|
|
|
| |
| | | |
Spreektaal en schrijftaal in het Nederlandsch.
De klacht over den grooten afstand tusschen onze algemeene schrijftaal en onze beschaafde spreektaal is reeds vrij oud. Geen wonder: in weinig talen is het onderscheid tusschen de mondelinge en de schriftelijke uiting der gedachten zoo scherp geteekend, zoo in 't oog vallend als in het Nederlandsch. Het is met onze taal wel niet zoover gekomen als met het Sanskrit en het Latijn: daar is de taal op een zeker punt van ontwikkeling en beschaving als het ware gefixeerd, alle beweging en groei is haar verboden, zij leeft alleen in schijn als schrijf taal, op 't papier, of in den mond van priesters of geleerden, als kunstmatige spreek taal voort; de levende volks spraak daarentegen is zich natuurlijk en geleidelijk blijven vervormen, en heeft zich in een later tijdperk opnieuw tot eene beschaafde spreek- en schrijftaal ontwikkeld, die thans geheel zelfstandig en onafhankelijk naast de oudere zuster staat.
Evenmin kan men den toestand te onzent gelijkstellen met dien in het hedendaagsche Griekenland of in Noorwegen, waar, nadat de volkstaal eeuwenlang zonder eenige cultuur als een wilde plant was opgegroeid, in onze eeuw eene beschaafde schrijftaal niet van zelf is geworden, maar met voordacht, naar een vooraf bepaald plan, door letterkundigen is samengesteld, uit of in aansluiting aan lang verouderde taalvormen of aan een of meer levende tongvallen, doch buiten verband met ééne werkelijk algemeene, beschaafde spreektaal1).
Maar al staat het bij ons niet zóó treurig geschapen, toch verschillen de gesproken en de geschreven taal zeker genoeg om de herhaalde klachten en voorslagen tot verbetering te wettigen. Men is het er vrij wel over eens dat schrijftaal en spreektaal bij ons nog lang niet verzoend zijn. Doch tevens wordt algemeen erkend dat er in deze eeuw eene belangrijke toenadering tusschen beide heeft plaats gehad, waarbij door de eerste zeker wel de meeste concessiën zijn gedaan. Of deze op den duur ook latere geslachten zullen bevredigen, moet de tijd leeren. Dit is zeker dat de schrijftaal thans weder van verschillende zijden, te recht of ten onrechte, heftige aanvallen heeft te verduren: ‘stijf, schoolsch, boekachtig, pedant, conventioneel,
| | | | preutsch, onnatuurlijk’ zijn de weinig vereerende praedicaten, die haar veelal worden toegekend.
Volgens de aanhangers van ‘De Nieuwe Gids’ staat onze schrijftaal nog altijd veel te veel onder den invloed van traditie en conventie; zal zij weder waar, eenvoudig, natuurlijk worden, dan moeten er nog tal van verouderde vormen en zinswendingen, allerlei afgezaagde vergelijkingen opgeruimd, dan moet vooral nog veel versleten, niet meer levende beeldspraak, kortom de geijkte, zoogenaamde ‘dichterlijke taal’ afgeschaft. Uit den dialoog weren zij met eene tot dusverre ongekende angstvallige zorg alles wat niet werkelijk juist zóó in het dagelijksch leven gezegd wordt; de geringste afwijking daarvan wordt door hen bij anderen met onverbiddelijke gestrengheid gewraakt. Dat de taal der gedichten, beschrijvingen en beoordeelingen in ‘De Nieuwe Gids’ voor den oningewijde zulk een wonderlijk mengelmoes vertoont van woorden, uitdrukkingen en wendingen die tot nog toe door iedereen dagelijks gezegd, maar zelden of nooit geschreven waren, en van zulke die, voortgevloeid uit eene geheel individueele ‘stemming’ (of wellicht altemet uit pure nieuwigheidszucht?), door niemand anders geschreven, gezegd, of ook zelfs maar verstaan worden, is met het bovenstaande niet in strijd: hunne kunstrichting is geheel persoonlijk, individueel, en komt dus in botsing met al wat door hen conventioneel genoemd wordt.
Aan een anderen kant der vesting wordt stormgeloopen door de rustelooze strijders voor gewestelijke taal, de Westvlaamsche zoogenaamde ‘taalparticularisten’, in het Noorden door Johan Winkler toegejuicht en gesteund1), door de meesten (in Zuid-Nederland vooral om kerkelijk-staatkundige redenen) met hartstocht bestreden, of met smadelijke minachting bejegend.
En van eene derde zijde wordt de zuiverheid der Nederlandsche schrijftaal, op gansch andere wijze, bedreigd door een heerleger van bastaardwoorden en barbarismen, die uit de taal van het maatschappelijk en wetenschappelijk, min of meer cosmopolitisch verkeer door vertaalde en niet-vertaalde werken, maar vooral door de dagbladen binnendringen.
Men is niet eenstemmig in de beantwoording der vraag, of tegen dezen stroom van ‘neologismen, provincialismen, idiotismen en barbarismen’ het ‘purisme’ van gezaghebbende schrijvers, van taalkundigen of van een Woordenboek veel zal vermogen, en of zoodanige ‘taalpolitie’ wenschelijk is.
Sommigen beweren (maar anderen ontkennen2)) dat onze spreektaal in de laatste eeuw nauwkeuriger, kiescher, beschaafder is geworden; ook hieromtrent zal men het bij gemis aan voldoende gegevens wel niet eens worden; alleen eene phonographische reproductie van de gesprekken onzer voorvaderen zou
| | | | hier eigenlijk de gewenschte zekerheid kunnen verschaffen! Even onvruchtbaar zijn bespiegelingen over wat in dezen voor de toekomst wenschelijk of waarschijnlijk is: men zal rustig de taal aan zichzelve of liever aan de spraakmakende gemeente dienen over te laten. Het is dan ook mijn voornemen, hier voornamelijk over de oorzaken van het verschijnsel, en wel voornamelijk over eene daarvan, te handelen. Vooraf ga echter eene bespreking van eenige voorname punten van verschil tusschen onze gesproken en onze geschreven taal, ten einde door deze voorbeelden het besef te verlevendigen dat er een wijde kloof tusschen beide gaapt; immers wij zijn zoozeer aan dat verschil gewend, dat het ons niet meer hindert en wij ons nauwelijks bewust zijn dat wij in menig opzicht anders schrijven dan wij spreken.
Om te beginnen met enkele werkwoorden: in de gewone spreektaal zeggen wij alleen gooien, nooit werpen, meestal sturen en krijgen, zelden zenden en ontvangen; in geschrifte daarentegen klinkt sturen vrij gemeenzaam, gooien zelfs min of meer plat. Wij zeggen gewoonlijk van iemand houden, huilen, een kleur krijgen, een zoen geven; maar deze uitdrukkingen stuiten ons, vreemd genoeg, zoodra wij ze, behalve in den zeer gemeenzamen stijl, geschreven zien; daarentegen klinken de woorden der schrijftaal voor diezelfde begrippen: beminnen of liefhebben, weenen of schreien, blozen, kussen ons meerendeels zóó ondraaglijk boekachtig, dat ze ons, met uitzondering van liefhebben en schreien, bijna niet over de lippen willen. Wij zeggen meest goedvinden, maar vervangen dit al schrijvende gaarne door goedkeuren. In de taalkunde zegt men dat een woord, of een stam in eene jongere afleiding of samenstelling zit (b.v.: in gemaal zit waarschijnlijk hetzelfde ohd. mahal als in om iets malen), maar dit is niet door schriftelijk gebruik geijkt, wordt daarom vermeden en veelal vervangen door schuilt1), dat echter een noodeloos geheimzinnig aanzien aan de zaak geeft en ook door niemand gezegd wordt.
Voorts zijn er verscheidene werkwoorden met ge- of met be- afgeleid, die in de spreektaal altijd of bijna altijd die voorvoegsels missen; zoo b.v.:
| hoeven |
- |
behoeven |
| hooren |
- |
behooren (toebehooren of verplicht zijn) |
| merken |
- |
bemerken |
| lijken |
- |
gelijken |
| lukken |
- |
gelukken |
| raken |
- |
geraken (ergens in -, uit -) |
| voelen |
- |
gevoelen |
| wennen |
- |
gewennen enz. |
Onder de znw. noem ik b.v. het uitsluitend gebruik van Mijnheer (Meneer) bij het aanspreken, terwijl in de schrijftaal, hetzij in den doorloopenden zin, hetzij op adressen of aan het hoofd van brieven bijna altijd De(n) Heer(e) (in den vocat. Heer) wordt gebezigd, dat niemand ooit zegt. Een dergelijk verschil bestaat er tusschen broer en broeder. Niemand spreekt van zijn broeder. Maar de
| | | | samengetrokken vorm broer, de eenige dien de levende taal kent, schijnt ons op het papier al te gemeenzaam, ja min of meer plat.
Zoo zijn er verscheidene gevallen waar wij twee woorden hebben, één voor dagelijksch, huiselijk gebruik, en één waarvan wij ons uitsluitend in geschrifte bedienen. In de eerste plaats dient hier genoemd mooi naast fraai of schoon. Voor een Amsterdammer, en ik geloof te mogen zeggen voor het meerendeel der beschaafde Nederlanders, is mooi het eenige woord, dat men van kindsbeen af in de levende, werkelijk gesproken moedertaal kent voor het begrip van fr. beau; daarnaast staat wel schoon, maar - alleen in de bet.: zindelijk, frisch, gewasschen; fraai is bij kinderen en bij het volk volslagen onbekend. En die woorden fraai en schoon (in den zin van fr. beau), die men pas later op school uit de boeken leert kennen, blijven dan ook ‘boekenwoorden,’ zij verliezen voor het taalgevoel van een Hollander nimmer hunne ‘deftigheid’; eene schoone vrouw, een fraaie tuin, in het dagelijksch leven gezegd, klinkt, in mijn oor althans, gemaakt en stijf, of wel ironisch.
Ook aangenaam is zulk een boekenwoord: de spreektaal gebruikt verschillende andere woorden.
Evenals bij de ww. vinden wij ook bij de bnw. enkele woordenparen zonder en met ge-. Wanneer wij natuurlijk spreken, zeggen wij alleen heel, streng, trouw en wis, doch wij schrijven veelal gestreng, getrouw, gewis en bijna uitsluitend geheel: de heele week, het heele boek, schijnt ons al te veel met onze gewone manier van spreken overeen te komen!
Het zwakste punt, de meest kwetsbare plek onzer taal is zeker wel het pers. vnw. van den 2den pers. Onze Hollandsche en Noordnederlandsche beschaafde spreektaal kent hiervoor geene andere vormen dan jij (je) en U, die echter in poëzie, in den hoogeren stijl, kortom in de boekentaal niet worden geduld. En omgekeerd is het woord dat dáár bij uitsluiting heerscht, gij, in de levende taal volstrekt ongebruikelijk: iemand die met gij begint, maakt op ons den indruk dat hij eene plechtige redevoering gaat houden; hetgeen hij zegt is door dat ééne woordje plotseling als 't ware witgedast en zwartgerokt geworden; zelfs in toasten, en, als ik mij niet bedrieg, ook in de rechtzaal hoort men veelal jij en U. Vooral op het tooneel en bij het schrijven van vertrouwelijke brieven geraakt men hierdoor in verlegenheid: het gebruik van gij in een alledaagsch gesprek op het tooneel is niet te vereenigen met een ongedwongen, natuurlijk spel, en ook in een brief klinkt het velen onuitstaanbaar stijf. Anderen daarentegen hebben een evenzeer begrijpelijken afkeer van het onwelluidende, bijna ‘uitjouwende’ jij en jou, jouw en jouwe in brieven. Men redt zich dan gewoonlijk uit de moeilijkheid door eene stijllooze afwisseling van jij (of U) en gij, of meent een onschuldigen tusschenvorm, die noch het taalgevoel noch den smaak kwetst, gevonden te hebben in je of ge, ook wel door elkaar gebruikt; maar laatstgenoemde toonlooze vormen zijn weer niet bruikbaar in gevallen waar nadruk vereischt wordt! Niet ten onrechte heeft men dezen toestand een ramp genoemd.
| | | |
Hun wordt in de gesproken taal gebruikt als 3de en 4de nv. mv. van het persoonlijk vnw. en bovendien als bezittelijk vnw. voor alle geslachten. De conservatieve schrijftaal bezigt hun alleen als 3den nv. mv. van het pers. en als bezitt. vnw. voor het mann. en onz.; in den 4den nv. mann. en onz. mv. daarentegen schrijven wij hen (of ze), als 3den en 4den nv. mv. van het pers., en als bezitt. vnw. van het vrouw. geslacht haar (of heur). Maar een Hollander kan deze vormen hen, heur of haar (in deze gevallen) in het dagelijksch leven zonder gemaaktheid niet gebruiken; ze komen hem nooit vanzelf over de lippen.
Ondanks den eisch der spraakkunst om wie te gebruiken in zinnen als wie eens steelt is een dief, kent de gewone omgangstaal hier bijna alleen die.
Dezelfde betrekking bestaat tusschen waar en daar; gezonde, ongekunstelde taal is: daar 't geld is, wil het geld wezen, en ook de zaak daar je gisteren van sprak, niet: waar.
Zoo bezigen wij als bijwoorden van graad vooral heel en erg, doch schrijven doorgaans zeer, een woord dat het echte Hollandsch alleen als znw. of bnw. in den zin van: ‘pijn, pijnlijk’ kent. Evenzoo is het met heelemaal - geheel en al, een beetje - een weinig, al - reeds, gauw - spoedig, graag - gaarne, vandaag - heden, maar - slechts. De eerstgenoemde zijn de eigenlijke volkswoorden, de laatste behooren tot den zoogenaamden ‘papieren stijl’. Iemand die in het dagelijksch leven zeide: Wilt gij mij die boeken spoedig zenden. Het heeft hedennacht slechts twee graden gevroren. Ik zou zeer gaarne een weinig vroeger vertrekken zou als een ondraaglijk pedante schoolvos worden bespot. Een Franschman zou alleen zeggen: ‘Mais cela ne se dit pas’, en daarmede ware in 't Fransch eene uitdrukking voorgoed veroordeeld.
Te wordt in de spreektaal gebruikt vóór den infinitief, in enkele oude verbindingen als te boek, te leur, te niet enz., en bovendien als bijw. in den zin van lat. nimis, maar niet, gelijk in de schrijftaal, als plaats- en tijdbepalend voorzetsel. Hij woont te Amsterdam is geen natuurlijke taal, men zegt in. Nooit zal men hooren zeggen, dat eene vergadering te zeven uren aanvangt; hetzij wij bedoelen klokke zeven, of omstreeks zeven, wij zeggen alleen: om zeven uur.
Ook leert men wel op school, dat het invoegen van om voor een infinitief niet in alle gevallen geoorloofd is, maar in spijt van spraakkunst en woordenboek voegt men bijna altijd om in en zegt b.v. wat (en niet welk) een vreemde gewoonte van die(n) man om enz. Het is een genot om enz.
Het voorzetsel naar en de onderscheiding van na en naar is ons alleen uit de boeken bekend: het Hollandsch heeft alleen na.
Evenzoo zal een Hollander die ‘zijn moers taal spreekt’ niet aan, maar an zeggen, ook in samenstellingen als angeven, antrekken enz.1)
| | | |
Van de voegwoorden noem ik als in plaats van dan na comparatieven en na niemand of niets: Hollanders, of liever Nederlanders die geen bestudeerde taal spreken, zeggen nog meestal grooter.... als.
Eindelijk och - ach; het laatste, het boekenwoord komt in de gesproken taal zoogoed als nooit voor: alleen bij eene uiting van ongeduld of wrevel hoort men het wel eens, voor 't overige is och de gewone uitroep bij allerlei aandoeningen, ook bij leed en smart; het herhaald gebruik van ach in de gesprekken van Couperus' roman Eline Vere, waarin de gewone, natuurlijke toon en taal der hoogere kringen anders zoo uitstekend getroffen is, heeft mij telkens gehinderd1).
