De Taalgids. Jaargang 9


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Negende jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1867.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 115]

Uitlegging van Vondel.

Proeve van Aanteekeningen op de Treurspelen van Vondel, meest naar aanleiding der uitgave van ‘Vondels Werken, in verband gebracht met zijn leven, door Mr. J. van Lennep,’ door Mr. S.J.E. Rau. Te Leiden bij J.K. Steenhoff. 1867.

 

Wij hebben dit boekske met bijzonder veel genoegen gelezen, en bevelen het ieder, die Vondel's treurspelen bestudeert, ten sterkste aan. Bijna uit iedere bladzijde blijkt, dat de schrijver een man is, doorkneed in de klassische letterkunde, gevoelig voor dichterlijk schoon en met eene ruime mate van scherpzinnigheid bedeeld. Wilden we dit met voorbeelden staven, we zouden het grootste gedeelte van het verdienstelijke werkje moeten uitschrijven. Wie in de poëzij van onzen hoofddichter belang stelt, koope het voor den geringen prijs, waarvoor het verkrijgbaar is. Vraagt men ons nu, of we niets aangetroffen hebben, waarop eenige aanmerking te maken viel, wel te verstaan met betrekking tot onze taal, waaraan hoofdzakelijk dit Tijdschrift zich toewijdt; zoo antwoorden wij rondborstig, dat ons wel op enkele plaatsen in dit opzigt het een en ander is voorgekomen, hetwelk we in het belang der wetenschap gaarne aan het oordeel der bevoegden onderwerpen; maar, dat, indien zelfs wij juist gezien hebben, de ontdekte feilen, waarvan toch

[p. 116]

nooit eenig menschelijk werk geheel vrij is, ruimschoots opgewogen worden door het zeer vele goede en wel begrepene, dat er den grootsten inhoud van uitmaakt.

Zie hier, wat bij de lezing door ons is aangeteekend; en, daar niemand afkeeriger kan zijn dan wij van die laatdunkendheid, die uit de hoogte spreekt en deugdelijk bewijs schuldig blijft, zoo hebben we ons best gedaan om niets te zeggen zonder de redenen er bij te voegen, die het, naar onze bescheiden meening, voldoende staven.

Pascha, vs. 2.

 
Golft hier om dit gheberght mijn wit-ghewolde zee.

Mr. Rau (bl. 3) meent dat Vondel wel zou kunnen geschreven hebben ‘wit-ghewoelde,’ zoo als in de oude uitgave staat, maar door Mr. van Lennep voor een drukfout is aangezien. We achten, dat de heer v. L. volkomen gelijk heeft. ‘Eene zee, die wit gewoeld wordt,’ is eene ongehoorde uitdrukking. Nergens bij Vondel komt er iets voor, dat zelfs er maar na zweemt: daarentegen is witgewold taalkundig goed en ook elders door Vondel gebezigd. Zie Helden Godes (uitg. v. 1620), bl. 7, v. 4, en Warande der dieren, XXIII, v. 1 en LXIII, v. 2.

Pascha, vs. 739 en volg.

Indien men voor ‘bespreet’ leest ‘bespreên,’ dan verdwijnt hier alle moeijelijkheid. Immers even goed als bekleeden, beneden, enz. tot bekleên, beneên enz., laat zich bespreeden tot bespreên zamentrekken. Waarom zou men dan veronderstellen, dat, liever dan dit gebruik te volgen, Vondel zou verkozen hebben achter een substantief in het meerv. het verbum in het enkelv. te stellen? De redenen, die den heer Rau noopten op bl. 115 in vs. 491 van den Noah, in de plaats van dompele, te lezen domplen, bevalen hem hier ‘bespreên’ aan.

Pascha, vs. 1286.

 
En voor dien scepter eel van dynen gheytschen ram
 
De kromme hoornen grijpt -

Hetgeen de heer van Lennep omtrent dezen gheytschen

[p. 117]

ram zegt, blijkt den heer Rau (o.i. te regt) niet bevredigd te hebben. Dr. van Vloten heeft de uitdrukking, gelijk meermalen moeijelijke woorden, onaangeroerd gelaten.

