De taal- en letterbode. Jaargang 4


auteur: [tijdschrift] taal- en letterbode, De


bron: De taal- en letterbode. Jaargang 4. De erven F. Bohn, Haarlem 1873.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 218]

Smeedde Bilderdijk ‘omwingerden’ of ‘omwingeren’?
door A. de Jager.

In de Vijfde Aflevering der Tweede Reeks van het Woordenboek der Nederlandsche Taal is Kol. 780 en 781 een artikel Omwingerden opgenomen. In eene Nalezing op die Aflevering (Tijdspiegel van 1 April 1873) teekende ik daarop aan: ‘Dit woord bestaat niet. Het betoog geef ik elders.’ Aan die toezegging ga ik thans te dezer plaatse voldoen.

Waarop grondt de Redactie het bestaan van het werkwoord omwingerden? Zij zegt: ‘Het ww. omwingerden is een uitsluitend dichterlijk woord van betrekkelijk jonge dagteekening en door Bilderdijk het eerst gebezigd. Ongetwijfeld werd eerst het verl. deelw. omwingerd, als bnw. genomen, door hem gebruikt, op dezelfde wijze als omadderd, ompegeld, enz. Dat het woord uitsluitend als deelw. kon gebezigd worden, lag ook in de welluidendheid, daar b.v. het tegenw. deelw. omwingerdend tegen alle wetten van goeden smaak zoude hebben aangedruischt. Toen dit deelw. intusschen als rijm op slingerend den dichter door 't hoofd speelde, stond hem de vorming van het woord zeker niet recht meer voor den geest, of liever, de etymoloog steunde zich op eene valsche afleiding. Volgens hem toch is wijngaard en het daaruit verbasterde wingerd van een ww.

[p. 219]

wingen, dat omwinden, omslingeren zou beteekenen. (Verkl. Gesl. 3, 263 en 268 op Wijngaard en Wingert). Van den frequentatieven vorm wingeren van dit onderstelde ww. vormde hij nu een ww. omwingeren, dat zich als welluidender boven omwingerden aanbeval, vooral wanneer het in andere tijden dan in het verl. deelw. en de daarmede samengestelde tijden moest worden gebezigd: omwingert, omwingerde, omwingerende.’

Als bewijsplaatsen worden uit 's Dichters werken aangevoerd de drie volgende:

 
De dag begon zich reeds allengskens in te trekken,
 
En Wijnmaand stak hel hoofd omwingerd in de lucht.
 
Geen norsche en woeste baard, die, mond en kaak omwingrend,
 
Een borst belommert, zelv' met stopplen overdekt.
 
Hy-zelf, hy zwaait een staf met klim en veil omwingerd.

De eerste dezer aangehaalde plaatsen is uit een dichtstuk van 1795, zie Mengelpoëzij, D. II, bl. 61; de tweede van 1812, uit de Affodillen, D. I, bl. 62, en de derde uit de vertaling van Ovid. Gedaantverw. van 1829, bl. 119.

Het verleden deelwoord omwingerd, dat in twee van de vermelde plaatsen voorkomt, laat den vorm der onbepaalde wijze onzeker; die kan zoowel omwingeren als omwingerden zijn. Doch het tegenwoordig deelwoord omwingerend, dat in de derde plaats wordt aangetroffen, is beslissend; het kan alleen van een werkwoord omwingeren, onmogelijk van een werkwoord omwingerden, afkomen. En desniettemin neemt de Redacte het laatste werkwoord als bestaande op, en het tweede niet.

'k Mag niet ontveinzen, dat de redeneering, waardoor zij tot zulk een vreemd besluit komt, mij hoogst zonderling toeschijnt. Niet het minste blijk of bewijs is geleverd, dat Bilderdijk, in 1795 het verleden deelwoord omwingerd gebruikende, daarbij dacht aan eene afleiding van het zelfst. naamw. wingerd. Het door hem in 1812 gebezigde tegenwoordig deelwoord omwingerend pleit voor het tegendeel, en zijne voor het eerst in 1822 uitgegevene Geslachtlijst bewijst dit volkomen. Daarm

[p. 220]

gewaagt hij van het werkwoord wingen als van een bestaand woord, dat hij door verwante of afgeleide vormen toelicht en staaft. Hij stelt het echter niet - gelijk de Redactie het doet voorkomen - als zeker, dat van dit wingen het zelfst. naamw. wingerd afkomt; hij acht het alleen mógelijk. Op de eene plaats zegt hij: ‘Wingert, zie Wijngaard. Zoo het echter niet een geheel ander woord als dit, en van wingen, omwinden, omslingeren, is.’ - Op de andere: ‘Wijngaard, M. als gaard. En dus van ouds in 't gebruik. Doch zoo beteekent het dan wijntuin, en men neemt het ook voor den wijnstok, dat is wijnstam. Het schijnt dus oorspronkelijk wijngaart, of wingert, van wingen, te zijn, dat in het Hoogduitsch wintzen is.’ Enz. - En elders nog: ‘Gaard, als wortel van gaarden... waarvan ook wijngaard mannelijk is, gelijk ook het Ital. giardino en Fransche jardin.’

