighe’, zoo leest men bij hem: ‘als men dese camere [de

[p. 281]

wetachtige Kamer van Vlaanderen] voortijts plach te houden in de presentie van den Grave, so was in de middele vanden parckette gemaect een bedde van parckemente ende daerop een naect sweert in teeken van souveraniteyt’ enz.

II. Anbortich.

Het bovenstaande bijv. naamw. is, geloof ik, onbekend. Het behoort blijkbaar tot het door den Hoogleeraar de Vries in zijn onmisbaar Middeln. Woordenb. behandelde aenboorte, aenborte, anborte, waarheen we den belangstellenden lezer verwijzen moeten. Wij vonden het woord in een bijvoegsel uit de eerste helft der 16e eeuw tot het bovenvermelde Tractaet.

Aldus luidt dit: ‘Ghevraecht of yemant geconquesteerde Leenen vercochte, wechgave, of transporteerde in een ander handt, oft de penningen oft weerde van dien ghedeelt soude zijn oft niet?

Tadvijs is, Dat Ja, behoudens de costumen van den hove ende heerlicheden, daer af men sulcke Leenen houdende is, ende dat si sulc waren, dat men coopstat behoorde ende schuldich ware in te bringen, ende ooc dat de ghene, die partie ende deel souden willen hebben inde coopstat, hem habele gemaect ende gefondeert hadden als hoyr, naar advenaat dat hem anbortich [aanboortig: aangeboren] ware, ende in deselve penningen souden willen oft mainteneren gerecht zijnde.’

III. Quekenoot.

Cokenaet - Kokenoot - Kuekenoot.

Onder de Middelnederlandsche woorden welke de voornaamste Nederlandsche taalkundigen meermalen hunne aandacht hebben waardig gekeurd, verdient quekenoot, queckenoot,

[p. 282]

eene eerste plaats. Ook in dit Tijdschrift kwam het woord herhaaldelijk ter sprake. De laatste die er in den Taalgids met de hem eigene grondigheid over handelde, was, bedriegen we ons niet, de Hoogleeraar de Vries (III 193-203), die de beteekenis van quekenoot = vee vaststelde, nadat reeds Dr. H. Kern (II, 309-311) de ware afleiding er van gegeven had: quecke = levend en noot = vee, bepaaldelijk hoornvee, rundvee, jukvee; en we zijn 't volkomen met dezen Hoogleeraar eens, wanneer hij zegt: ‘We mogen veilig aannemen, dat ook het Mnl. queckenoot deze meer beperkte beteekenis zal gehad hebben.’ Dit bleek ons bij vernieuwing uit de twee volgende plaatsen, ontleend aan de Keuren der Vleeschhouwers, voorkomende in een handschrift uit de 14e eeuw: plaatsen, ook daarom opmerkelijk, wijl we er 't woord quekenoot onder een anderen vorm in leeren kennen.

Aldus luiden ze:

So wat vleeschouwer die cokenaet slaet tusschen paesschen ende sinxen [Pinksteren], het ne zi bi den waerdeerres1), hi verliest xx sch. ende dat vleesch, ende hi sal viij daghe wesen daer scepenen willen, ende hi ne sal binnen xl daghe vleesch vercopen.

 

So wat vleeschouwer die set kokenoot int vleeschhuus, of slaet, dat es verloren, wordt begrepen.

 

Opmerking verdient ook de volgende keure van algemeenen aard, wijl we er de beesten weder in één adem met het kuekenoot in genoemd vinden. We denken daarom weder bij het eerste onwillekeurig aan paarden, schapen, zwijnen enz., en bij het laatste aan rundvee.

So wie die laet lopen zijn kuekenoot of zine beesten,

[p. 283]

zijns dancs ende zijns willen, in mans vruchten, jof an mans hoevere, jof in mans garse, het ne ware bi tsmans wille, hi verbuert v sch., wort hies betughet, ende bi nachte x sch., wort hi begrepen.

IV. Drukfouten?

Dr. G.D.J. Schotel, aan wien onze vaderlandsche letterkunde reeds zooveel verplichting heeft, heeft andermaal den beoefenaars daarvan een dienst bewezen door het bezorgen eener nieuwe uitgave van P. Godewycks Wittebroodskinderen of bedorve jongelingen1). De onvermoeide geleerde heeft er eene korte biographie van den auteur bijgevoegd en een register van min bekende woorden. Jammer, dubbel jammer is het, dat door Dr. Schotel aan dit laatste niet meer moeite is besteed geworden; dat hij den weg niet heeft gevolgd, door Dr. Eelco Verwijs, in zijne uitgave van Nederlandsche Klassieken, gewezen aan allen, die op waarlijk vruchtbare wijze ook voor de aanvankelijke beoefenaars der vaderlandsche letterkunde, ook voor hoofd- en hulponderwijzers werkzaam wenschen te zijn. Maar al te vaak toch zullen dezen, wij zijn er zeker van, bij de lezing van het wezenlijk lezenswaardige boekske van Godewyck te vergeefs tot het woordregister hunne toevlucht nemen, om het werkje, naar wij vreezen, mismoedig ter zijde te leggen. Mochten toch allen, die, door waarachtige belangstelling in de vaderlandsche letterkunde gedrongen, lust gevoelen om hare voortbrengselen uit een vroeger tijdperk voor het tegenwoordige geslacht verstaanbaar te maken, bedenken, dat zij niet voor geleerden alleen schrijven, maar voor een groot getal jongelingen, die hoofdzakelijk uit aanteekeningen en uit toelichtingen van den tekst, hunne kennis moeten putten van het Middelnederlandsch en van de taal van Vondel, Hooft, en zoovele anderen. Laten de bewerkers

