De taal- en letterbode. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] taal- en letterbode, De


bron: De taal- en letterbode. Jaargang 1. De erven F. Bohn, Haarlem 1870.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 123]

Gemelijk,
door Eelco Verwijs.

Het klinkt zeker eenigermate als eene etymologische ketterij te durven beweren dat het woord gemelijk, knorrig, ongemakkelijk, is afgeleid van een znw. geme, dat juist eene tegenovergestelde beteekenis, die van vreugde, scherts, spel, had. Hoe vreemd het schijnen moge, het is onzes inziens een onomstootelijk feit, waarvan wij zullen trachten het betoog te leveren.

Voor zooverre ons bekend is, werd de afleiding van dit merkwaardige woord nog door geen onzer taalkundigen opzettelijk behandeld. Weiland geeft enkel de beteekenis op: omtrent den oorsprong van het woord zegt hij niets. Tuinman had vroeger verklaard dat het van lat. gemere, zuchten, afkomstig zou zijn, en Nicolaas Beets - 't was in den grijzen voortijd, in den jare Ons Heren 1842 - bij het bespreken van ‘Eene eigenschap der keelklank’1), merkt ter loops aan dat ‘het fr. gémir met ons gemelijk samenhangt’. Wij gelooven niet, dat de destijds los daarheen geworpene aanmerking nog een warme verdediging van Dr. Beets zal uitlokken, en zijn verzekerd dat hij volgaarne de pen zal halen door dit etymologisch spel uit zijn zwarten tijd. Te Winkel opperde eene gissing2), die op het eerste gezicht zeer aanneemlijk schijnt

[p. 124]

te zijn. ‘Gemelijk, verdrietig, knorrig, is afgeleid van gamal, dat in de noordsche talen oud en in het friesch zwak, ziekelijk beteekent, welke toestanden niet zelden eene neiging tot gemelijkheid en knorrigheid medebrengen.’

Ware de beteekenis van gemelijk enkel de tegenwoordige van verdrietig, knorrig, men zoude zich zeker bij deze verklaring nederleggen; nu gemelijk vroeger eene ruimere beteekenis had, is het noodig ook deze na te gaan, en na die beschouwing de slotsom op te maken, welke der twee afleidingen de voorkeur verdient.

De verschillende beteekenissen, welke onze vroegere lexicographen van gemelijk geven, schijnen legio. In den Teuth. vindt men een zee van schijnbaar de meest uiteenloopende:

Gemelick, wonderlick, noetlick, verworren. Mirus, mirabilis. Pertinax. Intricativus. Imbractativus. prodigiosus. Monstruosus. Admirabilis. Tediosus. anadiosus. provocativus. implicativus. involutus. perplexus. inflexus.

Gemelick, lechlick, tytcortlich, noitlick. Jocosus. solaciosus. ridiculosus. recreativus.

Kil. geeft slechts twee beteekenissen, waarvan de eene de tegenwoordige is, terwijl de andere niet ten onzent, maar in Duitschland gebruikelijk was.

Ghemelick, ghemmelick. Morosus, fastidiosus, irritabilis, difficilis. Ger. Lascivus instar equi.

Plantijn heeft de beleefdheid er de etymologie van het woord bij te voegen:

Gemelick, quasi dicas Kemelick: Camelinus, nam cameli sunt morosi. Fascheux, mal à contenter.

We zullen de vrijheid nemen Plantijns kemel niet door te zwelgen, en durven gerust verzekeren dat het lichter is dat een kemel ga door de ooge van een naalde dan zijne etymologie door de enge poorte der kritiek.

Bij eene nadere beschouwing van de schijnbaar groote menigte beteekenissen in den Teuth. opgegeven kunnen wij die tot de volgende terugbrengen:

vermakelijk, belachelijk, bespottelijk,
wonderlijk, vreemd, - zonderling -, eigenzinnig, knorrig.

De overgang van beteekenis is zeer natuurlijk. Wat lach en

[p. 125]

spot verwekt, is iets dat zich door eene of andere eigenschap bijzonder onderscheidt; het is zonderling, ongemeen, vreemd, raar, - verg. rarus, zeldzaam, fr. rare, en onze gewone opvatting. - Men behoeft nog slechts eene schrede verder te gaan om het zonderlinge en rare leelijk te vinden. Aan den anderen kant passe men het belachelijke toe op de zedelijke hoedanigheden van een mensch. Ook daar wordt het eerst wonderlijk, zonderling; een zonderling, een rare kerel nu heeft vaak iets eigenzinnigs, iets stroefs voor zijne medemenschen. Men ga ook hier eene schrede verder, en het hebben van den eigen zin - mede alleen door toepassing in ongunstige beteekenis opgevat - gaat tot knorrigheid, verdrietigheid over.