Ter wegruiming van alle zwarigheid meent de tweede genoemde geleerde te moeten aannemen, dat ‘gheylschen ram’ de ware lezing zoude zijn, ‘Vondel (zegt hij bl. 8) heeft, zonder twijfel, niet ‘gheytschen ram’ geschreven, dat onjuist en belagchelijk is, niet min dan of men van een ‘schaapschen bok’ sprak.’ Ondertusschen verdient het opmerking, dat Mr. Rau ons niet toont, dat Vondel, of eenig ander schrijver ooit gheylsch gebruikt heeft, in de plaats van geil, hetwelk, volgens den uitlegger, dezelfde beteekenis zou moeten hebben; terwijl het buitendien in het oog loopt, dat, indien de dichter geilen ram bedoelde, niets hem belette om dit gebruikelijke woord te bezigen. We zijn daarom van gedachte, dat de veronderstelling van den heer Rau, als niet gestaafd, onaannemelijk mag genoemd worden. Mogen we ons gevoelen zeggen, zoo houden wij het er voor, dat ‘gheytsche ram’ best te verdedigen is. Twee zaken moet men dan voor alles in acht nemen: 1o. dat ram, thans gewoonlijk van het mannetje van het schaap gezegd, (even als bok) in een meer algemeenen zin genomen wordt voor het mannetje van klein vee: gelijk men zien kan in Bilderdijk's Verklarende Geslachtslijst op het woord Ram. Van daar dan ook, dat (let wel!) men, b.v. bij Kiliaan leest: schaeps-bock. Aries. 2o. Vergete men niet, dat he woord geit, wel in zijne bijzondere beteekenis het vrouwelijke dier aanwijst, even als kat; maar dat in het algemeen, gelijk men onder katten ook de katers begrijpt, zoo mede door geiten vaak de geheele soort verstaan wordt. De woorden geiten-kudde, geiten-herder toonen dit genoegzaam aan. Vandaar ook geiten-bok (meermalen voorkomende in den Statenbijbel) voor het mannetje in het geslacht der geiten.

Bij het woord geit nu een oogenblik stil staande, moeten we herinneren, dat in onze oude taal (vooral in die van de XVIde en den aanvang van de XVIIde eeuw) de adjectievale

[p. 118]

uitgang sch veel meer gebruikt werd, dan thans, en dikwijls in den zin van ‘behoorende tot -, betreffende, aangaande,’ en. Zoo vindt men in de schriften van Spieghel, Heemskerck, Van Mander, Marnix, De Castelein, Coornhert, Cats en anderen wijfsch, vrouwsch, mansch, bedelaersch, cocodrilsch, struysch, zwijnsch, peerdsch, enz. en gebruikt men nog ten huidigen dage kalkoensch.

Op dezelfde wijze nu is geitsch van geit gevormd, om uit te drukken ‘wat tot de geitensoort behoort;’ en gheytsche ram beduidt ‘de ram of het mannetje van de geiten,’ even als door ‘kalkoenschen haan’ het mannetje van het kalkoenengeslacht wordt aangewezen.

Hierusalem verwoest, vs. 237 en Volg.

 
Recht als de leeuw (wanneer de jagers op haer luym
 
Opdondren als hij is omcingeld op het ruym)
 
Zich vindende benaeuwt, versmaed der winden snorcken,
 
Werpt voncken uyt 't gezicht, ziet knodsen aen, noch vorcken,
 
Laet d' achterkiezen zien, bruld met beschuymde muyl,
 
En stuyft door 't lompe tuygh met eysselijck gehuyl,
 
Zoo redt zich Titus oock, -

Dat de heer Rau (bl. 12) geen vrede heeft met de uitlegging van Mr. van Lennep, die hier aan tuygh de beteekenis wil hechten van ‘'t gemeen, 't botte grauw,’ enz. verwondert ons niet, daar toch Vondel op niet eene eenige andere plaats het woord in dien zin gebezigd heeft, en het ook niet blijkt, dat dit ooit door zijn tijdgenooten geschied is. Maar valt daarom de verandering van tuygh in ruygh, welke de heer Rau voorstaat, goed te keuren? We meenen van neen. Bij ons staat vast, dat, zoo lang de tekst van een oud dichter behouden kan blijven, men dien niet door een anderen moet trachten te vervangen. Zulks voegt o.i. hier te minder, daar Vondel wel op eenige plaatsen het adjektief ruygh in den zin van lomp, onbeschaafd, enz. (zoo als Mr. Rau te regt opmerkt) aangewend heeft; maar we het nergens bij onzen hoofddichter, als substantief, in de beteekenis van ‘het gemeen, het graauw’ gebezigd vinden.

[p. 119]

De aangehaalde plaats uit Joannes de Boetgezant (II, vs. 496) weêrspreekt dit niet. Het ruygh besnoeyen is eigenlijk het in het wild groeijende gestruikte (elders bij Vondel ruygt genoemd) besnoeijen. Het wordt wel is waar daar figuurlijk gebezigd voor den ‘in het wilde, of in de onwetendheid opgroeijenden mensch;’ doch zulks komt niet te pas bij de hier behandelde plaats uit het Hierusalem verwoest.

Door tuygh wordt buiten twijfel dáár hetzelfde verstaan, wat Vondel er op andere plaatsen door aanduidt, t. w. wapentuig.