[p. 284]

dan niet te karig zijn met hunne aanteekeningen en ophelderingen! Men verwijze den hulponderwijzer niet, gelijk zoo vaak geschiedt, naar boeken, die hij niet raadplegen kan, wijl hij óf zelf die niet bezit, óf niet in de gelegenheid is die ter leen te bekomen. Vooral verwijze men hem niet naar werken, die uitverkocht zijn, zooals Hoofts Warenar b.v., uitgave van den Hoogleeraar de Vries, welk boek hij met geene mogelijkheid meester kan worden. Men geve dan liever te veel, dan te weinig ophelderingen: de dank der onderwijzers zal er het loon voor zijn, de arbeid der uitgevers zal er te vruchtbaarder om wezen

Wij gelooven den hulponderwijzer, die Godewycks Wittebroodskinderen mocht bestudeeren, geen ondienst te doen, met hem opmerkzaam te maken op een paar zinstorende drukfouten, welke, zoo we ons niet vergissen, daarin worden aangetroffen.

 

Op bladz. 77 beschrijft de Latijnsche Rector, Dominus Vaarvoort, de gevolgen der ledigheid. Hij zegt daar o.a.:

 

Een ledigh mensch die is des duyvels rechte struyck,

Want hij niet anders doet als dat hij vuld den buyck.

Een ledigh mensch die is der duyvelen oyrkussen,

Een leupaert moet m 't vyer dat niet en is te blussen.

In den laatsten regel moet men ongetwijfeld voor leupaert leuyaert, d.i. luiaard, lezen.

 

Op bl. 76 spreekt de Rector over het bevoorrechten van het eene kind boven het andere. Daar leest men:

 

Een ongelijck onthael dat maeckt de oogen scheel,

'Tmaeckt onder 't naeste bloot een bijster groot krackeel;

Soodat men hier in moet gelijckheid stadigh bouwen,

Van d' een niet meer als van de andere kind'ren houwen.

Moet men in den tweeden regel voor bloot niet lezen bloet? Het naaste bloed zal hier wel beteekenen de zulken, die elkander het naast in den bloede bestaan: kinderen van dezelfde ouders.

[p. 285]

Bladz. 78 regel 3 en 4 van boven staat:

Indien men wrijft of sloot aen 't vuyle swarte peck,

Men werter af besmeurt, men krijghter of een vleck.

Moet sloot niet zijn stoot; en of, niet af?

Bladz. 43 zegt een der twee wittebroodskinderen tot een paar deugnieten, die hij ontmoet heeft:

 

Wy zyn van meyningh me te gaen al waer men tapt,

En daer men met de kan, als 't uyt is, lustigh klapt.

Wij zijn van herten blijd', geen weersien kan ons quellen,

Omdat wij hier ter stee u vonden, goe gesellen.

Zal men voor weersien niet moeten lezen weersin?

 

Bladz 51 zegt de waard tot de wittebroodskinderen, die hun maal niet betalen kunnen:

Wel meynt ghy hier ons niet te eten en te brassen?

Ons zal wel om moeten zijn.

 

Bl. 52 zegt een der wittebroodsk. tot zijn makker, die, radeloos, omdat hij zijn geld en zijn kleeren kwijt is, zich verhangen wil:

Wy moeten daerom niet den moet soo laten glijen,

Bedenckt een ander vout, set droefheyt nu ter zijen.

Moet dit vout geen vont zijn?

 

Bladz. 58 zegt de huisman, wien de wittebroodskinderen zijn stuk linnen hebben ontstolen:

Wanneer mijn lieve Griet do tijdingh sal verstaen,

Hoe sal sy haer, ach! arm, ontsetten en verslaen!

Indien de punctuatie van den laatsten regel behouden blijft, geeft ze bepaald aanleiding tot eene verkeerde opvatting. Men schrappe het uitroepteeken achter ach en vervange de komma achter arm door een uitroepteeken. Het tusschenwerpsel is ach-arm! 't Is hier immers het oude Ochermen = Helaas?

[p. 286]

Bladz. 59, regel 8 v.o. zegt Jan Rap:

Wat het dien huysman nu, die daer soo staet en huylt?

Moet het niet zijn: let, d.i.: wat deert hem nu?

Dit wordt te waarschijnlijker, omdat hij een oogenblik daarna tot hem zegt:

Seght, huysman, wat u let, wat is er dat u schort?

 

Eindelijk, om van eenige kleinere drukfouten niet te spreken, die elk in het oog zullen vallen, moet men

bladz. 55, regel 2 v.b.

bladz. 59, regel 6 v.o.

bladz. 67, regel 6 v.o.

bladz. 71, regel 4 v.o. voor met niet overal lezen niet?

V. Ten Ondomme.

De uitdrukking ten ondomme, welke men in Zeeuwsch-Vlaanderen niet alleen, maar ook in de Zuidnederlandsche Vlaanderens hoort, beteekent: ten onnutte, onnoodig. Kan ondomme hier staan voor ondoene? Of, liever wellicht, kan ondomme niet samengesteld zijn uit on en een zelfstandig, van doen afgeleid dom? We laten de beslissing daarvan gaarne aan meer bevoegden over. Toch meenen we, ter vergelijking, hier de Middelnederlandsche zegswijze ten andoene in herinnering te moeten brengen, welke (zie De Vries, Middeln. Woord., I, 61, en wijlen Prof. Davids Gloss. op Maerlants Rijmbijbel) zooveel beteekent als: Naar dat het noodig is, naar gelang der behoefte: Ten ondomme is dus nagenoeg het tegengestelde van ten andoene. Wie iets ten ondomme gebruikt, gebruikt er meer van dan noodig is, meer dan er behoefd wordt.

 

Sluis, 7 April '68.

J.H.v.D.