Het geval is dus, dat Bilderdijk in zijne Geslachtlijst nu iets meer dan iets minder overhelt tot de meening, dat wingerd en wijngaard kan afstammen van wingen; maar dat, onafhankelijk van die meening, dit werkwoord wingen in ieder geval door hem wordt aangevoerd als een bekend, althans een door hem erkend woord, met de beteekenis van omwinden, omslingeren. Tien jaar vroeger vormde hij van dat zelfde wingen een frequentatief omwingeren. Welke reden kan er bestaan om te onderstellen, ja om het ontwijfelbaar te vinden, dat het nog vroeger door hem gebezigde omwingerd als niet van omwingeren, maar als van het zelfst. naamw. wingerd afgeleid moet worden beschouwd?

Daarenboven schijnt de Redactie niet bedacht te hebben, dat zij door hare bewering aan Bilderdijk, zonder de minste aanleiding, niet alleen eene veranderlijkheid van inzicht of onnadenkendheid toedicht, maar nog eene ongerijmde woordsmeding daarbij. Omadderen zegt op eene regelmatige wijze: adders om zich hebben, met adders omgeven of omringen; ompegelen evenzoo: met pegels omringen of bedekken. Omwingerden kan dus niet anders aanduiden dan: met wijngaarden omringen of bedekken. Maar, levert dit een' goeden zin? Ik zal niet zeggen,

[p. 221]

dat Bilderdijk bij het smeden van woorden altijd geheel onberispelijk te werk ging; doch de dwaasheid van een hoofd door wijngaarden te omringen of een baard onder het beeld van een' wijngaard voor te stellen, die mond en kaak omgeeft, mag men hem, zonder noodzaak, niet laten begaan. De uitdrukking zou gelijkstaan met omboogerden voor: met boomen omringen.

Ongelijk had Bilderdijk, ook naar mijn inzien, bij de verklaring van wijngaard of wingerd aan iets anders te denken, dan aan een gaard of tuin, waarin wijnstokken geplant zijn. De vorm wingerd of wingert, te onzent zoo gewoon, al vermelden hem Kiliaan noch Weiland, is even blijkelijk eene versnelde uitspraak van wijngaard als boogerd voor boomgaard, en het is opmerkelijk - om dit hier nog bij te voegen - dat hij niet alleen in onze taal, maar ook in verscheidene dialecten van het Hoogduitsch voorkomt. Von Klein (Deutsches Provinzialwörterb.) vermeldt hem als gebruikelijk te Coblentz; Kehrein (Volksspr. u. Volkssitte im Herz. Nassau) in Nassau (ook met den vorm wengert); Stalder (Vers. eines Schweiz. Idiot.) in Graubunderland, en Von Schmid (Schwäb. Wörterb.) in Wurtemberg, de laatste met de bijvoeging, dat de ng uitgesproken wordt als in klingen, geheel in overeenstemming met de uitspraak des nederlandschen volks.

Maar aan de andere zijde had de Dichter volkomen het recht, om een werkwoord te bezigen, dat zich regelmatig laat afleiden. Wingeren kan als frequentatief beschouwd worden van wingen, een werkwoord welks bestaan niet moeijelijk is aan te toonen. Bilderdijk wees reeds op het engelsche zelfst. naamw. wing, vleugel. Chambers verklaart dat etymologisch door ‘iets dat zich golvend beweegt’. Ook het noordfriesch bij Outzen heeft daarvoor winge, dat door dezen wordt vergeleken met het angs. gewing, deensch en zweedsch vinge, ijsl. wenge, met de bijvoeging dat het westfriesch swinge zegt, hetwelk ook Kiliaan als nederlandsch voor vleugel opgeeft. Gelijk tot dit laatste zelfst. naamw. het ww. zwingen behoort, bij Ten Kate, II, 575, en elders te vinden en bepaaldelijk volgens Epkema

[p. 222]

in het Friesch nog gebruikelijk voor heen- en wederslingeren, zoo wijst wing op een werkwoord wingen, dat dan ook gestaafd wordt door het engelsche to winge, bij Halliwell voor oprimpelen, het zwitsersche winggen, slingeren met handen en voeten, en andere afgeleide vormen, en derhalve niet, zooals de Redactie meent, bloot ‘ondersteld’ moet worden.

Heeft het voorgeslacht vroeger onze taal verrijkt met frequentatieven als zwingelen van zwingen, men zal dan een taalkundig dichter als Bilderdijk de bevoegdheid niet ontzeggen om van wingen een werkw. wingeren, en daarvan omwingeren af te leiden. De vorm des woords heeft niets onwelluidends, en de beteekenis van omwinden, omslingeren, er aan toegekend, is alleszins gepast. Het nieuwe woord werd dan ook, zooals het Woordenboek doet blijken, door andere dichters, met name Boxman, Meijer, Hasebroek, Hofdijk en De Genestet overgenomen. De Redactie had er kunnen bijvoegen, dat een ander dichter, t.w.H.H. Klijn, zich eenmaal van het werkw. wingeren, zonder om, heeft bediend.

Dat deze overneming, zooals de Redactie zegt, ‘misschien gedachteloos’ zou geschied zijn, is eene bewering, even ongegrond als hare verzekering, dat de gemelde afleiding ‘een gewrocht zou zijn van Bilderdijk's dichterlijke verbeelding’. Het staat, na het aangevoerde (meen ik), vast, dat omwingeren een bij ons bestaand werkwoord is, hetwelk eene plaats in het Woordenboek had geëischt. Aangaande het daarin verkeerdelijk opgenomen omwingerden geef ik met bescheidenheid in bedenking, of dat niet beschouwd moet worden als ontstaan uit eene onjuiste opvatting van de Redactie.