Taal en Letteren. Jaargang 2


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 2. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1892


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 193]

Hagar van Da Costa.

Tekstverklaring1).

God had Abraham voorzegd, dat hij worden zou, de stamvader van volken, talrijk als de sterren des hemels en als het zand der zee. Doch geen zoon werd hem geboren; Sara baarde niet en straks schonk zij Abraham hare dienstmaagd Hagar tot eene vrouw. Hagar stond straks moeder te worden. Met kleinachting zag de dienstmaagd toen neder op de meesteres: Sara werd een verachtelijke in Hagars oogen en zij klaagde Abraham hare vernedering. ‘Doe met Hagar, wat u goed dunkt,’ was het antwoord. Hagar vluchtte toen, de woestijn in. - Straks werd zij de moeder van Ismaël, Ismaël den stamvader van dat volk der Arabieren, dat eene hoofdrol spelen zou in de wereldgeschiedenis. Zij, de uitgedrevene!

Da Costa ziet haar daar dwalen in de onmetelijke woestenijen, als was zij verlaten van God en mensch, en zijne verbeelding wordt vaardig: daar rijzen andere tooneelen voor zijn oog: al de geslachten van kinderen dezer vrouw: Mohammed en de helden die bij zijn woord gezworen hebben de wereld te veroveren voor Allah en Zijn profeet. Met den dichter aanschouwen wij de ellendige dienstmaagd, en vóór ons doet hij dat eindeloos perspectief zich ontrollen van Arabiës grootheid. Hij wandelt ons voor op de koninklijke baan der geschiedenis: dit is de gang van het gedicht.

Doch welke is de gedachte, die ons daarbij vergezelt, die Da Costa voorzweeft, die het doel en eindpunt bepaalt van ons wandelen en des dichters laatste woord zal zijn?

Uit Hagar Ismaël! Maar Gods belofte aan Abraham en Sara ging nog anders in vervulling. Uit Sara straks Izak! Izak, de vader van dien Jakob, uit wien de Twaalf Stammen van het Israëlietisch volk, dat den Messias in zijnen schoot borg, den Christus, een Heer dien alle volkeren der aarde eenmaal als Koning huldigen. - Vervreemd is de wereld van God, haar Schepper en haar Rechter. Maar in die wereld

[p. 194]

zal Hij geboren worden, die de aarde weder aan Gods voeten brengen zal. Hij zal een spruit zijn van Israël. Daartoe heeft God zich Israël bewaard als zijn uitverkoren volk. Met Abraham sloot Hij zijn verbond. - Doch ook de verworpen Ismaël was Abrahams zoon, hij had hem lief. God is ook met hèm geweest en zal altijd met hem zijn. Het volk van Mohammed zal komen tot den Christus, den Messias die uit Abraham is, en daarin zal Ismaël wederkeeren tot Izak, den broeder, tot Abraham, den vader.

Ziedaar de groote gedachte, die Da Costa bezielt. Ismaël heeft Abrahams tent verlaten, maar hij keert eenmaal weder. En van dit denkbeeld is Hagar in de woestijn zelve hem het symbool. Dit gaan wij thans toelichten.

Terwijl Hagar uitgeput nederzat aan eene waterput, zonder troost, kwam tot haar de Engel des Heeren (Jehovah). Zij dacht verlaten te zijn, maar God was met haar. Dan verneemt zij uit des Engels mond van den zegen, die den nog ongeboren knaap op zijne schreden volgen zal. En hij vermaant haar, dat ze weerkeere tot haar meesteres en, gewillig haar minderheid erkennend, zich verdeemoedige. En Hagar kéért weder. Als Da Costa ze daar ziet in haar dolen, dan moet hij denken aan geheel dat volk van Ismaël, dat als alle volken eens zijn dwaling zal inzien en tot den waarachtigen Heer des Hemels en der Aarde gaan.

Eerst schildert de dichter ons de Arabische woestijn met haar verschrikking. Dan de ellendige. En als zijn blik dan lang en peinzend de velden der Geschiedenis heeft doorweid, dan ziet hij eindelijk de vrouw van smarten weer voor zich:

 
Op u een laatste blik!
 
Op u, te midden van dier steenwoestijnen schrik,
 
Gij ongetrooste, gij door onweêr voortgedrevene,
 
Aan zielsmart en ellende en wanhoop prijsgegevene!
 
