|
|
|
| |
| | | |
Boekaankondiging.
F.A. Stoett, Beknopte Middelnederlandsche Spraakkunst. Syntaxis. 's-Gravenhage 1889. f 1.90. - Etymologie. 's-Gravenh. 1890. f 1.50.
Al komt de volgende beoordeeling veel later dan ondergeteekende bedoeld had, het zal nog wel niet te laat zijn om den schrijver oprecht geluk te wenschen met de voltooiing van bovengenoemd werk. Weinigen slechts valt het te beurt eene dissertatie te schrijven, die in eene behoefte voorziet en daardoor in veel grooter mate de aandacht trekt en bekend wordt dan met academische proefschriften doorgaans het geval is. En niet ieder vindt dadelijk na zijne promotie, te midden van nieuwe, in den beginne vrij afmattende ambtsbezigheden, kracht en lust om reeds een jaar daarna de ontbrekende helft zijner dissertatie in 't licht te geven: van hoevele proefschriften is het beloofde 2de deel altijd achterwege gebleven!
Inderdaad aan eene ‘Beknopte Middelnederlandsche Spraakkunst’ bestond behoefte. Wat de ‘Etymologie’1) betreft, die van Verwijs was verouderd, en de werken van Franck en Van Helten, hoezeer elk in hare soort voortreffelijk, hebben door hun breedvoerigheid iets verbijsterends voor hen die pas met het Mnl. kennis maken of slechts eene enkele inlichting begeeren: jonge, pas aankomende studenten in de Nederlandsche letteren, candidaten voor de akte-examens M.O., belangstellende onderwijzers, en al wie verder door den aard zijner studiën in aanraking komt met het Mnl. of ‘er uit liefhebberij wat aan doet’. En eene Syntaxis bestond tot dusverre in 't geheel niet, afgezien van het weinige dat daarover te vinden was in het 4de deel van Grimm's Grammatik. De Heer Stoett heeft zich van de dankbare taak om in deze dubbele behoefte te voorzien over 't geheel op loffelijke wijze gekweten. Wie voor een examen een ‘beknopt overzicht’ van de grammatica onzer middeleeuwsche taal verlangt, of tot recht verstand van een tekst een of ander wil naslaan, vindt in dit handboek de hoofdzaken in een kort bestek bijeen, met een aantal voorbeelden tot opheldering en een inhoud en register die het gebruik gemakkelijk maken. Het is waar, voor de Etymologie had de schrijver in Franck en Van Helten uitstekende voorgangers die hij slechts uit de verte had na te volgen, en ook voor de Syntaxis vond hij, naast het model door Paul in de latere drukken zijner Mhd. Grammatik gegeven,
| | | | belangrijke bouwstoffen in verklarende aanteekeningen en tijdschriftartikelen van Verdam, Van Helten en Franck1). Maar in de Etymologie is hij in menig opzicht zijn eigen weg gegaan (zij het ook niet altijd ten voordeele van zijn werk), en wat de Syntaxis aangaat, komt hem de eer toe die bouwstoffen niet alleen vermeerderd, maar ook voor het eerst tot een geordend geheel te hebben vereenigd. Bovendien blijkt uit alles eene gemeenzame bekendheid met het Mnl., die alle hulde verdient.
En toch - ondanks deze goede eigenschappen heb ik gewichtige bezwaren, zoowel tegen de geheele inrichting en methode als tegen vele bijzonderheden van deze Spraakkunst, vooral van de Etymologie. Vermoedelijk heeft de Heer Stoett zijn werk geschreven met het oog op den bovengenoemden breeden zoom van belangstellenden, voor wie de beide bestaande grammatica's te uitvoerig zijn. Welk doel heeft hij zich nu hierbij voor oogen gesteld? Alleen een leer- of handboek te geven, waaruit men de feiten kon leeren kennen of waarin men iets kon naslaan? Het is mogelijk. Maar liever zou ik aannemen dat hij zich hiermede niet tevreden heeft gesteld, maar aan studeerenden en belangstellenden niet alleen een ‘beknopt overzicht’ der feiten, maar ook eenig inzicht in het samenstel en de geschiedenis onzer middeleeuwsche taal heeft willen geven. Immers niet alleen op het weten, ook op het begrijpen komt het aan, ook voor beginners. Zelfs eene beknopte grammatica van het Middelnederlandsch mag tegenwoordig niet anders dan historisch en - tot op zekere hoogte - pragmatisch zijn. Voor eene dogmatische spraakkunst in den trant onzer schoolleerboeken voor eigen of vreemde talen is hier geen plaats: het is toch niet de bedoeling Mnl. te leeren spreken of schrijven, maar alleen de oude taal te leeren verstaan. Dit doel is in het werk van den Heer S. misschien nagestreefd, maar m.i. niet bereikt2). Het Mnl. wordt hier nagenoeg geheel, althans te zeer, als op zich zelf staande beschouwd, niet vergeleken en in verband gebracht eenerzijds met het Oudgermaansch en anderzijds met het Nieuwnederlandsch: uit het laatste worden slechts nu en dan, te hooi en te gras,
enkele analogieën bijgebracht, kennis van het eerste zelden medegedeeld (wel - vreemd genoeg - bijwijlen ondersteld); kortom, de historische behandeling wordt doorgaans gemist.
Om te begrijpen wat ik bedoel, vergelijke men deze ‘Etymologie’ eens met Paul's Mittelhochdeutsche Grammatik, eveneens voor beginners bestemd. Daar zijn in veel korter bestek (72 blz. tegen 110 bij Stoett) niet alleen de hoofd.
| | | | zaken uit de Mhd. klank- en buigingsleer juist en helder medegedeeld, maar dit alles is ook verwerkt tot een organisch geheel; in afzonderlijke hoofdstukken wordt er gehandeld 1. over spelling en uitspraak, 2. over het accent, 3. over de betrekking tusschen de Mhd. en de Nhd. klanken, 4. over de wisseling van klanken (waarbij de verschillende processen achtereenvolgens ter sprake komen), 5. over dialectische afwijkingen. Eene bij uitstek practische methode, die den leerling dadelijk wijst op de punten van verschil en hem gewent zich daarvan telkens rekenschap te geven. Ook Franck's uitvoeriger werk is op dezelfde wijze ingericht; alleen mist men bij hem (noode!) een hoofdstuk over de betrekking tusschen de Nnl. en de Mnl. klanken. De Heer S., die ‘Paul's Mhd. Grammatik geraadpleegd (heeft), en hieraan menige opmerking verschuldigd (is)’1), heeft het niet oorbaar geacht deze voorgangers hierin na te volgen, doch liever naar den ouden trant alle letters afzonderlijk behandeld en daarna over de ‘grammatische figuren’ gesproken. Zoodoende wordt wel is waar het opzoeken en het overzicht gemakkelijker (hetgeen echter even goed te bereiken ware door aan het slot, bij wijze van register, een hoofdstuk te geven, waarin de veranderingen van elken klank onder verwijzing naar de voorafgaande § § worden samengevat)2); doch de verschijnselen worden niet in verband met elkander beschouwd, wat
genetisch bijeenbehoort wordt gescheiden en op twee plaatsen behandeld, kortom het geheel gelijkt meer op de anatomie dan op de physiologie eener taal.
