|
|
|
| |
| | | |
De diensten van het bijwoord.
In den derden jaargang, afl. 2 van dit Tijdschrift, behandelt de Heer Terwey de onderscheiding der partikels en geeft op blz. 97 in drie definitiën het criterium aan van bijwoord, voorzetsel en voegwoord. Van het bijwoord wordt daar gezegd: bijwoorden zijn woorden, die dienen als bepaling van alle begrippen, die geene zelfstandigheid beteekenen. Van deze bepalingen zijn uitgezonderd de voorwerpen. - Het kan misschien zijn nut hebben, het taalgebruik eens te raadplegen, om na te gaan, welke diensten nog meer door het bijwoord kunnen worden verricht en dat woord dan te vergelijken met de woordsoorten, waarmee het ten opzichte van den dienst eenige overeenkomst vertoont. In de ‘onderscheiding der partikels’ is het bijwoord reeds geplaatst tegenover voorzetsel en voegwoord en is duidelijk aangetoond, dat het optreden als bepaling in den zin het voornamelijk onderscheidt van die andere woordsoorten, die op zichzelf geen zindeel of bepaling vormen, doch meer dienen om betrekkingen tusschen zindeelen of zinnen aan te wijzen.
Beschouwen we nu het bijwoord eerst als bepaling van eenig zindeel, dan komen we er als van zelf toe, het te vergelijken met een ander woord, dat ook steeds als bepaling bij een zindeel optreedt, en wel met het attributieve bijvoeglijk naamwoord.
Bij deze vergelijking zullen we het oog moeten vestigen op twee zeer onderscheiden gevallen. Voor het eerste geval zullen we beschouwen de voorbeelden: Mijn klerk levert duidelijk schrift en Mijn klerk schrijft duidelijk. Waarom is in het eerste voorbeeld duidelijk een bijvoeglijk naamwoord en in het tweede een bijwoord? Dit hangt hier niet af van de beteekenis van het woord zelf; in beide gevallen noemt duidelijk eene hoedanigheid; in het eerste voorbeeld echter is het eene hoedanigheid van het schrift (eene zelfstandigheid), in het tweede van schrijven (eene werking). Het verschil tusschen een attributief bijvoeglijk naamwoord en een bijwoord is dus in zulke gevallen te zoeken in den aard der woorden, die er door bepaald worden. Hier is het woord een bijwoord, als het eenig begrip bepaalt, dat geene zelfstandigheid beteekent en een attr. bijv. naamw. als het eenig begrip bepaalt, dat wèl eene zelfstandigheid beteekent.
Voor het tweede geval nemen we de voorbeelden: Ik woon in het nieuwe huis en Ik woon in het derde huis links. Waarom is nu hier nieuw een bijvoeglijk naamwoord en links een bijwoord? Beide woorden vormen eene bepaling bij een begrip, en wel beide bij een begrip, dat eene zelfstandigheid
| | | | beteekent. Het verschil moet hier worden gezocht in de beteekenis van het woord, in den aard der bepaling. In dit paar voorbeelden noemt alleen nieuw eene hoedanigheid van het huis; links wijst op de plaats, die het huis in de ruimte inneemt; dit laatste woord geeft dus iets toevalligs te kennen, dat met den aard of de gesteldheid van het te bepalen voorwerp niets te maken heeft. Zoekt men naar voorbeelden van dergelijk gebruik van het bijwoord, dan vinden we ze in groote hoeveelheid, zoowel in de beschaafde spreektaal als bij schrijvers; en zien we, dat het vooral de bijwoorden van plaats zijn, die zich zeer goed leenen tot bepaling bij een begrip, dat eene zelfstandigheid beteekent.
Waarom huilt die jongen daar? De menschen hiernaast hebben alweer een andere meid. Iedere straat rechtsaf voert u naar den Tiergarten (G. Carelsen). Kluchtig is de opeenstapeling van argumenten, op grond waarvan hij aan A.W. de vrijheid betwist enz. (Busken Huet).
In dergelijke voorbeelden raken attributief bijvoeglijk naamwoord en bijwoord elkaar; niet in beteekenis, maar in dienst. Vandaar dat de spraakmakende gemeente, die zich toch soms al bitter weinig bekommert over de hokjes en afdeelingen, door de spraakkunstenaars gemaakt, hier soms de woorden uit het eene hokje in het andere laat overloopen en zich bedient van attributieve bijvoeglijke naamwoorden, die naar hunne beteekenis bijwoorden zouden moeten heeten. Denken wij slechts aan de attributieve bijvoeglijke naamwoorden gindsch, huidig, toenmalig, die evenals bijwoorden betrekkingen aangeven in ruimte en tijd en zich van de bijwoorden alleen onderscheiden door hunne buigbaarheid en hunne plaatsing vóór het bepaalde zelfstandig naamwoord. Met opzet noemde ik die woorden attributieve bijv. naamw.; het is alleen de overeenkomst in dienst van het bijwoord met het attributieve bijv. naamw., die aanleiding heeft gegeven tot hun gebruik; we zien ze dan ook nooit als gewone bijvoeglijke naamwoorden ook praedicatief optreden. Nu schijnt het eene volk spoediger over te gaan tot het gebruik van bijwoorden van tijd of plaats als attr. bijv. naamw. dan het andere; in het Nederlandsch toch kunnen we alleen wijzen op een beperkt aantal voorbeelden van dat verschijnsel, terwijl die adjectiefvorming in het Duitsch regel is; daar spreekt men ook van den gisterigen dag (gestrig); het darige boek (dortig) en het hierige huis (hiesig).