Gij ook - gij gaaft in 't eind den God des hemels eer!
 
Hij kwam, Hij sprak tot u. De hoogten vielen neêr.
 
Gij gaat voor Saraas voet uw dwazen trots bekennen;
 
Gij wilt in Abrams tent u aan Gods ordning wennen!
 
Ja! (roept ge en voelt, met één, geheel uw aanzijn vrij!)
 
‘o God des levens! Gij zaagt neder ook op mij.’

Dit is het slot van het gedicht, en nu heeft de lezer het overzicht, dat ons bij de beschouwing der onderdeelen steeds voor den geest moet blijven.

[p. 195]

Van vers 1-20 is het tooneel waarop Hagar verschijnt, beschreven als eene plek, grootsch in de geschiedenis: onze aandacht is geboeid.

In vers 15-17 wordt gesproken van Israëls uittocht uit Egypte. Veertig jaren trok Israël in deze woestijnen rond. In het Oud-Testamentische boek Exodus (= Uittocht) vindt men dit uitvoerig verhaald. Het erfland (16) is Kanaän (Palestina), dat God reeds aan Abraham als een erfelijke, vaste, nationale bezitting van zijne nakomelingen had toegezegd (Genesis XII): het ‘Beloofde Land.’ ‘Omstuwd van teekenen Gods:’ zie hiervoor o.a. Exodus XIII: 21, 22; XIV:21-30; XV vs. 23-25; XVI:2-18; XVII:3-6; etc. ‘Teekenen’ beteekent hier wonderdaden Gods, als bewijzen van Zijne trouw en mogendheid. - 17: twintig eeuwen later: het rondtrekken door de woestijn gerekend op ± 1400 v. Chr., komen wij op ongeveer 600 na Chr., toen Mohammeds opvolger, de eerste Khalif, Aboe Bekr, den Islam begon te verbreiden. Saracenen is de naam die den Arabieren (later ook de Mohammedaansche Turken) in Europa gegeven werd.

Na deze zakelijke toelichting, gaan wij tot nadere verklaring van dit gedeelte over.

II. In 1-2 is wonderen het subject van vereeuwigen en is grond het object van dit werkwoord: Gij zaagt hoe de wonderen den grond vereeuwigden (d.i. ‘eeuwig maakten’, of, ‘een eeuwigen naam’ of ‘voor alle eeuwen een naam schonken’). De ontleding van den zin volgt straks. - ‘Vereeuwigen’ heeft hier de voorkeur boven ‘onsterfelijk maken’: dit laatste eer van personen en het als zoodanig voorgestelde. - Wat wondren: ‘hoe vele en hoe groote w.’ - al is versterkend (bijwoord van modaliteit); ook niet heeft hier versterkende, de modaliteit uitdrukkende kracht. - ‘roosten’ is: blootstellen aan eene alles doordringende hitte.

3. tot ééne etc.: bepaling van gesteldh (ten gevolge der w.). - Men lette op de meesterlijke versterking van zee van golven steen en rots door middel van waterloos.

4-5. tooneel: bijstell. bij zee. schrik en wee noemen het kenmerk. Vgl. ‘tooneel van verwoesting’, ‘een geschiedenis van bloed en tranen’, ‘een verleden van onsterfelijke glorie’, ‘een dag van blijdschap en verheffing’. De bepaling noemt 't geen waaruit de zaak van het bepaalde woord bestaat. Men noemt haar ook appositioneele genitief. - tooneel van - zonder laafnis etc.: sterven staat zelfstandig.

6. ge: de woestijnvorstin, die in 1. wordt aangesproken. - Wat is eene bepaling bij vaak (7), sterker dan hoe vaak! - die: 1ste naamval (gramm. behandeling van dezen zin volgt).