Bijzondere vermelding verdienen hier nog woorden die evenals an - aan in twee vormen voorkomen, zooals klein - kleen, toon - teen, bleu - bloode, en vooral wisselvormen met u (ui) en ie: duur - dier, vuur - vier, besturen - bestieren, kuiken - kieken, ruiken - rieken, luiden - lieden, duitsch - dietsch en ook huiden - heden.
In Holland, of liever in de algemeene Noordnederlandsche spreektaal zijn de vormen met u of ui in werkelijk gebruik (behalve huiden dat verouderd is); die met ie behooren tot de geschreven taal, meestal zelfs uitsluitend tot den hoogeren stijl. In enkele dezer gevallen is er later een onderscheid in beteekenis ontstaan of gemaakt tusschen dergelijke ‘tweelingwoorden’, zooals tusschen besturen en bestieren, ruiken en rieken (evenals tusschen na en naar); de meesten dier onderscheidingen zijn echter kunstmatig en niet in de eigenlijke volkstaal doorgedrongen: alleen dichters en spraakkunstenaars zeggen bij ons dat eene bloem riekt.
Het ligt natuurlijk buiten mijn bestek, hier de talrijke gevallen te noemen, waar de spreektaal een uitheemsch woord gebruikt (visite, diner, plezier enz.), terwijl het Nederlandsche woord voor deftig, officieel gebruik bewaard blijft.
Van de woorden overgaande tot de woordvormen2), vinden wij in de declinatie allereerst de doorgaande omschrijving van alle genitieven met des en der door van den en van de (of eigenlijk alleen het laatste), of door zijn of haar (zěen, děer): Die vrouw děer kind is ziek. Onze spreektaal staat (naar 't schijnt reeds lang) op ongeveer hetzelfde punt van deflectie, dat in het Engelsch ook door de schrijftaal is erkend en gewettigd; alleen van eigennamen en van enkele als zoodanig beschouwde woorden als vader, moeder enz. (wanneer zij aan het regeerend znw. voorafgaan) en van zelfstandig gebruikte adjectieven in het onz. is de 2de nv. op s (voor het fem. zoogoed als voor het masc.) nog in gebruik (moeders armen, iets goeds enz.); voor 't overige zijn de eigen- | | | | lijke, onomschreven genitieven bij ons lang dood en begraven; zij leven alleen nog in schijn, d.w.z. op het papier.
Van eene verbuiging der bezitt. vnw. en der lidw. is eveneens reeds sedert eeuwen geen sprake meer; hier hebben de geapocopeerde vormen een, mijn, haar enz. voor eenen, mijne enz. echter in onzen tijd ook in de boekentaal weder toegang gevonden.
Een zeer gewichtig punt is het teloorgaan van het onderscheid tusschen het grammatisch mannelijk en vrouwelijk geslacht, dat in de schrijftaal kunstmatig gehandhaafd of liever in de laatste eeuwen door de taalkundigen hersteld, in de spreektaal sedert lang nagenoeg geheel verdwenen is. Alles wat zich niet door het duidelijk kenmerkende lidw. het onderscheidt wordt in de spreektaal in alle nv. van enkelv. en meerv. door het eenvormige de voorafgegaan, maar is voor ons taalgevoel manlijk, zoowel levenlooze voorwerpen als levende dieren: niet alleen dat een timmerman, van eene tafel of eene kast sprekende, zegt: hij moet naar den winkel of we kunnen hem ('m) niet optillen, en dat iemand die in plaats daarvan dorst zeggen zij, uitgelachen of niet begrepen zou worden, maar ook alle levende wezens (uitgezonderd de mensch), zelfs zoo onmiskenbaar vrouwelijke huisdieren als de kip en de koe heeten hij; ja, indien ik mij niet bedrieg, zeggen zelfs de boeren van eene koe dat hij (i) moet kalven! Alleen de kat of poes wordt wel eens liefkoozend zij genoemd. Kortom alleen het onzijdig geslacht wordt nog werkelijk onderscheiden, het taalkundig vrouwelijk geslacht van dieren en voorwerpen bestaat alleen nog in de spraakkunst en de letterkunde: in twijfelachtige gevallen kan men niet meer met de levende taal te rade gaan, maar moet het geslacht van een woord bepalen naar doode taalregels, of naar het gebruik bij oude schijvers. Ook hier is wat bij ons eene slordigheid der spreektaal heet, in het Engelsch reeds lang door de schrijftaal
erkend.
In de vervoeging der ww. is de conjunctief voorgoed afgeschaft; niet alleen de eigenlijke conjunctief in afhankelijke zinnen als ik hoop dat het lukt (of: zal lukken) iplv. gelukke of moge gelukken, maar ook de optatief wordt meestal vervangen door het praes. of fut. indic.: God zegent je! Lang zal-ie leven! God zal je gezond laten! waarnaast nog enkele versteende formules als God bewaar me! Leve Willem III! enz.
In het praeteritum der ww. als lezen en nemen zijn de meervoudsvormen met â, in den 1sten en 3den persoon meestal, in den 2den pers. altijd verdrongen door die van het enkelv. met Ăa: wij of zij gavve(n), lazze(n), namme(n)1) enz. heeten, hoewel in dagelijksch gebruik niet ongewoon, nog min of meer plat; maar wij kunnen niet anders zeggen dan: je of U sprak, nam, stal, at, las, zat, was. De schrijftaal daarentegen kent alleen gij spraakt, naamt, staalt, laast, waart; maar gij aat, gij baadt, en gij zaat, hoewel volkomen
| | | | regelmatig, klinken zoo vreemd en ongebruikelijk, dat zij vermoedelijk zelfs in geschrifte zelden of nooit zullen gevonden worden1).
Diezelfde 2de pers. van den verleden tijd mist verder, niet alleen bij de sterke, maar bij alle ww. de t: je of U drong, trok, kreeg, lei, wandelde, kon, was iplv. gij drongt, kreegt, leidet, wandeldet, kondt, waart. En bij inversie, wanneer het vnw. enclitisch achter het ww. komt te staan, valt de t altijd, ook in de meest beschaafde taal, zoowel in het praet. als in het praesens weg: loop-je, ging-je, heb-je, ben-je, doe-je, dee-je iplv. loopt-ge, gingt-ge, deedt-ge enz.2)
Echt-Hollandsch is ook de verwarring van kennen en kunnen, leggen en liggen; de richtige onderscheiding dezer ww. wordt een Hollander eerst door school en opvoeding tot gewoonte (die trouwens ook hier tot eene tweede natuur kan worden).
Ik zee, we zeeje(n), wordt in beschaafde taal thans meestal vervangen door zei en zeie(n), maar ik ben met mijn werk uitges cheiden, hoezeer grammaticaal juist, wordt door een Hollander nauwelijks verstaan: het is hem zoogoed als onmogelijk iets anders te zeggen dan uitgescheeje(n).
Hadden de laatstgenoemde gevallen reeds betrekking op het vocalisme, ook op andere punten wijkt de gewone Hollandsche uitspraak af van de door de spelling geëischte. In de eerste plaats worden alle slot-n's na eene toonlooze ě sedert lang niet meer uitgesproken3). Wederom niets anders dan hetgeen in 't Engelsch, voor 't overige in zijne spelling zoo achterlijk, in vele gevallen reeds sinds eenige eeuwen door de schrijftaal bekrachtigd is4).
In plaats van eene d spreekt men5) tusschen twee klinkers eene j of w uit: goeje, Leie, sneeje, zouwe iplv. goede(n), Leiden, snede(n), zoude(n). Een Hollander die hier de slot-n laat hooren spreekt gemaakt, en ook de uitspraak met d gaat hem niet te best af. Voorts de ou iplv. u in nou, douwe(n), stouwe(n), waarschouwe(n) voor nu, duwen, stuwen, waarschuwen enz.: douwe(n) en waarschouwe(n) gelden nu voor plat, nu en stuwen daarentegen klinken in veler oor min of meer nuffig. Ook -ie in de verkleinwoorden iplv. -je (koppie, boompie enz.) wordt tegenwoordig, als plat, meer en meer fatsoenshalve dus opzettelijk vermeden; toch spreken de kinderen en het volk altijd zoo, en volwassen beschaafde personen vervallen, wanneer zij vertrouwelijk, snel, driftig, in 't algemeen,
| | | | onbestudeerd spreken, van zelf weder in die platte maar natuurlijke uitspraak, die hun van kindsbeen eigen is geweest. Evenzoo hoort men meestal komme(n), grovve voor komen, grove.
Tot dusverre was er altijd sprake van een hoorbaar verschil, in woorden of klanken, tusschen spreektaal en schrijftaal. Er bestaat echter ook een verschil dat alleen zichtbaar is, namelijk waar de schrijftaal nog steeds een onderscheid in acht neemt tusschen twee letterteekens, waaraan in de spreektaal geen onderscheid in klanken meer beantwoordt, en dus een der teekens thans eene andere waarde heeft dan vanouds het geval was1). Op dit punt hebben wij over 't algemeen inderdaad niet te klagen: vergelijkt men onze spelling met de volslagen verouderde, onredelijke spelling van het Fransch of het Engelsch, waar vaak hetzelfde letterteeken op drie of vier verschillende wijzen wordt uitgesproken, en omgekeerd dezelfde klank op drie of vier verschillende wijzen gespeld2), dan is onze orthographie werkelijk eenvoudig en gemakkelijk. Toch zijn er enkele hoofdpunten, zooals de onderscheiding tusschen de zacht- en de scherpheldere e en o, ij en ei, ou en au, s en sch3), tusschen de samenstellingen met en zonder -n- (hanepoot, naast hanengekraai en derg.), tusschen eene slot-b en -p, -d en -t, -g en -ch, waarvan de algemeene beschaafde spreektaal niets weet: in het moderne Hollandsch worden de zacht- en de scherpheldere e en o gelijkelijk als ē en ō ij en ei als ei, ou en au gelijkelijk als ou, s en sch als s, alle samenstellingen alsof er geen -n- stond (zelfs met een hiaat: eende-ei), en alle -b,
-d, -g als -p, -t, -ch uitgesproken4).
| | | |
Aan het einde dezer (lang niet volledige) opsomming gekomen, zal allicht iemand vragen: is hier niet schromelijk overdreven? Bestaat dit verschil niet in alle talen? Schrijft men ergens ter wereld juist zóó als men spreekt? Voorts: is hier niet de platte volksspraak, de straattaal of eene ruwe ‘studenten- of koffiehuistaal’ verward met de beschaafde omgangstaal van fatsoenlijke kringen? En vooral mag de woordenkeus en de uitspraak der Amsterdammers als maatstaf dier beschaafde spreektaal worden aangenomen?
Op de laatste bedenking kom ik straks terug. Wat de beide andere betreft: zeer zeker bestaat er overal verschil, niet alleen tusschen den hoogdravenden stijl (in poëzie of proz) en de straattaal, maar ook tusschen de gewone gemeenzame schrijftaal en de fatsoenlijke spreektaal: in het gewone gesprek zal de zinbouw altijd hoogst eenvoudig blijven, veel eenvoudiger dan zelfs in een vertrouwelijken brief. Ook heeft elke schrijftaal uiteraard over een grooter woordenschat te beschikken, o.a. doordat zij oude woorden bewaart, en uit meer dan één tongval heeft geput. Voorts spreekt men in verschillende kringen eene verschillende taal, en wordt een en ander van wat ik hierboven als al gemeen gebruikelijk opgaf tegenwoordig, gelijk reeds gezegd, als plat, burgerlijk, ‘ongedistingueerd’ gewraakt, al zullen zelfs vormen en woorden als koppie, nou, gavve(n), grooter als enz. in het dagelijksch leven, aan de meesten, ook van hen die zich aangewend hebben correct te spreken, zoowel ouderen als jongeren, nog menigmaal ontvallen. En aan den anderen kant wekken woorden als schreien, liefhebben, zenden, behoeven, gevoelen, aangenaam, fraai, geheel, gaarne, zeer, bij mannen, die gewoon zijn veel te schrijven of in 't openbaar te spreken niet den natuurlijken schroom, dien minder ontwikkelden er voor gevoelen: de eersten hebben zich zoozeer gemeenzaam gemaakt met dergelijke uitdrukkingen, dat zij ze inderdaad zonder gemaaktheid gebruiken. Anderen bezigen dergelijke woorden met een zweem van ironie, in nagebootst deftige taal, als met een lachje van verstandhouding. Maar de gewoonte moge eene tweede natuur zijn, de ware natuur is zij niet;
en uit dezen kleinen kring van geletterden zullen dergelijke woorden en vormen zich bezwaarlijk in zoo ruimen kring verspreiden, dat zij waarlijk tot de algemeene Nederlandsche volksspreektaal gaan behooren.
Maar wat men ook moge afdingen op het hierboven gezegde, in het algemeen zal de stelling wel geen tegenspraak vinden, dat het geschreven en het gesproken woord bij ons meer verschillen dan elders. 't Is waar, wij zijn
| | | | zoozeer gewoon om, wanneer wij de pen ter hand nemen zelfs voor een gewonen brief, allerlei woorden en uitdrukkingen als vanzelf al schrijvende te vervangen door andere, ze als 't ware in de schrijftaal te vertalen, dat wij er ons nauwelijks meer van bewust zijn en niet beter weten of dit is de natuurlijkste zaak ter wereld. En toch moet de kloof tusschen spreektaal en schrijftaal wel zeer wijd en diep zijn, wanneer men woorden en vormen als: werpen, kussen, beminnen, broeder, schoon, gij, hen, heden, gaarne, reeds, een weinig, naar, slechts, ach, des, der, den, waart, kreegt in een gesprek niet kan gebruiken zonder voor een pedanten schoolvos door te gaan. Immers (en hierop wensch ik den nadruk te leggen) het geldt hier geenszins een verschil tusschen platte volksstraattaal en dichterlijke taal, maar tusschen de beschaafde spreek taal en de gemeenzameschrijftaal der beschaafde kringen, niet de beide uitersten, maar die twee vormen der gesproken en geschreven taal, die het dichtst bij elkander staan; de laatstgenoemde uitdrukkingen zijn geenszins dichterlijke woorden zooals elke schrijftaal er boven en behalve die welke zij met de spreektaal gemeen heeft bezit, maar de door het schriftelijk gebruik als ‘beschaafd, fatsoenlijk’, geijkte woorden en vormen voor begrippen en betrekkingen die wij in het dagelijksch leven altijd met andere woorden aanduiden. En wie zal ontkennen dat het afbreuk doet aan de natuurlijke, ongedwongen uiting der gedachte en vooral van
het gevoel, wanneer er tweeërlei wijze is om zich uit te drukken: de gewone manier van spreken en het deftige zondagspak der taal. Dit noodlottig onderscheid is oorzaak dat sinds lang onze spreektaal ons zelven plat, burgerlijk, onze schrijftaal daarentegen stijf en koud klinkt. Wie heeft niet bij het schrijven van een vertrouwelijken brief wel eens geweifeld tusschen het gemeenzame woord, dat vanzelf op de lippen komt, maar niet uit de pen wil omdat het niet past bij gevoelens en gedachten, welker uitdrukking adel en waardigheid vereischt, en het deftige ‘stadhuiswoord,’ dat aan de uiting dier gedachten inderdaad veelal zekeren voornamen, ongemeenen zwier geeft, onzen smaak meer bevredigt, maar ook tegelijk het innige, hartelijke wegneemt?
Een vergelijk is hier inderdaad zeer moeilijk. Het taalgevoel is op dergelijke verschillen zeer fijn en kiesch, het onderscheidt zeer scherp: de indruk dien men van een woord, eene manier van spreken in zijne jeugd ontvangen heeft, is zoogoed als onuitwischbaar: heeft men een woord niet in den dagelijkschen omgang gehoord, maar alleen uit boeken leeren kennen, dan heeft het voor ons taalgevoel den stempel van het stijve, conventioneele en verliest dien nimmer; één zoo'n ‘deftig’ woord is dikwijls voldoende om den indruk van een gesprek, op het tooneel gehoord of zelfs maar in een roman gelezen, te bederven.
