|
|
|
| |
| | | |
Letterkunde en paraphrase.
Evenals de vorige maal kiezen we ter paraphraseering (‘verklarende omschrijving’) een vers, - waar een bladzijde litteratuur bì hoort.
Onze commentaar op Starings Aan het Graf van Rhijnvis Feith moet den opmerkzamen lezer tot dit inzicht hebben gebracht: dat een zoodanig gedicht op een afstand van zeventig jaar niet zoo maar in zijn eigenlijke beteekenis te vatten is; men moet eerst in 't milieu komen waarin 't ontstaan is. Het vers Ontboezeming van Da Costa dat we nu nemen (men vindt het in de Komplete Werken een paar bladzijden vòòr Vijf en Twintig Jaren), moet zijn licht, niet zoozeer van 't milieu, als wel van bepaalde bijzonderheden uit 's dichters leven hebben, waaraan niet ieder die Da Costa leest en de bijzònderheden kent dadelijk denkt. Van 't geen er tot volkomen verstand van deze Ontboezeming te weten noodig is, zullen wij den lezer langs zulk een weg op de hoogte trachten te brengen, dat de studeerende onderwijzer, die ook ontwikkeling zijner vermogens en oefening van zijn krachten beoogt, dat oogmerk bereikt; als hij de taak die we hem voorstellen, maar op zich neemt. Voor 't examen zijn natuurlijk niet al die namen vereischt die in 't volgende zullen voorkomen ('t mooiste en meer bekende wijzen we wel even aan), maar die aanstonds zijn kompleten Da Costa ter hand neemt en ons dan nagaat en contrôleert, al maar lettende op de dateering der gedichten, die zal nog iets meer hebben verkregen dan enkel het inzicht in het groote belang der chronologie op het terrein der letterkunde, - hij zal zich, nièt vergeefs, in letterkundig waarnemen hebben geoefend, hij zal verkregen hebben: eenig werkelijk verstand van Litteratuur.
Zooals de lezer van onze studie over Da Costa's bekeering weet, ontwaakte de eigenlijke Da Costa, de dichter, eerst in 1820; in 1821 en '22 verschijnen er twee bundels Poëzy, waarin bijna alles voorkomt wat men in de gewone uitgaaf van de Komplete Werken tot het jaar 1823 (let op de jaartallen onder de verzen) vindt. De volgende jaren is hij dan dadelijk minder vruchtbaar. Hij begint zijn strijd tegen het Ongeloof! 't Meeste is krijgsmuziek, Dichterlijk Krijgsmuzijk gelijk
| | | | hij een in 1826 bij elkaar verschenen drietal gedichten heel te recht noemde. Dat drietal is (zie de Kompl. W.) Jericho (een van zijn allermooiste verzen), Israël en Nederland en Vrede- en Krijgszang. Feitelijk (hoewel er niet samen mee uitgegeven) behoort tot dat Krijgsmuzijk ook: Aan Dr. A. Capadose, het gedicht waarmee hij den medestrijder, Israëliet en bekeerde als hij, zijn proza-strijdschrift De Sadduceën (1824) opdroeg, en dat gloed-mooie Aan Bilderdijk, opdrachtvers van het evenzeer polemische Het Karakter van Prins Maurits (1824). Zie zelf nu verder wat er uit deze jaren nog meer is. Veel is 't niet. In 1826 verschijnt nog de Hymne God met Ons met dien beroemden Voorzang, - dien men niet mag nalaten te lezen. In circa twee jaren hoort men dan, wel van Da Còsta, maar bijna nièt van den dichter. Dàn, in 1828 en 1829 geeft hij de Feestliederen die (zie de Kompl. W.) Paasch-, Hemelvaarts- en Pinksterzangen bevatten, en de Kerst- en Nieuwjaarsintreezangen. Maar nu is 't ook uit. In de door Hasebroek bijeenverzamelde Werken vìndt men wel een en ander uit de jaren 1830-1840, maar die toekijkt, merkt op dat het grootendeels gelegenheidspoëzie voor vrienden en verwanten is, niet bestemd voor 't publiek en ook niet gepubliceerd; bijna alles is ‘dichterlijke nalatenschap’ en ‘nalezing’. Vergelijk nu eens met dien ('t is 't goeie woord hier) stroom van gedichten in die paar èèrste jaren van zijn bekeering! Is 't geen treffend verschijnsel, dat die stroom op eenmaal zijn loop zoo vertraagt
en eindelijk in 't zand schijnt te zullen smoren? Dat de dichter tien jaar lang bijna zwijgt? Want dat beetje huis-poëzie kan, voor een hartstocht-man als Da Costa, natuurlijk niet als spreken gelden. De oorzaak is bekend. Na zijn openlijk toetreden tot de Nederduitsch Hervormde Kerk (in 1822) was hij zich heelemaal gaan wijden aan de bevestiging en verdediging en de verbreiding van zijn Geloof. Hij was geheel in Bijbel- en Geschiedstudie en Theologie verzonken. De uitkomsten van zijn onderzoekingen deelde hij in Voorlezingen aan de lieden die hem hooren wilden, mee.