[p. 196]

7-8. Is ‘zoeken’ met voordacht gebruikt? - Da Costa zal de komma achter gezien wel niet zonder bedoeling hebben weggelaten; zich als etc. hebben wij op te vatten als onmiddellijke bepaling bij den stormwind: ‘den zich als aan ketenen ontwringenden st.’ of nog beter: ge hebt gezien, hoe de st. zich als een k. ontwrong. Het beeld in dezen zin doet aan vreeselijke worstelingen en geweldige krachten denken: de storm wordt bij een geboeiden reus vergeleken; vgl. 11. In dit woord stormwind ligt reeds de overgang tot het tweede gedeelte der beschrijving, dat begint met 12: in 8 luidt het immers: niet slechts dien etc.: de dichter zet in 9-11 de beschrijving van den eigenlijken st.w. voort, maar hij heeft ons ondertusschen voorbereid op 't geen komen zal (klimax). Vandaar de eenigszins ongewone constructie: wij verwachten b.v. ‘niet slechts dien, waarvoor etc. maar ook die etc.’; de dichter echter wil dien regelmatigen, redeneerenden zin niet, als hij spreekt van den stormwind: hij wil slechts voorbereiden op den klimax met zijn ‘niet slechts’. Andere in 12 wijst op niet slechts dien terug.

10-11. ‘wervelen’ is draaien, zich met groote snelheid, duizeling-wekkend snel, in de rondte bewegen (om haar eigen as hier). - Het gebruik van ‘zich vergaderen’ is zeer gelukkig: men ziet de hoos worden: in razende draaiingen over de vlakten stormend, neemt zij van heinde en verre alles binnen haar bereik mede en in zich op. - Geen komma achter vergaârde: verbinding tot ééne voorstelling. Dergelijk weglaten van komma's hebben wij ook in Starings Marco gezien. - ‘voorbijgerold zal zijn’ doet ons beter dan ‘voorbijgerold is’ doen zou, den duur gevoelen van den toestand des reizigers.

13-14. Grammaticaal is 't Zijn zulken, die de scharen opdreven voor tweeërlei opvatting vatbaar. De eene: ‘de schuddingen die de scharen opdreven, zijn zulke als waarop ik doelde in vers 12.’ Deze kan echter de juiste niet zijn, daar die schuddingen niet in vers 12 nader bepaald worden en, integendeel, schuddingen in 12 zelf worden bepaald door 't geen volgt. De andere opvatting is dus de juiste; namelijk deze: de schuddingen die uw w. bestookten, zijn zulke, als de scharen (4de naamv.) uit uwen schoot opdreven’. Da Costa had na dit bepaling-aankondigend zulken den bijvoeglijken zin ook kunnen inleiden met dit als: als komt, bij zuiver qualificeerende zinnen, na ‘zulk’, ‘zoodanig,’ en na ‘een’ in de beteekenis van ‘zoodanig een’, meermalen voor: dergelijke relatieve zinnen zijn dan in den grond der zaak vergelijkend maar tevens bijvoeglijk; ja somtijds staat dit ‘als’ geheel met ‘die’ gelijk: het oorspronkelijk vergelijkend karakter komt daarin vooral uit, dat men voor ‘als’ ook als die ontmoet. Het best staat ‘als’ in

[p. 197]

een zin als dezen: ‘ongetwijfeld heeft hij zich in zoodanige bewoordingen uitgedrukt, als nauwelijks aanleiding geven kunnen tot verkeerde vermoedens’: hier is vergelijking; iets daarvan is ook in den zin uit Hagar. - ‘'t zijn zulken, als die de scharen opdreven uit uw sch.’ - van landveroveraren is bepaling bij de scharen: vgl. b.v. Slag bij Nieuwpoort 18: haar grond - van menschlijke geboden. - Verklaar schoot hier.

15-20 bepaalt ‘scharen van landveroveren’: Israël ging Kanaän; de Islam de wereld veroveren. - 16: waartoe het woord omstuwd? - 17: ‘de veertig jaren’: nl. de welbekende veertig jaar: daarom het bepalend lidw. - 19: een half gekenden God: er lag waarheid in Mohammeds Godsdienst: ‘Er is maar één God’; maar de volle waarheid was daarin niet.

 

Grammatica. Uitroepende zinnen als 1-5 zijn in den grond der zaak vragende. Doch zóóvele en zoodánig zijn die wonderen, dat daar geen antwoord is: in deze vraag ligt verwondering, ontzag, en zoo wordt zij een uitroep. Wat (welk) blijft in zulke gevallen vragend heeten, maar krijgt natuurlijk een onbepaalde beteekenis. Het vragend karakter kan geheel verdwijnen zelfs en zoo heeft het vragende ‘wat’ de beteekenis gekregen van waartoe in b.v. ‘Wat noopt de Waan hem vroeg en spaâ’ (Staring, Het geluk) en is het bijwoord van graad geworden b.v. in Hagar 6-7, dat zich in 't geheel niet meer als vraag laat nemen. (Zie over deze dingen verder Taal en Lett. I, Marco; bladz. 166).