Zoo zegt hij van Hercules bij Omphale (zie Gulden Winckel Ao. 1622), bl. 26, b, vs. 9:

 
Ghy slacht Alcmenae zoon, die -
 
. . . . . . . .
 
Wisselt al zijn tuygh, (ô zotte minnegrillen!)
 
Voor eenen spinrock, -

Zie mede de Maeghdebrieven (Ao. 1642), bl. 55, v. 1.

 
Treck aen mijn kryghsmans tuygh, -

Naar den indruk, dien Vondel's hier behandelde versregel op ons gemaakt heeft, is de fiere leeuw verontwaardigd, dat hij met knodsen en hooivorken bestreden wordt, en stuift hij door dit lompe tuig, d.i. dit plompe, zijns niet waardige wapentuig, met schrikwekkend gebrul. Zelfs hetgeen Mr. Rau bl. 12 onderaan en bl. 13 kort en krachtig zegt, bevestigt ons in onze opvatting.

Hierusalem verwoest, vs. 740 en volg.

 
De dochter Sion zegt daar:
 
Wat wort my bange. ick zwijm. ick sterf. het herte ontzijght.
 
Staetdochters reickt me....

De heer van Vloten heeft dit reickt onveranderd gelaten, maar er geene uitlegging van beproefd. Mr. van Lennep vult den zin aan met de woorden ‘uw hulp.’ Mr. Rau (bl. 13) meent, dat Vondel geschreven heeft: ‘Recht me,’ en om dit te staven beroept hij zich op v. 1281 en volg. van de Gebroeders. Daar ter plaatse leest men overend rechten:

 
Koomt, recht dit oude wijf -
 
Een luttel overend. -
[p. 120]

Al die moeite is o.i. niet noodig, als men in het oog houdt, dat in onze oude taal de ei en ee zeer dikwijls met elkaâr verwisseld worden, en dat reecken oudtijds in den zin van Reparare, reficere, gebruikt werd. Zie Kil. op Reecke, Reecken, en Reke, Reken.

‘Reickt me’ zou dan zooveel beteekenen, als ‘brengt me bij, helpt me bij, doet mij bekomen!’

Hierusalem verwoest, vs. 831 en volg.

 
Ach mijn schaep! ghy bleeft vergeten
 
En mijn asschen onverzaed:
 
Oock mijn troost! een wreed soldaet
 
Mocht u aen zyn lanci speten.

De heer Rau (bl. 14) zou ‘Och’ boven ‘Oock’ verkiezen, en indien ‘Oock’ bleef staan een comma daarachter wenschen. Naar het ons voorkomt, wint de zin niet in kracht door het voorgeslagen ‘Och,’ en wat de comma aanbelangt, zoo zijn we thans wel gewoon om den vocativus tusschen twee leesteekens te plaatsen; maar Vondel deed het niet, althans dikwijls niet. Zie b.v. in hetzelfde treurspel vs. 23, 471, 495, 655, 726, 1017, 1087, 1107, 1229, 1385, en vele andere plaatsen. Wat eindelijk het voorstel van den heer Rau betreft om achter ‘troost’ een uitroepingsteeken te zetten; zoo moeten we opmerken, dat in den 1sten druk van dit stuk: Te Amsteldam, bij Dirck Pietersz. Ao. 1620, welke voor ons ligt, ‘troost’ van een uitroepingsteeken gevolgd wordt. De dubbelde punt in Van Lennep's uitgave houden we voor een drukfout.

Hierusalem verwoest, vs. 1628 volgg.

 
Wy Priesterlijcke Reijen
 
. . . . . . . . .
 
Niet hebben acht geslagen
 
En d' onverwachte plagen,

En 't voorspoock dat ons daeglijcx met verwoesting dreyghde.

Dat de voorgeslagen lezing van Mr. v. Lennep, veelmin de taalverminkende tekstverandering van Dr. v. Vloten, hier niet past, loopt in het oog. Te regt heeft dan ook de heer

[p. 121]

Rau (bl. 15) als uitgemaakt aangenomen, dat het w.w. achtslaan te dezer plaatse transitief gebruikt is, gelijk trouwens reeds in ‘de Taalgids’ van 1864, D. V. bl. 225 was uiteen gezet, en vervolgens ook aangenomen in de 4e Aflev. van het Woordenb. der N. Taal, bl. 618, kol. 2, r. 39. - Jammer is het ondertusschen, dat Mr. Rau (naar 't schijnt) niet geweten heeft, wat later nog daarover in ‘de Taalgids’ D. VIII, bl. 193 en volg. is geschreven, waardoor zijne Aanteekening die volledigheid mist, welke zij anders zoude hebben kunnen bezitten. Hij zou, namelijk, dáár gevonden hebben, dat niet, één enkele maal, Spieghel- alleen, maar ook Coornhert en Cats achtslaan als een verbum activum gebezigd hebben, en dat insgelijks achtnemen transitief bij oude schrijvers aangetroffen wordt.

