De taal- en letterbode. Jaargang 2


auteur: [tijdschrift] taal- en letterbode, De


bron: De taal- en letterbode. Jaargang 2. De erven F. Bohn, Haarlem 1871.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 116]

Nog al iets over ochtend
door J. Beckering Vinckers.

In haar artikel over ochtend verklaart de Red. van 't Woordenboek den gemeenzamen vorm ochend voor echter en oorsponkelijker dan ochtend. Het ontstaan van dit laatste is volgens haar op de volgende wijs in zijn werk gegaan. Uit het Goth. uhtvô ontsproten de Nedl. vormen ochte, uchte, ocht, ucht. Ocht en ucht verliepen in de volkstaal tot ochend, uchend, door 't inschuiven van en, evenals naakt tot nakend, tachtig tot tachentig en boekweiten door boekete heen tot boekende (in boekende gort). Maar naast ochend en uchend, zegt de Red., bleef ook ochte en uchte bestaan, dat ook wel ochten en uchten werd geschreven. Deze verschillende vormen liepen vervolgens dooreen, en ochend en uchend kregen eene t naar de analogie van ochten en uchten, ofschoon zij die t reeds bezaten in de d, die, na 't inlasschen van en in ocht en ucht, uit de t van deze laatste woorden was geboren. Tegen deze wijze van verklaren wordt in de IIde aflevering van den Taal- en letterbode, door een der Redacteurs van dit tijdschrift, Dr. Cosijn, protest aangeteekend. ‘In de eerste plaats’, zegt hij, ‘geloof ik niet dat naakt tot nakend en tachtig tot tachentig overging. Ware dit het geval dan zou er, ik beken het, geen bezwaar zijn aantenemen, dat ook uit ocht een ochend kon ontstaan. Zoolang echter geen tweede voorbeeld van zulk een scheiding en inlassching wordt geleverd, blijft dit bedenkelijk’. Vervolgens betoogt Dr. Cosijn, dat nakend niet uit naakt is gesproten maar uit naket,

[p. 117]

en tachentig niet uit tachtig, maar uit het, waarschijnlijk naar 't model van zeventig en negentig, van een vroeger voorkomend tachtetig gevormd tachtentich. Tachentig uit tachtentig pleit veeleer voor 't ontstaan van ochend uit ochtend door 't uitstooten der t, naar 't voorbeeld van zachjes, luchjes etc. uit zachtjes, luchtjes, etc. Kan dus ochtend niet uit ochend worden afgeleid, dan eischt dat woord een andere verklaring, die Dr. Cosijn aldus tracht te leveren: ‘Kiliaens ochten, uchten uit ochte, uchte staat volkomen gelijk met toren, jongen, vasten, uit torre, jonge, vaste. De n nu moest in 't Hollandsch dialect of wegvallen of door een tongletter worden gesteund. En dit laatste heeft en hier (d.i. in ochtend voor ochten) en elders plaats gehad. Ik wijs alleen op iemand, niemand, ergent, nergent voor ieman, nieman, ergen, nergen’. Buitendien acht Dr. C. het waarschijnlijk, dat de analogie van avond, 't welk zoo dikwijls met ochtend verbonden wordt, op den vorm van dit laatste woord van invloed is geweest.

De redeneering waardoor Dr. Cosijn de onjuistheid van de verklaring der Red. tracht te betoogen, schoon in een enkele bijzonderheid minder klemmend1), komt mij in 't algemeen wel gegrond voor, doch ook zijne afleiding van ochtend is niet geheel bevredigend. Zijn de analogische voorbeelden door de Red. gebezigd om het ontstaan van ochtend te verklaren op de keper beschouwd onjuist, de door Dr. Cosijn tot hetzelfde doel bijgebragte modellen zijn ook niet in den haak.2) Doch het grootste bezwaar, dat ik tegen beider betoog heb, is dit, dat de vormen ochten, uchten, waarvan zoowel de Red. als Dr. Cosijn zich ter verklaring van 't ontstaan van ochtend uit uchte bedienen, op de door hen bedoelde wijze, d.i. als nominatieve wisselvormen van ochte, uchte, woorden zijn van een hoogst twijfelachtig bestaan. In den mij ten dienste staanden Kilianus auctus van 't jaar 1642 vind ik alleen: ochten-maal; nochten-mael en 's ochtens; voorts: nuchte, nuchten, nuchtens, deze drie enkel bijwoordelijk = mane d.i. 's morgensvroeg; en vervolgens morgen nuchten en nuchtenstondt. Anders niets. Ochten komt dus bij Kiliaen wel voor, maar enkel als lid van een zamenstelling of in een bijwoordelijke uitdrukking.3)

[p. 118]