Doch ook niet in 1. verdient nader beschouwen. Het is hetzelfde als in ‘Heb ik je niet gewaarschuwd?’ Ook dit ‘niet’ staat oorspronkelijk in vraagzinnen. Men had iemand gewaarschuwd; nadrukkelijk. Hij ging zijn gang en 't ging verkeerd. Met het oog daarop, dat hij handelde als was hij niet gewaarschuwd, als wist hij niet beter, vroeg men dan: ‘heb ik je soms niet gewaarschuwd’ d.i. ‘heb je soms niet beter geweten’; of wel, hij kwam klagen, zich beklagen, alsof hij daartoe nog recht had; dan was het al evenzoo: ‘heb ik je niet gewaarschuwd?’ en dan kon de man niet anders dan stil tot zich-zelf zeggen: ‘ik ben gewaarschuwd.’ In beide gevallen behelsde de negatieve vraag de nadrukkelijke bevestiging: gewaarschuwd zijt ge. De eigenlijke beteekenis van dit nu zuiver modale niet voelen wij niet meer: 't is eenvoudig versterkend en juist daarom ging het mee dienst doen in dien uitroependen zin der verwondering en bewondering en verontwaardiging, waarin wij 't ook hier (vers 1.) aantreffen. Vgl. ‘Wat is dat niet mooi!’, ‘Wat is dat geen gemeene streek’ etc.

De aandacht moet ook trekken de verbinding van het enkelvoudig

[p. 198]

onzijdig pronomen met een meervoudig substantief. Toevallig is dit substantief óók onzijdig; zoo het manl. of vrouwl. was, kon er even goed wat staan: wat helden, wat heldinnen. Wij gevoelen dit wat thans als bijvoeglijk = hoedanige. Oorspronkelijk stond het hier zelfstandig: het volgende substant. was altijd de meervoudige tweede naamval: wat (= wie) van de mannen, wat (= welke) van de wonderen. Het gebruik van wat behoeft ons nu niet langer te bevreemden. Onze taal immers (het Germaansch in 't algemeen) heeft de neiging om het zelfstandig pronomen, wanneer geslacht en getal duidelijk zijn, in 't onzijdig te bezigen: dit is mijn broer, dat zijn mijne neven en dat mijne nichten, wat is uw broer (= wie); wie is die man? het is uw vader, etc. De genitief is vervallen, wat staat daardoor bijvoeglijk, maar het is voor de drie geslachten niettemin wat gebleven.

Wij lichten thans de constructie van 1-2 zoover en op zoodanige wijze toe, als wij ons dit mogen veroorloven. Voor het recht verstand beginnen wij met: Ik zag het paard loopen. Loopen noemt daarin de gesteldheid, waarin men het paard ziet: het paard is verder, logisch, het subject van het loopen. Thans stellen wij ons een slachten voor: Ik zag het paard slachten: hier gevoelen wij het paard het object van het slachten: als zóódanig zien wij het paard; in slachten wordt wel niet de toestand (gesteldheid) van het dier genoemd, maar toch aangeduid: Wij hebben eene slachtpartij voor ons, het paard is daarin en het lijdt. Sommigen ontleden bij déze beschouwing aldus: zag - gezegde, het paard - voorwerp, loopen en slachten - bepaling van gesteldheid. Een zin als: Ik zag den veldheer overwinnen, waarin veldheer zoowel het subject als het object van het overwinnen zijn kan, heeft voor die beide gevallen dan dezelfde ontleding: den veldheer - voorw., overwinnen - bep. v. gesteldh., in het eerste geval weer die gesteldheid noemende, in het tweede die aanduidende (men ziet de strijdende partijen; het is het oogenblik der beslissing, der overwinning en daarin is het de veldheer, die lijdend is). Zielkundig (en een grammatica zonder zielkunde is als zoodanig d.i. als spraakkunst waardeloos) is dit niet geheel in orde, maar men verwerpe het niet zóó maar. Anderen zeggen: Ik zag het paard loopen moet men ter ontleding ontbinden in Ik zag, dat het paard liep: de ontleding is dan al heel gemakkelijk; maar - men heeft dan ook niet ontleed Ik zag het paard loopen; hetzelfde ten opzichte van den anderen zin. Men kan dan evengoed korter gaan: Zag - gezegde, het paard loopen - voorwerp, het paard slachten - voorw. Weer anderen doen nóg anders: zag - gezegde, loopen - voorw., slachten - voorw., zeggen zij, en paard wordt dan niet afzonderlijk