Hierusalem verwoest, vs. 1457.

 
O wee! o wy! o wach! -

Terwijl wij de opmerkingen van den heer Rau betrekkelijk de tusschenwerpsels in het Grieksche treurspel (zie bl. 18 en 19) op prijs stellen, deelen wij niet in zijn gevoelen, wanneer hij met den heer van Lennep instemt, als deze aan den bovenstaanden uitroep den naam van ‘misselijke tusschenwerpsels’ geeft. Indien ze ten huidigen dage geschreven waren, zouden we dit niet willen betwisten, en den heer Rau gaarne zeggen laten (gelijk hij doet), dat ze vrij belagchelijk klinken en buitensporig zijn. Maar al het belagchelijke, buitensporige en misselijke houdt op, wanneer men zich herinnert, dat Vondel deze woorden voor derd'halve eeuw schreef, en dat ze toen en vroeger in volle gebruik waren. Hetgeen de heeren Rau en van Lennep er zoo onaangenaam in aandoet, komt alleen uit ongewoonte van ze thans te hooren, maar mag geen verwijt aan Vondel zijn.

Ter staving van hetgeen we zeggen, beroepen we ons op de navolgende schrijvers: Van Ghistele, Aeneas (uitg. van 1609), fol. 95, verso, reg, 8 v.o.; De Castelein, Const van Rhetoriken (uitg. v. 1555), bl. 173, v. 9, v.o. en bl. 239, v. 7; Het Antwerpsch Liedekensboeck van 1544, bl. 3,

[p. 122]

v. 12; en wil men nog meer voorbeelden, men sla Huydecoper's Proeve open, D. II. bl. 407: men zal ze daar vinden.

Ten slotte voegen we hierbij, dat Vondel in de hier behandelde uitroepen zoo weinig misselijks, belagchelijks en buitensporigs vond, dat hij niet geaarzeld heeft ze later ook te gebruiken in zijn Zunghin, v. 1410; in de Elektra, v. 1216; en in de Herschepping van Ovidius, B. VIII. v. 737.

Hecuba, vs. 1378.

 
Wy, Hecuba, syn eer, wy wy sijn te betreuren:
 
Wie flucx de seylbre vloot sal van malkandre scheuren.

De heer Rau (bl. 22) meent, dat men hier seylbre vloet zou behooren te lezen, zoo als in eene uitgave der Hecuba van veel later dagteekening gedrukt is. ‘Het suffix baar (zegt hij) heeft toch uit zijn aart een passieve beteekenis enz.’

Naar onze wijze van zien verkeert de geleerde schrijver hier in eene dubbele dwaling. Vondel heeft gewis seylbre vloot geschreven en, uit een taalkundig oogpunt, volle regt gehad om dit te doen. Reeds de Latijnsche tekst, welke classis heeft, maakt het meer dan vermoedelijk, dat het woord vloot hem uit de pen vloeide, en wat seylbaar aanbelangt, zoo verstond hij daardoor niet zeilreê’, maar zeildragend of geschikt om zeil te dragen, waartoe hij ook volkomen geregtigd was. Het suffix baar bezit toch niet altoos (gelijk de heer Rau meent) eene passieve beteekenis. Huydecoper, wien hij met reden hoog waardeert en zelfs den ‘grooten Huydecoper’ noemt, toonde dit reeds aan in zijne Proeve, D. II. bl. 520-522, welke plaats den geachten schrijver uit het geheugen schijnt gegaan te zijn. ‘Baar, (leest men daar) wanneer het zich voegt achter Zelfstandige Woorden, heeft de beteekenis van Draagende, zelfs in alle die bijzondere opzigten, waarin Dragen bij ons bekend en gebruikelijk is: gelijk uit deze woorden is af te nemen; als Vruchtbaar, Wonderbaar, Dankbaar, Lastbaar, Dienstbaar, Cijnsbaar, Blijkbaar, Nutbaar, Ruchtbaar, - Manbaar, die den man draagt, of die bekwaam is den man te dragen: want deze

[p. 123]

woorden beduiden niet alleen de daad zelve, maar ook de bekwaamheid tot de daad.’

Wijders toont Huydecoper, dat dan slechts baar in een lijdenden zin genomen wordt, wanneer het gevoegd is achter het zaaklijk deel van een werkwoord.

