Taal en Letteren. Jaargang 2


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 2. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1892


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 164]

Schertsenderwijs aangewende eigennamen.

Het is een zeer eigenaardige studie om de wijzen na te gaan, waarop zich de spotlust bij het volk openbaart. Dat zij van den volksgeest onafscheidbaar is, en dezen ingeboren, hoeft wel geen betoog. De komische letterkunde heeft een populairen oorsprong, en vindt nog - hoe groot ook heden de kloof zij tusschen het eigenlijke volk en de gehandschoende literatuur - vaak haar typen en inspiraties in den handel en wandel der lagere klassen.

Bij deze treedt dan ook de spotzucht meer op den voorgrond. Heeft La Fontaine van de jeugd gezegd: ‘Cet âge est sans pitié’, evenzeer is dit woord toepasselijk op het volk. Voor elk moment in het leven, bij elken toestand, heeft het een woord dat afwisseling brengt in het proza van het menschelijk bestaan, en een oogenblik in luchtiger stemming brengt. Vooral daar waar zich zwakheden en tekortkomingen openbaren, zal de volksgeest zich te haren koste - zonder kwaadaardigheid evenwel - lustig maken.

Een zeer zonderlinge rubriek vormen, in deze uitingen van het volkskarakter, de eigennamen die in scherts en spot worden aangewend. Uit het voorgaande zal men reeds begrepen hebben, in welk midden men ze het talrijkst zal aantreffen. Zij zijn vooral gangbaar onder de laagste standen, meer en meer naar mate men de laddersporten der maatschappij afdaalt. Zulke eigennamen zijn in grooten getale voorhanden in de letterkundige oorkonden waarin het volksleven wordt geschilderd, in spot- en hekeldichten, alsook in de kluchten blijspelen van vroeger eeuwen.

I.

Aanleiding tot de satirieke aanwending van eigennamen kon het volk reeds vinden in het bestaan van significatieve persoons- en plaatsnamen. In vele gevallen is de beteekenis der wortels, trots de wijzigingen in den loop der tijden ondergaan, nog duidelijk te herkennen, of het uitgedrukte begrip zich laat rechtvaardigen al dan niet. Zoo heet tegenwoordig wel eens een klein man De Groot of De Groote, en een roodharige De Swarte. ‘Ook de natuur begaat misslagen’.

De gewoonte van het volk om bijnamen te verzinnen bestaat overal. Onder den geringen stand zijn deze nog tegenwoordig zoo zeer verspreid, dat soms wel een persoon in de wandeling slechts onder zijn populaire benaming, en niet onder zijn familienaam, bekend is. Men vindt het gemakkelijker een woord te onthouden dat iets zegt tot den geest. De officieële naam is te on-

[p. 165]

beduidend voor den volksgeest; en het gaat met die namen als met zekere termen uit den gewonen woordenschat, welke langzaam verloren gaan onder de concurrentie van pittiger termen, rijker aan kleur en uitdrukking, of die krachtiger spreken tot het verstand of de verbeelding. Het pittige, dát is het juist wat het volk in zijn taalvervormingen beoogt, en dat is ook het karakter waaronder zich de in scherts aangewende eigennamen voordoen.

In alle talen zijn, in plaats van de wezenlijke namen, voor vele zaken andere in gebruik, waardoor herinnerd wordt aan eenig in 't oog vallend karakter van het voorwerp. Ook gewone zelfstandige naamwoorden ondergaan, en ondergingen in vroeger eeuwen, zulke wijzigingen. Heden zeggen wij b.v. een pillendraaier voor een apotheker; een sabelsleeper voor een soldaat; een pennelikker voor een commies; een steek, een zwartrok, een hemeldragonder voor een geestelijke; een speldezoeker voor een politieagent, e.m.a. Breero heet den oven Swartjan. In onze middeleeuwsche volksliederen1) heet een schoenmaker een peckedraet, een kleermaker een spetluis, een bakker een kijkinoven, een koster een klinckerdiclanc, een kreupele een huppenstup, benamingen welke nog heden gedeeltelijk bekend zijn. Men vergelijke een schupen bessempie (schop- en bezempje), de Overijselsche benaming voor een karreman.

Klappen kregen in de volkstaal eveneens komische namen. Algemeen zegt men rottingolie, in Noord-Nederland, en vet, in Vlaanderen; men onderscheidt handgeld en voetgeld; Vondel (War. d. Dieren, nitg. v. Lennep-Unger, p. 19, vs. 14) gebruikt stokkenbrood, en Breero (Symen, vs. 372) ‘stockvis, met vuystloock overgoten’. Ook de strop werd zoo tot een hennipe venster (Koe, vs. 8).

Mishandelingen vindt men ook in de oudere Germaansche talen opgevat als drank die gegeven wordt. Bekend zijn de woorden van Reinaert tot zijn oom Bruin die in den boom gevangen zit:

 
(vs. 705) Hier coomt Lamfroit ende sal u scinken
 
Haddi gheten, so souddi drinken2).

Ook Tibert ‘bruwt’ de vos ‘cloosterbier’. De aanwending van tracteeren voor slaag geven moest gansch natuurlijk uit zulke benamingen voortvloeien.

In 't voorbijgaan wil ik nog wijzen op een andere soort van kleurrijke volksuitdrukkingen. In zijn liefde voor prikkelende gezegden bezigt het volk wel eens termen die, anders steeds voor heilige zaken gebruikt, door een toepassing op gansch menschelijke, als 't ware tot een parodie worden van de echte en oorspronkelijke beteekenis. Op die wijze heet het volk een serie vloeken een litanie, een herberg een kapelleken; spreekt men van een huisgezin door zekere gemeenschappelijke eigenaardigheden meestal op belachelijke

[p. 166]

wijze gekenmerkt, zoo is het de Heilige Familie; een diarrhee noemt men met een woordenspel vollen aflaat, en voor de tien vingers bestaat de komische benaming de tien geboden, een uitdrukking, die zeer oud is, daar zij zich reeds bij Shakespeare laat nawijzen1).

In de middeleeuwsche oorkonden komen de bijnamen zeer talrijk voor, een bewijs dat deze neiging reeds vroeg bij het volk werkende was. Belachelijk zijn zij altijd, schaamteloos in menig geval. Oude familiecharters uit Vlaanderen vermelden personen onder namen als De Kromme, De Manke, De Dikkop, De Kasse of Bult, De Bierbolle en m.a. In de Deventer Cameraersrekeningen (XIVe eeuw) worden personen genoemd als Smeerbier, Calverstert, Peerdesvoet, Schele Heyn, Lambert mitten eenen hant, Dyricx wyf mitten oranghen oghen, enz.