De beteekenis, welke gemelijk in het Mnl. heeft, en die door Te Winkel over 't hoofd werd gezien, zal deze meening bevestigen, en tevens doen zien dat bezwaarlijk aan eene afleiding van gammel, oud, kan gedacht worden.

In den MLp. B. II, vs. 265 vlgg. wordt verhaald van een ‘onghehuyr Sarffan.’

 
Dese hadde een hinde vercoren
 
Ende den Goden hadde hi ghezworen,
 
Dat hi met anders ghene wive
 
En soude leven in sinen live.

Alvorens de dichter het verhaal doet van het treurig uiteinde van dit monster, zegt hij:

 
Wy sijn al van eenre roede (stam),
 
Mer elck van sonderlinghen bloede.
 
Al leven wy onder eenre zonnen,
 
Der luden sinnen sijn van menigher konnen.
 
So was die onghehuyr Sarffan
 
Van naturen een ghemelick man.

Daarop volgt de geschiedenis van ‘sinen onreynen aerde.’

De beteekenis is hier blijkbaar vreemd, wonderlijk, in ongunstigen zin opgevat.

Bij Bartholomeus den Engelsman, fol. 751a, wordt van den bever gezegd: ‘Het is een wonderlic dier ende een gemelic, wes start vissche is, ende alle dat ander lijf is vander naturen eens viervoetighen dyers.’ De lat. tekst heeft: ‘Animal est mirabile et monstruosum;’ ook daar heeft het dus de beteekenis van vreemd zeldzaam.

[p. 126]

Het znw. ghemelicheit komt voor bij Willem van Hildegaersberch in zijn gedicht: Een exempel van partyen, vs. 75:1)

 
Tgheschiet soe vele nu ten tyden
 
Wonders ende ghemelichede
 
Buten slants ende binnen mede,
 
Dat mijn herte is onthuecht.

Ook hier heeft het woord de beteekenis van wonderlijkheid, vreemde dingen.

In het Gloss. op den MLp. haalt de Heer Leendertz eene plaats aan van Bodecheer Benning, Leydsche Oorlofdagen, 141, waar gemelijk in den zin van raar, wonderlijk, met het bijdenkbeeld leelijk, wordt gevonden.

 
Dewijl der proncken op het heyligh-hooghe outer
 
Een gemelijcke kat, een hond, een baviaen
 
Of ander wangediert.

Zouden wij nog twijfelen aan onze opvatting van den oorsprong van gemelijk, eene plaats bij den voor onze taal zoo merkwaardigen Hildegaersberch bevestigt die bijna onomstootelijk. In een Notabel van twee wynden2) wordt ons verhaald, hoe twee windhonden in hevigen strijd waren en de twist tusschen hen werd aangezet door een bunzing, die onophoudelijk het kwaad aanstookte. Een andere hond zag dit, en - aldus leest men vs. 24 vlgg. -

 
Om te letten desen strijt
 
Soe quam hi daer ter selver ure,
 
Ende hi prantet onhure
 
Mit groten nyde inden lancken,
 
Ende ghine hem alder ghemen dancken,3)
 
Diet hadde gheploghen menichwerf,
 
Soe datter tquade dier om starff.

Wat is hier de beteekenis van gheme, dat, zoover ons bekend is, elders niet voorkomt?

De hond pakte het ongure dier bij de lurven, en ging het danken voor al de streken, die het zoo dikwijls had uitgevoerd.

[p. 127]

Geme kan wel geen anderen zin hebben dan dien van streek, zet, wat wij schertsenderwijze wel eens een leelijke grap, en de Engelschen a practical joke noemen.

Het zal wel geene gewaagde gissing zijn dit geme, gemen, met gaman, spel, scherts, in verband te brengen. In het Ohd. beteekende gaman, vreugde, spel, scherts, en daarvan is afgeleid het bnw. gaman-lîh, belachelijk (Graff 4, 206). In het Ondd. heeft gaman dezelfde beteekenis. In den Hêl. vs. 2738 vlgg. leest men van het feestmaal bij Herodes, waar de schoone Herodias het hoofd van den Dooper eischte1):

 
Gêngun mid skalun.
 
Gingen met schalen.
 
hlud an there hallu;
 
luid in de hal;
 
Skenkeon hwurbhun,
 
Schenkers liepen heen en weer,
 
Gaman was thâr inne
 
Vreugde was daar binnen
 
helidhos drunkun.
 
de helden dronken.

Te gamne komt er vs. 5296 voor in den zin van ten spot. Bij het verhaal van de mishandelingen van Jezus door de Joden leest men:

 
Sia hietun im thuo te hoske hwît giwâdi
 
Zij heetten hem toen ten hoon blinkend gewaad
 
Umbi is lidhî leggian, thiu mêr hie wurdhi thêm liudion thâr
 
Om zijn leden leggen, (dat) hij te meer werde den jongen lieden daar
 
Jungon te gamne.
 