[p. 199]

benoemd. De benoeming nu is iets van later zorg. Het komt er op aan, dat men in zich-zelven weet waar te nemen, wat men, terwijl men hoort zeggen Het paard zag ik loopen, Ik zag het paard lóópen etc., eigenlijk met zijn verbeelding ziet en hoe men dat ziet. Ziet men het páárd, dat loopt of het lóópende paard, ziet men het slachten, of het paard dat geslacht wordt, of ziet men soms het eene evenzeer als het andere, òf dàn dit, dàn dat? Zou het niet afhangen van omstandigheden (van den samenhang des verhaals dus ook), wát men eigenlijk aanschouwt en zullen die omstandigheden ons niet tot verschillende ontleding nopen? In 't algemeen, als men niet fijner onderscheiden wil, is ‘zag - gezegde, het paard loopen, het paard slachten - voorwerp’ misschien het beste. Een stapje moeten wij nu nog verder. In den zin Ik zag het paard slachten kan men hem die slacht ook noemen: Ik zag den man het paard slachten: het paard voelt men hier dadelijk als voorwerp van 't slachten: ten opzichte van het slachten en den man kan men nu weder op meer dan een manier te werk gaan: man - voorw., het paard slachten - bepal. v. gesteldh., d.i. ik zag hem in 't slachten van het paard; of: dat de man etc.; of: slachten - voorw., het paard - voorw. v. slachten. Dit toepassende op Hagar 1-2 krijgen we: ge - onderw., zaagt - gezegde, wonderen - vrw., vereeuwigen (een grond) - bep. v. gesteldh. (d.i. terwijl zij den grond vereeuwigden), den grond - voorw. v. vereeuwigen; of met ontbinding in een voorwerpszin; of: vereeuwigen - voorw., met aanduiding dat de wonderen daarvan het onderwerp en de grond het voorwerp is.

4. Er kon ook staan: ‘golven van steen en rots,’ ook ‘golven steens,’ evenals ‘golven vuurs,’ ‘tongen van vuur’: die genitief noemt dan de stof, waaruit iets is, en dezen brengt men wel onder den partitieven genitief, die het geheel noemt, waarvan een deel is genomen.

5. Merk op dat de zelfstandig gebruikte Infinitief, zijn verbaal karakter behoudend, een bijwoordel. bepal. bij zich heeft. Zoo kan hij ook met een voorwerp staan: God vreezen is het begin van alle Wijsheid. Het onderscheid tusschen den zelfstandig gebruikten Infinitief en het werkwoordel. (verbaal, abstract) substantief (hier dus vrees) is, dat men bij den Infinitief (tenzij het verbale geheel verloren is gegaan, als in geheugen, vermogen, mededoogen, eten, drinken, genoegen e.d.) min of meer bewust blijft, dat de handeling van iemand of iets uitgaat; het verbaal substant. stelt de handeling voor als iets op zichzelf bestaands, los van zijn subject. Niet altijd echter maakt dit een onderscheid in 't gebruik. De bijw. bepal. en de voorwerpsbepal. van den Infinitief

[p. 200]

komen bij het substant. als bijvoegl. bepal.: vgl. God vreezen met de vreeze Gods (objectsgenitief).

