De taal- en letterbode. Jaargang 3


auteur: [tijdschrift] taal- en letterbode, De


bron: De taal- en letterbode. Jaargang 3. De erven F. Bohn, Haarlem 1872.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 143]

Lauwen, louwen, looien.
door Eelco Verwijs.

Onder de mnl. woorden, die nog niet afzonderlijk behandeld zijn en de aandacht der beoefenaars onzer mnl. taal en letterkunde niet schijnen te hebben getrokken, behoort ook het woord lauwen, of louwen, dat bij onze middeleeuwsche schrijvers herhaaldelijk voorkomt. Zoo lezen wij in den Lanc. 3, 19502:

 
Hi was nu in groter noet,
 
Want die worm met sinen clauwen
 
Wat dat hi conde gelauwen
 
Trac hi hem af, groet ende smal.

In den Wal. zit de held met jonkvrouwe Ysabele in den kerker. De kerkerwaarder, na eerst den ridder mishandeld te hebben, slaat ook de jonkvrouw, waarop Walewein in woede ontsteekt en hem toevoegt (vs. 9211 vlgg.):

 
‘Ja rybaud, hevestu teblouwen
 
Die joncfrouwe, het sal di rouwen.’
 
Ende hi ghelauwe metten handen
 
Met al siere cracht die banden
 
Ende tracse ontwe, die degen coene.
 
 
 
Vreselije liep hi te verwite
 
Na den quaden valscen dief,
 
Den carkerwarder, die sijn lief
 
Ende hem selven hadde teblonwen:
 
Hi ghelouwen bi der mouwen,
 
Daer hi doe ter selver ure
[p. 144]
 
Den enen voet hadde buter dure,
 
Daer trac hine ten quaden spele
 
Inwaert, ende namene bider kele.

In den Ferg. 3594 vlgg. lezen wij:

 
Die rese ghinken weder jaghen,
 
Ende hadden harde gherne gelout;
 
Maer Fergunt hem niet en betrout,
 
Hine liet den rese hem niet nacomen,
 
Want haddine anderwaerf genomen,
 
Die pelse mochte wel sijn bleven.

Bij Maerlant in de Nat. Bl. 3, 2145 (uitg. van Bormans 1, 347) vindt men op Garrulus de vergelijking van dezen vogel met sommige ‘menestrele’,

 
Die altoes sijn onghestade,
 
Ende callen vro ende spade
 
Vele boerden ende vele loghen,
 
Ende conterfaiten dat si moghen
 
Beide ridders ende papen,
 
Porters, vrouwen ende knapen,
 
Daer si scone om sijn gheplumet;
 
Maer dicke ghevalt dat selc tumet,
 
Als hi sijns niet nemet ware,
 
Metten helschen spereware,
 
Diene metten clauwen lauwet,
 
Als hi pijpt, blaest ende mauwet.

In de Nat. Bl. 5, 202, wordt van den walvisch gezegd1):

 
Sijn mont wijt, sijn gheswelch nauwe.
 
Al ist dat hi iet groets ghelauwe,
 
Et en mach liden niet die keele,
 
Want daer sijn cleenre gate in vele.
 
Bi clenen vischen moet hi leven.

Van den Mugilus heet het ald. 730:

 
Hie entie snoec onder hem beden
 
Sijn te wintre in veden;
 
Te somere so ist al vergheven,
 
Dats omdatsi bi proien leven,
 
Ente wintre de proie nauwet,
 
Daer elc gherne omme lauwet.
[p. 145]

In den Latijnschen tekst der Nat. Rer. leest men: ‘Quia hyeme rarus cibus est, pro quo dimicant.’

Ook in den Seghelijn (1517), fol. 21 a, treffen wij het woord aan. Wij lezen daar:

 
Vermaledijt moet sijn
 
Dese portier, hi is soe fel,
 
Dat moghen wi mercken wel.
 
Hi sluyt die poerte jeghen ons dus.
 
Bi den Here mijns Jhesus'
 
Hi salt ontgelden, mach icken gelouwen!
 
Dat sluten sal hem seer rouwen.

Nog vinden wij het in den Handel der Am. 215 (aangehaald bij Oudemans, Mnl. Wdb. 460):

 
Her, herwaert, kost ick u ghelouwen,
 
Ick weet wel ghy en zout my niet ontspringhen.

Op al deze plaatsen is de beteekenis van grijpen, pakken duidelijk.

Eene andere afgeleide beteekenis is die van krijgen, deelachtig worden.

In dien zin vinden wij het in Ene aensprake ende wedertale van minnen (Vad. Mus. 1, 375), 107:

 
Van hare schedic, bi onser Vrouwen,
 
Jammerlike ende met groten rouwen,
 
Want ic en spreker nemmermere
 
Van minnen ane, bi mijnre trouwen!
 
En si dat ic noch mocht ghelouwen
 
Troest, daer mi therte af es soe sere.

In de Disp. v. Rog. e.v. Janne (Kausler 3, 48), 932, vindt men:

 
Mi dincke dat gracie heeten moet
 
Uter Gods minnen eene vloet,
 
Sprutende van dauwe,
 
Die so helich es ende so goet,
 
Dat so hemele ende eerde voet
 
Mids haren aenscauwe.
 
Daer goetwillich es die moet,
 
Daer so vloyet so metter spoet:
 
Wel hem diese ghelauwe!