In het woord zeilbaar nu, zoo als Vondel het gebruikt heeft, is zeil een substantief, waarom dan ook zeilbaar bij hem zeildragend of bekwaam om zeil te dragen beduidt.

Dezelfde beteekenis heeft het in zijne Poëzy (uitg. v. 1644), bl. 119, r. 2 v.o., waar hij een schip een seylbaar vlot noemt, en bl. 142, r. 4 v.o., waar hij diezelfde beteekenis hecht aan seylbaar hout.

Ook Six van Chandelier heeft in zijne Poësy, bl. 56, r. 8, het woord in dien zin gebezigd, toen hij schreef:

 
‘Wanneer het seylbaar want ontspant.’

Ons bestek gedoogt niet thans langer bij baar en zeilbaar stil te staan: alleen willen wij hier nog aanstippen, dat een paar malen bij later schrijvers zeilbaar met eene passieve beteekenis ons voorgekomen is. Buiten twijfel hebben deze het oog gehad op het zakelijk deel van het w.w. zeilen, en dit, hoewel onzijdig, in den actieven zin van bezeilen opgevat: doch moge dit al, op dien grond voor eenige verdediging vatbaar zijn, zeker is het nogtans, dat Vondel dit niet gedaan - maar aan het woord zeilbaar zijne ware en eigenlijke beteekenis toegekend heeft.

Maeghden, vs. 1552.

 
- - haer diamante kroon
 
Verlichte straet en wal, door 't schitteren der steenen
 
En 't kroonegoud, gelickt en goddelijck bescheenen
 
Van eenig godlijck licht, dat met een' ronden kring
 
Van tongen, rood als vier, om 't heiligh hulsel hing.

Ten opzigte dezer versregels zijn wij het in zoo verre volkomen eens met den heer van Lennep, dat, indien men gelickt in verband wil brengen met het woord tongen, hetwelk op zulk een grooten afstand er van daan staat, de constructie bijster gedwongen wordt. We gaan zelfs verder,

[p. 124]

en vinden, dat het strijdig ware met den goeden smaak, indien gelickt, als figuurlijke spreekwijs voorop gesteld zijnde, de eigenlijke en alledaagsche uitdrukking beschenen van licht daarop volgde. Dewijl nu het gewrongene en wansmakelijke verdween, wanneer men aan gelickt de geregtvaardigde beteekenis van gepolijst toekende, hebben wij deze beteekenis verkozen. Er kwam nog eene andere reden bij. Uit de versregels blijkt, dat de dichter, of 't ware, verklaren wil, waardoor de diamante kroon van Sinte Ursel zooveel glans verspreidde en straat en wal verlichtte. Dit namelijk kwam niet alleen door het schitteren der steenen, maar ook door het kroonegoud, dat gelickt of gepolijst was en daarom, van eenigh godlijck licht bescheenen wordende, dien luister te heller terugkaatste.

We geven gaarne toe, dat Vondel op andere plaatsen, in navolging van Virgilius, vurige tongen likken laat; doch, als aan de woorden van den Nederlandschen dichter twee beteekenissen gehecht kunnen worden, verdient, dunkt ons, die de voorkeur, welke aan de woordschikking het minste geweld doet en met den gekuischten smaak het meest overeenkomt. Dit is de reden, waarom, hoezeer de geleerdheid waarderende der opvatting van Mr. Rau (bl. 53), wij echter zwarigheid maken om er ons gevoelen voor te laten varen. De onpartijdige deskundige moge oordeelen!

Joseph in Egypte, vs. 655 en volg.

 
Dat kan ten leste 't hemelsch wicht
 
't Welck, dien onnooslen moort ontvloden,
 
Naer Memphis, met zijn klaer gezicht
 
Ter neder stort de duistre goden.

Terwijl Dr. v. Vloten deze plaats stilzwijgend voorbijgaat, uit de heer v. Lennep de meening, dat dien in den tweeden regel verkeerd staat, omdat er nog van geen moord gesproken is, waarop het slaan kan. De heer Rau (bl. 60) beschouwt ook dien als een zetfout, en komt daarenboven op tegen de uitdrukking ‘onnooslen moord’, dewijl hij zich verbeeldt, dat onnooslen het adjektief van moord is. Beide heeren vergissen zich o.i. hier. Vondel, die, als het

[p. 125]

hem goeddacht, niet schroomde een verouderd of verouderend woord te bezigen, gebruikte ten dezen (gelijk hij meer gedaan heeft) het oude of middelned. dien als lidw., in de beteekenis van den, hetwelk in het metrum minder voegde: En wat onnooslen moort betreft, zoo is blijkbaar onnooslen daar geen bnw., maar een substantivè gebruikt adjectief, in den tweeden naamval van het meervoud. Dit laatste valt, naar we vertrouwen, te duidelijk in 't oog, dan dat het noodig zou zijn er bewijs voor te leveren:1) Voor die en dien daarentegen, in den zin van de en den bij Vondel, rekenen we dit niet overbodig. Zie hier dan eenige plaatsen. Ze zijn aan de opmerkzaamheid der uitleggers ontslipt.