De Heer S. zal mij wellicht te gemoet voeren dat het niet aangaat eischen aan zijn werk te stellen welker vervulling hij niet op zich heeft genomen3), en dat het onbillijk is zijn arbeid te vergelijken met dien van mannen als Paul en Franck. Hierop zou ik antwoorden dat hij dan m.i. zijne eischen te laag gesteld heeft, en dat het schrijven eener grammatica, op zich zelf zeker geen werk, geschikt voor ‘den nieuweling’, ‘den onbedreven spitter’4), toch ook weer aanzienlijk verlicht is, nu eenmaal zulke voorbeelden gegeven waren5).
| | | |
Doch ook al kon men zich met de inrichting en de methode van het boek in 't algemeen vereenigen, men stuit zoo dikwerf op bijzondere kwesties, die niet juist of niet helder uiteengezet of met andere verward zijn, dat men zich onwillekeurig soms afvraagt of het den schrijver niet ontbreekt aan een goed inzicht en een zelfstandig oordeel in grammaticale vraagstukken. Een en ander dient met bewijzen gestaafd te worden, al kan ik in dit bestek niet alle onjuistheden behandelen.
De schrijver beschouwt, zeide ik, het Middelnederlandsch te weinig in verband met het Germaansch. Weinig helder is al dadelijk de voorstelling die hij geeft van hetgeen men onder ‘Nederland’ en ‘Nederlandsche taal’ te verstaan heeft. ‘Middelnederlandsch is het Nederlandsch, dat gesproken en
| | | | geschreven werd ongeveer tusschen 1200 en 1500’, aldus de aanhef der (nauwelijks één bladzijde lange Inleiding van de Etymologie). Eene definitie, die uitgaat van het heden, die in stede van de wording van het Nederlandsch als afzonderlijke, zelfstandige taal duidelijk te maken, de valsche voorstelling bestendigt die bij het lager onderwijs in de vaderlandsche geschiedenis ònwillekeurig nog steeds wordt gegeven, alsof Nederland, ja eigenlijk Noord-Nederland (liefst nog met Holland als kern!) vanouds, of ten minste reeds in de Middeleeuwen, een geographisch en taalkundig afgesloten gebied is geweest. De Heer Stoett, een geboren Fries, weet natuurlijk wel beter. Maar waarom heeft hij dan niet, mede ter bestrijding van deze alom gangbare, onhistorische begrippen, de ontwikkeling van het Nederlandsch wat uitvoeriger behandeld? Waarom niet evenals Van Helten en Franck, zij het ook beknopter, gesproken over ‘het Middelnederlandsch als lid der Westgermaansche taalfamilie’, over de Frankische, Saksische en Friesche dialecten, die in het Noordwesten van Duitschland gesproken werden (waarbij dan scherp had moeten uitkomen dat van onze hedendaagsche staatkundige en taalkundige grenzen toenmaals geen sprake was)1), en vervolgens geschetst hoe uit enkele Nederfrankische tongvallen zich mettertijd eene schrijftaal heeft gevormd?
Mij dunkt, zoodoende had hij den belangstellenden leek juister en helderder inzicht gegeven in het ontstaan onzer taal, dan nu hij alleen zegt dat ‘het Limburgsche dialect... van minder gewicht (is)..., daar dit op de grens staat van het Middelfrankisch, dat gesproken werd langs den Rijn tusschen Keulen en Coblentz, en dus eigenlijk geen Nederlandsch kan worden genoemd’. Deze redeneering is onvoldoende voor den lezer, die niet eerst vernomen heeft dat onze taal een Nederfrankisch dialect is. Zij is ook, strikt genomen, niet volkomen juist, omdat hier weder te veel aan het hedendaagsche geographische begrip ‘Nederland’ wordt gedacht: daargelaten dat het Limburgsche dialect op zich zelf volstrekt niet van minder gewicht is dan de andere, zijne geringere beteekenis voor de kennis der algemeene Mnl. en Nnl. schrijftaal (want dit bedoelt de schrijver blijkbaar, al zegt hij het niet) wordt niet hierdoor bepaald, dat het op de grens staat van het Middelfrankisch, maar dat het slechts in geringe mate een factor in de ontwikkeling en samenstelling dier schrijftaal is geweest2). Eene dergelijke uiteenzetting,
| | | | hoe beknopt ook, had m.i. in de Inleiding niet mogen ontbreken: in Paul's kleinere Mhd. Gramm. wordt zij ook niet gemist.
In § 11 worden de zachte en de scherpe e onderscheiden, maar de oorzaak van dat verschil, hun verschillende oorsprong, niet aangewezen, ofschoon dit hier zonder geleerden omhaal had kunnen, ja moeten geschieden. Acht de schrijver dit alles wellicht bekend? 't Is waar dat er voor den ‘beschaafden Nederlander’ in de tegenwoordige leerboeken van spraakkunst en spelling hierover heel wat nuttigs (?) te lezen en te leeren staat; maar naar mijne bescheiden meening zou die geleerdheid hier, in eene Mnl. grammatica, beter op hare plaats zijn dan in een schoolboek. - In dezelfde § 11, sub 4, is daarentegen op eens sprake van ‘de lange a’; de naieve lezer, onbekend met het Oudgermaansch, kan niet anders gissen dan dat de schrijver eene Nnl. ‘volkomen’ a bedoelt: deze meent echter blijkens de voorbeelden eene Oudgermaansche, vanouds lange â, wat lang niet hetzelfde is1). - In § 51 spreekt de schr. over eene wisseling van ‘m en v’ als in stem (sic!) en stevene; dit geeft den leek eene volslagen valsche voorstelling: die ‘wisseling’ heeft niet in 't Nedl., maar in een veel ouder tijdperk (en ook eigenlijk niet tusschen eene enkele m en v, maar tusschen mn en bn) plaats gehad. Het gaat toch niet aan dergelijke verschijnselen te bespreken zonder nauwkeurig en uitdrukkelijk de verschillende taalperioden te onderscheiden; allerminst in een boek voor beginners. - Een dergelijk bezwaar doet zich voor in § 63: ‘Tot de sterke
declinatie behooren die subst., wier stam uitging op een vocaal,... Die vocaal was o, i, u enz.’2). De lezer, die van Oudgermaansche declinatie niets vernomen heeft, zoekt met verwondering vergeefs naar eenig spoor van die o, i, u in het Mnl.; hoe kan hij ook raden dat Dr. S. met dat enkele
| | | | ‘uitging’ bedoelt: in het Urgermaansch! Deze heele geleerde verdeeling der verbuigingsklassen had de schr., die hier op eens diep in 't verleden doordringt, gerust achterwege kunnen laten, of wel hij had ze nader moeten verklaren; hij gaat hier zelfs verder dan Paul, Franck of Van Helten, door zelfs de mann. en de onz. u-stammen als afzonderlijke klassen te behandelen (trouwens alleen om er van te zeggen dat ze in het Mnl. niet bestaan of de verbuiging van andere klassen volgen!): alles noodelooze geleerdheid, waaraan de gebruikers van dit boek weinig of niets hebben. De schr. had hier kunnen volstaan met mann. en onz. woorden met eene e in den nom. (jo-stammen en i-stammen met korten stamlettergreep) van de overige (o- en lange i-stammen), en evenzoo vrouw. woorden zonder -e (lange i-stammen) van de overige te onderscheiden, en een enkel woord over de oorspronkelijke, nu samengevallen klassen te zeggen. - In § 178 worden als voorbeclden van de vorming der adv. van adj. door achtervoeging van -e genoemd diere en gedichte van dier en gedicht; ongelukkig zijn beide woorden jo-stammen en hebben dus ook als bnw. reeds eene -e (de door Dr. S. genoemde vormen zijn natuurlijk geapocopeerd en van jongen datum). - In § 189 worden de sterke ww., welker pracsensstam in het Oudgermaansch op -ja (-jô) uitgaat, kortweg ja-stammen genoemd, eene zacht genomen vreemde benaming, die bovendien voor den leek volslagen duister is, daar van zulke ww. nog geen gewag is geweest en eerst in § 223 over de zwakke ww. die ‘oudtijds een suffix jan