Van nominatieven geen zweem; en men kan dus bezwaarlijk spreken van Kiliaensche vormen ochten, uchten voor uchte, ochte, die volkomen gelijk staan met de nominatieven toren, vasten en jongen, respectievelijk voor torre, vaste en jonge. De omstandigheid, dat Kiliaan ochten niet anders dan in zamenstellingen of bijwoordelijke uitdrukkingen opgeeft, is zeer opmerkelijk. Zij is, dunkt mij, een overtuigend bewijs, dat in den tijd, toen hij zijn glossarium zamenstelde, geen nominatief ochten in gebruik was. En of zoodanige nominatief ooit voor Kiliaans tijd heeft bestaan, dat is hoogst twijfelachtig. Dr. Eelco Verwijs, door mij op dit punt geraadpleegd, verklaart in zijne mij met groote welwillendheid verstrekte inlichting, dat hij zich van zoodanigen nominatief ochten voor 't oogenblik geen voorbeeld herinnert.

Het bestaan van zulk een nominatief in vroegeren tijd is dan ook, schoon niet onmogelijk, toch hoogst onwaarschijnlijk. En zoolang van dit bestaan niet blijkt, kan men bij 't onderzoek naar den oorsprong van het thans gebruikelijke ochtend natuurlijk van een nominatief ochten, uchten, wisselvorm van ochte, uchte, geenszins gebruik maken. We dienen ons dus ter verklaring van dien oorsprong uitsluitend te houden aan 't geen werkelijk bestaat, d.i. aan de zamenstellingen en bijwoordelijke uitdrukkingen, die bij Kiliaan en elders voorkomen. Gelukkig zijn deze hulpmiddelen ter bereiking van ons doel ook volkomen voldoende. Een aandachtige beschouwing van die bij den Duffelaar en elders aanwezige vormen zal ons het ontstaan van het tegenwoordige mannelijke woord ochtend, daar twijfel ik niet aan, zoo klaar maken als de dag. Ik onderstreep dat mannelijk met een dubbele streep, om daardoor de aandacht te vestigen op een gewigtige bijzonderheid van ons vraagstuk, die, naar 't schijnt, zoo wel door de Red. als door Dr. Cosijn over 't hoofd is gezien. Wij hebben hier namelijk niet enkel de vraag te beantwoorden: hoe is het vroegere uchte in het tegenwoordige uchtend overgegaan? maar: hoe is uit het oorspronkelijk vrouwelijke uchte het thans gebruikelijke mannelijke uchtend in de wereld gekomen?

Het onderzoek, dat tot de beantwoording dezer vraag moet leiden, kunnen we niet beter beginnen dan door eens op te diepen,

[p. 119]

hoe dat oude vrouwelijke uchte (welks vroeger bestaan, schoon door geen voorbeeld gestaafd, toch door de bestaande vormen er van boven alle bedenking verheven is) in die zamenstelling ochtenmaal, en in 's ochtens, nuchten en nuchtenstondt aan die sluit-n is gekomen. En in dit werk zullen we 't best slagen, zoo wij eens nagaan, hoe zich ons woord al zoo in de oudste gedenkstukken der verwante talen vertoont. Het oudste voorbeeld levert ons de Gothische bijbelvertaling, Marc. I, 35: ‘Jah uchtvon usstandans usiddja,’ ter vertaling van Καὶ πρωὶ ἔννυχεν ἀναστὰς ὠξῆλϑε = En vroeg diep in den nacht opgestaan zijnde, ging hij uit. Voorts vinden we in 't Ags. bij Caedmon 294, 2: This väs on uhtan eal geworden aer dagrêde = Dit was in den uchtend al geworden, voor den dageraad; en Beovulf 126:

Thâ väs on uhtan mid aerdage
Grendles gûdhcräft gomum undyrne =
Toen was in den uchtend met 't vroege dagen
Grindels strijdkracht den mannen onthuld;
ook nog Leg. Eccles. 24:

Gehyran on uhtan thone uhtsang = Te hooren in den uchtend den uchtendzang; en in 't Oudsaks. van den Hêliand vs. 3419:

Thuo samnôdun managa
wêros an is wîngardon, ende hie im werk bifalah
Adro an uhton =
Doe verzamelden zich menige
Mannen in zijn wijngaarde(n) en hij hun werk beval
Vroeg in den ochtend.

Ook in de Oudhoogd. vertaling der Psalmen door Nôtkêr moet dit woord herhaaldelijk zoo adverbiaal voorkomen.