En de spreektaal laat zich ook door spraakkunst noch schrijftaal de wet voorschrijven: het denkbeeld om zekere woorden of vormen aan de spraakmakende gemeente op te dringen is onzinnig. Men zou aan de uiting zijner innigste gevoelens geweld aandoen, wanneer men allerlei aangeleerde woorden en vormen met voordacht ging gebruiken, omdat deze nu eenmaal door de con- | | | | ventioneele schrijftaal geijkt zijn. Het taalgevoel, dat overeenstemming tusschen gedachte en uitdrukking eischt, verzet zich er tegen, en tegen dat natuurlijk gevoel vermag de schrijftaal, ook al wordt zij gesteund door de school en door een kleinen kring van taalkundigen en geletterden, weinig of niets. Zij die meenen dat men woorden als: gij, schoon, werpen, reeds wezenlijk in onze al gemeene spreek taal zou kunnen invoeren, miskennen m.i. de macht der levende, gesproken, van geslacht op geslacht overgaande moeder taal, die zich wel geleidelijk en natuurlijk vanzelf ontwikkelt, maar niet door den wil van enkelen plotseling en gewelddadig laat veranderen1) (evolutie, geen revolutie); wat zij zouden willen is een hersenschim, die in de 18de eeuw, in den kring der dichtlievende genootschappen, van kamergeleerden (of van ‘volapükatidels’) thuis hoort.
Doch aan den anderen kant kan men ook de schrijftaal niet, althans niet ineens naar willekeur wijzigen. Sommige woorden hebben nu eenmaal een zoo huiselijken, ‘familiaren’ klank voor ons, dat b.v. het onophoudelijk gebruik van heel, mooi en derg. in ‘De Nieuwe Gids’ thans voor ons nog iets stuitends heeft; wij kunnen ons niet zoo dadelijk losmaken van het gevoel van verschil in stand tusschen de woorden. Doch het is de vraag of dit gevoel van aristocratische voornaamheid en preutschheid niet allengs overwonnen kan worden, of onze opvatting van zulke woorden zich niet mettertijd zal wijzigen. Het is toch eigenlijk ongerijmd de taal, waarin een beschaafd man zijne gedachten uitspreekt, zoodra men ze geschreven ziet, plat te noemen. Een vorm, een woord, eene uitdrukking is zelfs nog niet lager in rang, alleen omdat een straatjongen ze dagelijks in den mond heeft. Zeker, elke taal, de taal van het dagelijksch leven zoowel als die der poëzie, behoort te voldoen aan zekere algemeene, absolute, onmiskenbare eischen van welluidendheid (ook en vooral in de uitspraak), van juistheid, en van gepastheid naar gelang van het onderwerp. Maar meestal zijn het geheele andere gronden, waarop een woord of eene zegswijze veroordeeld, of althans uit de schrijftaal uitgesloten wordt; zij klinken ons thans alleen daarom plat, burgerlijk of althans niet verheven, niet poëtisch, dewijl wij ze tot dusverre nooit in de conventioneele, dichterlijke taal hebben gehoord. Het is denkbaar dat die geheele onderscheiding tusschen de ‘dichterlijke taal’ en de beschaafde spreektaal over korter of langer tijd algemeen als een onnatuurlijke scheidsmuur, eene erfenis uit den tijd der ‘puikpoëten’ zal worden beschouwd. In allen gevalle zal ook thans wel algemeen erkend worden, dat niet de doode letterteekens die men
schrijft en leest, maar de letterklanken die men werkelijk spreekt, de eigenlijke, gezonde, levende taal vormen zijn, waarvan men dus bij alle hierop betrekkelijke kwesties dient uit te gaan.
Hoe groot het verschil tusschen schrijftaal en spreektaal bij ons is valt
| | | | het meest in 't oog, wanneer men het Duitsch, Fransch of Engelsch met ons Nederlandsch vergelijkt. Duitschers die niet goed ‘grammatisch geschult’ zijn zullen allicht eens zondigen tegen dezen of genen regel hunner ingewikkelde spraakkunst (zoo verwarren o.a. de Berlijners, gelijk bekend is, onophoudelijk mir en mich); ook kent de omgangstaal onzer naburen niet die kronkelbochten van den zinbouw, waardoor het Duitsche proza zich alom berucht heeft weten te maken. Maar voor 't overige zal een gewone brief bij hen veel minder afwijken van het dagelijksch gesprek dan bij ons. In nog sterker mate is dit het geval in 't Engelsch en 't Fransch: een beschaafd Franschman schrijft werkelijk nagenoeg gelijk hij spreekt of, zoo men wil, spreekt zooals hij schrijft. Om zich te overtuigen hoe treurig onze toestand daarbij inderdaad afsteekt, neme men slechts de proef door de hierboven genoemde woorden en vormen te vertalen in het Fransch, Engelsch of Duitsch: meestal zal men bevinden, dat hetgeen daar in hooger en lager stijl wordt geschreven ook zonder een zweem van affectatie in het gesprek gezegd kan worden. Een Duitscher leert vanzelf, onbewust, tegelijk met het spreken de onderscheiding van znw. met der en znw. met die: het verschil van grammatisch geslacht behoeft hem niet kunstmatig bijgebracht te worden; hij zegt werkelijk sehr gern, sehr schön, heute, nur enz.; zulke woorden hebben niets ongemeens voor hem, en een Nederlander die alleen op school Duitsch geleerd heeft zal zich niet belachelijk maken, wanneer hij die woorden in Duitschland gebruikt. Men stelle zich daarentegen den vreemdeling voor, die onze taal alleen uit boeken had aangeleerd en die taal hier wilde spreken! Hoe vreemd zouden wij opkijken! En hoe
verbaasd zou hij zijn, wanneer hij vernam dat wij er naast de echte levende taal nog een ‘papieren’ taal op nahouden voor schriftelijk gebruik! Waarlijk, een ‘Manuel de Conversation’, een ‘Dutch as it is spoken’ is hier te lande meer dan elders noodig, ja onontbeerlijk!1)
Doch het was niet mijn voornemen te handelen over de nadeelen van den bestaanden toestand, of over de middelen tot verbetering, maar over de oorzaken daarvan. Op de vraag: vanwaar dan toch bij ons dat hemelsbreed verschil? heeft men tot dusverre meestal in 't algemeen geantwoord met eenige oorzaken op te noemen die ten deele voor alle talen gelijkelijk gelden.
In de eerste plaats is zonder twijfel elke schrijftaal uiteraard conservatief: zij behoudt het oude, terwijl de spreektaal tengevolge van het natuurlijk taalverloop vele oudere bestanddeelen verliest en jongere opneemt. Ook in het Nederlandsch zullen er vele gevallen zijn, waarin de spreektaal later is afgeweken; waar vroeger eenheid was, is dan later verwijdering
| | | | teweeggebracht, de kloof heeft dan niet vanouds bestaan. Heeft men in dat geval het recht de spreektaal, gelijk zoo dikwijls geschiedt, van slordigheid te beschuldigen? Mij dunkt neen: hetgeen men van het standpunt der verstijfde, doode schrijftaal slordigheid gelieft te noemen is niets anders dan het natuurlijk leven, de ontwikkeling, d.i. het worden en verworden der taal. Van slordigheid kan alleen sprake zijn, wanneer men de taal toetst, niet aan de schrijftaal, maar aan de hierboven bedoelde algemeene, aesthetische eischen van welluidendheid en nauwkeurigheid van uitspraak, van juistheid en bevalligheid van uitdrukking, welker rechtmatigheid niet betwist kan worden, al is hierbij, als bij alle kwesties van smaak, wellicht evenveel verschil als overeenstemming van gevoelen te verwachten.
Dit brengt ons tot de tweede oorzaak die gewoonlijk wordt opgegeven: de omstandigheid dat het hof, de adel, en in 't algemeen de hoogere kringen, van waar de beschaafde spreektaal zich langzamerhand meer en meer in de geheele maatschappij moet verbreiden, bij ons zoo lang en ten deele nog heden onder elkander meestal Fransch hebben gesproken1) en de Nederlandsche omgangstaal zoodoende hebben overgelaten aan zichzelve, of liever aan de burgerij en het lagere volk. Daardoor moest die taal wel een burgerlijk karakter krijgen; wanneer onze taal soms niet aan de bovengenoemde eischen voldoet, is dit zeker grootendeels hieraan te wijten2).
| | | |
En daarnaast stond - er is reeds dikwijls op gewezen - de minachting of althans de onverschilligheid der geleerden voor de landstaal. Al begrijpt en waardeert men de eeuwenlange opperheerschappij van het Latijn in de wetenschap, al is men niet blind voor de lichtzijden van dien toestand, erkend moet worden dat uit de volkstaal, door de aristocratie der geboorte en des geestes alleen voor huiselijk gebruik, in 't verkeer met kinderen en met het lagere volk geschikt geacht, bezwaarlijk eene werkelijk beschaafde spreektaal kon groeien.
Dit alles is niet te loochenen. Doch het volstaat niet ter verklaring van het punt in kwestie: immers in meerdere of mindere mate geldt dit ook voor het Hoogduitsch, het Engelsch, het Fransch1), kortom voor de meeste moderne talen. Maar bovendien wordt het verschil tusschen onze spreektaal en schrij ftaal hierdoor eigenlijk in 't geheel niet verklaard: in de hoogere kringen werd het Nederlandsch evenmin geschreven als gesproken, en door de geleerden werd het wel mondeling, maar juist nooit schriftelijk gebezigd: de schrijftaal zou dus op zijn minst even ‘huisbakken’ en onontwikkeld moeten gebleven zijn als de spreektaal.
Dat dit niet is geschied is zeker in de eerste plaats toe te schrijven aan de dichters en redenaars, waarmede ons vaderland vanouds rijkelijk gezegend is geweest. Maar - ongelukkig genoeg - door hen is bij het dichten,
| | | | schrijven en in 't openbaar spreken langen tijd juist die afzonderlijke, conventioneele, ‘dichterlijke taal’, die ‘hoogere stijl’, dat statige en pompeuse steeds met zorg aangekweekt.
Natuurlijk hebben ook hier verschillende oorzaken samengewerkt. Doch daaronder is er ééne, waarop tot nog toe m.i. niet genoeg is gelet, en waarop ik derhalve thans in 't bijzonder de aandacht wensch te vestigen: de omstandigheid nl. dat onze hedendaagsche spreektaal en de schrijftaal niet in allen deele uit hetzelfde dialect zijn voortgekomen. De vraag of er in de Middeleeuwen hier te lande reeds eene algemeene, boven de dialecten staande, afzonderlijke schrijftaal heeft bestaan, kan hier thans onbesproken blijven: men is het hierover nog niet eens, en zal het ook niet eens worden, zoolang de zaak niet grondig en in bijzonderheden onderzocht wordt. De gewone voorstelling is deze, dat in die taal achtereenvolgens verschillende gouwspraken den voorrang hebben gehad: gelijk op den middeleeuwschen bloei van Brugge die van Antwerpen is gevolgd, totdat deze ‘triumphante coopstadt’ op hare beurt overvleugeld is door de stad aan 't ‘scheeprijck Y’, zoo zou ook in onze schrijftaal eerst het Westvlaamsch van Maerlant, daarna het Brabantsch zooals wij het in Kiliaan's woordenboek opgeteekend vinden, en eindelijk, in de 17de eeuw, het Hollandsch van den Statenbijbel, van Hooft en Vondel den toon hebben aangegeven: na en door de verplaatsing van het zwaartepunt van handelen staatkunde naar het Noorden zou onze spreek- en schrijf taal in Holland als 't ware herboren zijn en dus in hoofdzaak Hollandsch wezen. En zoo geven de Westvlaamsche particularisten en hun Friesche bondgenoot Johan Winkler dan ook duchtig af op wat zij noemen ‘de door en door Hollandsche of verhollandschte boekentaal’, die de Hollanders aan Vlamingen en Friezen hebben ‘opgedrongen’.
Bij deze voorstelling wordt te veel uit het oog verloren dat men, althans bij ons, schrijftaal en spreektaal niet mag vereenzelvigen. De macht der traditie, der continuiteit met het verleden is in eene schrijftaal uiteraard zeer groot. De taal nu, waarin tot omstreeks 1600 het grootste gedeelte onzer letterkunde geschreven is, was in hoofdzaak Vlaamsch-Brabantsch. En van die taal stamt, naar mijne meening, onze hedendaagsche schrijftaal, hoezeer ook veranderd (en ten deele verhollandscht) door gedeeltelijke verjonging der vormen en uitbreiding en vernieuwing van den woordenschat, rechtstreeks af; zij is meer dan men gewoonlijk meent dezelfde gebleven, zij is nog steeds in vele opzichten Vlaamsch-Brabantsch, althans on-hollandsch. Daarentegen heet onze beschaafde spreektaal zeker te recht Hollandsch (wel te verstaan in den zin dien wij thans meestal aan den naam Holland hechten1)). Bepaaldelijk zal de taal der gegoede burgerij van de groote Hollandsche steden, vooral van Amsterdam en 's-Gravenhage, in uitspraak en in woordenkeus gaandeweg het voorbeeld geworden zijn voor de Nederlanders uit alle gouwen. En dit noor- | | | | delijk deel van Holland is in de Middelnederlandsche letterkunde juist zoogoed als niet vertegenwoordigd!1) M.a.w. het dialect, waaruit onze spreektaal is voortgekomen, het Hollandsch, had op de voorafgegane vorming onzer schrijftaal weinig of geen invloed gehad; deze laatste is ontstaan in gewesten, welker tongval omgekeerd bij de veel latere wording eener algemeene beschaafde spreektaal van weinig beteekenis is geweest; kortom onze schrijftaal heeft nog vele Vlaamsch-Brabantsche bestanddeelen bewaard, onze spreektaal is echt-Hollandsch. Geen wonder dat, waar zooveel verschil in afkomst bestaat, ook heden de beide vormen onzer taal nog zulk een verschil in gelaats- en karaktertrekken toonen.
Men moge het betreuren dat juist de niet in alle opzichten welluidende Hollandsche tongval het richtsnoer voor de algemeene spreektaal is geworden, en niet b.v. het zooveel zachtere Westvlaamsch met zijne ii en uu iplv. ij (ei) en ui, of het Overijselsch en Geldersch met hunne verscheidenheid van klanken en gevoeligheid voor umlaut, of het Friesch met zijne eigenaardige tweeklanken en geassibileerde palatalen (tsj), de hegemonie van Holland in de spreektaal is het noodwendig gevolg der omstandigheden, het is een historisch feit, waartegen geene particularistische of aesthetische wenschen iets vermogen: men heeft er in te berusten.
Doch even onpractisch en vruchteloos als zulke pogingen om de Hollandsche spreektaal uit hare reeds lang gevestigde heerschappij te verdringen zouden zijn, even ongegrond of althans overdreven schijnen mij de verwijten van Johan Winkler en zijne Vlaamsche medestanders dat de Nieuwnederlandsche schrijftaal zoo in merg en been een Hollandsche boekentaal is. Ik zal trachten aan te toonen dat de Hollanders evenveel reden hebben om zich te beklagen over haar in menig opzicht onhollandsch karakter, waardoor juist voor hen het verschil tusschen hunne spreektaal en de schrijftaal dikwijls veel grooter is dan voor de bewoners van andere gewesten.