Hoe populair zulke namen waren in vroeger eeuwen, bewijzen onze oude kluchten, die zoo getrouw het volksleven afschilderen. Voorbeelden zijn er te over. In Breero's Klucht van de Koe dragen nagenoeg al de personen van welke gesproken wordt, een naam gevormd naar hunne lichamelijke of zedelijke eigenaardigheden. Vriesse Grietje, de kostelijke waardin uit het Swarte Paart, vertelt ons van het leventje dat een vrijster heeft geleid met Doove Jas, en Mancke Klaas en Droncke Piet, en meer anderen. De sul die zich zijn koe laat ontstelen en op weg is om ze zelf te gaan verkoopen, leert ons wat een man Lange Dirck is, de rijke boer, en zijn dochter Magre Grietje, die gevrijd wordt door Pied Quist-goed, welke laatste ‘het wel zal ophelpen’:

 
.... ‘Vreckebart was het goed te vergaren een lust,
 
En om dat op te krijgen, had Lichthart nacht noch dach rust.’

Elders, in Symen nl. (vs. 395) komt Pieter driebochgeldeneus voor.

In vroeger eeuwen, toen de burgerlijke stand nog niet ingericht was, moesten vele zulker namen dienen om den persoon te onderscheiden. De vrijheid van spreken, welke de middeleeuwsche samenleving kenmerkt, vindt men terug in de aangewende namen, des te meer daar de personen die aldus gedoopt werden, edelen noch priesters waren en allerminst tot de hoogere klassen behoorden. Naarmate het begrip der welvoegelijkheid zich later ontwikkelde, werden de onzedelijkste namen gewijzigd of opgegeven; doch nog heden bestaan er, welke het beroep op den Koning zouden rechtvaardigen.2)

In de volkstaal, niet zelden als spreekwoord of spreuk, wordt menige eigennaam schertsenderwijs aangewend om een gansch tegenovergesteld begrip voor den geest te roepen dan het uitgedrukte.3)

[p. 167]

Vele bestaan uit een wortelwoord met een uitgang.

Een gierigaard zal men aldus in Vlaanderen Gevaert heeten, waarbij niet zelden gevoegd wordt: Gevaert is dood, maar Hebbaert leeft nog;

een traag mensch: Jan Tijdgenoeg;

iemand die den rijke uithangt, maar eigenlijk niets bezit, het type van den armen edelman in één woord: Baron Geegoed (= geen goed, geklemtoond op de eerste lettergreep). Hij voert de firma: Pauvreté, Misère et Cie.

Waant zich iemand heel verstandig, zoo noemt men hem Rappaert of Slimbroeck, of ook wel, zooals in Limburg, Slimmeke. Vaak wordt alsdan een zinspeling op een der heldendaden van Slimmeke toegevoegd: ‘Als Slimmeke dood is, gaat het, zal men u Slimmeke maken; Slimmeke ging voor den spiegel staan met zijn oogen toe, om te zien hoe hij er uit zag terwijl hij sliep!’ In Overijsel kent men Leepertje: Als Leepertien dood is, söl ie Leepertien worren (zult gij L. worden).

Aan ondeugende kinderen wordt beloofd dat ‘zij zullen mogen meegaan op Thuisblijver zijn wagen.’

Ook door samenstelling kunnen dergelijke eigennamen gevormd worden, 't zij bij middel van adjectieven en substantieven, 't zij dat de gedachte die men indirekt wil uitdrukken, ligt opgesloten in of wordt voor den geest geroepen door een plaatsnaam. De volksgeest bekommert er zich weinig over of deze al dan niet bestaat. Is de naam reeds voorhanden, zoo wordt hij aangewend; doch in zeer talrijke gevallen is hij een schepping van den ‘Volkswitz.’1)

Zoo krijgt b.v. een vrouw die weinig begrip heeft van de reden waarom de natuur haar lachspieren heeft geschonken, in de volkstaal tot naam: Madam Moe-van-Lachen. Volgens het Noord-Nederlandsch taalgebruik, behoort zij te Grimberg te huis, of is wellicht te Botterdam, de stad der botteriken, gedoopt. Overigens, zegt De Brune, een thans nagenoeg vergeten schrijver der 17e eeuw, ‘men vind menschen die alles op het wrevelighste nemen en op het schots duyden, wat haar voorkomt: die gheen ander vaart en hebben als op Spitsbergen om haecken en harpoenen te ghebruycken.’

Zulk een dame is gewis een nicht van Madam van Kwikkelberge. Kwikkelen beteekent in Vlaanderen pruttelen. En zij heeft mogelijk verwanten in het huis van Klappenburg, waar de praters en klappers van daan zijn, die allerlei nieuwtjes te verhandelen hebben.

Laat ze intusschen maar goed opletten, want nevens Klappenburg ligt Kloppenburg, d.i. de plaats waar kloppen of klappen worden uitgedeeld.

Voorzichtiger is het daarom met de zwijgers tot Zwijgland te behooren.

[p. 168]

Zonderling ook is de eigennaam welken men aanwendt, wanneer een huwbare meid beweert dat ze niet zal trouwen. Ja, zegt het volk, ‘wacht tot Jan van Pas zich eens aanbiedt!’ In dezelfde omstandigheid gaf De Brune de volgende waarschuwing aan de vrijsters die zich al te moeilijk toonen: Let maar goed op, dat het u niet gaat ‘als vrijers, die keurboom voorbijgaande, zich daarnaar met vuylboom genoegen moeten. En dan raecken zulcke noch dickwils in de Zorghoeck’.

Een trouwlustig juffertje heet bij Breero (Symen vs. 339) Lijsje waar is Jan? Ook zoo bij Coster (Teeuwis 363). In de oude kluchten is Lijsje tamelijk algemeen de naam der vrouw, als Jan voor den man; in verscheidene gewesten o.a. Vlaanderen en Overijsel, zegt men heden meestal Trien: b.v. een gekke Trien, een domme Trien, een hölte Trien; Tjanne voor een boerin, Peet of Pee voor een boer.