Met dit moet voorkomen had ik den lezer moeten afschepen, zoo Dr. Eelco Verwijs zich niet over ons had erbarmd en zich de moeite had getroost de hier volgende plaatsen voor mij uit Nôtkêr overteschrijven:

Ps. 29, 6: ‘Aber ze uohton chumet diu frewi.
Ps. 62, 2: Got Got miner ih wachen in uoton (sic) ze dir’.
7: ‘Ube ih din irhugeta in rauwon so gedencho ih dannan din ouh in ouhtun’. (sic)

[p. 120]

62, 7: ‘Hier singet der Propheta passionen Domini, umbe den antfang dere nuhton’. (sic)
Ps. 62, 7: ‘Humilitas in prosperis (mezmuoti in framspuote) ketuot mih ze dero uohtun hugen, daz chit ze werche, wanda inuohtun ist werches zit’.
Ps. 56, 9: In uohtun irstuont psalterium unde cithara, daz ist Corpus dominicum.
Ps. 107, 2: In uohtun irstan ih.
Ps. 129, 6: Fone dero uohtun unz ze naht kedingta ih an minen truhtenen.
Ps. 118, 148: Miniu ougen furefuoren dia uohtun, unde furewacheton sia ze dir. Welichiu ist diu uohta? Ane do dien begonda tagen, die in umbra mortis sazen’.

En eindelijk wijst Dr. Eelco Verwijs me nog in Grein's Bibld. Ags. Poezie 1. 238 op vs. 8. van den Zwerver:

Oft ic sceolde âna uhtna gehvylce mîne ceare cridhan.

Dikwijls moest ik eenzaam der ochtenden elk (= op elken ochtend) mijne zorgen klagen.

Wat blijkt nu uit alle bovenstaande Gothische, Angelsaksische, Oudsaksische en Oudhoogduitsche voorbeelden? Dat ons woord overal, behalve op één Oudhd. plaats, die n bevat, wier aard wij in ochten-maal en 's ochtens tot zekerheid wenschen te brengen.

En als we nu in 't oog houden, dat die ééne vorm zonder n de nominatief enk., d.i. de onverbogen vorm is, terwijl al de andere verbogen zijn, dan zien we, dat we hier te doen hebben met een zoogenaamd zwak vrouwelijk substantief, dat in de verschillende verwante taaltakken en in 't Middennederlandsch aldus werd verbogen:

Enk. Goth. Osak. Ags. Ohd. On. Mndl.
Nom. uhtvô4) uhta uhte uhtâ ôtta5) uchte
Gem. uhtvôns uhtûn uhtan uhtûn ôttu uchten
Dat. uhtvôn uhtûn uhtan uhtûn ôttu uchten
Acc. uhtvôn thtûn uhtan uhtûn ôttu uchte
Mv.  
Nom. uhtvôns uhtûn uhtan uhtûn ôttur uchten
Gen. uhtvônô uhtônô uht(e)na uhtônô ôttna uchten

[p. 121]

Dat. uhtvôm uhtûn uhtum uhtôm ôttum uchten
Acc. uhtvôns uhtûn uhtan uhtûn ôttur uchten.

En als we ons nu herinneren, dat, zooals Grimm D.G. 12 709 het uitdrukt, in der zusammensetzung und im adverb sich oft das alte schwache genitiv-n erhalten hat, terwijl die anders reeds lang afgesleten was, dan wordt het ons duidelijk, dat de sluit-n in het ochten van ochten-maal, de door de zamenstelling bewaarde n is, die een zwak substantief vroeger in alle naamvallen, behalve in N. en V. enk. en D. mv., bevatte; zoodat ochtenmaal een zoogenaamde oneigenlijke zamenstelling is, d.i. een verbinding van den gen. enk. van uchte of ochte met het subst. maal.6) Ochten staat dus in dezen volkomen gelijk, niet met toren, vasten of jongen, maar met vrouwen in vrouwen-dag = Mariae lichtmis. Uit het boven bijgebragte wordt het nu ook zeer natuurlijk, als er in Oudnederlandsche geschriften geen nominatief sing. ochten of uchten wordt gevonden. Immers hadden de n-stammen die n reeds in de oudste ons bewaarde gedenkstukken der Duitsche taaltakken in den nominatief enk. spoorloos verloren, en eerst zeer laat hebben vele Hoogduitsche mannelijke, niet vrouwelijke, zelfst. nw. die n, ten gevolge van een vergissing, weer aangenomen.

Ochten in ochten-maal is dan nu wel verklaard; dat is een oude genitief: maar hoe zit het met de n der overige Kiliaansche Gothische, Angel- en Oudsaksische en Oudhoogduitsche voorbeelden?

Die vraag valt nu, wat de vormen der verwanten talen betreft, zeer gemakkelijk te beantwoorden.

In 't Gothisch werden genitief en datief wel zonder voorzetsel als tijd bepalingen gebezigd, en uhtvon is dus eenvoudig een adverbiale genitief naar 't model van nahts en dagis, of een datief als vintran = in den winter. In al de door mij aangevoerde voorbeelden uit het Ags. en Ouds. staan uhlan en uhtun of uhton in den door 't voorzetsel an (on) geregeerden datief of accusatief; want deze preposite regeert in die talen bij tijduitdrukkingen, zonder merkbaar verschil van beteekenis, nu eens dezen dan genen naamval.7) In de mij door Dr. Eelco Verwijs aan de hand gedane plaats uit, De zwerver' staat uhtna in den

[p. 122]

van gehvylce afhangenden gen. plur.; en in de Oudhoogduitsche voorbeelden, van de zelfde hand afkomstig, treffen we ons woord toevallig in alle 4 naamvallen van het enkelvoud aan.

