De taal- en letterbode. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] taal- en letterbode, De


bron: De taal- en letterbode. Jaargang 1. De erven F. Bohn, Haarlem 1870.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 76]

Een taalkundige misstap,
door J. van Vloten.

Ieder heeft, in de jongste aflevering van het Woordenboek, de o op hare uitgestrekte wandeling met de m kunnen begeleiden en al de slingerpaden doorloopen, waarop dat onvermoeide paar ten slotte den weg schijnt bijster geraakt. Nadat wij het toch, tot afmattens toe, overal hebben zien rondslenteren, en geen plekjen noch hoekjen onbespied laten, waar het maar iets meê uitstaande meende te hebben, zien wij het eindelijk, in plaats van rustig weêr thuis te komen en zich binnen zijn eigen terrein te bepalen, nog een laatsten kuyer daar buiten wagen, om een maar al te gewaagden stap op dat van een ander te doen, en het zich als met geweld te annexeeren. Niet tevreden met het par droit de naissance verkregen erfdeel, eigent het zich par droit de conquête nog een tweede toe, waarop het geenerlei recht heeft, en waaruit wij niet mogen nalaten het hoe eer hoe beter weder te verdrijven. Het wil daar ‘in den zin van zonder’ optreden, en meent ons daarmede aan de verklaring der zegswijzen ‘om hals’ en ‘om het leven (brengen, helpen, komen, en raken)’ en der samengestelde werkw. ‘ombrengen en omkomen’ te helpen. Dat voornemen echter, hoe welwillend, is niet uitvoerbaar. Die gewelddadige stap van toeeigening en inlijving is hier, meer dan ergens op staatkundig gebied, een - misstap. Het ‘volksbewustzijn’ en ‘de opvatting der taalkundigen’ door de Redactie van 't Woordenboek hier zoo kortaf terzijgeschoven, zijn tegenover haar volkomen in hun recht, en alle ‘misverstand en verwarring’ in dezen alleen aan hare zijde. De ‘slotsom’, waartoe zij, met

[p. 77]

meer geleerdheid dan doorzicht, meent te moeten komen, ‘dat om, in den zin van zonder, in gemelde zegswijzen, etymologisch is voortgevloeid uit het oude ane, hgd. ohne, maar, door blijkbaren invloed van om en verwarring daarmede, den vorm van dit laatste heeft aangenomen’; - die slotsom is èn geheel onjuist, èn waarlijk dan ook gemakkelijk genoeg te weêrleggen. Had de Redactie, vóór zij hare gewaagde stelling in druk bracht, de wankele gronden waarop zij rust, met wat kalmer overleg en doordachter beraad in oogenschouw genomen, zij zou zich (dunkt mij) onmiddelijk zelve van hare onjuistheid overtuigd hebben. Naar 't schijnt echter, was zij met hare vermeende ontdekking al aanstonds te zeer ingenomen, dan dat zij voor kalm beraad nog vatbaar geweest ware, en heeft het daardoor aan anderen overgelaten, haar minberaden handelwijs, ten beste der Nederlandsche taal, door eenvoudige toelichting, voor elk te verduidelijken en zoo alle kwade gevolgen te voorkomen.

Dat het Grieksche ἀνεὺ oorspronkelijk één is met het h.d. âne en ohne, en het nederl. ane en oon; dat men des ane sijn voor iets kwijt zijn, ane komen, voor verliezen, ohne werden en zelfs anwerden voor kwijtraken bezigde, is alles ontegenzeggelijk waar, maar doet in dezen nog niets af. Evenmin beteekent het daarvoor iets, dat het nederl. oon, niet alleen in Friesland, maar ook elders on luidde. Het eenige, en ook de redactie voelt dat, wat hier kracht van bewijs zou hebben, is: 1. Dat dit on tot om kon worden, en 2. dat daardoor een aannemelijker verklaring der aangevoerde zegswijzen, dan wanneer men ze uit om verklaren wil, gevonden werd. Het een noch het ander is het geval.