Algemeen nog in zwang is de benaming Kruidje-roer-mij-niet voor een onverdraagzaam mensch. Teuntje Roert mij niet in Breero's Symen toont zich al niet erg handelbaar en scheldt dan ook Symen braaf den rug vol. Ook in 't Fransch kent men Mamzelle Nitouche (= n'y touche).

In Lidewijde (p. 230) komt een Juffrouw ongeloof voor. Busken Huet schreef een kleine letter, doch het schijnt mij niet twijfelachtig of wij hebben hier weer een gansch op dezelfde wijze gevormden fictieven eigennaam.

In dezelfde categorie behoort de schutter tehuis in het West-Vlaamsch spreekwoord: ‘Bijkans schoot een musch, maar hij had ze niet.’

Op die wijze wordt het publiek tot Heer Omnes, dat bij Breero (Griane 2759, Molenaer 17) voorkomt als gemeen zelfstandig naamwoord. ‘Het heromnenes is van alle deught vervremt’, zegt Triin Jans. Wij gebruiken in denzelfden ongunstigen zin Jan Alleman.

Niet alleen voor personen worden zulke namen uitgedacht; ook voor dieren of zaken, zelfs voor zekere handelingen.

Wil men b.v. een hond als leelijk bestempelen, zoo heet hij: Te-lang-uit-'t-water.

Wenscht men uit te drukken dat men voor iets onverschillig is, zoo verzint de volksgeest een opschrift, en zegt men in Vlaanderen: Ik woon in 't Plezierken. Deze uitdrukking steunt op het antwoord ‘dat doet me plezier’, in menig geval slechts een euphemisme voor: ‘dat kan me niet schelen’.

Een ‘Spel van Bedriegt-den-Boer’ is een gezegde dat in Vlaanderen vaak op den strijd der politieke partijen wordt toegepast; vooral wanneer er sprake is van belastingen, waarbij steeds herinnerd wordt aan een volkslied met het refrein: ‘De boer zal 't al betalen’. Daarmede wordt bedoeld dat de grooten aan het roer den gemeenen man om den tuin leiden; geen wonder ook, dat de spotlustige volksgeest voor de geheele ‘komedie’ (want spel moet men hier in zijn middeleeuwschen zin opvatten) een naam verzon.

Mede een fictief spel, doch ditmaal in de eigenlijke beteekenis van het woord, is dat door Breero (Koe, vs. 42) bedoeld, wanneer hij zegt: ‘Haesop

[p. 169]

na Kuilenburg spelen’. Daardoor meent hij nl. ontvluchten naar de vrijplaats Kuilenburg.

Een fictief liedje is dat vermeld in de uitdrukking, door Breero in de Klucht van de Koe (vs. 434) en ook door anderen gebruikt voor feestvieren en drinken: van Aaltge zingen. Hierin wordt gespeeld op den vrouwennaam Adelheid, doch tevens op het middelnederlandsch ale, een zeker soort bier (cf. eng. ale)1).

II.

Vele namen van bestaande plaatsen, die herinneren aan woorden nog algemeen in gebruik, leenden zich tot zulke scherts. Namen van deze soort waren b.v. Kuilenburg en Domburg in Holland, Meenen en Sottegem in Vlaanderen. Naar de bestaande voorbeelden vormde de volkstaal er vele anderen.

Wil men te verstaan geven dat men iets verkeerd opvat, zoo wordt geantwoord, vooral op het gezegde ‘ik heb dat gemeend’: Meenen ligt bij Kortrijk. Dit komisch antwoord hoort men dagelijks in Vlaanderen. Ook wel: Meenen en missen beginnen met dezelfde letter, doch hierin ligt geen zinspeling meer op het Westvlaamsch stadje Meenen.

Kortrijk wordt mede in verband gebracht met den naam van het stadje Duren in Duitschland: Duren, zegt men, is een schoone stad, maar Kortrijk (d.i. kort rijk) ligt er over (of: dicht bij) of wel: Duren is een schoone stad, die aan het Sparen ligt.

Iets onwaarschijnlijks, onmogelijks of onwaars, is, in Vlaanderen, ‘gebeurd te Waregem en verteld te Leugegem of ‘uitgebeld te Sottegem’. Waregem en Sottegem zijn twee dorpen in Vlaanderen; het andere, Leugegem, zou men te vergeefs op de kaart zoeken.

Wie domme praat vertelt, komt, zegt men, ‘van Seevergem’ (een dorp bij Gent). In dezen zin bezigt de Vlaming nog heden het bij Breero voorkomende werkwoord zeeveren.

In Holland is, volgens De Brune, van de inwoners van Domburg, een stadje op het eiland Walcheren, niet veel te verwachten:

 
Die wysheid van een dwaes begheert
 
Die is oock zelfs die name weerdt2).
[p. 170]

De Brune laat een man die op zulke plaatsen te huis behoort, in zijn Boec der Amoreusheyt zeggen:

 
Plomp sonder arch mijn Heeren,
 
Dats mijnen name wildijt weten,
 
Ick hebbe oyt al te gheerne wittinghen gheten
 
Want te Malleghem ben ik ghebroet,
 
Ende die van Sotteghem hebben mij ghevoet,
 
Met suyvele van den Keyberschen driessche.

Van Dale sprak met recht de meening uit (Taalgids, VIII, p. 146) dat ook de Keyber(g)sche driesch, d.i. weide, tot de in scherts gevormde namen behoort. Het substantief kei wordt in menige spreekwijze met dwaasheid en zotternij in verband gebracht. Men zegt nog: hij heeft een kei in 't hoofd, hij is met den kei gekweld, een kei van een vent. In een stuk van 1561 heet een der personages Maas van Keyendaal.

Ook Plompardije behoort tot die ingebeelde wereld. ‘Men vindt, zegt dezelfde schrijver, groote lichamen uit Plompardije zoo grof als boonstroo, die niet een greyntjen zouts en hebben.’ Harrebomée vermeldt het spreekwoord: ‘Hij komt van Plompardije, niet van Scherpenisse.’

Scherpenisse ligt wel aan 't ander einde van dat land. In de buurt vindt men de geboorteplaats der bedriegers: men moet, zegt nogmaals De Brune, van Schalckeroort of Vosmeer zijn, zal men in de wereld leven.

Het laat zich begrijpen, dat de woordenspelen, waarin de gierigheid of schraapzucht wordt gehekeld, talrijk moesten zijn.