In de aanmerking op 118, 148 staat de nom. diu uohta;
in 21.1 de gen. der uohtun;
elders de door fone, in of ze gereg. dat. dero uohtun;
en weer in 118, 148. de acc. dia úohtun.

Maar nu de sluit-n van dat Kiliaansche nuchten, hoe is het daarmee gelegen? En is het wel zeker, dat in nuchten hetzelfde woord zit als in uchten? Zoo ja, hoe komt dat woord aan zijn eerste n? Om op deze vragen behoorlijk bescheid te geven, zal het 't raadzaamst zijn, dat we de laatstgedane 't eerst trachten te beantwoorden; want de sluit-n staat met de n aan 't begin van nuchten in zulk een naauw verband, dat in de verklaring van deze die van gene ligt opgesloten. Hebben we dus den oorsprong dier prothetische n van nuchten behoorlijk in 't licht gesteld, dan is daardoor tevens de aard der slot-n van dat woord volkomen verklaard. Van waar heeft dan nuchten die prothetische n? Om dit duidelijk te maken herinneren we, dat proklitieken (d.i. zoodanige woordjes die, zonder eigenlijke voorvoegsels te zijn, toch met 't hun volgend woord zoo naauw zijn verbonden dat ze daar als 't ware op leunen), dat zoodanige proklitieken door toonloosheid en snelheid van uitspraak zeer dikwijls onder een geslonken gedaante aan dit volgend woord blijven hangen; een verschijnsel dat door Engelsche taalkenners niet ongepast error of division d.i. een vergissing in de verdeeling wordt genoemd, en dat een sterk sprekend bewijs is, hoe weinig onbeschaafde sprekers eigenlijk weten wat ze doen.

Door deze vergissing zijn te Zwartsluis nemmer en narm geboren uit den emmer, den arm; zoo denkelijk in 't Mndl. naernst, nerenst, naerst uit in aernst, in erenst: zoo is ongetwijfeld teven of teffen (later tevens of teffens) ontstaan uit te even of te effen; zoo neven of neffen (later nevens, neffens) uit en even en effen. In Nederlandsche geschriften treffen we reeds vroeg dergelijke versmeltingen aan, maar daaronder is er geen meer geschikt om ons ten aanzien van nuchten op het rechte spoor te brengen, dan

[p. 123]

het bij Maerlant 1.137 en bij Melis Stoke 3,389 voorkomende navonds = des avonds, en dat, volgens Grimm D.G. 111, 131, evenzoo uit en avond is geboren als nevens uit en even. En deze verklaring van Grimm is ook volkomen juist. Doch waaruit is dat en vòòr avond gesproten? Raadplegen we de boven opgegeven Oudhd. voorbeelden, dan zouden we tot het besluit komen, dat de proklitiek en uit in is voortgekomen; gaan we echter op de Angelsaksische en Ouds. d.i. Nederduitsche uitdrukkingen af, dan zullen we zeker op het vermoeden komen, dat de oorsprong van dat Nederlandsche en in een vroeger an is gelegen.8) En dit vermoeden zal bij nader onderzoek wel bevestigd worden: want het zal blijken, dat het voorzetsel an vroeger in Nederduitsche taaltakken bij adverbiale tijduitdrukkingen, waarin we nu veelal op, in of een genitief bezigen, een even geliefkoosde partikel was als, blijkens de bovenaangevoerde plaatsen uit Nôtkêr, de prepositie in, bij dergelijke betrekking, onder de Oudhoogduitschers. Zoo lezen we in de Oudnederduitsche Psalmvertaling:

Ps. LIV, 18: An âvont inde an morgan inde an mitdon dage = 's avonds ende 's morgens ende 's middags.
Ps. LIX, 17: Ik eft singan sal sterke thîna inde mendan sal an morgan ginâthê thîna; wanda thu gidán bis anfenger mîn inde fluht mîn an dage arbeithis mînis = Ik echter zingen zal uwe sterkte en roemen 's morgens in uwe genade; want gij zijt geworden mijn beschermer en mijn toevlugt in den dag mijns noods.
Ps. LXX, 9: Ne forwirp mi an tîde eldî = verwerp mij niet in den tijd mijns ouderdoms.

Verder lees ik in een fragment van een Oudnd. vertaling eener homilie van Beda Venerabilis: Sô wat sô wî an allemo demo gêra vergômelôsen = Al wat wij in 't geheele jaar veronachtzamen.

Ook vind ik nog in een oorkonde uit de 9e of 10e eeuw van 't stift Freckenhorst (bij Warendorf in 't Munstersche): ‘an dero vaston = in de vasten’.