Voor het eerste, beroept zich de Redactie op woorden als ontrent voor omtrent, omberaden, ombescheiden, en derg. voor onberaden, onbescheiden enz., en wil daaruit afleiden, dat beide vormen van on en om ‘allengs moesten dooreenloopen’. Zij had integendeel, bij het minste nadenken, moeten bevroeden, dat de aangehaalde voorbeelden en alle verdere soortgelijke, in plaats van voor, juist rechtstreeks tegen deze bewering streden. Uit omberaden en derg. toch zien wij wèl, hoe uit on-brengen ook ombrengen (door invloed der lipletter) had kunnen worden; maar uit on-trent blijkt het ons des te duidelijker, hoe on-komen nimmer tot omkomen zou

[p. 78]

hebben kunnen ontaarden. Die n toch trad in dat eerste woord, alleen door de werking der tandletter, als n op, en ware er evenmin voor de k een reden te vinden, omgekeerd uit de n een m te maken, als wij daarentegen, hier en vóór de b, de n en m onderling noodwendig van rol zien verwisselen, omdat zij zich naar de volgende letters richten. In plaats van hare vormen zoo slordig dooreen te doen loopen, als ons de kwaadsprekende Redactie dat zou willen diets maken, zien wij juist de taal daarbij de striktste regelmaat in acht nemen, en alleen dan een on tot om, of een om tot on maken, wanneer de tongslag zelf dat vordert. Er is echter nog meer dan dat. Liet zich zulk een onderlinge verwisseling, zulk een slordige verwarring van beide letters ook bij de latere verkorte vormen van on en om nog denken; niet deze alleen, maar ook de nog onverkorte vroegere vormen komen hier ter sprake, en men zou dus moeten aantoonen, dat die vermenging ook toen reeds plaats kon grijpen, ten zij men ons in den waan woû laten, dat de behandelde spreekwijzen toen nog niet in zwang waren. Wanneer wij echter de moeite nemen, ook maar een enkelen blik op vroeger spraakterrein te werpen, dan zal ons - en dit is voldoende - althans voor ééne van haar, ons omkomen, het tegendeel reeds blijken, en daarmeê tevens de eenvoudige verklaring van den zegtrant volkomen duidelijk worden, zonder dat wij tot de altoos gekunstelde der redactie onze toevlucht behoeven te nemen. Wij blijven daarbij op vaderlandschen bodem, en hebben niets anders te doen, dan in Richthofens uitgave de verzameling Friesche wetten op te slaan. Daar vinden wij, in de Emsinger voorschriften voor 't Sentgericht § 24, bijv. ‘Als umbkemen is diu tijd fon dat breed des libelli,’ enz. en in 't Westfriesche Schoutenrecht § 15, in gelijke beteekenis: ‘eer dat ieer om-kont’; § 31 ‘dat dyo ieertale om commen se’, enz. Men zal nu toch waarschijnlijk wel niet ontkennen, dat het eerste umbkemen in onverkorten vorm, niet anders dan beide volgende, waar de b reeds is weggevallen, zijn kan; en zeker veel minder nog beweren, dat die b in dat eerste is ingelascht, en de n in alle drie eigenlijk uit de n van on geboren. En wat de beteekenis betreft, ook over deze valt niet te twisten. Omkomen staat hier nog geheel gelijk met omloopen, in den zin van

[p. 79]

afloopen, voorbijgaan, gelijk daarvan in het Woordenboek dan ook op om ‘als bijwoord’ bl. 149 en 150 sprake is: om zijn, in de beteekenis van verstreken zijn, ten einde zijn, zoo heet het daar, is ‘eigenlijk omgeloopen of omgekomen zijn’, welk laatste wij hier dan in de Friesche wetten zelf nog vinden. Wat nu echter eenvoudiger, dan 2. deze zelfde beteekenis ook ter verklaring der aangehaalde zegswijzen te bezigen? Gelijk een jaar dat is ‘omgekomen’, een jaar is, dat voorbij is gegaan en verdwenen, dat, 't zij dus in goeden of kwaden zin, is omgebracht of omgeholpen, dat op de eene of andere wijze is omgeraakt, evenzoo een of ander mensch, die is omgekomen of omgebracht. En wat het daarbij gevoegde om het leven of om hals aangaat, dit is niets anders dan hetzelfde om (dat in 't eerste geval voor een tijdkring gebezigd is, voor welken een bepaald punt overschreden en dus voorbij en voor goed verdwenen en verloren is) op het gansche leven of wel op het lichaamsdeel toegepast, met welks ontwrichting dat gansche leven voor goed ten einde is. Iemand om 't leven brengen is hem aan zijn levensend helpen, zijn leven doen verliezen, gelijk iemand om hals brengen niets anders dan hem zijn hals doen verliezen, gelijk om hals of 't leven komen of raken niets anders dan dat leven of dien hals verliezen.