Zeer bekend is b.v.: Hij is van 't land van Cleven, waarbij aan kleven, vastkleven wordt gedacht. In Holland zegt men nog: Hij is van de familie van Van Kleef, hij houdt van de heb, maar niet van de geef.

In Vlaanderen bestaat het volgende versje:

 
Hij is van Bever,
 
Liever houder dan gever.

Bever(e,-n) is de naam van verscheidene dorpen in Vlaanderen; hier werd hij aangewend ter oorzake van het rijm.

Een vrek is in Vlaanderen van Vreckhem, waarschijnlijk een fictieve naam; in Breero's Klucht van de Koe heet een gierigaard Vreckebaert.

[p. 171]

In hetzelfde stuk laat hij zoo een man ‘varen op Cape de Grijps’ (vs. 28). Deze kaap staat, zooals Harrebomée te recht opmerkt, alleen op de kaart der hebzuchtigen. In Vlaanderen leeft de uitdrukking voort onder den door volksetymologie ontstanen vorm van ‘Pak-ende-gryp’. De Duitscher zegt: er ist vom Stande Nim.

Kleine luidjes, ook de familie van Baron Geegoed, hooger vermeld, werden insgelijks door den volkshumor bedacht.

Zulke zijn ‘poorters van Nergenshuizen in Geenland;’ onder hen onderscheidt een blijspel van het begin der 18e eeuw een Graaf van Nergenshuizen.

Een der oudste is de type van den vagebond, de heer van Bijstervelt. Hij komt reeds voor bij den Vlaamschen rederijker A. De Roovere, die in zijn Rhetoricale Werken schrijft:

 
Tvolck was ghestelt, tis nu confuys
 
Al sonder ghelt en sonder cruys
 
Al(s) Bystervelt1), daer is graen noch gruys....

De benaming komt ook voor in het volksliedje van de Opregte Zandvoorder Speelwagen:

 
Hoe slegt is 't nu met my gesteld,
 
Ik leef als heer van Bystervelt
 
Ik heb gheen geld noch eenig pand...

Gelukkig nog voor velen, dat er, volgens De Brune zich uitdrukt, ‘huyswyven in de konst van zuynigheid ervaren (zijn) en die de reyse naar Hongerijen door spaarzaamheyt beletten.’

De zucht naar geld vond een personnificatie in Teeuwen Zoek-geldt, een personage mede van De Brune; doch hij kwam, zooals het dikwijls gaat, niet waar hij wilde landen: Want, ‘Teeuwen zoeck-geldt al zijn vermogen te koste ghelegt hebbende om zeker rijck en leelick wijf, op zijn dam te krijghen, naer dat hy een ghekoppelt schaep gheworden was, moest hy somtyds hooren, dat hy Schoonhoven ghemist en te Leelickendam gherocht (geraakt) was.’

De Brune troost echter onzen held op een andere plaats van zijn werk, en doet te recht opmerken: ‘Liever noch Mevrouw van Leelickendam, die wat in de melk te brocken heeft, als Madame van Schoonhoven daer de kasse schoon en ledigh is.’

Bij lieden van het slag dezer laatste is Magerman zeer bekend; immers: bij Schraalhans is, volgens het spreekwoord, Magerman kok, en Magermans gasten overeten zich zelden.

Eten en feestvieren en de gevolgen van beide vervullen in den volkshumor,

[p. 172]

zooals men ziet, een groote plaats. Van zijn hart op te halen, houdt de mensch veel, zelfs al ‘woont men in den Penninckhoeck.’ Reeds De Brune noemt de heeren Smeermond en Spaermond, van welke de laatste aan den eerstgenoemde zijn huis en land afkoopt. In Vlaanderen ook is Lammeke Smeerbuik, met naam en toenaam bekend, zeer populair.

Zekere menschen deugen niet dan tot het genieten van het leven; o.a. Jufvrouw Nietenburg, die door een blijspeldichter der 17e eeuw ten tooneele wordt gevoerd. ‘Jufvrouw Nietenburg’, zegt de vader in W. de Geest's Manzieke vrijster tot zijn dochter die zich niet goed gedraagt, ‘wat zult gij ondernemen? ben je bekwaam om uw kost te winnen hé?’

Een volgende rubriek in deze uitingen der populaire lachlust begrijpt de eigennamen die aan de laatste rustplaats herinneren.

Iemand te Blyenberge begraven, is gemakkelijk uit het woordenspel met blij verstaanbaar. Gelief de plaats niet op de kaart te zoeken. Dezelfde gedachte wordt in Vlaanderen uitgedrukt door den naam van het dorp Lovendegem bij Gent, waarbij gespeeld wordt op den wortel loven.

De fictieve eigennamen voor het hiernamaals roepen op zeer prozaïsche wijze de gedachte voor den geest aan de treurige verblijfplaats van ons stoffelijk overschot.

Zoo gaat men, wanneer men sterft of hiertoe aanstalten maakt, naar het Pierenland, d.i. het land der aardwormen, ook wel naar het Mollenland. Evenzeer spreekt de Franschman van le Pays des Taupes en de Waal van le Païs des Foyans (foyan = mol).

In Noord-Nederland speelt men, om dezelfde gedachte op te wekken, op plaatsnamen als Kuilenburg, in Gelderland, Aardenburg, in Zeeuwsch-Vlaanderen; of Zandwerven, een gehucht in Noord-Holland, (z. Laurillard, Sprokkelhout, p. 221).

Het is niet onaardig hier op te merken, dat de volksverbeelding, ook bij andere volkeren, in gansch dezelfde gevallen zulke namen verzon.

Het naar bed gaan wordt dikwijls met een humoristischen geographischen naam uitgedrukt. Op vele plaatsen in Duitschland spreekt men van ‘nach Bethlehem gehen’, hoewel deze spreekwijze ook soms wordt aangewend om het begrip van bedelen uit te drukken. In Thüringen kent men Bettenhausen, ook Federhausen; in Saksen ‘nach Ruhland gehen’1), in den Elzas ‘nach Bettli-Alp’, te Basel en in Zwaben ‘nach Bettingen’, een aldaar voorkomende plaatsnaam. Een gierigaard komt vaak uit Anhalt of van Holfast. Als een ding zonder onkost verkregen wordt, komt het in Noord-Duitschland uit Kostnitz. Wie zich gaarne roemt is van Rome, en wie domheden begaat, is uit Domnau of in Saksen uit Dummsdorf. De Franschman, zinspelende op âne (ezel), zegt in dit geval: Tu as fait ton cours à Asnières (spr. Anière, bij Parijs). Heeft men haast, zoo ‘gehört man nach Eilenburg’ of ‘nach Eilau’;

[p. 173]

in Vlaanderen: ‘men heeft van Loopegem’. Wie niet veel spreekt, komt uit Stumsdorf, een plaats bij Halle a.S., en wie arm is, ‘geht nach Strassburg auf die Hochzeit’1).