Den gang van zaken stel ik mij aldus voor: De algemeene schrijftaal, voorzoover die in de 16de eeuw bestond, had zich voornamelijk gevormd uit Vlaamsche, Brabantsche en misschien ook uit Zuidhollandsche2) bestanddeelen. Toen nu in het laatst der 16de en het begin der 17de eeuw Amsterdam
| | | | allengs ook een kweekplaats en middelpunt voor de letterkunde werd, is deze bestaande schrijftaal door de Noordhollandsche, inzonderheid Amsterdamsche dichters en schrijvers, natuurlijk niet op zijde gezet, maar aanvaard; zij hebben er zich bij aangesloten, ofschoon hunne, misschien nog vrij sterk Noordhollandsch-Westfriesche tongval daarmede op menig punt niet overeenstemde. Zonder twijfel hebben zij in die Vlaamsch-Brabantsch-Zuidhollandsche schrijftaal eenige Noordhollandsche (d.i. wellicht Friesche?) elementen gebracht1). Zoo schijnen b.v. de woorden glee, gleep, gleuf, glip, glippen, glissen, glop, gluipen, glunder en gluren, oorspronkelijk uit Holland, bepaaldelijk Noord-Holland, afkomstig te zijn: men vindt ze eerst alleen bij echte Hollanders; en in de volkstaal van Zuid-Nederland zijn zij dan ook nog heden ten dage onbekend, al zal wellicht deze of gene Vlaamsche schrijver een enkel dezer woorden in navolging van Noordnederlandsche schrijvers wel eens bezigen, of althans kennen2). Zoo is er zeker veel meer te noemen, maar toch niet genoeg om van eene Hollandsche wedergeboorte der schrijftaal te spreken; tegenover de Hollandismen die zijn binnengedrongen staan andere, bijzonder Vlaamsch-Brabantsche elementen die hebben stand gehouden, in strijd met de Hollandsche spreektaal. Verschillende eigenaardigheden hebben zich kennelijk van Holland uit wel over de geheele Noordnederlandsche spreektaal verbreid, doch hebben geen toegang kunnen krijgen tot de schrijftaal. Althans niet tot de latere schrijftaal der 18de en 19de eeuw. Want het is eigenaardig te zien hoe Hollandsche schrijvers der 17de eeuw zich ook in hoogeren stijl nog van allerlei woorden en uitdrukkingen bedienen, die ons nu plat of althans niet verheven klinken3). En nu kan men in vele dier gevallen met zekerheid
| | | | of althans met vrij groote waarschijnlijkheid aantoonen, dat dit geen gril der ‘spraeckmakende gemeent’ is geweest, die van twee woorden welke zij bezat één moedwillig liet varen, maar dat integendeel, waar in dien tijd twee woorden om den voorrang dongen, het woord dat ten slotte de zege behaald en het andere uit de schrijftaal verdrongen heeft, juist in het Mnl. gebruikelijk is geweest en thans elders, vooral in Vlaanderen of in Brabant nog als volks woord voortleeft; de in stand gedegradeerde uitdrukkingen daarentegen, die wegens hun vulgair, profaan voorkomen, d.w.z. omdat zij zoo gewoon, alledaagsch schenen, van den gewijden grond der schrijftaal zijn verbannen, blijken vaak indringers van Hollandsche afkomst te zijn geweest. Het oude uitheemsche woord klonk ‘deftig’ (al was het dat in zijn eigen vaderland, in Vlaanderen en Brabant ook geenszins), en werd om die reden door dichters en schrijvers verkozen, maar het werd ook alleen in de schrijft taal opgenomen; in de Hollandsche volkstaal drong het niet door: deze bleef de haar vanouds eigen woorden handhaven. Eene opmerking, die m.i. niet zonder belang is voor de geschiedenis onzer schrijftaal, en die ik thans met eenige voorbeelden zal toelichten.
Onze taal bezit of liever bezat verschillende woorden die met gn- beginnen, zooals gnap, gniffelen, gnokken, gnorren, gnut enz. In het Mnl. zoogoed als onbekend, komen zij in de 17de eeuw vrij dikwijls voor, niet alleen in de kluchtspelen, maar ook in den historiestijl en de ernstige poëzie. Kennelijk zijn zij van Noordhollandschen, Westfrieschen oorsprong: alleen in Friesche en Nederduitsche tongvallen kunnen zij, of althans verwante woorden, nog heden worden aangewezen. Men vindt ze in de 17de eeuw niet alleen bij den Fries P. Baardt en de Amsterdammers Hooft en Bredero, maar ook bij Vondel, Huygens en Westerbaen: zij waren dus in heel Holland bekend geworden. Maar zij hebben niet zooveel fortuin gemaakt als de zooeven genoemde woorden met gl-: in de 18de eeuw vindt men een enkel zooals gnap nog bij echt-Hollandsche schrijvers, in onzen tijd alleen nog, waar met voordacht een dialect wordt weergegeven1); voor 't overige zijn zij verouderd, d.w.z. niet alleen uit de schrijftaal, maar ook uit de algemeene spreektaal weder verdwenen, teruggedrongen naar de volkstaal van Noord-Holland en Friesland, waar thans zelfs vele vervangen worden door algemeen-Nederlandsche wisselvormen met kn-.
In de 17de eeuw komen heel voor geheel2), lukken voor gelukken3), hooren voor behooren4), en hoeven voor behoeven5) niet alleen in kluchten, waar de
| | | | gemeenzame of platte taal wordt weergegeven, maar ook in ernstige, hoogdravende taal herhaaldelijk voor. Deze weglating, althans die van ge- bij deze en bij andere woorden1) hangt zeker samen met het geregeld ontbreken van dit voorvoegsel in het Friesch, en is dus denkelijk een Noordhollandsch verschijnsel. Het Vlaamsch althans laat ge- zelden of nooit weg, maar laat daarentegen de e uitvallen: g(h)eel, graken (= holl. heel, raken). De schrijftaal, die hier hetzij altijd, hetzij in bepaalde beteekenissen den vorm met ge- eischt, stemt hier dus meer met de Vlaamsche, dan met de Hollandsche spreektaal overeen.
Een duidelijk voorbeeld is zoenen - kussen. Winkler's Dialecticon dat, zooals men weet, de gelijkenis van den verloren zoon in bijna 200 Nederduitsche en Friesche tongvallen geeft, stelt ons in de gelegenheid door de vergelijking der vertalingen van Luc. 15, 20 de streken waar gezoend en die waar gekust wordt vrij nauwkeurig af te bakenen. Daaruit blijkt dat, terwijl kussen in de meeste Germaansche en ook Nederlandsche dialecten het gewone volkswoord is, zoenen alleen thuishoort in de volkstaal der Friesche en Noordhollandsche eilanden en van bijna geheel Noord- en Zuid-Holland2) met inbegrip van Voorne, Putten en Beierland; op Goeree en Overflakkee en zuidelijker zegt het volk reeds weer kussen. In Zuid-Nederland schijnen thans kussen en een kus geven alom in gebruik, zoenen en een zoen geven daarnaast alleen in Noord-Vlaanderen. Indien nu Winkler gelijk heeft met zijne bewering (I, 461, aant. op vs. 20), dat suuenen ook zuiver Friesch is (al gebruiken de Friezen thans gewoonlijk andere woorden), dan zou de Hollandsche spreektaal hier een Westfriesch woord3) tot op den huidigen dag bewaard hebben. Het woord der schrijftaal daarentegen is in dit geval wel niet speciaal Vlaamsch-Brabantsch, maar in allen gevalle en denkelijk vanouds onhollandsch. Niettemin hebben ook de Hollandsche schrijvers der 17de eeuw, behalve in het kluchtspel, reeds veelal kus gebezigd, naar ik gis in strijd met hun eigen dialect, dat alleen zoen zal gekend hebben. In den beginne vindt men nog wel beide naast elkaar (b.v. Hooft, Ged. I, 190); maar later vindt zoen geen genade meer bij de poëten,
| | | | en geraakt daardoor in onverdiende minachting: het wordt alleen nog maar gezegd, en is eo ipso plat! Althans voor den Hollander; voor den Zwollenaar b.v. is daarentegen het Hollandsche zoen juist het boekenwoord, hij gebruikt gansch ongedwongen het voor ons gevoel zoo onuitstaanbaar deftige kus. Evenzoo is in Overijsel schreien, en niet huilen het gewone woord der spreektaal.
Dezelfde proef kan men nemen met zenden, voor ons een woord der boekentaal, doch (o.a. blijkens de vertaling van Luc. 15:15, bij Winkler) in de verschillende tongvallen van Vlaanderen en Brabant bij het volk nog in volle gebruik. De volkstaal van Friesland en Holland kent alleen sturen, in het Zeeuwsch, op de Zuidhollandsche eilanden en in het Strandhollandsch stieren, in welken laatsten vorm het woord ook in West-Vlaanderen nevens zenden gangbaar is; in Oost-Vlaanderen is sturen of stieren daarentegen weer onbekend. Hier blijkt dus het woord der schrijftaal bepaald Vlaamsch-Brabantsch, dat der spreektaal Friesch-Hollandsch.
Waarom klinken beminnen en minnaar ons zoo stijf en boekachtig? Heeft onze spreektaal die woorden vroeger ook gekend, maar later prijsgegeven? Veeleer geloof ik dat die woorden hier in Holland vanouds vreemd zijn geweest. In de hedendaagsche Vlaamsche volkstaal is beminnen nog in volle gebruik, zij het ook in eenigszins gewijzigde opvatting. En in de voorrede zijner vertaling van Ovidius' Ars Amandi zegt Van Ghistele uitdrukkelijk ‘dat in dit boecxken veel Brabantsche woorden sijn diemen in Vlaenderen luttel verstaet, oock zijnder veel Vlaemsche woorden diemen in Brabant weynich bekent, diemen wten sin lichtelijck verstaen can. Vryen in Brabant is in Vlaenderen Minnen: een Vryer, dats een Minnaer etc.1) Daar nu het Hollandsch in menig opzicht nader bij het Brabantsch dan bij het Vlaamsch staat, is er grond voor het vermoeden dat beminnen en minnaar bepaaldelijk Vlaamsch zijn, in Holland daarentegen toen evenmin als nu inheemsch waren, maar als ‘vogels van vreemde (Vlaamsche) pluimagie’ hier geïmporteerd, doch nooit recht geacclimateerd zijn.
Eene aardige bijdrage levert het woord arduin. Bij het hooren van dit woord denken wij thans in 't algemeen aan iets hechts en duurzaams, liefst aan een ‘praalgesteente dat de eeuwen tart’, een graf, een gedenkteeken enz. Maar niet alleen leeken zouden verlegen staan om een antwoord te geven op de vraag, welke steensoort daarmede nu eigenlijk bedoeld is, ook de deskundigen, de steenhouwer en de geoloog kennen het niet. M.a.w. het woord is in de levende taal onbekend, wij herinneren het ons alleen uit de conventioneele taal der oudere poëten. Maar hoe zijn deze er aan gekomen? Waarschijnlijk is het (reeds in de 16de eeuw?) door Hollandsche dichters overgenomen van Vlaamsche schrijvers, die het in hunne eigene taal kenden en dus met volle recht gebruikten: immers in Zuid-Nederland (en ook reeds in Zeeland,
| | | | b.v. te Zonnemaire) is het thans nog een zeer alledaagsch woord in de volkstaal, overeenkomende met ons hardsteen: een arduinen stoepje, een trap van arduin (zelfs een varkenstrog van arduin, voor ons gevoel twee onvereenigbare woorden) dus zonder een zweem van het verheven karakter, dat het voor ons Hollandsch taalgevoel heeft, doch uitsluitend aan zijne vreemde afkomst dankt1).
Mooi komt bij Vondel enkele malen in hoogeren stijl voor2), mooien wordt door Camphuyzen in zijne Psalmberijming van het weer gebruikt in den zin van ‘opklaren’. Ik kan niet bewijzen dat mooi bepaaldelijk en uitsluitend Hollandsch is en dat schoon in den zin van fr. beau ook vroeger in de Hollandsche volkstaal onbekend was: er kunnen hier allerlei verschuivingen hebben plaats gehad3). Doch zooveel is zeker dat mooi (evenals trouwens fraai) tot de talrijke woorden behoort die eerst in 't jongere Mnl. voorkomen, en dat de hedendaagsche schrijftaal hier weer nader staat bij de Vlaamsche volkstaal, waarin schoon een zeer gewoon, en mooi een vrij zeldzaam woord is; trouwens reeds te Utrecht is schoon niet ongebruikelijk.
Het vraagstuk der betrekking tusschen gij en jij (je) in de verschillende gewesten en tijdperken is te omvangrijk en is ook nog te weinig onderzocht4) om hier thans in zijn geheel behandeld te worden. Slechts enkele woorden dienaangaande. In het Zuiden (ongeveer tot aan de rivieren) is gij in werkelijk, levend gebruik, doch als toonlooze, enclitische vorm staat je er naast. Of in Holland, bepaaldelijk Noord-Holland en Amsterdam, voorheen eveneens beide vormen van hetzelfde woord naast elkander stonden, dan of op zijn Friesch alleen die met j gangbaar was, dient nog nader onderzocht: de hedendaagsche spreektaal zou het laatste doen gissen, ware het niet dat gij ook bij Coster, Hooft, Bredero enz. in de platte volkstaal der kluchten voorkomt, nevens en, naar 't schijnt, zonder veel onderscheid met jij. Dat gij, indien het in het Amsterdamsch der 17de eeuw werkelijk had bestaan, in onbruik geraakt zou zijn, dunkt mij niet zeer waarschijnlijk, gesteund als het werd door de algemeene schrijftaal, en door de spreektaal der talrijke Zuidnederlandsche ballingen. Hebben Hooft, Bredero e.a., die het doen voorkomen alsof de Amsterdammers dier dagen gij en jij zonder onderscheid door elkander gebruikten, dan op dit punt de volkstaal niet zuiver weergegeven, haar nu en dan willekeurig en stelselloos fatsoeneerende naar de traditioneele schrijftaal? Hoe dit ook zij, de hedendaagsche schrijftaal is hier in volslagen strijd met de Hollandsche, doch stemt althans ten deele overeen met de Zuidnederlandsche spreektaal.
| | | |
Evenals gij is ook heur, den Hollanders alleen uit de poëzie bekend, voor Westvlamingen (en voor Groningers) een zeer alledaagsche vorm: het dichterlijke is ook hier het gevolg zijner herkomst uit den vreemde. In 't Mnl. was het reeds gebruikelijk; denkelijk is het door den invloed van het Westvlaamsch in de schrijftaal gebleven, of er opnieuw ingevoerd1).
Heel voor zeer is bij Vondel niet alleen zeer gewoon, maar het wordt door hem in zijne Antwoorden op Moonen's taalkundige vragen uitdrukkelijk boven zeer verkozen2). Blijkbaar had het toen nog niet dien familiaren klank welken het nu, dank zij de noodlottige tegenstelling met zeer, voor ons heeft. Menige versregel van Vondel maakt door de verschillende kleur van woorden als heel, naar (bnw.), knap e.a., thans onwillekeurig op ons een gansch anderen indruk dan Vondel er mede bedoelde. Heel nu is blijkens de vroegere en de hedendaagsche volkstaal echt-Hollandsch, zeer daarentegen weder Zuidnederlandsch, niet alleen in den zin van ‘hard, gauw’ (loopen).
Al in den zin van ‘reeds’ komt o.a. in den Statenbijbel voor; is het inzonderheid jonger-Hollandsch? In het Mnl. is het nog onbekend. Er is geen reden te bedenken waarom het eigenlijk gemeenzamer zou moeten zijn dan reeds; dit laatste, of althans alreede wordt in Zuid-Brabant in de volkstaal nog wel gehoord.
Of het algemeen-Germaansche gaarne vanouds onhollandsch is, laat zich voorshands niet stellig uitmaken. Wanneer men echter bedenkt dat het in 't Mnl. en evenzeer nog heden in Zuid-Nederland bij uitsluiting in gebruik is, en dat graag eerst na de ME. voorkomt en inderdaad bijzonder-Hollandsch schijnt3) en in Zuid-Nederland dan ook onbekend is, dan is er grond om hier dezelfde tegenstelling tusschen de traditioneele Mnl.-Vlaamsche schrijftaal en de Hollandsche spreektaal te vermoeden.