hebben’ wordt gesproken. - Even ongewoon is de benaming ‘klankwijziging’ (§ 193 vlgg.) voor ‘ablaut’. Tot dusverre werd, zoover mij bekend is, ‘ablaut’ door ‘klankwisseling’, ‘umlaut’ door ‘klankwijziging’ weergegeven; en het is zeker niet gewenscht de toch al zoo onvaste Nederlandsche grammatische terminologie nog meer aan 't wankelen te brengen. Maar bovendien is die benaming m.i. onjuist; immers wijziging beteekent ‘(secundaire) verandering’ en kan kwalijk gebruikt worden om de verschillende ‘lautstufen’ van een grondvocaal aan te duiden. Schuilt hierin temet eene verkeerde opvatting van het geheele vraagstuk, evenals in de telkens terugkeerende onjuiste of onvolledige uitdrukking: ‘de verba die eene i of eene e (u of ie enz.) tot stamklinker hebben enz.’? Stellig beter ware geweest: ‘welker praesens in het Mnl. eene e of i enz. heeft’: immers die klinker van den praesensstam in het Mnl. is nog niet de stamklinker van het geheele ww. en is ook niet altijd oorspronkelijk (b.v. de ie of ij); men spreekt niet van den stam, maar van de verschillende stammen van een sterk ww. - § 217 vlgg. handelen over de ‘Redupliceerende Werkwoorden’, ter verklaring van welken term alleen wordt gezegd ‘dat zij alle in het Mnl. in het imperf.1) eene ie vertoonen’. Begrijpt de belangstellende lezer nu waarom deze ww. ‘reduplicee- | | | | rende’ heeten? Zoo neen, waartoe dan deze geleerde, zonder verklaring zinledige term in deze ‘Beknopte Spraakkunst’? - Evenzoo wordt in § 232 vlgg. zonder eenige verklaring gesproken van de ‘Werkwoorden met een opgeschoven verleden tijd (praeterito-praesentia)’, welker ‘getal in de middeleeuwen grooter (is) dan thans’. Kent de lezer dit belangrijk verschijnsel reeds? Het is nogmaals waar dat in sommige schoolspraakkunsten hierover te onpas eenige wijsheid aan de jeugd wordt opgedischt; maar wellicht zijn niet alle lezers dezer Mnl. Spraakkunst zoo gelukkig hunne kennis uit zulke boeken geput (en onthouden!) te hebben. In allen gevalle, zoo ergens, dan had de zaak hier verklaard behooren te worden; hoe dit in enkele woorden kan geschieden, kan men o.a. bij Paul en Franck zien. In plaats daarvan volgt er een zeker nagenoeg volledige maar dorre catalogus van vormen. - ‘Ofschoon het werkw. willen eveneens de t in den 3den pers. sing. praes. indic. mist, behoort het toch niet tot de praeterito-praesentia1). Zooals bekend is, hebben we bij ic wille enz. te doen met een conjunctief enz.’ (§ 242). Maar dat gemis eener t is door Dr. S. nergens als kenmerk der praet.-praes. opgegeven! En aan lezers die reeds wisten dat ic wille een conj. is had Dr. S. veilig zwaarder kost te verduwen kunnen geven dan hij hun nu doorgaans voorzet. - Eindelijk worden in de laatste § van ditzelfde hoofdstuk eenige, ook onderling, volslagen ongelijksoortige gevallen als mine roec, hi is en
hi heef, die met deze klasse van ww. niets te maken hebben, zonder eenige blijkbare reden in éénzelfden zin samengekoppeld met vormen van een echt praet.-praes. als got. aigan.
De voorgaande aanmerkingen hadden meerendeels betrekking op het doorgaand gemis van een historisch verband met het Oudgermaansch en op het te weinig of te veel in des schrijvers uiteenzettingen. Veel zwaarder, ja de zwaarste grief tegen de geheele Etymologie is dat de schr. in de klankleer bijna in 't geheel niet onderscheidt tusschen klanken en teekens, hetgeen in eene wetenschappelijke grammatica toch stellig een eerste vereischte is: immers men verlangt geene beschrijving der voorkomende letterteekens (die hoort bij de palaeographie thuis), maar wel van de levende klanken, door die doode letters zoo goed of kwaad als 't ging afgebeeld. Reeds dadelijk de aanhef van § 1 is dubbelzinnig: ‘Het Middelnederlandsch kent, evenals het Nnl., zeven vocalen, nl. a (ae), e (ee), i (î, ij, ii), o (oo, oe) enz.’ Indien de schrijver, zooals men mag onderstellen, hier de klanken bedoelt, waarom dit dan niet duidelijk gezegd en den lezer tevens met nadruk er op gewezen, dat men scherp moet onderscheiden tusschen klank en schriftbeeld; hieraan had zich dan vanzelf aangesloten wat er over de verschillende qualiteit dier klanken (volkomen of gerekt, onvolkomen, toonloos enz.) in 't algemeen valt op te merken. In plaats daarvan brengt de schr. door die
| | | | tusschen haakjes geplaatste ae, oe enz. den lezer in den waan, dat hiermede werkelijk andere of gewijzigde klanken, niet alleen andere schrijfwijzen van denzelfden klank bedoeld zijn. Bij dergelijke fundamenteele zaken zijn scherpe onderscheiding, zuivere bepaling, juiste uitdrukking voor de beginners zoo hoog noodig. - ‘De oe werd in open lettergrepen in sommige geschriften onder Duitschen invloed dikwijls voorgesteld door eene o of oo, somtijds u’ (§ 20). Het blijkt niet duidelijk of volgens Dr. S. met deze oe, oo, u overal dezelfde klank, dezelfde uitspraak bedoeld wordt. Nu is dit zeker niet altijd even gemakkelijk uit te maken; doch in allen gevalle diende deze kwestie hier niet verwaarloosd maar duidelijk gesteld te zijn. - ‘In enkele woorden wisselt de oe met eene onvolkomen o, meestal gevolgd door eene dubbele m’ (§ 21). Al kan men vragen of deze dubbele m niet te veel geëischt is (immers hi nomt, romt enz. komen, naar ik meen, zoowel in het Mnl. als in de 17de eeuw herhaaldelijk voor), zooveel is althans duidelijk dat hier sprake is van eene ‘wisseling’ van klanken. Doch de tweede alinea dezer zelfde § luidt: ‘Vooral in Westvlaamsche geschriften met den tweeklank ou, thans nog als oe uitgesproken, voor eene lipletter of keelletter: enz.’ Deze zin is niet alleen slordig van vorm (een onvolledige zin, die niet uit den vorigen kan worden aangevuld), maar ook onhelder en in deze § misplaatst: indien, zooals waarschijnlijk is, hier niet meer eene wisseling van klanken, maar eene andere spelling van
denzelfden klank bedoeld wordt, behoort deze zin volstrekt niet bij het voorafgaande. Maar het geheele vraagstuk der uitspraak van mnl. oe is door Dr. S. ter nauwernood aangeroerd1). - Volgens § 32 wisselt mnl. ou 1o. met ol of al vóór d of t; 2o. met ul voor d of t; 3o. ‘in eenige aan het Fransch ontleende woorden met eene o: coustume, scouffieringe, bourdeel enz.’ Maar Dr. S. stelt toch de Romaansche ou van coustume en de Germaansche ou van hout niet in klank gelijk, omdat ze met dezelfde letterteekens geschreven worden?! Zelfs al ware te bewijzen dat ou in het Mnl. doorgaans, evenals thans in het Westvlaamsch, als nhd. u werd uitgesproken, dan nog zou eene etymologisch gansch verschillende Romaansche ou daarmede niet in één adem genoemd mogen worden. - Volgens § 37 worden ‘de mutae als slotmedeklinkers scherp... voorgesteld.... Slechts nu en dan komen, ook onder den invloed van den verbogen casus, woorden met een zachten slotmedeklinker voor’2). Wat beteekent dit? Dat de mutae alleen maar zoo werden voorgesteld, dus niet inderdaad scherp waren, d.w.z. scherp werden uitgesproken, gelijk zij nog heden ten dage, behalve in sandhi, worden? Ik kan noch mag aannemen dat Dr. S. dit zou bedoelen;
| | | | maar waarom dan zulk eene dubbelzinnige wijze van uitdrukking gekozen? Moet of kan althans de lezer uit den tweeden zin niet opmaken, dat goed, glad enz. ook wel zoo nu en dan, voor de variatie, met eene zachte d (als in 't Engelsch en Friesch) werden uitgesproken? Altijd datzelfde blijven hangen aan aan de doode letterteekens als bij de spraakkunstenaars van voor twee eeuwen!