Voorts in een biecht afkomstig uit de 9e eeuw: Sô an dag sô

[p. 124]

an nahta, sô an hwilikaru tîdi sô it wâri = 't zij bij dag, 't zij bij nacht, of op welken tijd het ook ware. In 't Ouds. van den Hêliand, met den datief: an odhrun dage = 's anderen daags; an êrdagen = in vroeger dagen; an twêmgêran = in (gedurende) twee jaren, etc.; met den acc. zonder veel verschil van beteekenis: an âband = op, tegen den avond; an dia elliftun tîd = ter elfder ure; an middean dag = op den middag etc. etc. Ook in de Goth. fragmenten vinden we: ana midjai dulth, = in medio festo = in of op 't midden van het feest; en ana dag = in die = des daags = per dag. En is niet bij onze Hoog- en Nederduitsche buren, nog heden ten dage, an een in adverbiale tijdbepalingen zeer gebruikelijk voorzetsel?

En leeft het in 't Ags. in dezelfde betrekking zoo gebruikelijke an (in) niet nog heden ten dage voort in 't Engelsche on sunday, on weekdays, o'clock (uit on clock)?

Bij een zoo veelvuldig gebruik van de partikel an in tijdbepalingen onder onze naaste taalverwanten laat het zich verwachten, dat zij ook op Nederlandschen bodem geen vreemdeling zal zijn. En in deze verwachting worden we dan ook, bij nader onderzoek, niet teleurgesteld.

In Oudfriesche wetten is an (of zijne wijzigingen oen, en of in,9) een of a) in adverbiale tijduitdrukkingen van een uitgebreid gebruik. Zoo lezen we in 't zoogenaamd Westerlauwersche of Oudfriesche Landrecht:

413, 19: dat hyo an moerne opstoed = dat zij 's morgens opstond.
406, 19: al deer een strijd is opheven een ontijd:

an paschamorn, an pinksteramoern, ende an Christes moern. Als er een strijd is aangeheven bij ontijd: op paaschmorgen, op pinkstermorgen, en op kersmorgen.

407, 25: da prester skihna iowe tria offer: een an Christesmoern, een oder oen paeschamoern, dat tredde oen pinksteramoern:
den priester zal men geven drie offers:
een op kersmorgen, een ander op paaschmorgen, het derde op pinkstermorgen.

[p. 125]

19, 3: Suudwirth naet fora, soe hya een (=an) ionde weer mogen comma oen den owirra =
Zuidwaarts niet verder dan (zoodat) zij 's avonds weer kunnen komen aan den oever.
449, 22: an dera tredda tid des deegs = op de derde ure des dags.
408, 1: an goede monendei = op goeden maandag.
408, 2: an hwita tornsdei = op witten donderdag.
In 't Broekmer handschrift:
169, 19: Kempa skilma a sunna ewinda
Kampen zal men op zonnekeer (als de zon keert).
En eindelijk in 't Emsegoer handschrift:
99, 3: Theth tha Fresa gader come enes a iera to upstellesbame a tyesdei anda thera pinkstera wika = dat de Friezen te gader komen eens in 't jaar bij den opstalsboom op dingsdag in de pinksterweek.

Doch niet alleen in Oudfriesche oorkonden komt dat voorzetsel an, en in dusdanige adverbiale tijd bepalingen voor; er bestaan ontwijfelbare bewijzen dat het ook in de overige Nederlandsche gewesten werd, ja nog dagelijks wordt gebezigd. Van het bedoelde gebruik dezer praepositie in vroegere dagen vinden we in de bloemlezing uit Middennederlandsche dichters, bijeen verzameld door Dr. Eelco Verwijs, een zoo gepast voorbeeld als we maar kunnen wenschen. In 't eerste deel pag. 102 vs. 503 ssqq lezen we:

 
Si saten
 
Met mi ter taflen ende aten
 
En witten donderdage.

Dit ‘en witten donderdage’ komt woord voor woord overeen met het boven bijgebragte Oudfriesche ‘an hwita tornsdei.’ Dit is zeker een vol dingend bewijs dat de partikel en werkelijk door toonloosheid verzwakt is uit an, welk an in zijn onverzwakte gedaante ook wel in oude geschriften voorkomt. Zoo lezen we in de Fragmenten van Oud- en Middennederlandsche poezij en proza medegedeeld door Mr. L.Ph.C. van den Bergh op pag. 119;

Ay vrouwe, seiti, dat ik u saeh

Heden an desen dach etc.

[p. 126]

En in 't Woordb. der Nedl. taal worden onder de praepositie aan nom. 17, de volgende voorbeelden aangetroffen: Aan den zevensten dach sal den Heere een feest zijn. Exod. 13, 6. - Ende het is geschied aen den tweeden nacht. 4. Esdre 5, 16. Om aen den Jonexten dach te richten alle voleken.