Of in het Mnl. na en naar reeds overal door elkaar gebruikt werden, dan of het eene dialect alleen na, het andere alleen naar kende is, zoover ik weet, nog niet onderzocht. Maerlant schijnt beide te gebruiken, maar in 't hedendaagsch Westvlaamsch is na onbekend, evenals naar in 't Hollandsch. Bij de Hollandsche schrijvers der 17de eeuw komen, naar 't schijnt, beide woorden door elkaar, zonder onderscheid van beteekenis, voor: Vondel althans is niet vast in 't gebruik4). Indien men uit den tegenwoordigen toestand der beide dialecten mag besluiten tot den vroegeren, heeft de schrijftaal
| | | | hier reeds zeer vroeg de vormen uit verschillende tongvallen opgenomen, en later eene willekeurige onderscheiding ingevoerd, die noch met het Westvlaamsch, nog met het Hollandsch van onzen tijd strookt.
Iets dergelijks is het geval met als - dan. In de ME. is het laatste naar 't schijnt overal gebruikelijk. Later komt als op, dat bij schrijvers der 17de eeuw met dan afwisselt, totdat, tengevolge van Vondel's besliste voorkeur en den invloed der taalkundigen, in de schrijftaal dan heeft gezegevierd1) en thans door het voorbeeld der schrijvers en door de school ook in de beschaafde spreektaal is ingedrongen. De natuurlijke volkstaal echter kent in Friesland, Holland en Vlaanderen nog steeds alleen als, dat ook ons bij het ongedwongen spreken nog dikwijls ontvalt. De schrijftaal is in de beide laatste gevallen dus niet alleen met de tegenwoordige Hollandsch-Friesche2), maar ook met de Vlaamsche volkstaal3) in strijd, zij heeft een woord in 't leven behouden of herroepen, dat in de ME. inderdaad in algemeen gebruik schijnt te zijn geweest, maar later daaruit verdrongen was. De eigenlijke herkomst van als is nog onbekend.
Eveneens is de schrijftaal in strijd met de hedendaagsche Hollandsche en Westvlaamsche volkstaal in het gebruik van wisselvormen als aan en af voor an en of. Men meene niet dat deze laatste vormen jongere ‘verbasteringen’ zijn. An komt juist in het oudere Mnl. voor nevens den vollen vorm ane: het is de in eene oudere periode, vóór de rekking der ᾰ tot ᾱ, geapocopeerde toonlooze vorm; aen daarentegen komt b.v. in Reinaert I en bij Maerlant nog niet voor en is inderdaad door eene jongere apocope uit ane ontstaan. Blijkbaar is an nooit uit de spreektaal verdrongen en is dan ook in het hedendaagsche Westvlaamsch en Hollandsch nog in volle gebruik, met uitsluiting van aan. Of is de toonlooze bijvorm van af, en als zoodanig reeds in het Ags. bekend; bij Maerlant en in 't tegenwoordig Hollandsch is het naast af, in 't Wvl. thans zelfs uitsluitend in gebruik4).
Kleen voor klein schijnt bepaald Westvlaamsch en is, ofschoon het bij Vondel zeer vaak wordt aangetroffen5), juist omdat het een onhollandsche, dus ongemeene vorm was, alleen bij dichters in gebruik gebleven. Evenzoo is het poëtische uchtend Westvlaamsch, ochtend Hollandsch.
De in de gewone spreektaal heerschende bijvorm toon voor teen is bepaaldelijk Friesch-Saksisch-Hollandsch6), reeds in Dordrecht zegt het volk met de schrijftaal teen, en te Utrecht zelfs nog tee.
| | | |
Duur, vuur, (be)sturen; duitsch, beduiden, kuiken, ruiken, luiden, huiden, behooren vanouds tot de Hollandsche en Friesche spreektaal: Hooft schrijft. als ik mij niet bedrieg, zonder uitzondering luiden en huiden1). Ook hier is echter nader onderzoek noodig: ie is eigen aan het Westvlaamsch, Zeeuwsch en Strandhollandsch, maar ui of u komen ook in het Brabantsch voor, en ook Hooft en Bredero gebruiken in hunne gedichten vormen met ie, doch waarschijnlijk tegen hunne gewone uitspraak in2). Maar in allen gevalle behooren de vormen met ie thans tot den hoogeren, dichterlijken stijl om geene andere reden dan omdat zij niet
Hollandsch zijn; de oude, zoogenaamd dichterlijke vormen zijn eenvoudig de Vlaamsche, die thans nog met dezelfde hooghartigheid op de Hollandsche nederzien als in de 16de eeuw de Vlamingen en Brabanders op de ‘botte’ Hollanders.
Versturven, verdurven, verkurven en docht, brocht (voor dacht, bracht) klinken ons nu plat-Amsterdamsch (men stelle zich den indruk voor dien gesturven thans in een gedicht zou maken!): bij Coster, Hooft en Vondel vinden wij ze in treurspelen en lyrische gedichten3). Ik betreur het niet dat de onwelluidende vormen met -ur- niet in de schrijftaal zijn doorgedrongen, maar men heeft niet het recht de oude dichters van platheid te beschuldigen, omdat zij vormen gebruikten, die toen denkelijk niet zooals thans alleen door 't Amsterdamsch gemeen, maar door de geheele Amsterdamsche burgerij aldus werden uitgesproken4).
| | | |
Woude komt reeds in 't Mnl. naast wilde voor, zonder dat men eenig verschil van dialect of van zinsaccent kan bespeuren (zie o.a. Tijdschr. VII, 49): het schijnen, in de schrijftaal, reeds zeer vroeg gelijkwaardige wisselvormen te zijn geweest. Bij Vondel is de verkorte, naar onzen smaak gemeenzame vorm wou nog in volle eer en aanzien (zie b.v. III, 386; V, 759); waarom is het thans uit de boekentaal verbannen? Zou het soms hier in Holland vanouds de eenige vorm geweest zijn, gelijk het tegenwoordig uitsluitend gebruik van wou in onze spreektaal en van den overeenkomstigen vorm in 't Friesch zou doen gissen, en is wilde weder als uitheemsch (bepaaldelijk Vlaamsch?) en dus ongemeen, door dichters en taalkundigen boven het ‘ordinaire’ Hollandsche, en ook grammatisch ‘onregelmatige’ wou verkozen? Het dunkt mij niet onmogelijk: het hedendaagsche Westvlaamsch althans schijnt inderdaad alleen wilde te kennen.
De j of w in plaats van eene intervocalische d is o.a. in 't Brabantsch en in 't Hollandsch bekend; daarentegen hebben 't Westvlaamsch, 't Friesch, 't Groningsch en 't Overijselsch de d bewaard. Wanneer een Groninger in het gewone gesprek zonder de minste gemaaktheid uitgescheiden, houden enz. zegt, dan
| | | | hoort een Hollander dit met zekere verbazing. Behalve in enkele gevallen als breien, spouwen (splijten) enz. heeft de schrijftaal hier alweder niet den Hollandschen, maar den Westvlaamsch-Friesch-Saksischen vorm. Maar Vondel e.a. schrijven nog wel ouwe (zie b.v. Vondel III, 177, in 't rijm).
De verkleinwoorden op -ie, in de Amsterdamsche en Hollandsche spreektaal toen als nu in zekere gevallen regel, vindt men, aldus gespeld, meermalen bij onze dichters der 17de eeuw, en niet alleen in de kluchten; thans luidt het in de schrijftaal, en ook in de min of meer kunstmatige spreektaal altijd -je. Dat thans de verkleinwoorden op -ke(n) inzonderheid Vlaamsch (en ook Friesch) zijn, is algemeen bekend: dientengevolge hebben zij thans voor ons Hollanders iets dichterlijks of ongemeens.
Houwen, schouwen, stouwen voor huwen enz. komen in de 17de eeuw herhaaldelijk voor (men denke slechts aan Cats' Houwelijck)1); thans is het woord houwen of huwen uit de spreektaal, zoover ik weet, geheel verdwenen; waarschouwen klinkt plat, maar stouwen is, in eene bepaalde opvatting, nog zeer gewoon. Maar deze klank ouw, die o.a. Brabantsch en Hollandsch is, heeft het oudere Vlaamsche uw in de schrijftaal niet uit deze woorden kunnen verdringen.
Bij Hooft, Bredero en ook bij Vondel vindt men vaak ai of aei voor ei, b.v. vlaeyende wysen, (Hooft, Ged. I, 101), hajlighjen, (II, 263), veltgeschraey: verfraey (I, 319)2). Hieruit volgt voor het Amsterdamsch dier dagen met vrij groote waarschijnlijkheid eene uitspraak van ei met een breeden ai-klank, gelijk thans nog in het Amsterdamsch en wel in het platste Amsterdamsch, het Haarlemmerdijksch, en verder aan de Zaan, in Waterland, in Leiden, in het Strandhollandsch, in Brabant en elders3) gehoord wordt. En deze uitspraak wordt ook uitdrukkelijk vermeld door de Twespraack v.d. Nederd. Letterk. (blz. 35). De oude traditioneele schrijftaal, die alleen ei erkende, heeft ook hier dus standgehouden, ondanks de pogingen der oudere Hollandsche dichters om hunne uitspraak met ai ook in de poëzie te doen gelden.
Wat de onderscheiding van de zacht- en de scherpheldere e en o, van ij en ei, ou en au, s en sch, en het behoud der slot-n betreft, het behoeft geen betoog dat de spelling der schrijftaal hier wel overeenstemt met verschillende Noord- en Zuidnederlandsche tongvallen, maar niet met onze algemeene Hollandsche uitspraak.
De ij en ei worden niet alleen door onze spelling nog steeds onderscheiden, maar zij mogen ook naar de oude leer niet op elkander rijmen. Volgens sommigen bestaat er dan ook nog heden in de uitspraak, ook der beschaafde Hollanders, tusschen beide een verschil, dat echter voor de meesten onzer
| | | | niet meer hoorbaar is1). In allen gevalle is het veel minder duidelijk dan dat tusschen de scherpkorte ǒ van top en blos, en de
zachtkorte van op en mos, die geen Hollander zal verwisselen; en toch worden deze beide in de spelling en in het rijm gelijkgesteld! Ook op dit punt kan men onze schrijftaal zeker niet Hollandsch noemen.
De bovenstaande voorbeelden zouden bij voortgezette nasporingen zeker nog met tal van andere kunnen vermeerderd worden. Doch zij mogen volstaan ter toelichting en staving van het vooropgestelde. Vatten wij de hoofdpunten samen. ‘Nog steeds keeren,’ zooals Busken Huet eens gezegd heeft, ‘spreek- | | | | taal en schrijftaal elkander bij ons den rug toe’. Eéne der oorzaken van dit verschijnsel is, dat onze schrijftaal hare Vlaamsch-Brabantsche1) afkomst nooit geheel verloochend, onze spreektaal daarentegen in een veel later tijdperk zich uit Holland over geheel Noord-Nederland verbreid heeft. De geschiedenis der Nederlanden in de Middeleeuwen en in den Nieuweren tijd, of liever vóór en na de scheiding van Noord en Zuid, verklaart dit feit. De macht der traditie, uit den aard der zaak in de schrijftaal zeer sterk, werd in het Noorden nog gesteund door de talrijke Zuidnederlanders die zich hier gevestigd hadden, en onder hen waren er velen, die juist krachtig hebben medegewerkt tot wat Vondel noemt het ‘bouwen’ onzer schrijftaal. Immers, behalve Vondel zelf die, hoezeer met hart en ziel Amsterdammer geworden, toch in zijne taal, ook in de latere periode2), nog menige herinnering aan zijne moedertaal, het Antwerpsch zal bewaard hebben, zijn er onder de Hollandsche letterkundigen van dien tijd nog zoovelen die hetzij zelf geboren Zuidnederlanders waren (zooals Daniel Heins, Zevecote e.a.), hetzij van vadersof moederszijde Vlaamsch of Brabantsch bloed in de aderen hadden (zooals Van Baerle, Huygens, De Decker en Brandt). Ook vergete men niet dat twee der gecommitteerden tot de Statenoverzetting van den Bijbel, Baudartius en Walaeus, Vlamingen waren, evenals de vervaardiger der tot 1773 gebruikte Psalmberijming, Dathenus. Bedenkt men hoe scherp het verschil tusschen den
| | | | Hollandschen en den Vlaamschen of den Brabantschen tongval was, en hoe eene beschaafde spreektaal zich toen nog moest vormen, dan mag men aannemen, dat hun invloed op de schrijf taal heeft gestrekt tot behoud van veel wat onhollandsch, maar hun gemeenzaam of bekend, en tot wering of terugdringing van veel wat specifiek-hollandsch was.
Hoe sterk het dialect van Amsterdam, het middelpunt van een geheelen letterkundigen kring, afweek van die schrijftaal, leeren ons de kluchtspelen van Coster, Hooft, Bredero e.a. Naar hetgeen wij er van weten, zal het Amsterdamsch van het einde der 16de eeuw, vóórdat het door den toevloed en invloed der talrijke vreemdelingen die er zich nederzetten (waaronder ook vele Brabanders en Vlamingen) met andere elementen vermengd en verbasterd werd, een vrij zuiver Hollandsche (Waterlandsche) tongval geweest zijn, met tal van Westfriesche eigenaardigheden1). En waarschijnlijk heeft de spreektaal der gegoede Amsterdamsche kooplui zich toen nog niet zoo heel ver van dat dialect verwijderd. In hoeverre nu Amsterdamsche schrijvers als Coster, Hooft en Bredero, door de traditioneele schrijftaal te aanvaarden, van hunne gewone spreektaal afweken, kunnen wij thans niet meer (of nog niet) nader bepalen. Zooveel is zeker dat zij aanvankelijk vrij wat Hollandismen in de schrijftaal hebben ingevoerd, en dat hunne taal zich duidelijk onderscheidt b.v.
van die van den Zeeuw Cats2).
Intusschen vormde zich in Noord-Nederland van lieverlede eene beschaafde spreektaal, eene κοινή, niet uit het Amsterdamsch alleen, maar uit de vermenging der idiomen van den wordenden patriciërsstand der groote Hollandsche steden. Inzonderheid zullen Amsterdam, de volkrijkste en invloedrijkste handelsstad, en 's-Gravenhage, het middelpunt van het geheele staatkundig bedrijf, vanouds den toon hebben gegeven. Reeds a priori zouden wij dit in onze niet gecentraliseerde, maar toch overwegend Hollandsche Republiek als waarschijnlijk kunnen aannemen, maar wij hebben hiervoor ook het uitdrukkelijk getuigenis van Vondel, in de bekende plaats uit zijne ‘Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste’ (VI, 45): ‘Deze spraeck wort tegen woordigh in 's Gravenhage, de Raetkamer der Heeren Staten, en het Hof van hunnen Stedehouder, en Amsterdam, de maghtighste koopstadt der weerelt, allervolmaecktst gesproken by lieden van goede opvoedinge, indien men der hovelingen en pleiteren en
| | | | kooplieden onduitsche termen uitsluite: want out Amsterdamsch is te mal, en plat Antwerpsch te walgelijck en niet onderscheidelijck genoegh. Hierom moeten wy deze tongen matigen, en mengen1), en met kennisse besnoeien, oock niet al te Latijnachtigh, nochte te naeugezet en nieuwelijck Duitsch spreken, maer zulcks dat de tong haer eigenschap niet en verlieze, waer van de hervormers onzer spraecke niet geheel vry zijn’.
Wanneer, gelijk wij mogen aannemen, Vondel zich in zijne latere periode hieraan gehouden heeft, dan is zijne taal weliswaar reeds eene kunsttaal, maar die zich toch nog nauw aansluit aan de toenmalige beschaafde spreektaal, een met verschillende vreemde elementen2) vermengd, maar in hoofdzaak Hollandsch dialect.