...... ten spot.

Ook in het Ofri. komt game, gome, in den zin van vreugde, genoegen, voor. In het Rustringoer Seendrecht is de aanhef als gewoonlijk het verhaal hoe de Friezen van Karel hunne vrijheden verwierven wegens de hulp hem bij het beleg van Rome betoond2). Bij dien strijd nu tha dede God use hera ena grata gama, thet wi Frisa thene toen deed God onzen heer een groote vreugde, dat wij Friezen de si wnnon and slogon alsa felo to dada thera Rumera unriuchta zege wonnen en sloegen alzoo velen dood der Roomsche onrechtvaardige lioda, thet ma an sante Peteres dome thet blod al to tha oncleuon lieden, dat men in sint Pieters dom het bloed al tot de enkels wod.

doorwaadde.

[p. 128]

In het Ags. luidt mede dit woord gamen, en vandaar is afgeleid het bw. gamanlîce, jocose, in scherts1).

In het Mhd. heeft gamen ook de beteekenis van vreugde, lust, en het daarvan afgeleide gämeln, zich vermaken, schertsen, en het bnw. gämelich, gemelich, gemellich, die van vroolijk, lustig, grappig2). Doch ook daar - en vooral in het Ndd. - wijzigde zich die beteekenis tot die van onwijs, dolzinnig, gelijk blijkt uit Diefenbach's Gloss. Lat.-Germ., die op Maniacus, de volgende verklaringen geeft: awisich, gemelich, gemmelich, dore, unsinnig, doll, dul, enz., hoewel ook nog in de XVe eeuw de beteekenis van snaaksch, ondeugend, moedwillig voorkomt, als in den Ulenspiegel3), 131, waar verhaald wordt hoe de zieke held bij een apothecar zijn intrek nam ‘umb arzney willen.’ ‘Da was der apoteker ouch etwas geil (moedwillig) und gemlich, und gab Ulenspiegeln ein scharf purgatz.’

De eigenlijke beteekenis van vroolijk, lustig, is ook daar reeds tot die van zonderling, vreemd, en bij uitbreiding tot die van dwaas, gek, overgegaan.

Uit gaman, gamen, [gamin], nadat de a in eene toonlooze i of e was overgegaan, moest bij ons regelmatig gemen ontstaan, dat evenals het Ofri. gama en het Eng. game de n aan het einde verloor.

Terwijl ten onzent geme een weinig gebruikelijk woord schijnt geweest te zijn, dat weldra geheel uit de taal verdween, doch het daarvan afgeleide bnw. bleef bestaan, had in het Eng. het omgekeerde plaats. Game behield de oorspronkelijke beteekenis van vermaak, genot, spel; doch werd ook in bijzondere toepassing gebruikt voor die vermaken, welke bij den Engelschman steeds met eene aan hartstocht grenzende voorliefde zijn beoefend, de mannelijke jachtvermaken. Evenals spel in de middelceuwen, als het meest geliefde vermaak van den ridder, de beteekenis van wapenspel en strijd aannam, zoo verkreeg game bij de Engelschen den zin van jachtvermaak, hd. jagdspiel, weidmansspiel, als het

[p. 129]

spel bij uitnemendheid. En niet alleen het vermaak zelf, maar ook het voorwerp van 's jagers streven, het buitgemaakte wild, werd met den naam van game aangeduid, even als in het Fr. venaison, van venatio, jacht, de beteekenis van het gevangene wild aannam.

Hoe vreemd het klinken moge, dat game, jacht, wild, en gemelijk, hoezeer uiteenloopend van beteekenis, tot denzelfden stam behooren, het is geen grooter wonder dan dat grinen in het Mnl. de beteekenis van lachen, en thans in dialecten die van weenen heeft. Is maar het verband bekend, dan is het eene zoo duidelijk als het andere. Grijnen, eng. to grin, beteekent niets anders dan den mond vertrekken: dit nu kan geschieden èn om te lachen èn om te schreien.

In het Eng. is nog eene andere uitdrukking, die zich mede uit game, spel, laat verklaren, namelijk de uitroep: all gammon, that's all gammon, gelijkstaande met ons allemaal gekheid, onzin1). Een dergelijke interjectie treffen wij bij Gijsbert Japicx aan, die misschien ook aan gamen, spel, is ontleend, namelijk de uitroep by gammen, die o.a. in het gedicht Kipedo reauwebjuester voorkomt2):

 
Nu iz 't gâlljen, nu iz 't kiermen,
 
Nu iz 't tiermen sonder eyn..
 