Erger is de manier, waarop in § 38 allerlei verward wordt. ‘De ch komt in het begin, in het midden en aan het einde van een woord voor1). In het begin evenwel alleen in vreemde woorden: chartre, chiere enz. Vgl. verder lichame, bochus (gebocheld), vraechde, nacht, vooral in de verbinding sch: blusschen enz.’ Hier worden derhalve over één kam geschoren en naar 't schijnt gelijkgesteld de scherpe gutturale spirans in Germaansche woorden, de zachte in woorden als vraechde, de geassibileerde palataal in Romaansche woorden, en de misschien reeds stomme ch in blusschen: geheel verschillende klanken; en dat alleen omdat zij toevallig alle met de teekens ch worden voorgesteld! Nogmaals, het is toch niet de vraag welke letters er in de handschriften of uitgaven staan, maar welke klanken er gesproken zijn. Dr. S. geeft, tegen zijne bedoeling, den lezer den indruk alsof chartre enz. met dezelfde ch als in lichame werd uitgesproken; dat hij wel beter weet blijkt gelukkig in de Aanm. bij dezelfde §, waar hij uit de verschillende spelling dezer Romaansche woorden (met ch, s, c, ts, tz, sch, tsc, sc, ds, g, sg) afleidt: ‘de ch beantwoordende aan eene fr. ch werd dus op verschillende wijzen uitgesproken’. Dit laatste is trouwens niet alleen onduidelijk uitgedrukt, maar bovendien (als ik de bedoeling wel
begrijp) slechts tot op zekere hoogte juist: al die verschillende spellingen zijn toch blijkbaar pogingen om nagenoeg dezelfde uitspraak af te beelden. Zooals men ziet, laat Dr. S. zich door eene verschillende spelling van denzelfden klank evenzeer van de wijs brengen als door de gelijke spelling van verschillende klanken. - ‘De g (was), uitgezonderd na n, waar de g gewoonlijk c (k) werd, aan het einde of gevolgd door een consonant, verscherpt tot ch’ (§ 39). Wordt dezelfde g dus nu eens tot ch, dan weer tot k verscherpt? En vóór elke consonant, dus ook vóór eene zachte d (vraechde), werkelijk in de uitspraak verscherpt? Dr. S. onderscheidt eenvondig niet tusschen explosief en spirant; hij spreekt alleen van ‘de zachte gutturaal’! Dat ‘de dubbele g in den regel (werd) voorgesteld door ggh, en nu en dan door gg, cg, cgh of c’ vermeldt de schr. voorts zonder een woord te reppen van de (vermoedelijke) beteekenis dezer spellingen. Aan het slot dezer rampspoedige § wordt in eene Aanm. de Romaansche g in gabelle enz. nog op ééne lijn gesteld met de g van -age en die van geeste (jeeste), althans niet duidelijk daarvan onderscheiden2).
| | | |
Een ander gewichtig bezwaar is dat de schrijver zoo dikwijls zonder critiek ongelijksoortige gevallen en verschijnselen vereenigt, of zelfs stellig verwart. De bewijzen zijn maar al te talrijk. In § 10, 3 en 4, bij de wisseling van a met e of i en met o, worden toonlooze en niet toonlooze a's in één adem genoemd: gevallen als dusant, Willam staan hier naast rackelijc, lachame, evenzoo margen, dachter naast gareel, calomme enz. Zulk eene a in eene toonlooze lettergreep is toch van gansch anderen aard dan de a voor r, ch enz. (zie Franck, Mnl. Gramm. § 48, 49, 68 en 19, en verg. Nnl. babijn, kantoor, karbeel, katoen, wvl. saldoat enz.); deze gevallen hebben niets met elkander te maken1). Bovendien is, hier en elders, met dat algemeene ‘wisselt met’ niets gezegd omtrent de al- of niet-oorspronkelijkheid der besproken vocaal. - Vreemd steekt het hierbij af, dat in § 15 de zachten de scherpvolkomen o wel onderscheiden worden (zonder dat trouwens de oorzaak van dat verschil genoemd wordt), hoewel zij volgens Dr. S. waarschijnlijk niet in klank verschilden2). Maar waartoe dan in deze spraakkunst, die met den historischen oorsprong der klinkers geen rekening houdt en de meest klaarblijkelijk verschillende klanken door elkaar behandelt, dit onderscheid gemaakt? - ‘Wisseling van f en v aan het begin der woorden is lang niet zeldzaam’ (§ 50)3). Zoo maar bij allerlei woorden? Vindt men dan b.v. ook wel eens fangen, fisch? De vorm en de aard der woorden waarin die v tot f verscherpt wordt leert hieromtrent wel iets. Ook van de ‘wisseling van p en f’ worden eenige voorbeelden genoemd die niets met elkander te maken hebben. - Bij de ‘Proeope’ (§ 57) worden alweder de meest verschillende gevallen op ééne lijn gesteld, althans in één adem ge- | | | | noemd: afval eener begin-w vóór o of oe, die van d of n, veroorzaakt door de onjuiste afscheiding van het lidwoord als in (d)almatike, (n)adre, Romaansche woorden als (in)firmerie, (de)duut enz.: geene poging om te onderscheiden en te verklaren! Moet de lezer niet den indruk krijgen dat in het Mnl. eigenlijk alles kan gebeuren: allerlei letters wisselen, vallen af en uit, worden aan- en ingevoegd, omgezet, verdubbeld, zonder dat voor dat alles eenige blijkbare oorzaak bestaat? En hoe noodlottig voor iemands wetenschappelijke ontwikkeling juist deze opvatting is, behoeft zeker niet in den brecde betoogd te worden. - De s in
baersen, verclaersen enz. nevens baren, verclaren enz. wordt in § 61 (b), 10 tot de ‘epenthetische’ gerekend, terwijl het toch algemeen erkend mag heeten dat dergelijke ww. te herleiden zijn tot Ogerm. ww. op isôn (of wel naar analogie van aldus afgeleide ww. zijn gevormd): zulk eene afleidings-s mag toch niet zoo maar onder de phonetische verschijnselen gerangschikt worden, gelijk men hier te lande cene halve eeuw geleden wellicht deed. - § 160, Aanm. luidt: ‘Niet zelden vindt men het lidwoord voorgesteld door en, in die handschriften, waar de volkomen klinker, in gesloten lettergrepen, door een enkel letterteeken kon worden voorgesteld’. Als ik des schrijvers bedoeling wel begrijp, heeft hij hier het oog op spellingen als spart en horden (in § 2 vermeld, maar niet verklaard) en stelt hij dus en voor een daarmede gelijk. Alsot dit, ook in de 17de eeuw voorkomende en niet als ĕn, 'n moest opgevat worden, als eene poging om de toonlooze vocaal + n voor te stellen! Ook in § § 5 en 8 wordt over die toonlooze of onduidelijke vocaal op eene wonderlijke, onheldere manier gesproken.