Maar gaandeweg wordt dit anders. Bij Hooft, Bredero en Vondel troffen wij nog menige eigenaardigheid aan, der Hollandsche spreektaal toen als nu eigen, doch sedert uit de schrijftaal verbannen. De latere dichters en schrijvers, en zeker niet het minst de taalkundigen en de leden der dicht- en kunstlievende genootschappen uit het einde der 17de en uit de 18de eeuw hebben naar 't schijnt, waar zij te kiezen hadden tusschen een vorm of een woord dat in de schrijftaal vanouds gangbaar maar hun niet gemeenzaam was, en een dat zij uit hunne eigene Hollandsche spreektaal kenden, veelal aan het uitheemsche de voorkeur gegeven, omdat hun dit ‘deftig, hoogdravend’3) klonk, en dus naar de begrippen dier dagen, bij uitstek geschikt toescheen voor de poëzie; zij hebben tegenover de natuurlijke ontwikkeling der spreektaal hunne conservatieve en ten deele onhollandsche schrijftaal gesteld. Zij hebben Vondel gelezen en hebben hem nagevolgd, maar vooral op die punten waar hij het minst met de Hollandsche spreektaal in overeenstemming was; het eenvoudige, natuurlijke in zijne poëzie, en dus ook in zijne taal, trok hen niet aan. Daarbij kwam dat de man, die naast den Bijbel, de Psalmberijmingen en Vondel zeker wel den grootsten en langdurigsten invloed op onze schrijftaal heeft gehad, P.C. Hooft, wel geboren Amsterdammer was en zich ook wel Noordhollandsche idiotismen veroorloofde, maar voor 't overige een onnatuurlijken gekunstelden stijl schreef, die van de Hollandsche spreektaal stellig hemelsbreed verschilde, maar niettemin langen tijd als model heeft gegolden. Onder zulke omstandigheden kon het wel niet anders of menige goed Hollandsche uitdrukking, toen als nu in dagelijksch gebruik, moest in de schrijftaal het
veld ruimen voor eene andere, die der Hollandsche volks taal vreemd was, maar juist daarom ongemeen, d.i. poëtisch werd geacht. En evenals sommige Nederlandsche
| | | | woorden, die men in het dagelijksch leven gewoonlijk door een Fransch vervangt, juist daardoor edeler, voornamer worden, zoo kregen hier omgekeerd de echt-Hollandsche uitdrukkingen, doordat ze alleen in de spreektaal voortleefden, een aanzien van huiselijkheid, gemeenzaamheid of platheid, dat hun oorspronkelijk niet eigen was. Is deze voorstelling juist, dan dragen de taal- en letterkundigen der 17de en 18de eeuw voor een groot deel de schuld der verwijdering tusschen spreektaal en schrijftaal: zij hebben niet alleen door hunne slaafsche vereering der Latijnsche en der Fransche poëzie in de letterkunde veel wat onnederlandsch is ingevoerd, maar ook door hun preutschen afkeer van de taal van het dagelijksch leven en hunne voorkeur voor wat deftig, verheven was en dus paste bij de ‘treurspellaars’ of de ‘hooge brozen’ (zooals zij met eene karakteristieke vertaling van cothurn zeiden) in onze schrijftaal veel ingevoerd of behouden wat wel niet on nederlandsch maar toch on hollandsch, en dus in strijd met de spreektaal was.
Het spreekt echter vanzelf dat onze schrijftaal, gedurende de laatste eeuwen hoofdzakelijk in Noord-Nederland, in Holland aangekweekt, zeer veel Hollandsche elementen in zich heeft opgenomen, zoodat zij thans op Zuidnederlanders den indruk maakt verhollandscht te zijn. Doch het zal mij, hoop ik, gelukt zijn aan te toonen, dat daartegenover vrij wat staat dat hun eigen, maar ons vreemd is. Elke algemeene taal is ontstaan uit eene vermenging, een vergelijk tusschen verschillende gouwspraken, die alle het hunne bijdragen, al zijn er enkele die den toon aangeven. Voor eenheid van schrijftaal, gelijk voor eenheid van staat, is opoffering en toenadering van alle zijden noodig.
Maar is die eenheid van taal volstrekt onbestaanbaar met zekere mate van vrijheid en verscheidenheid? Inderdaad is de beschaafde spreektaal, hoewel over 't geheel en in hoofdzaak Hollandsch, nog ten huidigen dage niet overal dezelfde; niet alleen het ‘accent’, de eigenlijke ‘tongval’ of ‘tongslag’1), maar ook de klanken en ten deele zelfs de woorden verschillen: ook beschaafde Friezen, Groningers, Zeeuwen, Brabanders spreken nog altijd in menig opzicht anders dan de geboren Hollanders. Moet dit anders worden? Hebben wij Hollanders het recht, een Fries uit te lachen, gelijk nog vaak geschiedt, om zijn f en s waar wij v en z zeggen, om zijne voor ons ongewone uitspraak der g? Klinkt het zoo leelijk, wanneer eene geboren Friezin ook in Holland van den ‘tuun’ en het ‘huus’ blijft spreken? Waarom zou een Zwollenaar niet de slot-n en het verschil tusschen ou en au2), een Brabander dat tusschen de zacht- en de scherpheldere e en o laten hooren? Welk kwaad steekt er in deze verscheidenheid? Winkler's voorstelling der Hollandsche dwingelandij moge overdreven zijn, een ‘provinciaal accent’ geldt inderdaad nog maar al te vaak als een teeken van mindere beschaving; en de niet-Hollanders, daaraan
| | | | herkend en daarom bespot, beijveren zich, bevreesd voor achterlijk en boersch te zullen doorgaan, dan ook gewoonlijk om in hunne taal alle sporen van hun eigen tongval uit te wisschen en vooral den Hollanders gelijk te worden. En toch kan men zeer goed de historisch gewordene hegemonie van Holland erkennen als een feit, waaraan niets meer te veranderen valt, zonder daarom onze Hollandsche manier van spreken voor de beste en welluidendste, de eenige ‘beschaafde’, kortom de alleenzaligmakende, te houden! Een Hollander kan zonder affectatie de slot-n achter eene ě niet uitspreken; maar laten anderen er niet eene eer in stellen, de Hollanders hierin en in andere opzichten na te volgen en zich hunne eigene uitspraak af te wennen, die dikwijls, absoluut genomen, duidelijker, welluidender is, en historisch beschouwd, meer in overeenstemming blijkt met den vroegeren toestand der taal, gelijk die zich nog in onze spelling, in onze schrijftaal afspiegelt: laat ieder vogeltje zingen zooals het gebekt is! De onmisbare eenheid van taal is voorgoed gevestigd en wordt door allen gewaardeerd, zij zal door dergelijke nuanceering van uitspraak (of zelfs, tot op zekere hoogte, van woordenkeus) niet in gevaar gebracht worden.
Maar diezelfde overweging, t.w. dat de schrijftaal op menig punt, waar wij Hollanders hetzij later van haar afgeweken zijn, hetzij vanouds ons anders hebben uitgedrukt, wel degelijk nog heden gesteund wordt door dezen of genen tongval buiten het eigenlijke Holland, deze overweging is ook geschikt om ons voorzichtig te maken met betrekking tot mogelijke al te revolutionnaire pogingen tot hervorming, verdere verhollandsching der schrijftaal in woordenschat, grammaticale vormen en spelling1). Evenmin als wij Hollanders m.i. het recht hebben de onhollandsche uitspraak onzer taal door niet-Hollanders te gispen, evenmin hebben wij het recht om te eischen dat in de schrijfwijze onzer taal alles juist naar onzen zin geregeld worde. Van ons standpunt zou men b.v. de afschaffing der onderscheiding tusschen e en ee, ou en au, van het niet meer gebruiken van woorden als gij, naar, gaarne enz. wenschelijk kunnen achten, maar de bewoners van andere streken van Noord- of Zuid-Nederland zouden daartegen met evenveel recht kunnen opkomen. De tegenwoordige toestand moge in vele opzichten lastig zijn en onloochenbare bezwaren en nadeelen medebrengen, vooral voor kinderen; in andere gewesten ondervindt men weder andere bezwaren, en voor eenheid van schrijftaal, gelijk voor eenheid van staat, is, gelijk gezegd, zekere opoffering en toenadering van alle zijden noodig. Eerst wanneer iets in geen enkelen tongval, in geen enkelen kring meer gezegd wordt, en dus werkelijk nergens meer leeft, mag men iets afschaffen; dan dient de schrijftaal te volgen, op straffe van eene
doode taal te worden.
De hierboven gegeven voorstelling van de wording en de onderlinge betrek- | | | | king onzer hedendaagsche spreektaal en schrijftaal berust voor een deel op gissingen, die zeker bij nader onderzoek niet alle juist zullen blijken. Er is nog te weinig onderzocht om met meer zekerheid te kunnen spreken. Er is voornamelijk eene gewichtige bedenking, die hier niet verzwegen mag worden. Indien onze schrijftaal werkelijk nog altijd zooveel Brabantsche en Vlaamsche elementen bevat, zou men eigenlijk verwachten, dat zij nader stond bij het idioom van Cats dan bij dat der Amsterdamsche school: immers zijne Zeeuwsche taal is in vele opzichten verwant met, of eene voortzetting van het Middelnederlandsch1). En toch is dit niet het geval: bij Cats vinden wij over 't algemeen meer idiotismen, die in onze schrijftaal niet zijn opgenomen, dan bij Hooft en Vondel, en onze latere schrijvers hebben zich ook zeker nauwer bij de laatstgenoemden dan bij Cats aangesloten. Misschien ligt de oplossing dezer tegenstrijdigheid ten deele hierin dat het Zeeuwsch bepaaldelijk met het Westvlaamsch nauw verwant is, waarvan het Oostvlaamsch en het Brabantsch aanmerkelijk verschillen2). Intusschen, met algemeenheden komt men hier niet verder; er zal nog heel wat onderzoek noodig zijn, voordat de vragen waar, wanneer en waaruit de Nederlandsche literatuurtaal en de Noordnederlandsche omgangstaal geboren zijn, stellig en afdoende beantwoord kunnen worden. Thans is onze kennis daarvan nog zeer beperkt en vaag.
Eene vergelijking tusschen Ypey's Geschiedenis der Nederlandsche tale (1812) en Te Winkel's Geschichte der niederländischen Sprache (in Paul's Grundriss der germ. Philologie, 1890) zou het best doen zien, waarin onze kennis gedurende dat tijdsverloop gevorderd is, waarin niet. En dan zou het blijken dat er veel gedaan is aan de afleiding en verklaring van enkele woorden, maar dat het vraagstuk van de onderlinge betrekking tusschen gouwspraken, algemeene schrijftaal en beschaafde spreektaal en het ontstaan der beide laatste. nog slechts in 't algemeen is besproken, niet grondig en in bijzonderheden onderzocht. De meesten onzer dialecten wachten trouwens nog op een wetenschappelijk onderzoek, sommige zelfs op eene uitvoerige opteekening3). Toch is hier reeds veel verzameld, vooral woorden4). Zuid-Nederland staat in
| | | | den laatsten tijd te dezen aanzien waarlijk niet bij ons achter: de studie der volkstaal telt daar meer beoefenaars, en is er ook verder gevorderd1). Wat kunnen wij Noordnederlanders tegenover deze bedrijvigheid onzer Zuiderbroeders stellen? Zoogoed als niets. ‘Onze
Volkstaal’, het eenige ‘Tijdschrift gewijd aan de studie der Nederlandsche tongvallen’, is bij gemis aan een voldoend aantal inteekenaars2) onlangs bezweken, na een kwijnend bestaan van een jaar of acht, waarin met moeite, ondanks de hulp van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde nauwelijks drie jaargangen konden verschijnen. En dat terwijl de bestudeering onzer tongvallen, ook om hun verval en verbastering, zoo dringend van noode is! De literaire taal, de taal der latere groote dichters en schrijvers moge, uit het oogpunt der kunst beschouwd, hooger staan, hun wien het om de zuivere taalwetenschap, of om de geschiedenis van onze taal en ons volk te doen is, boezemen die ‘gouwspraken’ op zijn minst evenveel belang in. Vooral de geschiedenis van een dialect zou, indien er voldoende bouwstoffen voor waren, belangrijke uitkomsten kunnen opleveren. Die bouwstoffen liggen, voorzooveel de ME. betreft, nog grootendeels ongebruikt, o.a. in tal van oorkonden en andere stukken, waarvan plaats en tijd van herkomst bekend zijn, in persoons- en plaatsnamen enz. De kluchtspelen der 16de en 17de eeuw geven ons een vrij duidelijk beeld van enkele tongvallen gedurende dien tijd: het ‘out-Amsterdamsch’ b.v. kan nauwkeurig bestudeerd worden uit de
| | | | stukken van Coster, Hooft, Bredero e.a., het ‘plat-Antwerpsch b.v. uit Bredero's Spaansche Brabander en uit Huygens' Tryntje Cornelis1).
Daarnaast dient de taal der voornaamste literaire schrijvers te worden onderzocht: ik noem uit de ME. b.v. den Limburger Veldeke, den Westvlaming Maerlant, de Brabanders Boendale en Hein van Aken, de Zuidhollanders Hildegaersberch en Potter2), en uit lateren tijd den Westvlaming Van Mander, de Antwerpsche Anna Bijns, den Brusselaar Marnix, de Amsterdammers Coster, Hooft en Bredero (de tweede van Zaansche afkomst), den Amsterdammer van Brabantschen bloede Vondel3), de Hagenaars Huygens en Stalpert van de Wiele, de Zeeuwen Cats en de beide De Brune's, den Noordbrabander Poirters, den Antwerpenaar Ogier, den Deventerschman Revius, de Friezen Starter, P. Baardt, Gabbema en Hilarides enz.4)
Uit eene vergelijkende studie van de taal dezer auteurs, van den toenmaligen en van den hedendaagschen tongval hunner geboorteplaats kan eerst blijken: 1o. in hoeverre en op welke punten de taal dier schrijvers afwijkt van hun eigen dialect en van de schrijftaal hunner tijdgenooten uit andere gewesten; 2o. waarin het dialect in verloop van tijd veranderd is5). Eerst dan zal met eenige zekerheid kunnen worden uitgemaakt of er in de ME. reeds eene afzonderlijke schrijftaal bestond, van waar die zich heeft verbreid, waar en wanneer zich eene algemeene beschaafde spreektaal heeft gevormd en wanneer in de Friesche en Saksische gewesten eerst de Nederrijnsche kanselarijtaal door de Nederlandsche schrijftaal, en later, althans bij de hoogere standen, de landstaal ook door de Hollandsche spreek- | | | | taal verdrongen is, altegader vragen, die wij nu nog slechts in 't algemeen en bij benadering kunnen beantwoorden. Eerst wanneer tal van dergelijke bijzondere onderzoekingen zijn voorafgegaan, zal er een behoorlijke grondslag gelegd zijn, waarop eenmaal eene uitvoerige geschiedenis der Nederlandsche taal1) kan worden opgebouwd.
Leiden, Januari 1891.
J.W. Muller. |
1)Zie over dit Noorsche ‘Maalstraev’ een opstel van K. Maurer in Germania, XXV, 1-33, en verg. W. Golther, in Germ. XXXIV, 411-419. - Ook in het Zweedsch is de afstand tusschen de gesproken en de geschreven taal zeer groot, al zijn de omstandigheden anders dan in Noorwegen.
1)Zie zijn: Oud-Nederland ('s-Gravenh. 1887), eene verzameling van opstellen, alle eigenaardig van vorm en strekking, en meerendeels zeer belangrijk voor allen die zich bezighouden met ‘gouwspraak’ en ‘volkskunde’. Als een aardig staaltje van W.'s schrijftrant leze men b.v. de ‘gelijkenis vooraf’.
2)Zie b.v. Jonckbloet, Gesch. d. Ned. Lett. 3 VI, 211.
1)Prof. Vercoullie gebruikt zit onbeschroomd in zijn Etym. Wdb. (zie b.v. op Boeg). Verg. daar zit wat achter, waar zit-je (tot een kind dat zich verstopt heeft). Het Hd., in dergelijke zaken minder stijf dan onze taal, gebruikt in 't eene zoowel als in 't andere geval
steckt.
1)Woorden als aanblik, aangenaam, aanzijn en derg. tellen hier natuurlijk niet mede: zij behooren alleen tot de schrijftaal of de min of meer kunstmatige spreektaal en worden dus uitgesproken zooals zij geschreven worden.
1)In Den Haag schijnt ach echter wel gehoord te worden; het is dan bepaaldelijk ‘Haegsch’.
2)Zie hierover Prof. T. Roorda's Verhandeling over het onderscheid en de behoorlijke overeenstemming tusschen spreektaal en schrijftaal, inzonderheid in onze moedertaal. Leeuwarden 1858.