Koning David Herstelt, vs. 18.

 
Toen ons het lang belegh zoo zegenrijck geluckte,
 
En David Hannons hooft die goude kroon ontruckte.

Joseph in Egypten, vs. 878.

 
Hoe is die toght vergaen?

De Gebroeders, vs. 1653.

 
'k Verdroegh dien last des vloecks van Simeï geduldigh.

Maria Stuart, vs. 1790.

 
Die last is uitgevoert, al 't Rijk aen ons verbonden.

Leeuwendalers, vs. 1814.

 
Toen d'uchtend, voor den zonnewagen,
 
Die nare grijnzen kwam verjagen.

Op al de bovenaangehaalde plaatsen slaat die niet op iets, dat in den zin voorafgaat, maar heeft het louter de oude beteekenis van het lidw. de.

Des vereischt, zouden we uit schrijvers van het begin der XVIIde of het einde der XVIde eeuw meer voorbeelden van gelijken aard kunnen bijbrengen. Voor het oogenblik achten we de geleverde voldoende.

De Leeuwendalers, vs. 145 en volg.

 
Ick zie de lantkappel des Veegodts in 't verschiet,
[p. 126]
 
En 't schamel dack des Godts, gedeckt met mos en riet,
 
Daer 't volck om zegen bidt.

Zoo leest men in den eersten druk van dit landspel, die Ao. 1648 te Amsterdam bij A.A. Wees verschenen is. Deze lezing heeft Dr. v. Vloten behouden en ze wordt door den Heer Rau (bl. 62), die schijnt te meenen, dat we aan gez. uitlegger haar te danken hebben, goedgekeurd.

Mr. v. Lennep was er niet mede bevredigd. Onzes inziens te regt: want, zoo als deze tekst luidt, zou Kommerijn twee dingen gezien hebben, t. w. een landkappel en een schamel dak. Zonder twijfel bedoelde Vondel dit niet, en heeft hij iets anders geschreven. Daarom veranderde Mr. v. Lennep En 't in In 't. Hierdoor echter was de zaak niet geholpen, want de lantkappel des Veegodts te zien in het schamel dak des Godts bleef zulk een ongehoorde uitdrukking, dat ze van Vondel niet mogt verwacht worden.

Naar onze meening, heeft Vondel, noch En 't, noch In 't geschreven, maar Het. Neemt men dit aan, dan hapert er niets aan den zin. De tweede en derde regel omschrijven dan nader, wat reeds in den eersten gezegd is:

 
Ick zie de lantkappel des Veegodts in 't verschiet;
 
Het schamel dack des Godts, gedeckt met mosch en riet,
 
Daer 't volck om zegen bidt.

Lucifer, vs. 1392.

 
Dit harnas past zoo braef, al waer 't u aengeschapen.

De Heer Rau (bl. 68) meent, dat al hier niet past en Vondel als geschreven heeft. Het schijnt alzoo hem niet bekend of althans uit het geheugen gegaan te zijn, dat oudtijds al waert meermalen voor als waar 't gesteld werd. Huydecoper heeft er reeds opmerkzaam op gemaakt in zijne Proeve, I. bl. 384, onder aan. Het is hier weêr een nieuw bewijs, dat Vondel niet afkeerig was om nu en dan een oude spreekwijs te gebruiken. We mogen er nog bijvoegen, dat bij hem op meer andere plaatsen al voor als te lezen is. Zie, b.v.

Poëzy (uitg. 1628) D. II. 423, vs. 10:

[p. 127]
 
Al naem de Min de hel
 
Te baet -

uit den zin van het geheele couplet blijkt, dat hier als bedoeld wordt:

Zoo ook Warande der Dieren No. 109, vs. 5. v.o.:

 
- al waert ghij van de best.

d.i. als waert gij van de beste, als behoordet gij tot de beste. In den tekst staat waer 't, maar, om dadelijk te zien, dat dit een drukfout is, behoeft men slechts de geheele phrasis te lezen.

Bij andere dichters van Vondel's tijd treft men dit al ook nog aan: b.v. in Heemskerck's Raet teghen de Liefde, luidt vs. 400:

So hupsch van lijf en leen al waer 't een beelt geweest.

Doch genoeg! De tekst, in den hoofde dezes geplaatst, heeft blijkbaar geene verbetering noodig.

Lucifer, vs. 1764 en volg.