Ik kan niet alles opnoemen, maar wensch toch nog eenige verspreide aanmerkingen naar de orde des boeks te maken. In § 6 worden hi verwit, tottien, verdommen, ‘henc uit hinc en dit uit hienc’, swich (imper. v. swighen) gelijkelijk opgevat als gevallen waar ‘in gesloten lettergrepen voorkomende volkomen klinker(s)... onder invloed van de volgende consonanten verkort (worden)’: alweder een allegaartje van zeer verschillende dingen. - Of alles wat in § 58 is ondergebracht tot de ‘syncope’ gerekend mag worden staat te bezien; stellig mag men mi ne roec (iplv. roect), hoe men het ook verklare, niet als apocope, dus als phonetisch verschijnsel opvatten (§ 59). - De spelling scl voor sl is niet alleen in Kleefsche en Geldersche, maar ook en vooral in Westfaalsche, in 't algemeen Middelnederduitsche geschriften zeer gewoon (zie Lübben, Mnd. Gramm., s. 49)1). - Behooren de woorden op -nisse, en enkele op -heide (-heit) tot de onzijdige jo-stammen, waartoe § 76 ze (nog wel in de eerste plaats, vóór woorden als bedde, gherechte enz.) rekent, omdat deze vrouwelijke woorden op -e soms onzijdig genomen worden? Welk eene averechtsche voorstelling! Wil Dr. S. hier- | | | | mede beweren, dat zij oorspronkelijk (immers daaraan kan, als men in het Mnl. van jo-stammen spreekt, alleen gedacht worden) daartoe behoorden? Gelukkig niet: in § 89, 2 worden zij behoorlijk tot
de (oorspronkelijke) ô- en i-stammen gerekend; men mag dus aannemen dat Dr. S. alleen heeft willen zeggen, dat die woorden in 't Mnl. wel eens verbogen worden op de wijze der woorden die oorspronkelijk onzijdige jo-stammen zijn geweest. Zijne wijze van uitdrukking is echter gevaarlijk dubbelzinnig: de beginner leidt er uit af, dat de bedoelde woorden tegelijk onz. jo-stammen en vrouw. ô- of i-stammen waren, en dat deze verschillende soorten van ‘stammen’ in 't Mnl. als categorieën voor het taalgevoel springlevend waren. - ‘De fout die tegenwoordig dikwijls wordt gemaakt, nl. in ten mijnen huize, ten mijnent, bestond ook reeds in de ME.’ (§ 156): deze zin geeft noch van eene ruime opvatting van het begrip ‘taalfout’, noch van een fraaien stijl blijk. - Over de veelvuldigheid van den ouden vorm wies voor gen. sing. fem. en gen. plur. enz. wordt hier (§ 151, 157; Synt. § 176, 177, 178, 220, 221) heel anders geoordeeld dan door Franck, Mnl. Gr. § 227. - Waarom ‘zou men bij hi heift aan umlaut (havit) kunnen denken’ (§ 185)? Ei is toch geen umlaut van a. Of meent Dr. S. dat de i werkelijk, na die a tot e te hebben gemaakt, nog bovendien mee ‘overspringt’ in de voorgaande lettergreep?1) - In § 191 worden infinitieven als meen en dien gerekend tot de voorbeelden van ww., welker ‘stam
(eindigde) op eene n voorafgegaan door een toonloozen klinker’ en waarbij dus -nen tot -n werd (wapen). Ten onrechte worden daar verder eenige alleenstaande plaatsen uit het Nul., waar twee infin. door dichters als 't ware worden samengetrokken (knorr' en kijven, teeken' en schilderen) als analogieën aangehaald voor deze in 't Mnl. vrij algemeene (phonetische) syncope der ě tusschen twee n's. - Onjuist uitgedrukt is: ‘De werkw. vaen en haen hadden, reeds in het Gotisch, ook eene n uitgestooten, die in het imperfectum en het participium weder in de verbinding ng te voorschijn komt’ (§ 192). Hoe kan eene eenmaal uitgestooten consonant weer ‘te voorschijn komen’. De schr. bedoelt dat die n (of eigenlijk n) in het praesens is uitgestooten, doch in het praeteritum gebleven. Ook het vervolg dier § (over het ontstaan van ving en hing) is onhelder. - Volgens § 197 behooren tot de 2de klasse der sterke ww. ‘de verba, die eene e als stamklinker hebben, gevolgd door eene der liquidae of eene k: stelen, spreken.’ Volgens § 199 behooren echter tot de 3de kl. ‘de verba, die eene e als stamklinker hebben, niet gevolgd door een der liquidae, benevens de verba leken, reken, steken enz.’2) Is dit duidelijk en juist? Men is het er, naar ik meen, vrij wel over eens dat breken, spreken,
| | | |
treken en wreken tot de 2de klasse (naar de hier gevolgde telling) behooren, niet omdat of althans niet alleen omdat er op den stamklinker eene k volgt, maar omdat er eene r aan voorafgaat (urgerm. r werd hier ru, waaruit mnl. ro: gebroken), gelijk er bij de overige hiertoe behoorende ww. eene liquida volgt; zie o.a. Van Helten, Mnl. Spraakk. § 138; Paul, Mhd. Gramm.2 § 161; Kluge, Vorgesch. d. altgerm. Dial. § 23, 1 (in Paul's Grundr. I, 352). - Volgens § 201 ‘(was) gegeten... in de middeleeuwen ook het gewone, doch men treft eveneens ook (sic!) geten (voor geeten) en geheten aan’. Voorzoover ik weet is gegeten een vrij jonge vorm, en kan geheten slechts eene Vlaamsche spelling voor geëten zijn. - In § 202 worden na elkander ‘sien (zijgen)’ en ‘sigen (neervallen)’ genoemd: dat zullen toch wel twee vormen van hetzelfde ww. zijn. - In § 228 worden vormen als hi hoordes opgevat als door apocope ontstaan1).
Op de Syntaxis zijn over 't algemeen minder aanmerkingen te maken. Niet alleen omdat op dit nog nauwelijks ontgonnen terrein de eischen minder hoog zijn; maar ook omdat dit gedeelte van het werk èn als eersteling van den schrijver èn als eerste proeve op dit gebied inderdaad zeer verdienstelijk is en den schrijver aanspraak geeft op onze dankbaarheid: wij hebben nu een grondslag waarop kan worden voortgebouwd. Toch spreekt het vanzelf dat de minder goede eigenschappen die ons in de Etymologie troffen zich ook hier nu en dan vertoonen. In die eerste plaats de wonderlijke opvatting van verschijnselen in de geschiedenis eener taal, blijkende uit een zin als deze: ‘Ongetwijfeld moet dit’ (nl. een datiefvorm bij transitieve ww.) ‘niet aan analogie worden toegeschreven, maar aan de verwarring en onzekerheid, waarin de grammatica, vooral in het overgangstijdperk, verkeerde’ (§ 37)2). Alsof die verwarring en onzekerheid niet juist grootendeels voortkwam en bestond uit allerlei, van het standpunt der oudere taal bezien ‘verkeerde’ analogieën! Zie
Van Helten
| | | | in Tijdschr. III, 290 vlgg., die deze datieven ook uit analogie verklaart. - Onhistorisch is b.v. ook de bespreking van gelijc met een dat., waar wij het voegw. gelijk bezigen: slechts in enkele gevallen wordt dit gebruik ‘geoorloofd’ geacht, in andere ‘niet verwacht’1) (§ 42). - Min of meer naïef luidt het: ‘Evenals thans komt in het Mnl. het adj. in geslacht, getal en naamval overeen met het subst. waarbij het behoort’ (§ 77). Dat behoefde toch nauwelijks uitdrukkelijk verzekerd te worden! Iets dergelijks vindt men in §§ 174, 219, 434, 491 (heeft iemand ooit als voorwaarde voor een conjunctief in den bijzin gesteld, dat ook de hoofdzin een conj. bevatte?). - In § 194 mist men het inzicht dat een relatieve zin, juist blijkens de besproken coördinatie (en blijkens de woordschikking van den hoofdzin: die es rike), toen nog min of meer het karakter van een tusschenzin had; gelijk trouwens in de hedendaagsche spreektaal zulke tusschenzinnen nog zeer gewoon zijn.