Ja by gammen! wijlde wiermen!
 
Ick bin scheyne, duwbbeld scheyn'!

We kunnen hier evenwel niet veel meer dan gissen, daar de verklaring van dergelijke onsamenhangende uitdrukkingen veelal uiterst moeilijk is.

Wat het woord gammel betreft, waarmede Te Winkel het woord gemelijk in verband bracht, ook dit is behalve in het Friesch in andere dialecten bewaard, en heeft met gemelijk niets gemeen, hoezeer misschien in later tijd beide woorden wel eens dooreen zijn geloopen.

Niet alleen in het Friesch is gammel bekend in den zin van

[p. 130]

zwak, ziekelijk, maar ook in Noord-Holland (West-Friesland), Groningen en Drenthe nog gebruikelijk.

In Groningen is gammel, gemmelig, gemelijk, lusteloos1). Gelijk men ziet, wordt de schrijver van het stuk over het Groningsch Taaleigen door de gelijkheid van klank er toe verleid beide woorden naast elkaar te noemen en het eene door het andere te verklaren.

In de Toelichting van Drentsche Woorden en Spreekwijzen van Mr Pan2) is Gamel, gammel, mede door gemelijk, lusteloos verklaard. Gammel van iets zijn, beteekent een walg of afkeer van iets hebben.

In Oost-Friesland heeft Gamelig, gammelig, gammel, insgelijks de beteekenis van lusteloos, flauw, ‘elend von Nüchternheit, unbehaglich, und deshalb zum Gähnen geneigt3)’.

In de streek om Göttingen schijnt het bnw. niet bekend te zijn, maar wel een znw. gammel, in den zin van slet, slons, gemeen vrouwspersoon. ‘Dat âle gammel’ is daar juist geen vleinaam, dien men aan eene welopgevoede vrouw geeft4). Met de daar gebruikte beteekenis heeft die welke in Noord-Holland gebruikelijk is de meeste overeenkomst. Een gammel boeltje is daar een oud, versleten rommelzoodje, en de beteekenis van oud is daar gebleven, terwijl ze in de dialecten der andere provinciën meer tot het gebrekkige, zwakke en sukkelende, dat vooral aan den ouderdom eigen is, maar ook in 't algemeen tot zwak, ziekelijk, lusteloos, enz. is overgegaan.

Eene andere wijziging van oud wordt nog in het Nederduitsch gevonden, namelijk die van schimmelig. In het Brem. Wtb. 2, 478, is Gammlig, ‘was anfängt zu schimmeln, und daher einen übeln Geschmack erhält.’ Wat daarop evenwel volgt is aan tegenspraak onderhevig.

Frisch - onze Kiliaen - neemt in zijn Teutsch-Lat. Wtb. bij Gaum het woord Gämlich op, dat hij verklaart door ‘besorglich, abscheulich,’ en vergelijkt met ons Gemelich, fasti-

[p. 131]

diosus, irritabilis. Eene spreekwijze: ‘Mir ist gar gämlich, es ist mir übel’, wordt er bij opgenomen, benevens een paar plaatsen uit het Heldenbuch: ‘Du starker Riese gemelich’, en ‘ein Wunder gemelich.’

In het Brem. Wtb. wordt beweerd dat het door Frisch medegedeelde woord ‘ohne Zweifel dasselbige ist mit Gammlig,’ en ‘den Begriff des Eckelhaften und Häszlichen überhaupt in sich zu schliessen.’ Wij gelooven het tegendeel. Ons Gemelijk is het zelfde woord als het bij Frisch opgegevene Gämlich, en afgeleid van Gaman, gelijk wij hebben trachten te betoogen. Het in onze dialecten nog overige Gammel, Nnd. gammlig, is het Ohd. gamal, dat eigenlijk oud beteekende.

De proeve van afleiding in het Brem. Wtb. kunnen we dan ook gerustelijk achterwege laten. ‘Der Ursprung des Worts ist dunkel. Vielleicht könnte man es von Gaum herleiten. Oder von dem alten Gammel, penis. Dann würde die erste Bedeutung von Gammelig seyn, geil von Geschmack.’

Verdere nasporingen te doen naar den oorsprong van Gaman, spel, en gamal, oud, was ons niet mogelijk. Noch in het Sanskrit, noch in 't Grieksch of Latijn vinden we woorden, die op eenig verband schijnen te wijzen. Wij moeten ons dus vergenoegen met hetgeen de geschiedenis der beide woorden in hun verloop van beteekenis ons geeft. Een hoogepriester in den tempel der wetenschap moge misschien dieper in het heilige der heiligen kunnen doordringen: de eenvoudige priester blijft staan bij de aanmaning, die hem als tegenklinkt: Tot hiertoe en niet verder!

 

Leiden, November.