Ondertusschen was hij Geestelijk Krijgsman, in de letterlijke beteekenis van 't woord. Altijd is hij in 't harnas tegen het Ongeloof; altijd wakker en werkzaam. Hij houdt Bijbeloefeningen en slingert felle brochures in tegen het heerschende liberalisme. De felste daarvan was dat beruchte Bezwaren tegen den Geest der Eeuw, van 1823, waarvan de Onderwijzer ook voor 't Examen den titel kennen moet.1)
| | | | Twee andere zijn boven reeds genoemd; dat over Maurits werd gevolgd door De Rechtspleging van Oldenbarneveld. In 1825 en '26 kwamen de Geestelijke Wapenkreet en Aan Nederland. De Voorlezingen gingen over de Remonstrantsche en Contra-Remonstrantsche Twisten, over de
| | | | Handelingen der Apostelen (van 1825-1827 ook uitgegeven, 3 dln.), later (we spreken altijd over den tijd vòòr 1840) vooral over de Vaderlandsche Geschiedenis, over verschillende onderwerpen van Taal en Poëzie, o.a. over Bilderdijks Ondergang der Eerste Wareld en andere van zijn
| | | | dichtwerken, en ook hiervan is een en ander in druk gekomen. Dat Da Costa nu zoo al die jaren in 't proza zat, werd, vooral toen hij in 1830 en vervolgens eerst weer in de gratie en allengs meer en meer in achting en aanzien kwam, door niet weinigen betreurd. Want als een koning onder de Hollandsche dichters stond hij aangeschreven; de herinnering aan zijn machtige poëzie was niet voorbijgegaan; men bleef groote dingen van hem verwachten. Hecker1) zong hem in de Hippokreen-ontzwaveling aldus toe:
| | | |
1
Da Costa! zoon van 't Oost: aan 't middagzongloedblaken
Gelijkt uw zielsdrift, als uw vingers 't speeltuig raken,
Dat op uw adem van verheven werking trilt,
Die, aan uw borst ontglipt, de onkoelbre vuurvlam stilt
5
Van godgewijden lust, die adert door uw leven:
Zing, leer het zwak gemoed voor aard noch hel te beven,
En kneed de harten van een diepverdwaasd geslacht
Tot wasch, om d'indruk van uw reuzenovermacht
Te vatten: zing, en klink uw tooverende cyther
| | | |
10
Van 't foltrend boezemwee van d'eersten bloedvergieter:
En elke zenuw trille op elken galm van 't lied,
Dat harten slingert en terugduwt in hun niet. -
Die bruischend' Oostergloed verspreidde in Westerluchten,
Gy zwijgt? en waar gy zwijgt, moet Neêrlands Muze zuchten!
15
Uw meesters trotsche hoop; Euterpes lieveling,
Verkwijnt de dichtgloed in uw boezem? rijs en zing!
Uw boetbazuin, die trots en zelfzucht zal vernielen,
Daag ten gebede en booze en ongodist zal knielen!
Ruk Neêrland, waar gy draalt, de parelkroon niet af,
20
Die 't eens in Bilderdijks en Vondels lied omgaf.
Uw aâm bezwijkt niet als van H....; u weigert
Geen God zijn geestkracht, als gy Hemelwaart gesteigerd,
Op vleuglen roeiend van den gulden dageraad,
In cytherwalmen aard vergeet en stofgewaad! 1)
| | | |
Een jaar of drie van te voren had de dichter Calisch hem in dat gedicht dat Hasebroek in de Toelichtingen achter de Kompl. W., bladz. 807-810 heeft afgedrukt1), op gelijke wijze vermaand:
1
Waar zijt Gij, die op gouden cithersnaren
't Oorspronklijk schoon der poëzij herschiept,
Het bruisend lied van Salems harpenaren
Met d'oude kracht en gloed te voorschijn riept;
5
Gij, door natuur bestemd tot meer dan zanger,
Tot eindloos meer, tot ziener en profeet;
Wiens borst, van 't vuur der echte dichtkunst zwanger,
8
Den psalm van 't Oost in 't West weergalmen deedt;
| | | |
Geëindigd was hij met:
Grijp aan de harp en laat uw zangen vloeijen
Verhef u in de bovenaardsche sfeer!
Doe hart en ziel in heilige aandrift gloeijen!
Verbaas, sleep weg! en wees DA COSTA weêr!
Wij verwachten dat de lezer dit vers gaat lezen.