6-7. die lucht, die d'ademtocht doet derven aan wat dáár adem zoekt. Wij hebben hier een merkwaardige en in haar onregelmatigheid zeer leerzame constructie voor ons. Even herinneren we, dat doen en laten met een Infinitief verbonden (zie ook vooral T. en L. I, Marco; pag. 260) te kennen geven, dat iemand of iets eene werking veroorzaakt. Van die werking is hij zelf of een ander dan het subject en de werking kan weer een object hebben. Ik deed hem drinken is ‘Ik maakte, dat hij dronk.’ De zin boven geeft: ‘de lucht maakt, dat de ademtocht derft aan wat dáár adem zoekt’: ademtocht staat als object van doet derven en is dus het subject van het derven. Maar dit is niet in overeenstemming met de actieve constructie van derven. Bij derven staat de belanghebbende (ondervindende) persoon zelf als onderwerp en de zaak die gemist wordt staat niet, als hier (de ademtocht derft), als 1e naamv. maar als oorzakelijk voorw. in den 4en (oorzakelijk als oorspronkelijke genitief): het kind derft zijne ouders (vroeger: ‘zijner ouders’: vgl. ‘ontferm U onzer’). Actief moeten wij dus construeeren: Wat daar adem zoekt (onderwerp) derft er den ademtocht (oorzakel. voorw.); in de Causatieve Constructie wordt dit: die lucht, die wat dáár adem zoekt doet derven den ademtocht: hierin is wat dáár adem zoekt dan het lijdend voorwerp van doet derven (vgl. ‘het paard drinkt’ met ‘hij doet het paard drinken’) en den ademtocht blijft het oorzakelijk voorwerp. Een overeenkomstig geval is: Hij is het spoor bijster (spoor, oorzakelijk voorw. bij bijster zijn), dat Causatief wordt: Ik doe hem het spoor bijster worden, waarin hem lijdend voorwerp van bijster doen worden is en het spoor oorzakelijk voorwerp blijft. Construeeren wij dezen zin naar het voorbeeld van Hagar 6-7, dan komt er: Ik deed het spoor bijster zijn aan hem: en wat gebeurt er dan? Wij geven bijster onwillekeurig eene andere beteekenis, want niet het spoor, maar de man is bijster, bijster ten opzichte van het spoor. Actief zou men dan moeten zeggen: Het spoor is ons bijster. Zoo nu heeft ook Da Costa onwillekeurig eene beteekenis gegeven aan derven, die het eigenlijk niet heeft: die van ontbreken. Beteekende derven inderdaad ‘ontbreken’, dan zou men actief construeeren: ‘De ademtocht derft ons’ (‘de ouders derven het kind’,) dit zou causatief den zin van Da Costa opleveren: Hij doet den ademtocht ons (3e nv.) derven. Maar derven beteekent missen. Bij de causatieve constructie ligt echter, ook doordat ademtocht in elk geval een 4e nv. wordt, de verwarring van ‘derven’ en ‘ontbreken’ zoo voor de hand, dat dit voorbeeld in Hagar wel niet alleen kan staan. - Vgl. echter T. en L., I, 96-98.

[p. 201]

Een woord nog omtrent de ontleding (de zin genomen als hij er staat). Het kàn aldus: die - onderw., doet - gezegde, d'ademtocht - lijdend voorw. (d.i. ‘die’ brengt den ademtocht in een toestand), derven - bepal. v. gesteldh. (benoeming van dien toestand). Maar gelijk doen vallen = vellen is, doen varen = voeren etc., zoo kan men ook doen derven als één werkwoordel. begrip opvatten: doen (ook laten) wordt dan hulpwerkw. van oorzaak (causatief hulpww.). Misschien zal men in sommige gevallen doen en laten beter als afzonderlijk gezegde aanmerken. In dit geval verdient wel boven de eerste ontleding de voorkeur: doet derven - gezegde, d'amentocht - lijdend voorw.

Thans iets over dat ‘d'ademtocht’ als afkorting van ‘den ademtocht.’ Sommige menschen noemen dit ‘een dichterlijke vrijheid’ en dan denken anderen daarbij aan iets dat eigenlijk niet heelemaal in den haak is. Het is merkwaardig dat wij prozaïsche grammatici nergens zoo weinig verstand van hebben als van de dichterlijke vrijheden. Het is ongeveer, als of men zegt van een jong mensch, dat hij zich wel wat veel vrijheden tegenover zekere dame permitteert. Het is in het heele dagelijksche leven zoo: wij prozamenschen hebben nergens minder verstand van dan van de dichterlijke vrijheden. Wat soort van vrijheid denkt gij wel dat ‘d'ademtocht’ is? Hebben wij, allen, in ons gansche leven wel ooit anders gezegd dan, met den dichter: d'ademtocht, d'olijfhof (op dezelfde pagina 503 bij Da Costa)? M.a.w., de dichters laten den buigingsuitgang niet weg, maar zij kiezen den vorm zonder buigingsuitgang, dien het Nederlandsch evenzeer bezit. De groote dichters, dat zijn de eenige goede grammatici; van hen en van de groote prozaschrijvers moeten wij de grammatica leeren. Elke andere leermeester leidt ons op dwaalsporen. En dan moet de spreektaal daarbij niet vergeten worden.