Z. Nacht ged. 3, 54. en eindelijk de welbekende regel uit Ev. Gez. 180, 5.

Eens, aan den avond van mijn leven;

terwijl de Red. haar artikel over aan in tijdbepalingen besluit met de opmerking, dat het gebruik van dit voorzetsel in dusdanige uitdrukkingen begint te verouderen en alleen in ‘morgen aan den dag’ voor morgen zonder uitstel nog zeer gebruikelijk is. Wat de Redactie hier van het verouderen dezer praepositie in tijdbepalingen zegt is alleen wat den onverzwakten vorm aangaat volkomen juist; want in een geslonken gedaante wordt zij in alle hoeken des lands nog dagelijks bestendig gebezigd. Immers kan het na al het aangevoerde aan geen redelijken twijfel onderhevig zijn, of in uitdrukkingen als: ‘Ik kom 'n zondag; hij vertrekt 'n maandag,’ is die 'n een overblijfsel van dat en dat, uit an geboren, boven in ‘en witten donderdage’ verzwakt maar overigens ongeschonden, en in an hwita tornsdei' alsmede in een menigte andere uitdrukkingen geheel onverzwakt en ongeschonden werd aangetroffen.10) Dus staat 'n zondag voor en of ouder an zondag, zoodat dit volkomen overeenstemt met het Engelsche ‘on sunday’ en het Hoogd. ‘am Sontag,’ behalve dat in dit am de praep. an met het bep. lidwoord is versmolten; een verschijnsel, dat in het toenemend gebruik van het vroeger minder scheutig gebezigde artikel zijn verklaring vindt, en zich ook in de bovenbijgebragte Nederlandsche voorbeelden vertoont.

En nu zijn we waar we wilden wezen: want nu zal ieder zelf wel inzien, dat nuchten even zoo uit en uchten is geboren als 'n zondag uit en zondag, als navond uit en avond, neven of neffen uit en even of en effen; en dat nuchten, navond en neven, toen zij in hunne zamenstellende deelen niet meer werden begrepen, gelijk zoovele bijwoordelijke uitdrukkingen, met die geliefkoosde per fas et nefas overal bijgehaalde, adverbiale s werden voorzien,

[p. 127]

en dus in nuchtens, navonds en nevens overgingen. Is de uitdrukking nuchten uit en uchten geboren, dan is ook de vraag naar den oorsprong der sluit-n in nuchten door het bovenverhandelde reeds beantwoord. Want ieder aandachtig lezer heeft zeker reeds bij zich zelven gezegd, dat en uchten volkomen gelijk staat met het boven in verscheiden voorbeelden aangehaalde Ags. an uhtan of Osaks. an uhtûn. De sluit-n in nuchten is dus de n van den datief enk. van het zwakke vrouw. subst. uchte, geregeerd door 't voorzetsel en, vroeger an.

Maar hoe laat zich nu uit dezen adverbialen datief van het oude vrouwelijke uchte het ontstaan van het thans gebruikelijke mannelijke uchtend (ochtend) verklaren? Doodeenvoudig op de volgende wijze. Toen men eens nuchten, omdat men 't niet meer begreep, in nuchtens had veranderd, kwam men, zoo als 't gaat, van de eene dwaling tot de andere en begon - denkelijk verleid door de analogie van 's morgens, 's avonds, 's daags en 's nachts - ook 's nuchtens te gebruiken. Ja, men ging ('t zij, zooals Dr. Cosijn gist, naar 't model van avond,11) 't zij ten gevolge van de aan de Duitsche taaltakken eigene neiging om een sluit-n door een tongletter te versterken), niet alleen 's nuchtens maar zelfs 's nuchtents en 's nuchtends bezigen. Intusschen bestond uchten nog altijd in uchten- maal uehten- stond en andere zamenstellingen; en 't was dus zeer natuurlijk, dat men naast 's nuchtens, 's nuchtends of 's nuchtens ook wel 's uchtens gebruikte. Zegt Jan van Brabant in zijn door Dr. Eelco Verwijs, Bloemlezing III, 126 vs. 9., medegedeeld gedicht:

 
Al den dach.
 
Van nuchtens toter respertijt,

in een mij door Dr. Eelco Verwijs aangewezen plaats uit Willem van Hillegaersberch (van den sacrementen vs. 254.) bl. 177, heet het:

Sanderdachs des uchtens vroeg,

en ook Kiliaan geeft 's ochtens; terwijl Hooft (zie Woordenboek der N.T. onder ochtend) nu eens des nuchtens en dan weer 's nuchtends of 's nuchtents bezigt.12) Toen het echter eens zoover was gekomen, toen was ook het oogenblik verschenen, dat het, behalve in zamenstellingen en bijwoordelijke uitdrukkingen,

[p. 128]

geheel of bijna geheel in onbruik geraakte oude vrouwelijke uchte onder een geheel nieuwe gedaante en met een veranderd geslacht tot een nieuwen werkkring zou worden geroepen.