III.

De spotzieke volksgeest, in Nederland als overal elders, heeft, zonder overigens oneerbiedige bedoelingen te koesteren, heiligen uitgedacht, om zekere driften en ondeugden voor te stellen. Sinte Luyaert, die in onze middeleeuwsche volksliederen zoo dikwijls voorkomt, kan tot voorbeeld dienen voor deze rubriek van populaire scheppingen.

Vooraf echter een opmerking.

Volkstaal en volksgeloof hangen nauw met elkander samen, en oefenen op elkander een zekeren invloed uit. De klank vermocht in menig geval een bestaande geloof te wijzigen, ja was soms genoegzaam om zelfs het geloof te doen ontstaan; van een andere zijde vormde zich menig woord, menige naam als direkt uitvloeisel van het voorhanden zijnde geloof. Deze beide zijden der onderlinge inwerking van den klank en de zaak verklaren de schepping van talrijke feiten in den volkshumor, op het punt der heiligenvereering.

Indien de H. Valentin in Duitschland de schutspatroon is tegen de vallende ziekte of epilepsie; Sint Blasius in Vlaanderen de huidblaasjes of zweren geneest, en in Denemarken tegen den blazenden wind beschermt; S. Lambertus aangeroepen wordt tegen de lamheid, S. Rosa tegen de roos; Ste Claire in Frankrijk om klaarziende te worden; St. Cloud aldaar de zweren, in 't Fransch clou, in zijn specialiteit heeft; dan zijn wij in tegenwoordigheid van ideeën welke slechts berusten op wat men wel een mythologisch woordenspel kan noemen.

Dat deze scheppende invloed van den klank reeds in 1566 werd opgemerkt, mag eenigszins verwonderlijk heeten. De getuigenis van den zestiende-eeuwschen Franschen schrijver Henri Estienne op dit punt, is zeer merkwaardig, althans voor dien tijd. ‘A quelques saincts, zegt hij, on a assigné les offices suivant leurs noms, comme (pour exemple) quant aux saincts médecins, on a avisé que tel sainct guariroit de la maladie qui avoit un nom approchant du sien.’

Omgekeerd zijn er heiligen, voor wie een bijnaam verzonnen werd, gevormd naar de vereering waarvan zij het voorwerp waren. Numen, nomen! en deze bijnaam heeft soms den waren naam verdrongen. Zoo kent men in Frankrijk St. Criard, die de schreeuwende kinderen geneest; St. Languit, St. Vivra, St. Mort, welke geraadpleegd worden in Lorraine met het doel om de lotsbestemming van een zieke te kennen; St. Estropié e.m.a., voor welke de ware naam is vergeten geworden.

Het zal, in tegenwoordigheid dezer scheppingen van den volksgeest, niet meer verwonderen, indien de volkshumor, reeds in de middeleeuwen, zelfs voor zekere ondeugden een patroon heeft uitgedacht. Het woordenspel, want

[p. 174]

daarop berusten al de hooger bijeengebrachte feiten, neemt in de beschaving onzer voorvaderen een zeer gewichtige plaats in.

Op die wijze geschiedde het niet zelden dat een heilige door een gilde of nering tot patroon werd gekozen, alleen wegens den klank van zijnen naam. St. Vincent b.v. is wegens een overeenkomst in klank met vin, tot schutspatroon geworden van de wijnbouwers in zekere gedeelten van Frankrijk. Ja, talrijke populaire uitingen der kunst laten zich slechts verklaren door een dubbelzinnigheid, waarmede de kunstenaar zijn voordeel deed.

Deze gedachtenassociatie is zoo natuurlijk, dat zij geen verwondering zal wekken, en vooral niet kinderachtig noch belachelijk schijnen, wanneer men bedenkt dat zij dagteekent uit een tijd, toen de schrijfkunst zoo weinig verspreid was. De calembour onder den vorm van een figuur of rebus behield zijn oorspronkelijk ideographisch karakter, en kon voor den grooten hoop, welke alsdan lezen noch schrijven kon, het letterschrift vervangen.

Deze voorstelling eener gedachte bij middel van een beeld toont hoe eenvoudig de mensch vóor eenige eeuwen nog was. Deze wijze, om iets voor de menigte verstaanbaar te maken was overigens algemeen. De nog heden bekende sprekende wapens zijn een overblijfsel uit een tijd, toen zelfs de betere klassen nog niet ver genoeg boven de lagere in ontwikkeling vooruit waren, om zulk beeldschrift te kunnen ontberen. Doch het blijft een feit, dat bewijst hoezeer de woordspeling tusschen den klank en het beeld in gunst was. Daarom voerde het huis Wassenaer in zijn schild wassende manen, ook wassenaars in 't Nederlandsch geheeten; de Geldersche familie van der Renne een rennend paard; de Engelsche familie And het teeken &. De abdij van Corbie in Picardie had daarom een raaf in haar wapenbord, omdat de klank van den eigennaam aan dien van den vogel (corbeau) herinnerde; de abdij van Pontigny bij Auxerre voerde een brug.

De grappige kroniekschrijvers der middeleeuwen lieten zich zelfs door zulke gelijkheid van klank verleiden tot het smeden van etymologische sagen op eigen hand.

Het stadje Hasselt in de Belgische provincie Limburg voert een hazelaar in zijn wapen. Nadat dit wapenschild reeds langen tijd had bestaan, ontdekte de schrandere Mantelius, die de kroniek van het Land van Loon heeft geschreven, dat de naam der stad moest afkomen van het bosch van hazelaars waarin zij moet zijn ontstaan. - Aarschot, een stadje in Zuid-Brabant, wordt zoo genoemd, omdat Julius Caesar eens op die plaats een merkwaardigen adelaar schoot: dat het woord hier onder den ouden vorm aar voorkomt, schrikt zulke humoristische etymologen niet af. - Het dorp Raveschoot in Oost-Vlaanderen heet zóo, wegens een gelukkig schot, waardoor een edelman drie raven ineens deed nedervallen. De sage van den oorsprong der stad Antwerpen (d.i. hand werpen) zet aan deze manie de kroon op, doch is te zeer bekend dan dat ik ze hier zou moeten herhalen1).