Ook hier worden niet zelden ongelijksoortige verschijnselen te zamen vereenigd. Zoo mag men vragen of alle in § 15 genoemde genitieven nu werkelijk tot de rubriek van den gen. causae gerekend kunnen worden. Ik zou bijna vreezen dat het beruchte ‘oorzakelijk voorwerp’ der nieuwere spraakkunst hier Dr. S. door zijne schittering verblind heeft. - In § 169 worden zinnen als: Karel de grote dat was die ander en Groten rouwe dat si dreven op ééne lijn gesteld, en dat in beide als pron. demonstr. opgevat; in § 185 heet dat in de laatstgenoemde soort van zinnen daartegen pron. rel.!2) Tot dusver werd het vrij algemeen als voegwoord beschouwd: zie b.v. Verdam, Mnl. Wdb. i.v., sub 2 (II, 83). - De in § 399 genoemde intransitieve ww. die met werden vervoegd worden zal men wel meerendeels als passief gebruikte transitiva dienen op te vatten. En zoo zijn er onder de in § 385, 386, 405, 422, 452, 455, 457, 494, 515, 522 genoemde voorbeelden sommige, die daar stellig of waarschijnlijk niet thuis hooren3).
Voorts stuitte ik nog op de volgende onjuiste opvattingen of onnauwkeurige uitdrukkingen. In § 67 is sprake van een absoluten accusatief, in § 46 van een absoluten datief. Zou het niet raadzaam zijn alleen van een absoluten naamval of constructie te spreken? De in § 68 genoemde gevallen behooren er dan bij4). Immers waaruit blijkt dat duerende, behouden enz. reeds
| | | | in 't Mnl. ‘het karakter (aannemen) van een voorzetsel en... den 4den naamval (regeeren)’? - Zeer onhelder is § 201; de bedoeling zal toch wel wezen deze zinnen als voorwerpszinnen op te vatten? - § 231. Mag dit een praedicatief gebruik heeten? M.i. evenmin als dat van som, in § 277 bedoeld, of dat van vele (Etym. § 170) adverbiaal genoemd kan worden. - Het voorzetsel ob (§ 328) had Dr. S. maar liever moeten laten rusten. - Zou het duratieve praesens, uitgedrukt in de constructie met hebben (§ 422), niet letterlijk en beter worden uitgedrukt door eene vertaling met: ‘houdt zijne tong in bedwang’, dan met ‘bedwingt’?1) - § 435 is duister. Waarom bevat een zin als: Du zelve die ... gherovet best eene afwijking van de gewone congruentie, zoodat in dit geval ‘het antecedent en het gezegde overeenstemmen’? Het pron. rel. die is toch niet alleen voor den 3den pers. voorbehouden? - Is er in § 5152) en 516 wel genoeg rekening gehouden met den dwang, dien rijm en rhythmus oefenen op de vrije woordschikking van het proza?
Dat sommige punten niet of zeer kort besproken zijn, bij andere analogieën uit vrcemde talen gemist worden kan men den schrijver niet euvel duiden. Toch zou men § 132 (over het gebruik van du en ghi, een zeer gewichtig punt, waarover de Etym. geheel zwijgt) gaarne wat uitvoeriger gezien hebben, en een en ander willen vernemen over het verschil tusschen het oude en het samengestelde praeteritum (impf. en perf.); ook mist men met bevreemding b.v. eene opmerking over si = is (zie Etym. § 246) en over ende in uitroepen (zie Verdam i.v., 6). In § 280 had ofra. tel, in § 293 eng. never, in 387 got. faurhtjan sis en derg., in 388 got. sad itan, in § 422 lat. habere met vrucht kunnen vergeleken worden. Maar de schrijver stelde zich niet ten doel eene historische syntaxis te geven (al vergelijkt hij toch nu en dan andere of jongere perioden), en wij hebben hier dus niets te eischen.
De Heer S. is te recht van meening ‘dat degelijke wetenschap ook in een sierlijken, verstaanbaren vorm moet worden medegedeeld’. Of de schr. aan dezen door hem zelf gestelden eisch in allen deele voldaan heeft? De stijl der Inleiding (die een vrij overbodig en misplaatst overzicht geeft van de Middelnederlandsche taalstudie) dunkt mij soms ietwat slordig of onbeholpen. En in de bewoording der paragrafen mist men niet zelden de gewenschte juistheid, duidelijkheid en zuiverheid. Enkele minder fraaie zinnen zijn hierboven reeds aangewezen; in de noot mogen nog enkele proefjes volgen3).
| | | |
Het zondenregister is, tot mijn spijt, onwillekeurig vrij lang geworden. Ten deele is dit wel het gevolg hiervan, dat aanmerkingen met bewijzen gestaafd willen worden en zoodoende meer plaats innemen dan men bedoelt en wenscht. Toch valt het niet te ontkennen dat er in de Etymologie - ik spreek hier niet van de Syntaxis - meer stof tot afkeuring te vinden is dan na het verschijnen der twee uitvoerige werken over dezelfde stof noodig ware geweest. Het is waar dat die afkeuring voornamelijk de methode, den vorm en de uitdrukking treft: Dr. Stoett kent den Middelnederlandschen taalschat te goed om in het meer materiëele gedeelte flaters te begaan. Maar voor eene grammatica komt het juist bovenal op de methode en de inrichting aan, meer dan op de meerdere of mindere volledigheid van het materiaal. En dit geldt in nog hoogere mate voor een leerboek, dat aan eerstbeginnenden een zuiver en helder begrip moet geven van het wezen, het samenstel en de wording eener taal, opdat zij zich gewennen een verschijnsel juist op te vatten en wetenschappelijk, d.i. historisch te beschouwen. Juist omdat dit werk waarschijnlijk velen tot gids moet verstrekken, heb ik niet geschroomd mijne bedenkingen te uiten. Omgewerkt en verbeterd zou het inderdaad eene leemte aanvullen; moge een ruime aftrek daartoe spoedig gelegenheid geven.
J.W. Muller.
Leiden, Februari 1893. |
1)Waarom toch niet ‘klank- en buigingsleer’ in plaats van deze ouderwetsche en dubbelzinnige benaining? Is dat soms te ‘Duitsch?’
1)In het aanhalen van artikelen en monographieën blijft de schrijver zich niet overal gelijk. Zoo worden b.v. Etym. § 14 en 32, Synt. § 522 verschillende opstellen geciteerd, terwijl men die in andere gevallen waar men die evenzeer zou verwachten (b.v. Synt. § 37, 376, 396, 415) vergeefs zoekt.
2)Ik heb hier en in 't vervolg voornamelijk het oog op de Etymologie; de studie der Syntaxis is nog niet ver genoeg gevorderd, om daarbij dezelfde eischen te stellen.
2)Het systeem, o.a. door Sievers en Braune in hunne Ags. en Ahd. Gramm. gevolgd, waarbij eerst een overzieht der in het behandelde dialect voorkomende klanken wordt gegeven, met verwijzing naar de § § van het dan volgend tweede overzicht, gerangschikt naar de Ur- of Westgermaansche klanken, vereenigt op voortreffelijke wijze de eischen der wetenschap en der practijk, maar is voor eene ‘Beknopte Spraakkunst’ misschien wat omslachtig.
3)Dat de schrijver ‘den tijd voor eene vergelijking met de Oudgermaansche syntaxis nog niet gekomen acht’ (Synt., Inl. XVIII), daarmede kan men vrede hebben; maar wat de Etymologie betreft kan ik hem niet verontschuldigd houden met de zinsnede: ‘Laten zij (de beoefenaars onzer taal) dit werkje geenszins beschouwen als eene volledige, in alle onderdeelen uitgewerkte vormleer’ (Etym., Voorw.): nict op de meerdere of mindere volledigheid, op de quantiteit komt het aan, maar op de methode, de inrichting en de richting.