We zien dus, dat het bijwoord, als bepaling in den zin, zich van het attr. bijv. naamw. kan onderscheiden door zijn dienst, nl. door begrippen te bepalen die geene zelfstandigheid beteekenen, maar ook, bij volkomen overeenkomst in dienst, door zijne beteekenis, door geene hoedanigheid, maar eene betrekking in tijd of ruimte aan te wijzen, in welk laatste geval het van het adjectief te onderkennen is door zijne plaats àchter het substantief en zijne onbuigbaarheid. Gaat men het dan bij analogie met het bijv. naamw. er voor plaatsen en verbuigen, dan wordt het een bijvoeglijk naamwoord met bijwoordelijke beteekenis, dat alleen attributief gebruikt wordt.
Kijken we verder rond naar nog andere diensten van het bijwoord, dan zien we dat zulk een woord soms ook geheel op zichzelf optreedt, niet als be- | | | | paling bij eenig deel van den zin. In de eerste plaats is zulks het geval bij die bijwoorden, die dienen om de betrekking aan te geven, waarin de gedachte, naar de voorstelling des sprekers, tot de werkelijkheid staat, nl. bij de modale bijwoorden. In ik kom niet, wel, misschien, zeker enz. kan men toch moeilijk beweren dat het begrip komen door die bijwoorden nader bepaald wordt; ze dienen hier tot aanwijzing der koppeling en maken door hunne aanwezigheid een onbepaalden zin ook niet bepaald.
Een ander voorbeeld van een bijwoord, dat niet als bepaling fungeert, vinden we daar, waar we het in de zinsontleding het naamwoordelijk gezegde zouden moeten noemen. Wat zinnen betreft als de school is uit, de pijp is aan, mijn werk is af enz. verwijs ik naar het reeds meer genoemde artikel van den Heer Terwey, waar hij op blz. 95 van afl. 2 van den derden jaargang van dit tijdschrift die uitdrukkingen verklaart als eene soort van voltooide tijden bij de school gaat uit, de pijp gaat aan, mijn werk komt af. Ik heb hier echter meer het oog op zinnen als: Bijvoeglijke naamwoorden zeggen ons hoe menschen, dieren en dingen zijn; Deze zaak is niet zoo; zij is anders; uitdrukkingen, die onmogelijk op te vatten zijn als voltooide handelingen of toestanden, die daaruit geboren zijn, aan te geven. Beschouwen we de voorbeelden van dien aard nader, dan zien we, dat slechts ééne soort van bijwoorden zich tot dat gebruik leent; nl. de bijwoorden van hoedanigheid, waarvan in de Spraakkunst van Terwey op blz. 59 gezegd wordt, dat ze hoedanigheden niet noemen, maar aanduiden, nl. de bijwoorden zoo, dus, alzoo, evenzoo, eveneens, aldus, anders, hoe. Met welke woordsoort is nu dit bijwoord, wat zijn dienst betreft, te vergelijken?
Het woord treedt op als naamwoordelijk gezegde en zou dus vergeleken moeten worden met het zelfstandig naamwoord of het praedicatieve bijvoeglijk naamwoord. Letten we nu op zijne beteekenis, nl. het aanduiden, niet van eene zelfstandigheid, maar van eene hoedanigheid, dan zien we, dat we het moeten vergelijken met een praedicatief bijvoeglijk naamwoord.
Eene aandachtige beschouwing doet ons dan ook zien, dat men, indien men in de gebruikte voorbeelden de hoedanigheden, toegekend aan menschen enz., en deze zaak, had willen noemen, gebruik zou hebben gemaakt van praedicatieve adjectieven; het verschil tusschen zulk een bijwoord en een praedicatief bijv. naamw. zit dus alleen in het aanduiden of noemen. Zooals bekend is, wordt dit verschil ook gevonden tusschen voornaamwoorden en naamwoorden, zoodat we in het bijwoord als naamwoordelijk gezegde sterke overeenkomst vinden met een voornaamwoord. Om dit duidelijk in te zien, behoeven we slechts de volgende paren voorbeelden met elkander te vergelijken:
| 1. | Dit gebouw is eene kerk. Wat is dit gebouw? |
| 2. | Ik kies het grijze laken. Welk laken kiest gij? |
| 3. | Ik vind die geschiedenis aardig. Hoe vindt gij die geschiedenis? |
Het verschil tusschen eene kerk en wat in het eerste paar is hetzelfde als tusschen grijs en welk in het tweede paar en als tusschen aardig en hoe in
| | | | het derde paar voorbeelden. De dienst van deze bijwoorden van hoedanigheid als naamwoordelijk gezegde of praedicatieve bepaling kan dus gemakkelijk worden aangegeven door de evenredigheid:
bijwoord: praed. bijv. naamw. = bijv. voornaamw.: attr. bijv. naamw. = zelfst. voornaamw.: zelfst. naamw.