1)Zelfs wazze (waren), doch thans alleen onder het lagere volk. Meer algemeen is magge(n) voor mogen.
1)Zoover ik weet is op dit laatste nog in geene Nnl. spraakkunst gewezen.
2)Zie hierover thans hiervoor, blz. 148-153.
3)Iets dergelijks is nee voor neen (dat in het dagelijksch leven volstrekt ongebruikelijk is), al heeft dit denkelijk wel eene andere oorzaak.
4)Zoover als het Engelsch in het afkappen van alle buigingsuitgangen is onze taal trouwens alleen in Zuid-Afrika gegaan: op het punt van deflectie staan het Engelsch en het Kaapsch-Hollandsch vrij wel gelijk; de Engelschen hebben allerminst recht om met minachting neer te zien op die ‘boerentaal.’
5)Met ‘men’ of ‘wij’ bedoel ik hier en elders de Hollanders, en het meerendeel der beschaafde lieden uit andere gewesten, die niet meer hun dialect maar, met meer of minder ‘accent’, de Hollandsche spreektaal spreken.
1)Zie hierover o.a.: Land, Over uitspraak en spelling, voornamelijk in de Nederlandsche taal. Amst. 1870.
2)Een kruis niet alleen voor de vreemdelingen, maar ook voor de Fransche en Engelsche kinderen, getuige de pogingen tot hervorming in beide landen en de Amerikaansche ‘spelling-bee's’!
3)Met de letterteekens oe en ui is het anders gelegen: hier zijn niet oorspronkelijk onderscheiden klanken samengevallen, doch is de spelling ( o + e, u + i) ten achteren gebleven bij de jongere gewijzigde uitspraak. Men meent veelal dat ui juist onze hedendaagsche diphthongische, in
tegenstelling met de oude monophthongische uitspraak ( ü) voorstelt. Doch de spelling ui in oudere geschriften mag evenmin als bewijs eener gewijzigde uitspraak gelden als de spelling ai of oi (voor nnl. aa en oo, nog over in hair, oir en derg.) of ij, (voor ii), het is niets anders dan eene verouderde wijze om den gerekten klinker aan te duiden (evenals ae, oe, ue). De spelling ui, oorspronkelijk = il, is, toen later de klank veranderde, na eenige weifeling (in de 17 de eeuw schreef men nog veelal, juister, eui) behouden om dien veranderden klank aan te duiden, die echter eigenlijk door u (hetzij = oe of = uu) + i volstrekt niet weergegeven wordt. Zie Taal- en Letterbode, VI, 102 vlgg.
4)Zooals gezegd, hebben wij hier geen reden tot klagen. Toch is het niet onbegrijpelijk dat velen van hen die de Hollandsche spes patriae gedurende eenigen tijd min of meer aangenaam hebben moeten bezighouden met deze diepzinnige spellingkwesties en de daaraan onvermijdelijk verbonden speloefeningen, misschien zelfs hun deze mysteriën hebben trachten te ontsluieren, zich wel eens afvragen: is het fiere bewustzijn dat wij (alleen op het papier!) de oude uitspraak der Germaansche klanken nog min of meer bewaren, dat wij aan de spelling van een woord onmiddellijk kunnen zien, of de klinker van een woord in 't Oudgermaansch ai of e heeft geluid, inderdaad zóóveel waard, dat kinderen hieraan hun tijd bij voortduring moeten blijven besteden? Iets dergelijks, het behoud der (bij het uitspreken verwaarloosde!) accenten bij het schoolonderwijs in het Grieksch is in den laatsten tijd door velen afgekeurd. Zie echter beneden, blz. 228.
1)Men denke aan de bekende anekdote van Keizer Sigismund (zie Max Müller, Vorlesungen, I, 44).
1)Bekend is de aardigheid van den vreemdeling, die als voorbeeld van de moeilijke uitspraak onzer taal, waarmede hij bij het aanleeren te worstelen had, vertelde dat men in 't Nederlandsch h-e-d-e-n spelde en dit dan als vandaag uitsprak.
1)Een zeer karakteristiek staaltje van de minachting der landstaal door den adel geeft Jonckbloet, Gesch. d. Ned. Lett. 3 IV, 56, noot 3.
2)Bij ons is het gelukkig nooit zoo ver gekomen als in Zuid-Nederland, waar de treurige gevolgen van de verwaarloozing der moedertaal door de toongevende kringen wel het duidelijkst blijken. Wanneer niet alleen de hoogere standen, maar ook de fatsoenlijke burgerij gaandeweg eene vreemde taal gaat spreken en schrijven, de moedertaal òf niet kent òf alleen zooveel als noodig is om meiden en knechts te verstaan, dan ontbreken de gegevens tot vorming eener algemeene, beschaafde spreek- en schrijftaal, die zich te allen tijde ontwikkeld heeft uit den tongval van het gewest, de stad, den stand of den kring, die de voornaamste was en daardoor vanzelf, zonder opzettelijken dwang, de overige noopte zich daarbij aan te sluiten. Zoo zijn de Zuidnederlandsche dialecten, door het Fransch der hoogere standen van de beschaving als 't ware afgesloten, en door de scheiding van Noord en Zuid onttrokken aan den invloed der latere Noordnederlandsche beschaafde spreektaal, aan de natuurlijke ontwikkeling (doch alleen onder en door de lagere volksklasse) overgelaten: ze zijn in het wilde, zonder opvoeding, opgegroeid.
Aldus ‘geconserveerd’, zijn zij thans zeker voor de wetenschap van hooge waarde, omdat zij in die afzondering menig oud bestanddeel bewaard hebben. Doch tot zelfstandige ontwikkeling van een hunner tot eene afzonderlijke algemeen-Zuidnederlandsche spreek- en schrijftaal ontbrak hun de innerlijke kracht: immers de kringen, die het middelpunt hadden moeten zijn, het voorbeeld hadden moeten geven, spraken Fransch! Het gevolg is geweest dat de tongvallen verwilderd en verfranscht zijn, doorspekt met een heerleger van Fransche woorden en van Gallicismen, en dat een Zuidnederlander tot voor korten tijd, wilde hij over iets anders dan de meest alledaagsche zaken in behoorlijken vorm spreken of schrijven, te kiezen had (of eigenlijk nog heeft) tusschen het vreemde Fransch, de Noordnederlandsche, in de laatste eeuwen meer en meer Hollandsch getinte spreek- of schrijftaal (die hem niet van jongsaf naast zijn eigen dialect in de ooren heeft geklonken en dus niet gemeenzaam is, zooals met een Fries, een Groninger of een Nederlandsch-Limburger 't geval is), of eindelijk zijn eigen dialect, voor schriftelijk gebruik en voor hoogere doeleinden zoo goed als 't gaat geschikt gemaakt (zooals de Westvlaamsche particularisten doen): altijd iets dat niet door het geheele Zuidnederlandsche volk gelijkelijk verstaan wordt. Zoo ver was het gekomen dat nog heden vele beschaafde Vlamingen, vooral onder de oudere, ook al zijn zij in beginsel der Vlaamsche beweging niet vijandig of zelfs welgezind, uit schaamte over hun onontwikkelden tongval, tegenover Noordnederlanders liever Fransch spreken (evenals de beschaafde Kapenaars, vooral de jongere, Engelsch), en daarin onderwerpen van hooger orde ook inderdaad gemakkelijker en beter kunnen behandelen. Welk een bedroevend en vernederend schouwspel: Nederlanders, taal- en stamgenooten, Fransch of Engelsch sprekende bij gebreke van een gemeenschappelijk idioom hunner moedertaal! Wat er ten slotte terechtkomt van de
eenheid eener natie en van de ontwikkeling eens volks, waar de hoogere en de lagere standen door zulk eene kloof gescheiden zijn, en de eerste dus bitter weinig invloed op de laatste kunnen oefenen, behoeft niet gevraagd te worden, vooral wanneer zich bovendien nog godsdienstige en staatkundige partijschappen doen gelden.
1)Voor het Fransch natuurlijk alleen de voorrang van het Latijn bij de geleerden: de adel sprak daar de landstaal. En het is zeker geen toeval, dat ook juist in het Fransch de afstand tusschen spreektaal en schrijftaal kleiner is dan wellicht ergens elders.
1)Zie hierover beneden, blz. 224, noot.
1)Immers de taal van Melis Stoke mag niet klakkeloos Hollandsch genoemd worden. Dat hij een geboren Hollander is blijkt uit niets, zelfs is het volstrekt niet zeker of ook maar waarschijnlijk dat hij te Egmond monnik is geweest; sommigen houden hem voor een Utrechtenaar (zie Jonckbloet 3 II, 157-158; Te Winkel I, 380-381). In allen gevalle mag het geringe verschil tusschen zijne taal en die van Maerlant niet als een bewijs gelden dat het Hollandsch en het Westvlaamsch van c. 1300 zich weinig van elkander onderscheidden:
zelfs al mocht hij blijken een echte Noordhollander of Westfries te zijn, dan zou hij zich nog in vele opzichten naar Maerlant gericht kunnen hebben. Maar zijne taal is nog nooit opzettelijk en in vergelijking met andere schrijvers en met echte locale oorkonden onderzocht.
2)Zie beneden, blz. 224, noot 1.
1)Men kan dit indringen der Noordelijke dialecten in de algemeene schrijftaal vergelijken met de vermenging van het Nhd. met Nederduitsche elementen, al is het verschil tusschen Hoog- en Nederduitsch natuurlijk veel grooter dan dat tusschen Vlaamsch en Hollandsch.
2)Zie de betrokken artikels in het Ned. Wdb. Waar een woord met l of sl en een met gl (in een nog onopgehelderd verband) naast elkaar staan, schijnt dat met gl veelal Friesch of Saksisch te zijn. Verg. westvlaamsch leep - holl. gleep, wvl. loeme - kleefsch gloeme, wvl. (ook zuidholl.) luipen - friesch
gluipen, saks. loeren - friesch gluren.
3)Het is trouwens bekend dat niets eene juiste waardeering onzer oudere literatuur zoo zeer in den weg staat als de omstandigheid, dat men zich zoo moeilijk kan losmaken van onze hedendaagsche opvatting der woorden, dat men zich nooit genoegzaam het taalgevoel der oudere schrijvers kan eigen maken, zich den indruk voorstellen, dien een woord of vorm op hen maakte. Wat toen ook in poëzie zonder schade voor den indruk kon gezegd worden, is thans vaak weder naar de spreektaal of zelfs naar de volkstaal verwezen. In het Fransch, waar spreek- en schrijftaal veel meer uit één en hetzelfde dialect zijn voortgekomen en beide zich ook meer gelijkmatig ontwikkeld hebben, kent men die tweespalt niet: de literaire taal der 17de eeuw is dan ook veel minder verouderd, veel beter voor iedereen verstaanbaar dan bij ons.
1)Zie de betrokken artikels in het Ned. Wdb.
2)B.v. Camphuyzen, Ps. 8, 2; 19, 5; 65, 6; 66, 2. Opmerkelijk dat de vorm der spreektaal heel in de verbinding heel de - weer tot den hoogeren stijl behoort.
3)Zie b.v. het Uitl. Wdb. op Hooft.
4)B.v. Bredero I, 183; II, 77; Vondel I, 20; II, 249.
5)B.v. Vondel VI, 135; De Brune, Bank. I, 433.
1)Ook b.v. in worden voor geworden ( je kunt niet(s) met hem (ge)worden). Over het tegenwoordig onderscheid tusschen beuren en gebeuren, dijen en gedijen, dragen en gedragen, laten en gelaten, lijken en gelijken, raken en geraken, worden en geworden zie Ned. Wdb. IV, 365 en bij die woorden.
2)Met uitzondering van de Zaanstreek, Haarlem, Laren, 's-Gravezande, en Dordrecht; doch ik betwijfel die opgave eenigszins, althans te Haarlem, aan de Zaan en ook te Dordrecht is zoenen wel degelijk het woord, en evenzoo te Utrecht, waar volgens W.'s zegsman ook kussen gezegd wordt.
3)Of de bijzondere opvatting van zoenen, afgeleid uit de algemeen-Germaansche van ‘verzoenen’, uit een eigenaardig Friesch rechtsgebruik is te verklaren, is mij onbekend. - Nnl. zoen m. is natuurlijk niet identiek met Mnl. soene vr.,
‘verzoening’, maar een jonger afleidsel van zoenen ‘kussen.’
1)Aangehaald bij Kalff, Gesch. d. Ned. Lett. in de 16 de eeuw. II, 223.
1)Zie verder het Ned. Wdb. i.v.
2)B.v. XI, 422, trouwens in 't rijm en na overschoon, dus wellicht uit nood en ter afwisseling (zie Van Lennep's aant. ald.)
3)In 't Hollandsch is de beteekenis van mooi, bij Kiliaan nog alleen: ‘comptus, ornatus, elegans’, evenzeer verruimd als die van schoon is ingekrompen.
4)Zie voorshands Ned. Wdb. IV, 2335-2337.
1)Zie Franck, Mnl. Gramm. § 47; Vercoullie in Onze Volkstaal II, 27 en 31.
2)Zie Vondel XII, 12, 19, 21.
3)Ook het Stadfriesch, dat veel ouder Hollandsch bewaart, zegt graech; het Landfriesch kent daarnevens jerne.
4)Zie Van Lennep, Woordregister op Vondel (in Deel XII). en Oudemans IV, 509 vlgg. en 516 vlgg. Volgens Huydecoper, Proeve I, 28 daarentegen is Vondel de eerste geweest die de twee woorden op onze wijze onderscheidde, - en was hij dus volgens Bilderdijk een ‘betweter’ (zie Van Lennep t.a.p.)!
1)Zie Ned. Wdb. II, 247-249.
2)Zie b.v. Wassenbergh Bijdr. t.d. Fr. tongv. I, 122-124, en Epkema, Wdb. op Gijsb. Jap. i.v. Az; en voorts Van Blom, Friesche Spraakk., blz. 93.
3)Zie hier en verder beneden voor het Wvl. De Bo op die woorden.
4)Zie Zeitschr. f. deut. Alt. XXVI, 334-335; Tijdschr. VII, 82-83.
5)Zie Van Helten, Vondel's taal § 6.
6)Zie Van Helten in Taal- en Lettb. IV, 302.
1)Vondel gebruikt ruiken voor ‘geuren’ o.a. in een Rei van Jerusalemmers (V, 722); rieken voor ‘odorari’ b.v. VI, 139. Welriekend heeft natuurlijk niet welruikend naast zich, omdat niet alleen de ie, maar ook wel der spreektaal vreemd is, en het geheele woord dus uitsluitend tot de schrijftaal behoort. Verg. in een oud Amsterdamsch liedeboek van 1589: ‘ ruyckende rosen’, en ‘Die daar ruyct als een welrieckende cruyt’ (Tijdschr. X, 199 a en 201 a): het woord der schrijftaal tusschen de echt-Amsterdamsche vormen verdwaald.
2)Evenzoo zijn rijmen als eurtjen (uurtje), deurtjen (Bredero III, 309), geduerigh, truerigh (Starter 357), denkelijk aan 't Wvl. ontleend, althans onhollandsch.
3)Van Helten, Vondel's taal § 8 en 39, d, en voorts Coster 115 (Ithys), Hooft, Ged. II, 225 (Geeraerdt van Velsen).
4)Bij de hierboven vermelde gevallen is altijd sprake van een verschil in dialect. Doch er zijn ook verschillende gevallen waar, voorzoover wij thans weten, aan zulk een verschil niet gedacht kan worden, en een woord om andere redenen uit de schrijftaal is verbannen. Vondel schroomt niet Gijsbrecht van Aemstel zijn broeder Arent te laten aanspreken met Arent-broer (III, 408), en de huiskapelaan wordt het geheele stuk door Broer Peeter genoemd; evenzoo noemt Electra haar broeder (in eene lyrische ontboezeming!) Orestes-broer (III, 523) Naar latere begrippen, is eene dergelijke gemeenzaamheid een vergrijp tegen den treurspelstijl; vroeger werd dit minder statige, meer innige broer blijkbaar niet ongepast geacht in den mond van een held of heldin. De beschaafde spreektaal heeft het echter behouden, doch, schijnbaar grillig, het voorheen even gebruikelijke vaar en
moer laten glippen: die korte samengetrokken vormen achtte men kennelijk niet overeenkomstig den eerbied, aan ouders verschuldigd (bij Hooft nog: vaârlants vaâr).