Wat in 7 is betrekkel. vnw. (het is immers het vnw. van den relatieven, bijvoeglijken zin in: dat, wat daar adem zoekt).

Slechts in 8 is een bijw. v. omstandigh. - dien is aanw. vnw.

Waarvoor (= voor welken) is voornw. bijw.

10. tot dat de gruiskolom voorbijgerold zal zijn: de voegwoorden voordat, opdat, nadat zijn gelijk te stellen met: voor dat, op dat etc.: ‘Hij kwam, vóór dat hij nog geheel hersteld was.’ Een zin als deze zou gelijkstaan met: ‘Hij kwam vóór zijn volkomen herstelling, of vóór den avond etc.: de bepaling die in het eene geval uit een substantief bestaat, bestaat in 't andere uit een geheelen zin, net als een voorwerp ook een geheele zin kan zijn, en oorspronkelijk is dat voor, na, op een eenvoudig voorzetsel. Doch die voorzetsels zijn één woord gaan vormen met het ‘dat’ dat den (dus oorspronkelijk zelfstandigen) zin inleidt: dat

[p. 202]

die zin een voorzetselbepaling is voelen wij niet meer, en nu verbindt voordat eenvoudig den bijzin aan den hoofdzin en wijst den aard van dat verband aan: voordat is nu voegwoord. Da Costa nu scheidt voordat, nadat, totdat niet zelden; de letterlijke beteekenis maakt dan de eigenlijke bedoeling meer voelbaar. Wij moeten dan ook niet lezen, totdat de gruiskolom etc., in éénen door; wij lezen aldus: tót, -dat de gruiskolom: tot krijgt eenigen nadruk en wij wachten een moment: den duur van den toestand des reizigers voelen wij nu. Er is niets tegen dit tot een voorzetsel te noemen; tot dat hier een voegwoord noemen verduistert de bedoeling des dichters. Een voegwoord dat zeer dikwijls, ook in gewone schrijftaal, gescheiden voorkomt, is eer dat. Voegwoorden waarin de eigenlijke beteekenis van het oorspr. voorzetsel verloren is gegaan, als opdat, zal men niet vaneenscheiden. - Wervelen = draaien: vgl. wervelwind. Het is afgeleid van wervel (draaiing), dat concrete beteekenis heeft in wervel = draaihoutje, waarmede men de deur sluit, ook = wervel-d.i. draaibeen. Wervel is van werven, draaien, ook zich draaien, zich heen en weer wenden, wandelen (dat immers óók met wenden = zich draaien samenhangt). Uit het begrip ‘heen en weer loopen’ vloeide voort dat van ‘zich druk maken om of voor iets’ (vgl. zich het vuur uit de sloffen loopen voor iets): vandaar ons ‘nieuwe leden werven’, ‘soldaten werven’ (waarin werven nu transitief) en oudtijds (nu een ‘Germanisme’) ‘om de hand van eene vrouw werven’, ‘dingen naar’; vandaar verwerven, waarin het denkbeeld van ‘inspanning’ en van eene ‘moeielijke taak’ ligt.

12. aloud: al is hier versterkend; daar al (het telwoord) vroeger den vorm aal ook had, vindt men ook aaloud; dit aal heeft men (dichters vooral) wel eens aangezien voor samentrekking van adel, en zoo ontmoet men dan aâl en uitdrukkingen als: ‘uw adeloud geslacht’ = oud van adel, etc.

13. Naar grammatisch voorschrift zou men zulke schrijven: immers het staat bijvoeglijk, men denkt er schuddingen achter.

18. ‘verheffen’ is hier ‘opnemen’ - dweepend: thans ‘dwepend: oudtijds dwapen: afwisseling met a.

20. ‘brengen’ heeft ten opzichte van 't geen volgt een eenigszins andere beteekenis, dan opzichtens 't geen voorafgaat. - Over ‘lot’: T. en L. I, Marco; 257.

(Wordt voortgezet).

Z.

v.d.B.