En aldaar vs. 501 vlgg., waar van de ziel gezegd wordt:

[p. 146]
 
Als lusten te porne beghinnen,
 
Wilsoe, so machse wel verwinnen
 
Ende bliven buten rauwen.
 
Maer rust so onder der lust vinnen,
 
Lust sal haer gracie ontspinnen,
 
Met ghenouchten crauwen,
 
Ende hare also ghelauwen.

d.i. in hare macht krijgen.

Verder in Dboeck der Amoureusheit, iiij vo. (aang. bij Oudemans, t.a.p.):

 
Laet my schoon lief u gracie ghelouwen,

en ald. vj.:

 
Al mochte ick tParadys sonder u ghelouwen.

Nog vinden we een znw. lou, in den zin van vangst, greep, dat in den Seghelijn, fol. 55 b voorkomt. Twee dieven bespreken hunne vangst, en de een zegt:

 
Wy en hadden nye so goeden proy
 
Tot eenen hope, tot eenen louwe.

Voor zoover mij bekend is, komt het ww. lauwen, in den zin van grijpen, pakken, in geen der verwante Germaansche talen voor. In het Vlaamsche taaleigen is lauwen of louwen evenwel nog bewaard gebleven, als onz. ww. in de beteekenis van reiken, zich uitrekken naar iets, d.i. grijpen, tasten naar iets. In De Bo's Westvl. Idiot. 612 worden de volgende voorbeelden van het gebruik medegedeeld: ‘Hij kan met de hand aan den zolder lauwen. Hij lauwde er naar met de hand, maar kon het niet krijgen. Hij heeft eene breuk gekregen van te hoog te lauwen.1)Louwen wijst ons op een stam , en dezen vinden wij wel in skr. , doch in den zin van losmaken, gr. λύω, lat. luo, waarmede de beteekenis van ons ww. niets gemeens heeft. Dr. Cosijn maakte mij evenwel opmerkzaam op een slavoonsch woord lovû, dat jacht, vangst, beteekent, en deelde mij eene plaats mede uit de oud slavoonsche bijbelvertaling, waar men Joh. 21, 3 leest:

[p. 147]
 
Glagola imu Simonu Petru: ida rybu lovitu’.
 
Sprak tot haar Simon Petrus: ik ga visschen vangen.1)

Dit oudslavoonsche ww. loviti wijst ons op een stam , die vangen, verkrijgen, winnen, moet hebben beteekend, en dien wij terugvinden in lat. lû-crum, winst, gr. ληΐς, en λεία d.i. ληϜ-ιδ- en λεϜ-α, buit, datgene wat verkregen of gewonnen wordt. Ook het goth. ww. lêvjan, fralêvjan, galêvjan (Schulze 205); ohd. lawjan (Graff 2, 294); ags. laevan (Ettm. 168), zal van dezen stam afgeleid zijn. Het is de causatiefvorm van en beteekent dus doen vatten, en bij uitbreiding overleveren, verraden. Het znw. lêva, gelegenheid, behoort insgelijks tot den stam , en is eigenlijk: datgene wat men aangrijpt.

Het znw. loon, goth. lau·na, ohd. lôn, ags. lôn, vindt uit den stam eene betere verklaring, die geheel voor de hand ligt,2) dan wanneer wij de toevlucht nemen tot Weigand's gewoon huismiddeltje, een zoekgeraakt ‘wurzelverbum, welches im Gothischen liunan (Prät. ich laun, wir lunum, Part. lunans) gelautet hätte und, wie auch das daraus entsprungene ahd. liunî (Dat. Sing. eines nicht mehr aufzuweisenden die liun = Zufall?) = vielleicht, zufällig an Hand geben dürfte, “zukommen, zu Theil werden” bedeutet haben wird’.3)

Van een geheel anderen stam is het ww. looien, leer bereiden, dat in het mnl. ook in den vorm louwen voorkomt, als blijkt uit Van Vr. e.v. Minne, 7, 10:

 
Pelsers die haer pelsen touwen,
 
Louwers die haer leder louwen.

De vorm louwen is ongetwijfeld de oudste, en later de ou in ooi overgegaan: verg. tooien en goth. tavjan; strooien en goth. straujan, mnl. strouwen (Van Vr. e.v.M., 7, 2); mnl. couwe en ons kooi; ooi en goth. avi enz. Bij Kil. vinden we loewen, tanen, tannen, en loewer, Sicamb. Colon. Coriarius. Dit woord nu is afgeleid van louwe, loo of loye, bij Kil. farina

[p. 148]

sive pulvis corticis quercinae, vulgo tanum, Gall. tan; ohd. (Graff 2, 33); mhd. (Ben. 1, 1040); nhd. loh, onz. en lohe, vr. (Weigand 21, 60; Schmeller, Bay. Wtb. (2 Ausg.), 1467). Waarschijnlijk is de looi, de bast van eiken en berken, waarmede men leder bereidt, aldus genoemd naar de oplossende kracht, welke zij bezit, en mag men het woord in verband brengen met den stam , skr. , gr. λύω, lat. luo, die losmaken, oplossen, beteekent, en waaruit ook loog, ohd. louga, mhd. louge, zal zijn ontstaan met wisseling der w en g, als in spuwen en spugen, ruw en ruig en andere.