Immers wat lag nu meer voor de hand dan dat men de adverbiale uitdrukkingen 's nuchtens, 's uchtens, 's nuchtends, 's nuchtents aanzag voor genitieven van een mannelijk substantief nuchten, uchten, nuchtend of unchtent. En alzoo is het ook geschied. Omtrent het midden der 17e eeuw, of misschien wel vroeger, leeft het mannelijke substantief uchtend reeds als een hart.

Immers zegt reeds Hooft N.H. 45: Zij blokten meenigmaals ... heele daaghen van den uchtent tot den avond; en Meijer verklaart in zijn Woordenschat matutin door uchtendtstondigh en aweit door uchtendzang. En zoo hebben dan die door velerlei vergissing in de wereld gekomen adverbiale uitdrukkingen nuchten, nuchtens, 's nuchtens, 's nuchtens, 's nuchtents en 's nuchtends, geholpen door 't uchten der zamenstellingen ochten- maal etc., in plaats van het vroegere vrouwelijke uchte een vonkelnieuw mannelijk substantief uchtend of ochtend in het aanzijn geroepen.

Dat juist uchtend (ochtend) het gebruikelijke woord werd, is grootendeels toeval: 't had natuurlijk ook wel nuchten, uchten of nuchtend kunnen worden.

't Zou dus ook wel mogelijk zijn, dat hier of daar een nominatief uchten (ochten) werd aangetroffen; maar die is dan noodzakelijk op de boven uiteenzette wijze bij vergissing uit een bij vergissing geboren 's uchtens of zamenstellingen als uchten-maal ontstaan, en 't zijn dus altoos deze adverbiale uitdrukkingen en en zamenstellingen, die men aan een onderzoek naar den oorsprong van het mannelijk uchtend ten grondslag moet leggen.

Dat nuchten of nuchtend in den struggle for life, die ook op 't gebied der taalvormen steeds gaande is, werkelijk een poos de zege aan uchtend heeft bewist, dat blijkt ten duidelijkste daaruit, dat naast ochten- maal ook nochten- maal in gebruik kwam, en dat Hooft, N.H. 419, het krieken des nuchtends, dat is den genitief van een nominatief nuchten bezigt; ja, in de woordenlijst van meergemelde Bloemlezing wordt nuchten als grondvorm van nuchtens opgegeven.13) Uchtend is echter in 't eind alleen

[p. 129]

meester van het slagveld gebleven, en nochten-maal is niet zoo gelukkig geweest als de Hd. Nebenmensch en Nebenchrist, die de Mhd. ebenmensch en ebenchristen volkomen hebben verdrongen.14)

Misschien zal het dezen en genen lezer, die zich met de voortgaande ontwikkeling der taalvormen niet zoo opzettelijk heeft bezig gehouden, niet zoo geheel aannemelijk voorkomen, dat uit zulk een nog wel bij vergissing in de wereld gekomen genitief 's uchtends of 's ochtends, dat, in sommige streken van ons land onder het volk zoo veelvuldig gebezigde, ochtend in gebruik kon raken. Om aan de gemoedsbezwaren van die dezen en genen eenigzins te gemoet te komen, merk ik op, dat hoe dieper men doordringt in de geschiedenis der taal- en begripsontwikkeling, het hoe langer hoe duidelijker begint te blijken, dat vergissing een der hoofdhefboomen dier ontwikkeling is geweest, en dat het een zeer gewoon en door tal van voorbeelden te staven verschijnsel is, dat door vergissing uit een verbogen vorm een nieuwe grondvorm (d.i. bij een werkwoord een nieuwe infinitief, bij een zelfst. naamwoord een nieuwe nominatief) in gebruik komt. 't Is door dusdanige vergissing, dat uit het imperf. wrochte (van werken) een nieuw infinitief wrochten is ontstaan, die Holtrop nog niet, maar Bomhoff wel heeft; zoo is uit het imperf. däuchte (van dünken) een nieuwe infinitief däuchten geboren, welk bij vergissing gevormde nieuwe infinitief reeds op weg is een splitsing van het begrip door dünken, uitgedrukt tot stand te brengen Maar wat voor ons geval hoogst leerzaam is, dat zijn die talrijke Nhd. nominatieven op n (gen. ens) als Balken, Ballen, Bogen, Braten, Daumen, Garten, Haufen, Husten, Kasten, Magen, Riemen, Spaten etc. etc. etc., die alle in 't Mhd. nog den nom. enk. op e en alle overige naamvallen op en hadden. Waaraan hebben die hunnen Nhduitschen nom. enk. op n te danken. Immers enkel en alleen hieraan, dat de verbogen n-vorm, die, gesteld dat alle naamvallen in 't gebruik beurt om beurt evenvaak voorkomen, zevenmaal vaker moest gehoord worden dan de onverbogen vorm op e, eindelijk voor den grondvorm werd aangezien, zoodat men niet Balke, Balle etc. etc. voor den eigenlijken nominatief hield, maar Balken, Ballen enz., enz. en ze ook als zoodanig behandelde, dat wil