Zeer opmerkelijk is nog een andere dienst van het bijwoord, dat niet optreedt als bepaling bij eenig begrip. In het reeds meergenoemde artikel over de onderscheiding der partikels zegt de Heer Terwey van de voorzetsels op blz. 97, dat zij dienen om een zelfst. naamw. of een zelfst. voornaamw. tot eene bepaling te maken. Dat naamwoord of voornaamwoord wordt dan wel de regeering van het voorzetsel genoemd en ook die dienst kan door sommige bijwoorden verricht worden. We hebben voorbeelden daarvan in: Stel dat maar uit tot later; Tot hiertoe en niet verder; Van toen was 't staag gevecht (Bilderdijk); Van hier, van hier, wat wenschen smeedt (Tollens). Bij aandachtige beschouwing zien we, dat in zulke gevallen alleen bijwoorden optreden, die een punt in ruimte of tijd aanduiden. Aanduiden, en niet noemen; ook hier hebben ze weer veel van het voornaamwoord weg, maar dienen nu niet, om aan te duiden, wat genoemd zou kunnen worden door een praed. bijv. naamw., maar duiden iets aan, dat genoemd zou kunnen worden door een zelfstandig naamw. En wel door een zelfst. naamw. in zeer eigenaardige beteekenis. Er zijn nl. substantieven, die niet alleen namen van zelfstandigheden zijn, maar die ook gebruikt kunnen worden om punten in ruimte of tijd te noemen. Letten we slechts op zelfstandige naamwoorden als Rotterdam en verjaardag. Bedoelt men met het eerste de bekende verzameling huizen, straten, grachten, enz. en met het tweede een zeker tijddeel, een tijdsverloop van 24 uren, dan zijn het namen van zelfstandigheden; b.v. in: Rotterdam is eene groote stad en Uw verjaardag was een drukke dag. Wil men in die voorbeelden volstaan met aanduiden in plaats van noemen, dan zal men zich bedienen van zelfstandige voornaamwoorden en zeggen: Dit is eene groote stad en Dat was een
drukke dag. Men kan echter ook die zelfst. naamwoorden gebruiken om een punt in ruimte of tijd aan te geven, zonder de voorstelling der genoemde zelfstandigheden te willen wekken. We vinden voorbeelden daarvan in: De trein rijdt ran Amsterdam tot Rotterdam en Ik ben van uw verjaardag af al ongesteld geweest. Het verschil in opvatting tusschen de bedoelde substantieven in beide paren voorbeelden zal duidelijk zijn. En als we nu in het laatste paar willen volstaan met aanduiden, dan bedienen we ons niet van een zelfstandig voornaamwoord, maar van een bijwoord van plaats of tijd. Wij zeggen dan: De trein rijdt van Amsterdam (of van daar) tot hier en Ik ben van toen af al ongesteld geweest. Het verschil tusschen hier en Rotterdam, toen en uw verjaardag in de laatste paren voorbeelden is volmaakt hetzelfde als dat tusschen dit en Rotterdam, dat en uw verjaardag in de eerste paren, zoodat we, om ook dezen dienst der bijwoorden voor te stellen in den vorm eener evenredigheid, zullen krijgen:
| | | |
bijwoord: zelfst. nw. als naam van een punt in ruimte of tijd = zelfst. voornaamw.: zelfst. naamw. als naam eener zelfstandigheid.
Om de verschillende diensten van het bijwoord duidelijk te doen uitkomen en dus samen te vatten wat in het bovenstaande is betoogd, geef ik ter beschouwing de volgende uitdrukkingen:
| wij hebben gisteren gewandeld. |
(bepaling bij een begrip, dat eene werking beteekent). |
| mijn grootvader is zeer oud. |
(bepaling bij een begrip, dat eene hoedanigheid beteekent). |
| mijn buurman rechts is bakker. |
(bepaling bij een begrip, dat eene zelfstandigheid beteekent). |
| misschien kom ik morgen. |
(aanwijzing van den aard der koppeling). |
| deze zaak is niet zoo; ze is geheel anders. |
(naamw. gezegde; aanduiding van eene hoedanigheid, die door een praed. bijv. naamw. genoemd zou kunnen worden). |
| wij blijven tot overmorgen. |
(regeering van een voorzetsel; aanduiding van een punt in tijd of ruimte, dat door een zelfst. naamw. genoemd zou kunnen worden). |
Helder, Juni 1893.
Jan Brouwer. |
|
|