[p. 175]

Het is nu een opmerkelijk feit, welk ons een diepen blik laat slaan in het bewogen leven der middeleeuwen, dat de verzonnen heiligen slechts betrekking hadden op drank en ledigheid. Onze oude volksliederen zijn vol van zinspelingen op zulke heiligen, en het is onbetwijfelbaar of op hun altaar offerden onze levenslustige voorvaderen met overtuiging. Sinte Reynuyt was de god der drinkebroers. Ziehier in welke bewoordingen een liedje der 17e eeuw de liefhebbers van drank en gezang uitnoodigde mede te varen naar Sinte Reynuyt:

 
Ja, komt hier nu altemael,
 
Die door 't zuipen zijn zeer kaal,
 
Weest nu vrij vrolyck en verheugt,
 
Schoon u Neering niet en deugt,
 
Want een Schoon Schip nooit gehoord
 
Te Texel leyt aan Boord.

Hoe de beschermheilige aan zijnen naam kwam, is duidelijk. ‘Onder de menigvuldige “costumen ende usagiën”, die onze voorouders bij het drinken in acht namen, was wel een der voornaamste, dat men zijn glas “schoontjes uyt” dronk, het “met één snaers veegde” of welke andere benamingen men daarvoor bij Breero, Starter en andere moge aantreffen.’ ‘Deze Sint’, vervolgt Kalff in zijn schoon boek over het lied in de middeleeuwen, waaraan wij deze regelen ontleenen, ‘was echter niet de eenige schutspatroon van het gilde. In een ander lied lezen wij:

 
Sinte Noywerc hebie vercoren
 
Tot mynen alderbesten patroon.

En iets verder:

 
Sinte Luyaert hebic omghedraghen
 
En Sinte hoywerc hebic gheviert,
 
Ic hebse ghedient bi nachte, bi daghe’1).

Geen wonder, dat zij, die zoo ijverig den ‘Heere van Seldenvroet’ dienden, te Poverendycke woonden, in het huis ghenaamd Platteborse. Ook Sinte Hebniet was zeer populair. En hoe kon dat anders, bijvoorbeeld bij de groote menigte reizende landsknechten, die, slechts op genot en vermaak bedacht, midden van dans en muziek en den beker in de hand, slechts zochten het leven onbezorgd te slijten?

Men beelde zich nu niet in, dat ons volk alleen staat in het uitvinden van dergelijke ‘heiligen om te lachen’. Elders kent men ze even goed.

In het Fransch taalgebruik van onzen tijd is S. Touche een zeer gewone benaming voor den dag waarop men zijn salaris ontvangt (toucher).

[p. 176]

S. Boudin of S. Cochon viert men, bij den maaltijd die gewoonlijk wordt gegeven ter gelegenheid van het slachten van het vet zwijn.

Een gulzigaard is een ‘dienaar van S. Goinfrain’, met een woordspeling op goinfre d.i. gulzig.

Een dronkaard vereert S. Lichard, dat steunt op den wortel lécher (likken, voor drinken) of van Se Chopinette (chope = bierglas).

Het ontstaan van een beschermheilige als Se Bouteille lag na de Rabelaisiaansche vereering der dive bouteille niet ver.

Is het kind op het punt om te gaan weenen, zoo is het, volgens het Fransch spreekwoord, op weg naar Se Larme. Wij spreken in dit geval van de Waterlanders, en het schijnt mij niet twijfelachtig of wij hebben hier weer een fictieven geographischen naam; dat echter tot de verspreiding van de spreekwijze het echte Waterland in de buurt van Amsterdam - goed bekend door het popperige Broek in Waterland - heeft medegeholpen, acht ik zeer waarschijnlijk.

Kent de volkstaal niet meer een Sinte Noywerc, d.i. een beschermpatroon der ledigheid, toch leeft de H. Maandag voort, bij ons even goed als in Frankrijk en Engeland. De Galicische waterdrager Peregil was, volgens den gemoedelijken verteller Washington Irving, zeer getrouw in het vieren van het feest der heiligen, en van S. Monday op den hoop toe.

Tot dezelfde familie behoort bij de Walen S. Fadou (van fade, slap, lui) en de nog niet gecanoniseerde Lazybones der Engelschen.

Verder worden in de volkstaal wel heiligennamen verzonnen om een tijdstip op een eigenaardige wijze aan te geven. In de pittoreske taal der Fransche schooljeugd heet b.v. de dag waarop de vacancie begint S. Fout-le-Camp.

IV.

De oorsprong zulker vormingen ligt in de analogie met een zeer groot aantal algemeen gebruikelijke tijdsbepalingen. Iedereen weet dat de gemeene man de namen der heiligen bezigt tot het noemen van zekere tijdstippen, naar welke hij zich regelt in zijne bezigheden. Wij, lezende klassen, zouden waarschijnlijk in groote verlegenheid zijn, als men ons zegde dat deze of gene plant moet gezaaid worden op zoo of zoo een heiligendag, als de uien op S. Gregorius d.i. 12en Maart.

Zoo dacht de volkshumor bij ons heiligen uit als S. Nimmermeer, de broeder van den Duitschen Sankt Nimmerling of Nimmerlein en van den S. Jamais der Franschen.

Deze tijdsbepaling is evenwel niet zoo zeer verspreid als zekere andere, gevormd uit een woordverband uit welks grappige samenstelling de onmogelijkheid of onwaarschijnlijkheid van zelfs voortvloeit.

Reeds in het Middelnederlandsch komen spreekwijzen voor, waarin schertsenderwijs plaats- en tijdsbepaling worden saamgeworpen.

Reinaert, de fielt, spelt Nobel de slim verzonnen fabel op de mouw van

[p. 177]

den schat die te Kriekeput begraven ligt. Doch de leeuw kent den loozen gast, en vreest dat Kriekeput een ‘geveinsde name’ zou zijn. Neen, Koning, antwoordt Rein daarop,

 
... ghi sijter also na,
 
Alse van Colne tote meie. (vs. 2641).

d.i. wat gij denkt, is een onmogelijk iets.

