De taal- en letterbode. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] taal- en letterbode, De


bron: De taal- en letterbode. Jaargang 6. De erven F. Bohn, Haarlem 1875.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 91]

Swellen door J. Verdam.

De lezers van den Bode zullen zich waarschijnlijk herinneren, dat tot heden het bestaan van het Mnl. ww. swellen in den zin van te niet gaan, uitteren, door mij, zoo al niet ontkend, dan toch voor onwaarschijnlijk gehouden werd. (Zie V. 48-50 en 223 noot). Thans evenwel heeft de twijfel daaromtrent bij mij opgehouden en haast ik mij, mede te deelen, dat swellen in den boven aangegeven zin wel degelijk Middelnederlandsch is. Swellen en swelten bestonden naast elkaar, evenals nog stollen en stolten. Bij de herlezing van den Rijmbijbel heb ik twee plaatsen gevonden, die geheel met die uit de Brab. Y. (zie Bode V. 48) overeenstemmen, en wie weet, op hoevele plaatsen het nog schuilt, alleen onopgemerkt door gelijkheid in vorm met het thans nog gebruikelijke zwellen. De plaatsen uit den Rijmb. zijn:

vs. 32421:

 
Die van hongre gheswollen lach,
 
Dien wondden si sonder dootslach.

en 32687:

 
Doese (de lijken) Titus daer ghesach,
 
Hoe elc daer gheswollen lach,
 
Hi versuchte met herten sere.

Voeg nu daarbij Brab. Y. II. 813.

 
(Si) swollen van honghere groot,
[p. 92]

dan levert het Mnl. al drie bekende voorbeelden van dit ww. op. Misschien is het ook door Maerlant, den dichter van den Rijmb., bedoeld Wap. Mart. I. 531.

 
avontuere wast ende swelt,

maar op die plaats is het niet uit te maken, of het ww. swellen dan wel swelten is1).

Op de eerst aangehaalde plaats uit den Rijmb. (vs 32421) treffen wij in het Hs. C, ongetwijfeld het beste, een kostbaar woord aan, dat, zoover ik weet, in deze bet. nergens anders voorkomt, nl. het ww. teswellen, waarin te de gewone beteekenis heeft van uiteen-, ver-. D. zer Gr. διὰ. Lat. dis. Vgl. tebreken, tebarenteren, tebersten, teblouwen, teblasen, tegaen, teganghen, tecesseren, tefalgieren, tecomen, tegliden, tecloven, telivereren, temayeren, temaken, teriten, testoren, tevallen, tewriven Teswellen is dus synoniem van swellen, maar geeft een nog sterkeren graad van uittering aan. Op nog ééne andere plaats gebruikt Maerlant teswellen, nl. Sp. III4, 7,94:

 
Alse hem dus waren gegegen
 
So vele slaghen, dat hi bebloet
 
Ende al oec teswollen stoet,

waar men geneigd zou zijn, aan de bovengenoemde bet. van uitteren te denken, maar het Latijn van Vincentius: ‘corpus intumescens vulneribus,’ verbiedt aan iets anders dan aan opzwellen te denken. In deze bet. komt het woord reeds in het Ohd. voor (zisuellan Graff VI. 874). In het Mhd. luidt het zeswille (ich schwelle aus einander, erweitere mich schwellend Benecke

[p. 93]

II2, 792.) Ook in het mhd. heeft swellen de bet. van ‘het ziekelijk opzwellen der leden van het lichaam.’

Te- heeft dus in teswellen de bet. van uitzetting gekregen, immers wat uiteenzwelt, wordt grooter of opgeblazen. In nog één werkw. heeft te- dezelfde wijziging van beteekenis ondergaan, nl. in teblasen d.i. opblasen, mhd. zeblâse. (Ben. I. 201, waar het in verbinding met zeswellen voorkomt). Voorbeelden van dit ww. vindt men:

 

Franc. 6682.

 
Int bisscopdoem van Reatine
 
Was een kint, dat doochde pine,
 
Want het so teblasen sceen,
 
Dat niet mochte sien sine been.

Sp. III2, 45, 50.

 
desen
 
Sagen wi so teblasen wesen.

Vinc: ‘hunc vidimus tanto corporis tumore distentum.

III4, 40, 34.

 
Dat hi al teblasen lach,
 
Als ene blase vul van winde.

Vinc: ‘cernens omnibus venis inflatam cutem et ad utris instar tensa vitalia.’

Heim. d. Heim. 979.

 
Der cranker maghe tekine sijn claer,
 
Als die lichame es trage ende swaer,
 
Ende men tanscijn teblasen siet.

Er blijft nu nog ééne, en wel eene zeer benauwende plaats over, nl. Rijmb. 32660.

 
Die jongelinge entie maegde,
 
Die ghingen teblasen openbare,
 
Als oft een ghespeerte ware,
 
Ende vielen, daer si ghinghen, doot.

Hier, zou men zeggen, moet teblasen de beteekenis hebben van teswellen = uitteren, en niet van teswellen = opzwellen,

[p. 94]

want hoe kan men van honger opzwellen en dik worden? Ware dit zoo, dan zou ‘si swollen van hongere’ (Brab. Y.) het hedendaagsche swellen bevatten en het juist ontdekte swellen = deficere even spoedig weder moeten verdwijnen als het gekomen is. Teblasen kan natuurlijk oorspronkelijk alleen beteekenen opblasen, maar zou het niet mogelijk zijn, dat de twee opvattingen van teswellen van invloed geweest zijn op het geheel gelijk gevormde teblasen, en dat dit daardoor ook den zin van wegkwijnen heeft aangenomen? Deze redeneering is, dunkt mij, niet ongerijmd en zou in de plaats uit den Rijmb. tot de juiste beteekenis van teblasen leiden, maar - en hier zit nu de moeilijkheid - het Latijn van Comestor heeft:’ Pueri autem et juvenes ex fame intumescentes, veluti simulacra1) quaedam per fora oberrabant’. Zou men, dit lezende, niet geneigd zijn te denken aan eene verkeerde vertaling van het Middelnederlandsch in het Latijn, terwijl toch juist het tegengestelde heeft plaats gehad? Of zou Maerlant het Latijn zoo gedachteloos en onnoozel hebben vertaald? Indien dit zoo is, dan wordt de critiek der Mnl. teksten inderdaad zeer moeilijk, want dan zou men overal kunnen vreezen, met volslagen onzin te doen te hebben. Misschien ook heeft intumescentes eene ons onbekende (en niet bij Du Cange vermelde) beteekenis gehad. Hoe het zij, het is mij voor het oogenblik genoeg, de aandacht op het ww. teblasen gevestigd te hebben. Misschien kan een der lezers van den Bode de zaak tot klaarheid brengen.