[p. 130]

zeggen, deze reeds verbogen vormen, als waren 't echte onverbogen n-vormen, gelijk b.v. Morgen, Ofen etc., nog eens verboog, en in plaats van een genitief op n, die hun toekwam, een nagelnieuwen op ns gaf, waarop ze eigentlijk geen recht meer hadden.15)

Andere voorbeelden van grondvormen, die aan de veelvuldig voorkomende verbogen naamvallen hun ontstaan te danken hadden, levert ons de Fransche taal in woorden als sermon, tuteur, amour, ambition etc. etc., die alle deels door vorm en klem (amour, ambition), deels door den klem verraden, dat zij op de verbogen vormen amóris, tutóris, sermónis, ambitiónis en niet op de onverbogen vormen ámor, tútor, sermo en ambitio berusten. De inwoners van Gallië namen de Latijnsche woorden onder dien vorm over, dien ze 't meest hoorden en zagen. Ook zijn in 't Latijn zelf de nominatieven honos, arbos etc. door den invloed der verbogen honoris, arboris etc. in honor, arbor etc. overgegaan.

Deze voorbeelden waren gemakkelijk met vele andere uit verwante talen te vermeerderen, doch de gegevene zullen wel voldoende zijn, om te bewijzen hoe licht de spraakvormende gemeente bij vergissing uit een verbogen vorm een nieuwen grondvorm in 't leven roept.

En hiermede geloof ik, dat het opkomen van het tegenwoordige mannelijke uchtend of ochtend in plaats van het vroegere vrouwelijke uchte genoegzaam is in 't licht gesteld.16)

Ten slotte moet ik nog opmerken, dat het geheele beloop mijner bovenstaande redeneering meebrengt, dat ik ochend niet door inlassching uit ocht, maar door de clisie der t uit ochtend geboren acht; te meer daar het uitstooten der t uit cht in den volksmond zulk een gewoon verschijnsel is. De analogische gevallen door Dr. Cosijn op dit punt aangehaald zijn volkomen gezond ondanks de j in zuchtjes etc.; want in de gemeenzame en gewestelijke uitspraak gaat die j in i over, en toch blijft de elisie bestaan. Immers hoort men voor ‘wacht eens’ wel wach'ies, voor ‘zachtjes’ veel zach'ies, voor ‘wichtje’ wel wich'ie onder anderen in het welbekende

 
Lieve wichie!
 
God verlich'ie!
[p. 131]

en wat daar meer volgt in de studentikoze vertaling van:

 
Fille chère!
 
Dien 't éclaire etc.

Vele andere punten in den loop mijner uiteenzetting ter sprake gekomen, als ook den oorsprong van het woord uchte, dien ik meen gevonden te hebben, wil ik deels in een reeks aanteekeningen deels in een vervolg trachten af te handelen. Nu wil ik alleen nog een oogenblik stilstaan bij het ook bij Kiliaan voorkomende nuchte in plaats van nuchten. Men zou zich van dit nuchte naast nuchten kunnen afmaken door te zeggen, dat de n van nuchten door den invloed van het Hollandsch dialect verloren ging. Doch daar zou nog al iets tegen zijn in te brengen.

Ten eerste vertegenwoordigt Kiliaans Glossarium geenszins bij uitnemendheid, laat staan bij uitsluiting, het Hollandsche taaleigen, maar voces Brabantis in primis usitatas; zoodat we niet weten of nuchte wel een Hollandsche vorm is. Ja, 't is welhaast zeker, dat nuchten geen speciaal Hollandsche vorm is, aangezien de n van nuchten, voordat het wegvallen der slot-n in dezen tongval veld won, deels door de adverbiale s, deels door de aangehechte tongletter voor wegvallen werd behoed. Immers is ten tijde van Hooft, en dus meer nog voor Hooft, zelfs in 't Hollandsch volksdialect, blijkens de proeven ons daarvan in den Warnar van genoemden schrijver en in Bredero's Spaanschen Brabander en Moortje bewaard, het wegvallen der slot-n, behalve in attributief gebruikte bijv. uw. en verled. dlw., een tamelijk zeldzaam verschijnsel. Alle bezwaren vervallen echter, zoo we aannemen, dat uchte, schoon gewoonlijk zwak, toch ook, zooals zoomenig ander woord, wel sterk werd verbogen; zoodat men in plaats van het gebruikelijke en uchten soms ook en uchte bezigde, waaruit dan op dezelfde wijze nuchte voortsproot als uit en uchten later nuchten ontstond. Ten opzichte van deze veronderstelling kan ik met Newton zeggen: hypotheses non fingo; want zij steunt op vers 3463 van den Hêliand, waar niet zwak an uhtan maar sterk an uhta staat te lezen.