Soortgelijke woordkoppelingen zijn dus zeer oud, en tot op onzen tijd bekend gebleven. Nog heden, schijnt het, bestaan in Zuid-Duitschland talrijke uitdrukkingen als zwischen Pfingsten und Strassburg, of zwischen Pfingsten und Esslingen, met de beteekenis van nergens, als antwoord op vragen die men wil ontwijken1).

Ook in de Latijnsche gedichten der middeleeuwen treft men voorbeelden aan. Inter Pascha Remisque (tusschen Paschen en Rheims), leest men in Reinardus II, vs. 690; en verder (ib. IV, vs. 970), inter Cluniacum et sancti festa Johannis obit (d.i. hij overleed tusschen Cluny en Sint Jan).

Tuinman (Spreekwoorden, I, p. 334) geeft de Nederlandsche uitdrukking: Van Aken tot Paschen; en nog heden is de Fransche spreekwijze: Cela s'est passé entre Maubeuge et la Pentecôte volop in gebruik.

Pierrot in Molière's Don Juan ou le Festin de Pierre (II, 1) spreekt van een ‘garderobe’ (= voorschoot) aussi large que d'ici à Pâques. Het is niet onwaarschijnlijk dat Molière, om het komisch effect te verhoogen, zijn personage een dezer populaire maatbepalingen laat aanwenden.

Er zijn talrijke spreekwijzen, om een tijd aan te wijzen die nooit moet komen. Daartoe neemt de volksgeest vaak zijn toevlucht tot kerkelijke feesten, waarbij alsdan een komische onmogelijkheid wordt gevoegd.

Zeer gewoon is o.a. de spreekwijze: als Paschen en Pinkster op éen dag vallen, of: als Paschen op een maandag valt.

Er bestaan zelfs fictieve feestnamen om hetzelfde uit te drukken: ‘te Pruimpaschen’, zegt men in Limburg, ‘als de kalveren op 't ijs dansen.’ Ook wordt Pruimpaschen in deze spreekwijze wel vervangen door Sint Jutmis of Sint Juttemis, een uitdrukking, die reeds in 1738 door Marin in zijn Dict. français-hollandais wordt opgegeven.

Ook in het Fransch zijn soortgelijke woordkoppelingen voorhanden. Cela arrivera, luidt het, si le Carême dure sept ans; of wel: la Semaine des trois Jeudis. Soms wordt aan deze laatste uitdrukking bijgevoegd: quarante jours après Jamais2).

[p. 178]

Voor den vreemde kon men deze uitdrukkingen zonder moeite vermenigvuldigen; de gegeven voorbeelden zijn echter tot ons doel voldoende. Nog wil ik vermelden voor het Nederlandsch taalgebied, de in Limburg gebruikte spreekwijze: als de klaver uit 't veld is, om over te gaan tot een merkwaardiger tijdsbepaling, die in de gemeenzame taal in Vlaanderen zeer veel gebruikt en ook wel eens in de Vlaamsche schrijvers aangetroffen wordt. Nooit wordt aldaar steeds op komische wijze uitgedrukt door de spreekwijze: In 't jaar éen, als de uilen preeken1). Zoo luidt zij in Vlaanderen; te Maastricht schijnt zij ook te bestaan, en wel onder den vorm: in et jaor ein esten uil preek.

Alles wat vooruitgezet is geworden ter verklaring van deze spreekwijze, laat zich dadelijk voor weinig ernstig erkennen. Zonder nu op dit punt juist met beslistheid te durven spreken, wil ik hier doen opmerken dat ook het Duitsch het Jaar Een kent, en wel in het volgende spotachtig antwoord: Es geschah im Jahr Eins, wo die Elbe brannte, und die Bauern mit Strohwischen löschen kamen2).

Ongelukkig kunnen wij voor den ouderdom noch der Nederlandsche noch der Duitsche spreekwijze bewijsplaatsen bijbrengen. Het uitzicht dezer laatste is evenwel geheel en al hetzelfde als dat van zoovele andere, waarin het komisch effect verkregen wordt door een verwisseling van subject en praedicaat. Zulke omwerping vindt men meer in de volkstaal. Vraagt het kind b.v. hoe veel het zal krijgen wanneer het een of anderen kleinen dienst bewijst, zoo antwoordt de Vlaamsche moeder in scherts: Alle guldens drij maanden.

Zulke omwerpingen zijn ongemeen talrijk in de letterkunde van vroeger

[p. 179]

eeuwen. Fischart, een zeer rijke bron voor de studie van het komische, zegt o.a. in zijn Binenkorb (200): zur zeit, da die bach branten und mit stroh leschten, die bauren bollen, die hund mit spissen herausloffen, nemlich zur zeit des strengen Finkenritters.

De aanhaling van den naam des Finkenritters verplaatst ons midden in de komische literatuur der 16e eeuw, waarvan de onder dezen titel bekende verzameling grappen en verzinselen de beste vertegenwoordiger is. Dit boek verscheen in 1559, doch het is slechts een compilatie van stoffen, die reeds lang onder het volk in omloop waren.

Tot heden toe neemt het volk er genoegen aan, om onzin en leugens te verzinnen; tot op onzen tijd zijn er leugenliederen en leugensprookjes bekend gebleven, niet alleen in Vlaanderen, maar ook, volgens Dr. G. Kalff getuigde, in Holland1). Zoo zeer vindt het volk behagen aan de beelden die zijn humor zich schept wanneer hij de fantazie de teugels op den rug werpt, dat nog heden, in Vlaanderen en elders, vaak een prijskamp om het meest te liegen een der nummers van het kermisprogramma is.

Er bestaat intusschen een gansche literatuur van leugenachtige verzinselen, waarvan de oudste ons bekende opklimmen tot de 11e eeuw. Daar vindt men ook de bronnen van al wat nog heden in dit soort bij het volk in omloop is.

Het Jaar Een, meer in 't bijzonder in Vlaanderen bekend, schijnt mij te behooren tot die scheppingen, waarvan in onze hedendaagsche taal nog andere zijn overgebleven, en wel in de eerste plaats, de naam zelf van dat ingebeeld land.