5)Bedrieg ik mij, of is bij deze ongeneigdheid om eene voortreffelijke methode over te nemen zekere hier te lande niet onbekende afkeer van al wat Duitsch is in 't spel? ‘Jammer is het evenwel’, zegt de Heer Stoett (Synt., Inl. XVI) ‘dat de Mittelniederländische Grammatik van Dr. J. Franck door de daarin gebezigde terminologie (sicl) te veel voor Duitschers geschreven is’. (In de dissertatie volgde hierop nog een volzin, dien de schr. in de voor den handel bestemde exx. gelukkig heeft laten vervallen.) Deze klacht hoort men meermalen. Nu is het in 't algemeen zeker waar, dat de stijl der Duitsche geleerden niet uitmunt door helderheid en ons Nederlanders vaak wrevelig maakt; ja dit is reeds zoo dikwijls
spottend of lakend gezegd, dat het vrij afgezaagd is geworden. Doch dat bezwaar is toch stellig niet onoverkomelijk voor wie met Coornhert zegt: ‘valt de bolster bitter, de vruchts zoetheyd is beter’; ook is dit bezwaar in Franck's werk volstrekt niet zoo bijzonder groot. Voor het gemak van den lezer is door de inhoudsopgave, den druk, de opschriften boven de blz. enz. voldoende gezorgd, beter dan in menig Nederlandsch boek. En de terminologie! Maar wat wil men dan? Het Nederlandsch geheel op zich zelf, buiten verband met het Germaansch, beoefenen? Zoo neen, dan begrijpe men dat de ‘Germanistiek’, uiteraard eene bij uitstek Duitsche wetenschap, natnurlijk ook eene Duitsche terminologie heeft. Wil men die vervangen door eene Nederlandsche, voortreffelijk; mits een druk en overeenstemmend gebruik een vasten usns doe ontstaan. Anders neme men dankbaar de Duitsche termen over: de Engelschen, Scandinaviërs, ja zelfs de Franschen zijn op dit punt liberaler dan wij. Maar het zit niet alleen in die terminologie: velen erkennen slechts noode de onmisbaarheid der Duitsche wetenschap, en wanneer een Duitscher eene hier te lande gevolgde methode als verouderd of verkeerd af kenrt en een ander spoor baant, dan zal hij niet altijd van alle zijden dankbare erkenning vinden; veeleer zal men, misschien geprikkeld door een ietwat inhumanen, ruw Germaanschen toon, zich laten verleiden tot ondankbare loochening zijner verdiensten en onbillijke critiek zijn er werken. In dit alles schuilt m.i. eene niet geringe mate van nationale ijdelheid of chanvinisme, dat vreemd afsteekt bij de evenzeer inheemsche, buitensporige bewondering en navolgingszucht voor al wat vreemd is. (Of geldt deze alleen hetgeen uit Frankrijk komt?) In een klein land als het onze, waar wij om zoo te zeggen elkaar allen persoonlijk kennen, dreigt altijd het gevaar dat men elkander niet ronduit de waarheid durft of wil zeggen; het gevolg is dat men òf geen critiek oefent,
òf in wederzijdsche overschatting vervalt, althans de juiste maat voor alle betrekkelijke grootheid verliest en daardoor zeer prikkelbaar wordt voor de soms niet malsche critiek van buiten ons kringetje staande vreemdelingen.
Om terug te komen op Franck's grammatica: indien deze voor onze studenten te moeilijk is, dan ligt dit grootendeels aan de laatsten en is het te hopen dat zij weldra genoeg verduitscht (of zoo men wil ‘vermoft’) zullen zijn om het boek te kunnen begrijpen. Wie de Duitsche wetenschap verwaarloost sluit zich binnen een Chineeschen ringmuur op.
1)Daarbij diende dan ook er op gewezen te worden dat de stukken in de Saksische taal der tegenwoordige noordoostelijke Nederlandsche gewesten eigenlijk niet tot het Middelneder landsch, maar veeleer tot het Middelneder duitsch, de taal der oostelijker gelegen Noordduitsche streken, gerekend behooren te worden.
2)Ook het ‘dus’ van den boven aangehaalden zin is niet volkomen gerechtvaardigd: men zou zich kunnen voorstellen dat het Middelfrankisch indertijd een zeer belangrijk element bij de vorming onzer taal was geweest, en de gewesten waar dit dialect thuis hoorde toch geen deel uitmaakten van den tegenwoordigen Nederlandschen Staat (men denke aan Oost-Friesland, Kleefsland, Fransch-Vlaanderen, die taalkundig behooren of behoorden tot ‘Nederland over de grenzen’). In dat geval zou het Middelfrankisch dus, in abstracto, zeer wel Nederlandsch (in taalkundigen zin genomen) kunnen genoemd worden. De Heer S. onderscheidt niet scherp genoeg tusschen het begrip ‘Nederlandsche taal’ en ‘de
taal der inwoners van het tegenwoordige Koninkrijk der Nederlanden (en Dietsch-Belgie)’, twee begrippen die bij ons toevallig vrij wel samenvallen, meer dan dit bij andere volken of staten het geval is. Een dergelijk gemis van de vooral hier, in een leerboek, zoo noodige scherpe onderscheiding van begrippen vindt men in het gebruik van uitdrukkingen als ‘ons land’ (§ 143, 244: bedoelt de schr. daarmede het hedendaagsche Koninkrijk der Nederlanden of de 17 Nederlanden?), ‘de oostelijke grenzen’ (§ 26, 151: alsof daarvan in de ME. sprake is!), ‘Duitsche dialecten’, ‘Duitschen invloed’ (§ 16 b, 2; 20; 252: alsof ‘Duitsch’ en ‘Nederlandsch’ toen reeds eene tegenstelling vormden!), en telkens ‘hoogduitsch gekleurde stukken’ (§ 57, 133, 240; Synt. § 15, 12: een in zijne onbepaaldheid op allerlei mengeltalen toepasselijke term).
1)Evenzeer verwarrend is dat de schriver § 30, 3 ‘eene lange e’ noemt wat anders, ook bij hem, eene scherpe of scherpvolkomen e pleegt te heeten.
2)Vreemd is trouwens dat er eerst over o-, jo-, i- en u-stammen, daarna niet over u- en r-stammen, maar over de ‘zwakke verbuiging’ gehandeld wordt. Minder juist is ook het noemen van vrouw. o- en jo-stammen (lees: ô- en jô-stammen, of eigenlijk, wanneer men zich, in overeenstemming met de benaming ‘ o-stammen’, op het standpunt van het Urgermaansch stelt: â- en jâ-stammen).
1)Des schrijvers terminologie staat niet vast: § 55, Aanm. 1 spreekt hij van ‘praeterita’, § 181, 192, 217, 218, 220 van ‘imperf.’, § 182 van ‘perf.’, alles voor een en denzelfden verleden
tijd.
1)Niettemin wordt het in het hoofdstuk over de praet.-praes. behandeld of liever daarin ondergebracht!
1)In § 151 wordt gesproken over ‘een relatief di in geschriften van de oostelijke grenzen’; in oorsprong, misschien ook in uitspraak zal dit toch wel hetzelfde zijn als mnl. die (zie thans Kern, Limb. Serm., Inl. § 55 en 167).
2)Hetzelfde in § 49: ‘Aan het einde wordt zij (de b) meestal verscherpt tot p’; de bedoeling is:
‘ altijd verscherpt en meestal ook met p geschreven’.
1)Dezelfde mededeeling vindt men, ik weet niet waarom, verder bij elke consonant.
2)Hetzelfde geschiedt in § 58, 3 met de n en de n ( ng), die te zamen behandeld worden als waren zij volkomen gelijk.