Iets dergelijks doet zich voor bij och, in den hoogeren stijl thans slechts in zekere verbindingen, vooral als uiting van verlangen ( och of, och dat) geduld, maar in de 17 de eeuw, b.v. door Vondel, nog menigmaal evenals door ons gebezigd als uiting van bitter leed, b.v. in zijne vertaling van Sophocles' Electra en elders in zijne treurspelen, (zie I, 715; II, 319; III, 513 vlgg., 778 enz. en Ned. Wdb. op Och (kol. 26) en Ocharm). Ons klinkt dit min of meer burgerlijk Amsterdamsch, Warmoesstraatsch. Het is mogelijk dat oorspronkelijk och en ach evenals af en of, naar gelang van het accent afwisselden, en beide dus naast elkaar in hetzelfde dialect gebruikt werden. Maar het komt mij niet onwaarschijnlijk voor dat latere dichters ach hebben verkozen, mede omdat het in Holland niet gehoord werd en dus ongemeener, voornamer klonk, dan het alledaagsche och, welks doffere o-klank bovendien in andere gevallen zooals rot, of naast rat, af enz. iets plats had. In Vondel's tijd was dit denkelijk nog niet aldus: trouwens niet in het gebruik van dergelijke woordvormen, waaraan de latere dichtschool onze ooren ontwend heeft, is het burgerlijke van de poëzie der 17de eeuw gelegen.
Evenzoo is het met vormen als je wandelde, die reeds in het Mnl. (met ghi in plaats van je), en als loop-je enz. die in de 17 de eeuw vaak aldus, zonder t, geschreven werden zonder blikken of blozen over wat ons alleen in zeer gemeenzamen stijl geoorloofd schijnt (zie Franck, Mnl. Gramm. § 133, 3; Ned. Wdb. op Gij, B, 3).
De volle vormen mijnen, eene enz. zijn eerst in later tijd door de taalkundigen hersteld; in de 17 de eeuw en ten deele reeds in de ME. schreef men de vormen der spreektaal mijn, een enz. onbeschroomd; thans ‘mag’ men dit ook weer doen.
Dat Mijnheer in Zuid-Nederland op adressen niet vervangen wordt door het nooit gehoorde Den Heere, maar, evenals vroeger bij ons, in volle gebruik is, zal wel niet zoozeer eene handhaving van het oude, als wel eene navolging van fr. Monsieur zijn.
1)Zie b.v. Van Helten, Vondel's taal § 23 en Oudemans op die woorden.
2)Zie voor Vondel: Van Helten, Vondel's taal § 21, en verder klay: schalmey (VII, 628); Van Lennep's aant. op XI, 570 (vs. 921); Oudemans op die woorden enz.
3)Zie Winkler, Dialecticon bij die plaatsen, alsmede Berkhey, Nat. Hist. v. Holl. III, 1038; doch ook Van Helten t.a.p.
1)Voor de geschiedenis der taal ware het van belang te weten sedert wanneer onze Hollandsche uitspraak in dit opzicht niet meer aan de spelling beantwoordt, m.a.w. wanneer en waar î in ij (en û in ui) is overgegaan. Maar ook hiervan, van de vroegere uitspraak onzer taal in de verschillende gewesten is nog zeer weinig bekend. Enkele opmerkingen mogen hier dus voorloopig volstaan. De diphthongeering is in het Zuiden, in Brabant begonnen, volgens sommigen reeds in de 14 de eeuw, (zie Van Helten, Mnl. Spraakk. § 29), doch dit schijnt mij geenszins afdoende bewezen. Aan het einde der 16 de eeuw echter spraken naar het uitdrukkelijk getuigenis van Pontus de Heuiter's Nederduitse Orthographie en de Twespraack van de Ned. Letterkunst Vlamingen en Amsterdammers nog î, Brabanders reeds ei uit. In het Noorden hield ook in de 17 de eeuw de uitspraak î nog lang stand, o.a. blijkens spellingen met ii en zelfs ie iplv. de gewone met ij. Rijmen als Phrygen: stijgen en Hymen: rijmen, die in de 17 de eeuw niet ongewoon zijn, pleiten m.i. ook voor de oude, of althans eene nog slechts weinig gewijzigde uitspraak, doch zij kunnen, althans ten deele, geweest zijn wat de Engelschen noemen ‘eye-rhymes’, rijmen voor 't oog alleen, evenals thans nog lijk, muzijk en - lijk wel op elkander moeten rijmen, doch de verbinding van snijden: scheiden b.v. nog altijd verboden is ( ij: ei = inktkoker: pompstok). Wanneer Huygens echter venijn laat rijmen op fr.
main, zijn op eng. pain. zijn en pijn op gr. δεῖν en γαμεῖν, dan zal men daaruit wel mogen opmaken, dat hij het letterteeken ij niet meer als î uitsprak, zooals de Zeeuw Cats terzelfder tijd nog deed, blijkens rijmen als rijcken (rieken) : blijcken. In de tweede helft der 17 de eeuw echter vindt men bij slordige Hollandsche dichters rijmen van ij op ei, een bewijs dat de klanken toen althans niet veel meer verschilden. Toch onderscheidt Moonen in 1706 in zijne Nederduitsche spraakkunst nog uitdrukkelijk lit, liet, leidt (leed) en lijdt, niet alleen in spelling maar ook in uitspraak; en Le Francq van Berkhey hoorde een groote eeuw geleden bij de Rotterdammers en de Haarlemmerdijksche Amsterdammers nog een duidelijk verschil. Behalve de rijmen en de getuigenissen der spraakkunsten zouden in dezen de woorden die uit het Nederlandsch in andere talen zijn overgenomen ons van veel dienst kunnen zijn, indien het maar altijd vaststond wanneer en van wie het woord werd overgenomen. Zoo maakte Prof. Kern mij opmerkzaam op het verschil in uitspraak tusschen Javaansche woorden, in de 17 de eeuw aan het Hollandsch ontleend zooals sětrika (strijkgoed), brandoewin, en andere die, in later tijd overgenomen, ook ei hebben zooals oenderwèiser. Doch deze kwestie van den overgang van î tot ij verdient een opzettelijk onderzoek.
1)Natuurlijk is dit niet zoo op te vatten alsof het Hollandsch dialect in den ouden tijd geenerlei invloed op de schrijftaal zou hebben gehad. Het komt er slechts op aan wat men onder ‘Hollandsch’ verstaat. Gelijk bekend is duidt de naam Holland in zijne oudste beteekenis een veel kleiner gebied aan dan thans, t.w. de streek om Dordrecht. Neemt men den naam in die oorspronkelijke opvatting, of in den zin van wat in de ME. Zuid-Holland heette, d.i. ongeveer de Zuidhollandsche eilanden, en rekent men er ook het Maasland nog toe, dan mag men ook onze oudere schrijftaal misschien tot op zekere hoogte nog Hollandsch noemen. Hiermede zou althans overeenstemmen wat Winkler beweert, dat de uitspraak van het Maashollandsch merkwaardig weinig verschilt van die welke door onze spelling ondersteld wordt. Ook Bilderdijk heeft den omtrek van de Maas ‘den echten zetel van ons Hollandsch’ genoemd, waarmede hij denkelijk wel het geschreven Hollandsch bedoelde (zie Winkler's Dialecticon II, 143-145, en ook Kern in: Handel. v.h. 14de Congres te Maastricht, blz. 161). Onze schrijftaal zou dan hoofdzakelijk zijn voortgekomen uit de tongvallen die in Vlaanderen, Brabant en Zuidelijk Zuid-Holland gesproken werden.
Doch de beteekenis van een geographischen naam kan zich mettertijd aanmerkelijk wijzigen (men denke aan Saksen). En zoo begrijpt men tegenwoordig onder den naam Holland ook de veel noordelijker gelegen streken, die vroeger, ten deele tot 1801, dien naam niet droegen, en meer of minder zuiver Friesche bevolking hebben. En die veel ruimere opvatting wordt natuurlijk bedoeld, wanneer men onze hedendaagsche spreektaal Hollandsch noemt.
2)Zie Van Helten, Vondel's Taal, Voorbericht.
1)Zooals waarschijnlijk de ie voor ê (ogerm. ai). Een grondig onderzoek van het oud-Amsterdamsch is dringend noodig (zie voorshands Winkler, Dial. II, 84 vlgg.), te meer daar het sterk verschilt van het hedendaagsch dialect. Van een ie voor ê, een ngd voor nd, een eu in weunen, keunt e.a., een ij voor i in woorden als vijnden, kijeren enz. is thans, zoover ik weet, niets meer te hooren, evenmin als van de uitspraak van gg (in zeggen enz.) als lange media, die (blijkens de Twespraack, blz. 52-53) in 1584 te Amsterdam nog even gewoon was als in 't Mnl. en nog heden in 't Friesch.
2)Zie ook Te Winkel in Paul's Grundriss I, 692-693.
1)Verg. de bekende, bijna gelijkluidende plaats bij Maerlant, Franc. 131 vlgg.: Men moet om de rime souken Misselike tonghe in bouken enz.
2)Onhollandsch is in onze spreektaal b.v. hun en zich (het volk zegt trouwens nog hem of z'n eigen), bleu en andere uit de Saksische of Nederrijnsche tongvallen ingedrongen bestanddeelen.
3)De geschiedenis der geleidelijke wijziging in de beteekenis en opvatting dezer twee woorden ware een bijdrage tot de geschiedenis van den letterkundigen smaak te onzent.
1)Zie Winkler, Oud-Nederland 8, noot en 13.
2)Wat bij het jongere geslacht trouwens ook al verloren gaat.
1)Ik spreek hier niet eens van de bezwaren eener phonetische spelling, die met één slag al wat vroeger gedrukt is doet verouderen, en bovendien, zelfs al nam men de beschaafde spreektaal tot grondslag, lang niet overal gelijk zou kunnen zijn.
1)Zie J.H. van den Bosch in zijne Inleiding op Hooft's Granida, blz. XXXVI.
2)Men doet dan ook eigenlijk verkeerd, twee zoo verschillende dialecten als Oost- en Westvlaamsch onder den naam ‘Vlaamsch’ samen te vatten: het veroorzaakt telkens verwarring.
3)Zoo bestaat er b.v. geen enkel volledig Nieuwfriesch woordenboek: eene dringende behoefte!
4)Wat Noord-Nederland betreft noem ik hier in de eerste plaats Johan Winkler's Dialecticon benevens zijn ‘Oud Nederland’, en daarnaast J.A. en L. Leopold's ‘Van de Schelde tot de Weichsel’. Verder bezitten wij voor Noord-Nederland woordenboeken van het ‘Bredaasch taaleigen’ door Hoeufft, der ‘Dorpsspraak van Heerle’ door Jongeneel, der ‘Volkstaal in Noord-Holland’ door Bouman, en der ‘Groningsche volkstaal’ door Molema (bij gebreke aan voldoende belangstelling hier te lande op kosten van het Verein für niederd. Sprachforschung gedrukt!), en verder ettelijke woordenlijsten alsmede eenige wetenschappelijke verhandelingen, in tijdschriften verspreid, maar door de ijverige zorg van den Heer Petit in eene Bibliographie opgeteekend (in: Onze Volkstaal, I, 48-82, 129-149).
1)Behalve de standaardwerken: het voortreffelijke, onontbeerlijke ‘Westvlaamsch Idioticon’ van De Bo, waarvan thans de 2de druk verschijnt, en het ‘Algemeen Vlaamsch Idioticon’ van Schuermans (met Bijvoegsel) dienen hier genoemd de kleinere ‘Bijdrage tot een Hagelandsch Idioticon’ van Tuerlinckx, de onlangs verschenen ‘Bijdrage tot een Haspengouwsch Idioticon’ van Rutten, benevens het ‘Woordenboek van het Bargoensch’ van Teirlinck, en het Vlaamsch ‘Kruidwoordenboek’, uit De Bo's nalatenschap uitgegeven door Jos. Samyn, terwijl thans een Waasch Idioticon van Am. Joos ter perse is. Voorts heeft de overal ontwaakte belangstelling in al wat ‘folklore’ betreft in Zuid-Nederland veel meer weerklank gevonden dan bij ons, en geleid tot de oprichting van ettelijke tijdschriften voor ‘volkskunde’ en ‘gouwspraken’, t.w. ‘Volkskunde’ onder redactie van Pol de Mont en Aug. Gittée (algemeen-Nederlandsch), ‘Rond den Heerd’, ‘Loquela’ en ‘Biekorf’ (Westvlaamsch), ‘Volk en Taal’ (Zuid-Vlaanderen), ‘Ons Volksleven’ (Antwerpen-Brabant), ‘'t Daghet in den Oosten’ (Limburg). Dat deze tijdschriften ten deele een Katholieken geest ademen en eene particularistische strekking hebben deert ons evenmin, als dat de taalkundige verklaringen soms zeer ‘autodidactisch’ (s.v.v.) zijn: zij dragen kostbare bouwstoffen aan voor de kennis onzer taal, die den geleerden gewoonlijk onbekend zijn en hun toch vaak zoo uitnemend te stade komen.
2)Niet aan medewerkers: bij het staken van het tijdschrift lagen er een aantal bijdragen in handschrift gereed.
1)Kostbare bouwstoffen voor de geschiedenis van de uitspraak, de grammaticale vormen en den woordenschat zoowel der schrijftaal als der tongvallen schuilen ook nog in de spraakkunsten en de overige taalkundige werken der ‘taalzuiveraars’ uit de 16 de tot de 18 de eeuw: de feiten die zij mededeelen zijn vaak even belangrijk als hunne verklaring (of veroordeeling!) daarvan onbelangrijk en onzinnig (maar veelal vermakelijk) is.
2)Over Melis Stoke zie boven, blz. 212, noot.
3)De eenige wiens taal grondig onderzocht is, door Prof. Van Helten in zijn: Vondel's taal.
4)Voor de Middeleeuwsche schrijvers moet altijd vooraf zoo goed mogelijk worden vastgesteld wat in klanken, vormen, woorden en zinbouw van hen zelven, wat van de afschrijvers der hss. is.
5)Immers hoe merkwaardig ook b.v. het conservatieve Westvlaamsch nog steeds met de taal van Maerlant overeenstemme, ook de tongvallen, vooral der steden, veranderen in verloop van tijd. Strikt genomen is het dan ook voorbarig, uit de omstandigheid dat een woord der schrijftaal in de hedendaagsche Westvlaamsche en niet in de Hollandsche volkstaal wordt aangetroffen te besluiten dat dit ook vroeger zoo geweest is en dat dit woord dus uit het Westvlaamsch afkomstig is: het Hollandsch kan het woord vroeger bezeten, maar later verloren, misschien ook zelfs het Westvlaamsch het later opgenomen hebben.
1)Gelijk in zoo menig opzicht, zijn ook hier de Duitschers
weer onze voorgangers en wegwijzers. Onder de geschriften, in den laatsten tijd over dit onderwerp verschenen, noem ik hier enkele van meer algemeenen aard: Kluge, Von Luther bis Lessing; Socin, Schriftsprache und Dialekte im Deutschen; Fischer, Zur Geschichte des Mittelhochdeutschen; Kauffmann, Geschichte der schwäbischen Mundart; Von Bahder, Grundlagen des nhd. Lautsystems; Francke, Reinheit und Reichtum der deutschen Schriftsprache gefördert durch die Mundarten; Schröder, Vom papiernen Stil. Zie voor het Nederlandsch ook: Verdam, Geschiedenis der Nederlandsche taal, en Kalff's beoordeeling daarvan in ‘De Gids’ van Dec. 1890.
|
|