Hiervan bestaat een zeer oud voorbeeld in de Middelnederlandsche Clute van Pleyerwater. De vrouw geeft Werrenbracht, haar man, last om playerwater, d.i. speelwater (van plaren, spelen, verwant met het Eng. to play) te halen. Dit water is weer al niets dan een verzinsel der speelsche fantazie. Op zijn vraag waar dat te vinden is, zegt de vrouw:

 
(vs. 46) ‘Tonvreen, in oest lant, in het vloeyt hoghe
 
Uten berghe van ontwijste bij tal van drofheyen.’

Prof. Moltzer (Mndl. dram. Poëzie p. 260) legt deze woorden uit als volgt: ‘Tonvreen, d.i. te onvrede, dus zooveel als in onrust en bekommering; de vrouw maakt er maar wat van, om Werrenbracht te verschalken.’

Deze plaats wenschte ik geheel anders op te vatten. De vrouw bezigt hier m.i. fictieve plaatsnamen waarvan wij er hooger zoo vele zagen: te Onvrede, de Berg van Ontwijste, d.i. van Onwijsheid of Onnoozelheid; het Dal van Droefheid. Al deze plaatsen worden, overigens door den dichter zelf, verlegd in het Oestlant, dat mede, niettegenstaande onze Middeleeuwsche liederen die

[p. 180]

een historische kleur hebben, als een ingebeeld land schijnt te moeten opgevat worden1).

Tot hetzelfde gebied behoort het ‘Engeland’ dat in Nederlandsche liederen van vroeger en later tijd voorkomt en door Mannhardt verklaard wordt als het land der engelen of het zielenland2).

Meer populaire namen voor een ingebeeld land zijn het Luilekkerland en de Verkeerde Wereld. Voor wij echter deze twee scheppingen van den volkshumor nader onderzoeken, moet nog met een enkel woord gewag gemaakt worden van een andere spreekwijze, in Zuid-Nederland wel meer dan in de noordelijke provinciën bekend.

Loop naar Bommelskont is een soort van verwensching, waarin weer een naam voor een fictief land schijnt te schuilen. Het woord Bommelskont bestaat, volgens Harrebomée, nog in een andere spreekwijze: ‘Hij gaat naar Bommelskont, zegt men, drie uren boven de hel, daar de honden met het gat blaffen’, gebezigd in 't geval dat men zich tot zaken begeeft, die niet te ontwarren zijn. De afleiding van het woord weet ik niet te verklaren.

Het Luilekkerland en de Verkeerde Wereld zijn twee geheel verschillende scheppingen.

De oudste melding die in onze taal van het Luilekkerland gemaakt wordt, klimt op tot de vijftiende eeuw; niet onder dezen naam evenwel, maar onder dien van Cockaenghen. Het is moeielijk te bepalen wanneer deze naam is in onbruik geraakt, doch Kiliaen kent slechts Luy-leckerland. De titel der sproke, waarin dat ideale land vermeld wordt: ‘Dit is van dat edele lant van Cockaenghen’ wijst op een Fransche bron, welke dan ook schijnt te mogen gezocht worden in het Fabliau de Coquaigne, dat behoort tot de 13e eeuw3).

De meest bekende schildering van het Luilekkerland is die welke Hans Sachs leverde in een prachtigen ‘Schwank’ van het jaar 1530. Bij hem ligt het, volgens een plaatsbepaling welke wij reeds hooger leerden kennen, ‘drey meil hinter weynachten’. Het werk dat men volvoeren moet om er te komen, is geheel en al in overeenkomst met het karakter des lands: men moet een berg van rijstebrij van drie mijlen dooreten. Niet alleen luiheid, maar ook al de overige ondeugden en gebreken worden met goed en waardigheden beloond, terwijl al wie zich verstandig en eerbaar toont, in dat land niet terecht komt. Deze trekken zijn nagenoeg dezelfde als die welke men aantreft in een Nederlandsch lied uit de 17e eeuw, medegedeeld door Kalff4).

Terwijl het Luilekkerland zich eenigszins laat opvatten als een parodie van het Christen Paradijs, is de Verkeerde Wereld een mythe, die zich tamelijk

[p. 181]

laat gevormd heeft naar de verzinselen der volkspoëten in vroeger eeuw in den aard van den Finkenritter. Waren dergelijke sprookjes reeds vroeger bij het volk in omloop, zooals de Finkenritter genoegzaam bewijst, in de schepping van de Verkeerde Wereld kregen zij een vast lichaam. Geheel de mythe berust op een verwisseling van subject en object: in den Finkenritter wordt gesproken van een oord, waar o.a. het fruit den boom draagt, de honden door de hazen worden gevangen, de schapen de wolven ophangen, hoenders en ganzen de vossen beloeren en de muizen de katten opvreten. Tot het vestigen en verspreiden der mythe werkten zonder twijfel de populaire kinderprenten mede, en van de Verkeerde Wereld is nl. een zeer bekende prent voorhanden, die nog heden te Epinal en te Metz wordt herdrukt. Ook in Nederland bestond deze prent, en zij behoort tot diegene, welke ‘der Nederlandsche jeugd ten minste twee eeuwen tot vermaak strekten, en de inkomsten van den onderwijzer niet weinig vermeerderden’.1)

 

Hiermede willen wij onze lijst van schertsenderwijs aangewende eigennamen besluiten. De gegeven voorbeelden, die zeer zeker kunnen vermenigvuldigd worden, volstaan om ons een blik te laten werpen in de volkspsychologie. Zij stellen in een helder licht de steeds op den voorgrond tredende spotzucht bij het volk, die een rijke bron is van komische effecten en toestanden onder de pen van een eenigszins begaafd dichter. De tusschenkomst van een man van talent werkt vaak krachtig mede om vele dier spreekwijzen en uitdrukkingen, welke anders slechts tot de volkstaal zouden behooren en daarom meestal als triviaal worden veroordeeld, in den algemeen gebruikten woordenschat te doen doordringen. Breero heeft er gewis meer dan een, zooniet meer bekend gemaakt, dan toch in leven doen blijven. Zoo oefent het volk steeds invloed op de vorming of verrijking van den woordenschat der taal, en, onder de linguistische feiten waarop het zijn persoonlijk zegel plaatst, zijn er geene waarin zich zijn karakter en eigenaardige philosophie beter afspiegelt, dan in de schertsenderwijs gevormde of gebruikte eigennamen.

 

Luik.

AUG. GITTÉE.