1)Hetzelfde is het geval bij de e (§ 11 en 12): scherp- en zachtvolkomen, onvolkomen en toonlooze e's vindt men daar in liefelijke eendracht (of verwarring) naast elkander, zonder de minste onderscheiding: het is alles ‘ de e’; gevallen als dĕscipel en tèmmerman met e voor i staan als gelijkwaardig naast elkaar; in § 12, 7 worden woorden als spegel, dre (met ê voor ie) genoemd, vlak daarop (12, 8) zĕnewe enz. (met ĕ voor u). - De gereduceerde of toonlooze u in vormen als ruwaert,
Loduwijc, beluwitte enz. noemt Dr. S. ‘volkomen’. - Bij de o (§ 16) wordt ten minste onderscheiden tusschen onvolkomen en volkomen o; maar gevallen als of ( af), ollende en gedochte worden hier weer gelijkgesteld, evenals rompel en boesom; en de o in prosent heet ook hier ‘volkomen’.
2)Hetgeen nog te bewijzen valt: wanneer ō en ô nog heden in Vlaanderen duidelijk onderscheiden worden uitgesproken, is het ondenkbaar dat ze in het Mnl. overal en altijd gelijk hebben geklonken.
3)Zulke onbepaalde uitdrukkingen komen meer voor. Volgens § 42 verandert de d thans tusschen twee klinkers ‘dikwijls’ in j. ‘Ook een overgang van d in w is niet ongewoon.’ Dus d werd en wordt j of w, al naar 't valt? Zegt men dan thans, en
schreef men vroeger b.v. wel eens bereiwen en goujen voor bereiden en gouden? Dr. S. schijnt inderdaad geen ‘junggrammatiker’ te zijn: althans de ‘ausnahmslosigkeit der lautgesetze’ vindt in hem geen warm aanhanger! - Dat in Vlaamsche hss. eene h aan het begin niet alleen wegvalt, maar ook anorganisch voorgevoegd werd is in § 54 vermeld, doch zonder een zweem van verklaring.
1)Ook in 't Ags. en 't Ofri. komt het enkele malen voor (zie Logeman, The Rule of St. Benet, Introd. § 64).
1)Immers dat Dr. S. deze ei zou verwarren met ei uit ai gevolgd door i of j, is niet aan te nemen.
2)Volgens deze laatste woorden zou de
k dus eigenlijk tot de liquidae behooren! Dr. S. bedoelt dit natuurlijk niet, maar drukt zich alleen wat slordig uit.
1)Bij het ww. zijn (§ 245) wordt in het paradigma als imper. alleen bes, als part. perf. alleen gesijn genoemd; de vormen wes, wees, gewesen en geweest worden daar onder in den tekst vermeld, doch het ‘imperfectum’ van wesen wèl in het paradigma opgenomen. De reden dezer ongelijke behandeling blijkt niet. - Eindelijk worden de ww. brengen
enz. en de ww. senden enz., die in het praet. nooit eene tusschenvocaal gehad of die reeds vroeg verloren hebben, achteraan (§ 249 en 250) bij de ‘onregelmatige ww.’, tusschen doen en hebben in, vermeld: eene weinig historische rangschikking.
2)Die abstracte grammatica en dat ‘overgangstijdperk’ zijn karakteristiek: het geeft den indruk alsof ‘de grammatica’, buiten de spreek- en schrijftaal om, zelfstandig (zeker op 't papier) bestaande, in de 13de eeuw nog frisch en gezond was, en na een tijd van kwijning (het ‘overgangstijdperk’) in de 17de eeuw weer tot nieuwen bloei is geraakt. Evenzoo in § 450: ‘In de jongere taalperiode, toen het grammatisch gevoel niet zeer levendig meer was enz.’ De Nederlanders der 13de eeuw waren dan zeker in het gelukkig bezit van het absolute grammatische gevoel! - Eene uitdrukking als ‘goed Mnl.’ (§ 196) geeft m.i. ook aanleiding tot verkeerde opvattingen, al weten de meesten wel wat een niet ouderwetsche philoloog daarmede thans bedoelt.
1)De constructie van den in § 43 aangehaalden zin is volstrekt niet ‘onlogisch’: sine slaat natuurlijk terug op voete, en den scape ende der coe zijn dat. poss.: de hoeven zijn hun gespleten = zij hebben gespleten hoeven (verg. § 39). Met alse heeft deze dat. natuurlijk niets te maken.
2)‘De zin krijgt alsdan (met dat) de gedaante van den af h. zin.... Bij so behoudt de zin den vorm van een hoofdzin’ (§ 185). Noch het een noch het ander is juist.
3)§ 38 en § 62 behooren op ééne plaats vereenigd te worden. Evenzoo zegt § 172 hetzelfde als § 287; doch in beide is verzuimd te verwijzen naar § 199, waar de andere gelijkwaardige constructie vermeld is.
4)En de in § 455 eerst genoemde, waarbij van eene ellips toch eigenlijk niet gesproken kan worden.
1)Verg. hiermede § 481, waar de uitdrukking ‘dubbele verleden tijd’ niet zeer gelukkig en juist is.
2)In het tweede voorbeeld bij deze paragaaf zijn geen twee bijzinnen, maar twee hoofdzinnen te vinden.
3)Synt., Inl. IX: ‘Gelukkig vond dit... voorbeeld... navolging, maar niet van dien aard, dat enz.’; XI: ‘begonnen met hun rijken taalschat te verzamelen’ voor ‘begonnen’ (immers het Deutsche Wörterbuch was niet de eerste arbeid der Grimm's, maar hield hen juist in hunne latere levensjaren bezig); ‘Oudnederlandsche’ voor ‘Middelnederlandsche’ (zie hierover o.a. Verdam, Mnl. Wdb., Inl. VI); XII: ‘een onderzoek instellen naar hetgeen die vreemdelingen ons hadden medegedeeld’; ‘een rijkdom van taalschatten’; XIII: ‘het gevoel van eigenwaarde... tot bewustzijn... te roepen’; XV: ‘dit meesterwerk, zooals geen ander land kan aanwijzen’; XVI: ‘naast het Woordenboek... van... De Vries en anderen, waar van elke aflevering van diens hand terecht een meesterstuk is genoemd, bezitten we zelfs vele uitstekende grammatica's’; § 5, 2de al.: ‘Misschien heeft men... en dat enz.’; § 294: ‘Ter vertaling van ons welaan... kon men in 't Mnl. bezigen wattan enz.’;
§ 524: ‘Deze figuur heeft plaats’. - In de Etym. stuitte ik op de volgende slordigheden. Inl.: ‘In hoofdzaak overal gelijk, (t.w. het Mnl.!) zijn toch dialeetische eigenaardigheden waar te nemen’; § 9 (onduidelijke redactie); § 43: ‘de s... moet als zoodanig zijn uitgesproken, met uitzondering aan het begin enz.’; § 56: ‘ Voor cht of ft werd de r gewoonlijk naar voren geplaatst’; ‘Vgl. ook nog voor geen bepaalde consonant’; § 223 (de tweede zin is onbeholpen en daardoor onjuist); enz. Zeer vreemd en weinig aanbevelenswaardig schijnt mij het gebruik van ‘adjectiefs’ en ‘substantiefs’ (voor lat. substantive, adjective) en ‘substantiefsch gebruik’ (Etym. § 148, 159, 165, 166).
De drukfouten zijn vrij talrijk. Ik wijs hier alleen op het herhaaldelijk voorkomende ‘Diphtongen’ (Etym. VII, § 24, 29 enz.), op ‘syncopé’ en ‘apoeopé’ (§ 4, 5, 189 enz.; in § 58 daarentegen zonder dat misplaatste accent); § 37 tweemaal ‘vocaal’ iplv. ‘consonant’; 154: ‘nominativa’.
|
|