 
- De rechte horen wort
 
Vorst Belzebub, op dat hij ons de vleugels kort',
 
En zijne wacht betrout: Vorst Belial de slincken.
 
Men ziet hen beide om strijt in hunne rusting blincken.

De Heer v. Lennep heeft op den derden der hier aangehaalde regels aangeteekend: ‘ De slincken: dit moest in allen gevalle de slinke zijn.’ Dr. v. Vloten is deze moeijelijkheid met stilzwijgen voorbijgaan. De Heer Beets vermeent, dat, tegen een stelligen taalregel aan, Vondel slincken geschreven heeft om op blincken te kunnen rijmen. Mr. Rau, die dit laatste op. bl. 71 aanstipt, houdt het voor scherts. ‘Ware 't geen scherts (zegt hij) het zou een vergrijp van gekwetste majesteit zijn tegen onzen hoofddichter.’ Daarop geeft deze geleerde zijn gevoelen, hetwelk niet van scherpzinnigheid ontbloot is en hierop nederkomt, dat de slincken in het meervoud zou staan, en er stilzwijgende bij te verstaan is: ‘worden vertrouwd.’

Niets van dit alles echter (waarom zouden wij het niet rondborstig bekennen?) bevredigt ons. Zoowel bij het een,

[p. 128]

als bij het ander, is (naar het ons toeschijnt) geheel uit het oog verloren, dat Vondel tot de XVIde en XVIIde eeuw behoort.

Als b.v. de Heer Beets of eenig ander dichter van den tegenwoordigen tijd, de n weglatende, in den 4den naamval schrijft: ‘een vroege' amandelbloesem’1) of iets dergelijks, dan mag men dit geen taalfout noemen. Het is in dicht een gebruik, hetwelk volle leefkracht bezit. Raakte het buiten zwang, en nam toch een poëet het nog eens te baat, men zou van hem zeggen, dat hij zich van eene verouderde vrijheid bediend had.

Evenzeer nu als ten huidigen dage in dicht de n soms weggelaten wordt, zonder dat het iemand in de hersenen komen zal om dit een taalzonde te noemen: zoo was het in de XVIde eeuw eene onbetwiste gewoonte, dat men waar het pas gaf, een n bijvoegde.

Dit geschiedde wel dikwijls om een hiatus te voorkomen; maar somwijlen ook om den rijmklank aan te vullen. Algemeen was zulks aangenomen. Op de school, waar naam-hebbende poëten van dien ouden tijd leeraarden, had Vondel in zijn jeugd, als leerling, gezeten. Geen wonder dan ook dat hij zich van die n wel eens bediende. Verlangt men voorbeelden? Welaan, we kunnen er dadelijk een geven, waarin juist slincken, voor slincke, door hem gesteld is. Men leest in zijne Poëzy (uitg. v. 1682), II. bl. 334, v. 10 en volg.

 
Gij ziet -
 
- hoe de slincken arm zoo stijf
 
Den horen houdt, met vette olijf
 
En druif en weeligh ooft geladen.

Wenscht men meer bewijs, men zie in hetzelfde deel, bl. 167, v. 7; bl. 191, v. 17; bl. 446, v. 18; bl. 569, v. 5.

Op al deze plaatsen nu, die we nog met aanhalingen uit andere schrijvers zeer zouden kunnen vermeerderen, is wel de n aangewend om den hiatus te voorkomen; doch het ligt

[p. 129]

in den aard der zaak, dat, zoo in een ander geval, de bijvoeging van deze letter de welluidendheid bevorderde, de dichters van dien tijd niet schromen moesten haar ook daar bezigen. Dit geval bestond, waar er aan het rijm zonder deze n iets zou ontbroken hebben. Hierop heeft men minder gelet en alleen van de N paragogicon ter wering van den den hiatus gesproken1). Eenige voorbeelden, uit onze Ouden opgeteekend, zullen dusten deze niet overbodig zijn.

In de Spelen van Sinne van 1539 (uitg. v. 1564), folio Cc iij. vindt men, om te rijmen op leden, het voegw. mede tot meden verlengd, en in die van 1564 (Antw. 1564), fol. 9 verso, toelachten, voor toelachte; fol. 13 verso, seyden, voor seyde; fol. 19, paerden, voor paerde; fol. 28, beswaerden, voor beswaerde; fol. 30. achten, voor achte, enz.

Bij Coornhert in zijn vertaling der Odyssea, het tweede gedeelte (Amst. 1605) bl. 93, leest men rijmshalve opbolghden, voor opbolghde; en bij Coster in zijn Polyxena, bl. 6 staat, om gelijke reden, haten, voor hate.

Ten slotte voegen wij hier nu nog met hetzelfde doel een paar voorbeelden uit Vondel-zelf bij.

In zijn Heerlijckheit der Kercke (uitg. v. 1702), bl. 88, v. 14, schrijft hij, om te rijmen met stoelgenooten:

 
Tot keizer Karel toe, met recht genoemt de Grooten;

alsmede in zijn Gulden Winckel, LIII, v. 17, om het rijm met worden volledig te maken:

 
Die vrolijck is wanneer hy yemand yets ontlorden;

en aldaar eenige bladzijden vroeger in No. XXXV, v. 5, schrijft hij:

 
De Boom zijn tacken heeft, die hij zoo wijt uytspanden;
 
dewijl de volgende Alexandrijn met handen eindigt.

Na dit alles gelooven we wel voor bewezen te mogen houden, dat, toen Vondel in vs. 1766 van zijn prachtigen Lucifer zich veroorloofde slincken, voor slincke, te schrijven, hij slechts, welluidendheidshalve, een dichterlijk gebruik

[p. 130]

volgde, dat, hoewel het later uit de mode geraakt is, toen door niemand gewraakt werd.

Ifigenie in Tauren, vs. 397 en volg.

 
- 'k Versma den list der Godtheidt, die wy eeren,
 
En, als een smet, een' man van 't outer af durf keeren,
 
Zoo hy een nederslagh met zijne hant beging.

De heer Rau (bl. 112) zegt, dat Vondel in het 398ste vers zeker niet En, maar Die geschreven heeft: ‘immers (zoo luiden zijne woorden) dit voorn. kan hier niet gemist worden, en ook niet, als de herhaling van het voorgaande die gedacht worden: wijl het daar in den 4den nv. staat, en hier de 1ste gevorderd wordt.’

We geven gaarne toe, dat we thans ons zoo iets niet veroorloven zouden, maar in Vondel's tijd dacht men er anders over, en daarom dient (dunkt ons) het vers onveranderd te blijven.

Zie hier voorbeelden:

De Gulden Winckel, No. LXV.

 
Hier zit Polycrates, die der fortuinen rad
 
Gestadig mede liep en nimmer onspoed had.

Heerlijckheid der Kercke, bl. 46, v. 2.

 
Alfeus Jacob is Judea toebeschoren
 
En sticht Jerusalem, -

Warande, XIII, v. 1 v.o.

 
't Koomt (waent hy) hem al toe, en is noch meerder waerdigh.

De voorbeelden bij de oude schrijvers van weglating des voornaamwoords, waar het tegenwoordig gebruik het volstrekt zou vorderen, zijn zoo talrijk, dat men de hier gegevene nog aanzienlijk zou kunnen vermeerderen. Wij gelooven intusschen met deze te kunnen volstaan.

Ziedaar de voornaamste der door ons opgeteekende aanmerkingen1). Gaarne laten wij het oordeel over hare meer-

[p. 131]

dere of mindere gegrondheid den deskundigen over; maar intusschen verklaren we, dat, indien haar inhoud eenigzins uitgedijd is, omdat we zoo afkeerig zijn van snorkende beslissingen zonder bewijs, en uitspraken ex tripode, welke de verwaandheid gewoon is zich te veroorloven; het getal dier aanmerkingen echter zeer gering mag genoemd worden in vergelijking van het vele juiste, kernachtige en leerrijke, dat het verdienstelijke Werkje van den heer Rau bevat. Mogen we onze gedachte rondborstig uiten, zoo komt het ons vermoedelijk voor (en sommige uitdrukkingen van den geëerden schrijver geven zelfs aanleiding tot dit vermoeden), dat de studie onzer oude taal niet in even groote mate hem bezig gehouden heeft, als de Grieksche en Romeinsche oudheid, waarin hij toont zoo wel t'huis te zijn. Ondertusschen is het zeker, dat om Vondel in allen deele wel te verstaan en billijk te beoordeelen, men volstrekt én hem én onze voornaamste oude schrijvers, uit een taalkundig oogpunt, meer dan oppervlakkig, dat is, opzettelijk, bezadigd en met de pen in de hand, bestudeerd moet hebben. Waar een uitlegger (vooral een uitlegger ex professo) in dit opzigt te kort schiet; daar moge zijn werk al eenige andere goede eigenschappen bezitten, het zal slechts gedeeltelijk doel treffen, en, wat erger is, veelvuldige dwalingen in omloop brengen. De ‘Taalgids’ kan er een stapel voorbeelden van leveren. Dezelfde regelen, die de Kritiek zich ten aanzien der auctores classici tot wet stelt, zijn niet minder geldig ten aanzien onzer oude schrijvers.

 

Rotterdam, Nov. 1867.

A. Bogaers.