Calisch kreeg antwoord in een gedicht (van 1836), dat men eenige bladzijden vòòr Vijf en Twintig Jaren vinden kan. Ook dit zal de lezer eens bezien en met het andere een weinig vergelijken.1) En dan gaan we tot het daaropvòlgende, de Ontboezeming die ik genoemd heb2). Let op het jaartal.
In den Verleden Tijd van den eersten regel merkt men dadelijk den terugslag op Calisch, en in het afwijzende Neen! niet stout en sterk, maar een wormke hoort men aanstonds den weerklank van die ziel die weet dat hij3) niets is, op het verheerlijken als dichter dat men hem deed. Ik bèn geen adelaar:
Zoo wensch noch bied my eer of lof,
My, armen kruiper in het stof.
Hij ìs een dichter geweest en daar is kracht van hem uitgegaan, maar 't was nièt zì n kracht, 't was God, die in hem werkte ‘beide het willen en het werken’. In vers 10-14 is Da Costa's bijzondere opvatting van zijn dichter-zijn en zijn opvatting is hier tegenover die van Calisch gesteld. Daarover straks. Voor in 17 is inplaats van. Zijn lauweren mogen gerust verdorren:
| | | |
Des werelds heerlijkheid verdwijnt,
Waar Isrels Hoop voor 't oog verschijnt:
zoo zegt hij in het vers aan Calisch (coupl. V). Indien dìt slechts altijd van hem gezegd mag kunnen worden: Zijn Poëzie is wel met zijn jeugd voorbijgegaan, maar dat allerhoogste dat ook de kracht en de heerlijkheid van de Poëzie-zelf uitmaakt, de Waarheid is zijn deel geblèven; hij roemt niet maar in die kortstondige lentebloem van jeugd en poëzie, - Christus, de Boom des Levens, is zijn eenige roem geworden.
Dit is de gedachtengang, dien we nu nog eens opmerkzaam moeten nagaan.
Welke vergelijking is er in de drie eerste verzen? Vgl. de vijftien eerste verzen van 't gedicht van Calisch. - Wien in 2 is vierde naamval; bij dichters (met name Da Costa en De Génestet) ook wel bij de prozaschrijvers omtrent het midden der eeuw nog, staat wien menigmaal voor dien, hoewel minder vaak dan in den derden naamval dien in de plaats van wien, dat ook nu nog genoeg voorkomt (in sommige grammatica's zijn wien en dien beide voor den derden naamval opgegeven).1) - Zwerk is vaak het met wolken bedekte uitspansel (het donkere, sombere, onheilspellende, jagende zwerk); maar ook wel het uitspansel op zichzelf, meermalen bij Staring2) en zoo ook hier. Welke zijn de drie woorden die met elkaar (bij het eene woord denkt men onwillekeurig aan het andere) vers 2 en 3 zoo aanschouwlijk maken? Het mooie van deze drie regels zit ook in de allitteratie stout en sterk, welke woorden door hun beginklank elkaar versterken (over allitteratie zie de registers van de vorige jaargangen, vooral van verleden jaar). - Welk woord bevalt u beter voor ‘dichter’, Zanger of Bard (zie Afl. I, bladz. 5)? Waarom? Vervang vleuglen door vleugels en lees: geeft dat een onderscheid voor uw gevoel? Het is edeler, dat vleugelen
| | | | namelijk, doordat het, daar de dagelijksche vorm vleugels is, ongemeener is van klank. Maar heeft de klank hier misschien ook iets bijzònders; vooral in verband met dat breede?
Maakt wormke (4) geheel denzelfden indruk op U als wormpje? Tracht U daar rekenschap van te geven. Let wel op de volledigheid van de karakteriseering in dat drietal woorden: zwak, klein, onrein; en op den climax in 5. Als dit onrein van den worm op den mensch, de menschenziel wordt overgebracht, welke synoniemen zeggen dan 't zelfde? Weeg elk woord nu eens in dat 4-5 en merk dan op wat mooie tegenstelling met 1-3. ‘Mooi?’ zou Da Costa vragen; ‘zeg waar, zeg dat mijn geheele ziel, mijn allerdiepste gevoel daar in is.’ En dan zouden wij zeggen: maar dat dat allerdiepste, de volle waarheid zòò, zoo eenvoudig en volledig hier uitgesproken ìs, dat vìnden wij mooi. Geen adelaar, maar een worm, en een worm in eigen oog. De climax is deze: en indien ik, een mènsch, zich zou kunnen bedriègen, - ook onrein in het oog van Gòd die alles weet: hoe zal ik dan een adelaar zijn?
6-14. lieten = achterlieten. In 7 komt de klemtoon niet op hy maar op wete 't. Voor wie zouden we tegenwoordig lichtelijk die zeggen; het is niet = wie ook (wat soort voornaamwoord is hij hier?). Vers 8 is een merkwaardige, zeldzame plaats. Hier is het zelfde gebruik van staan als in Hagar, 40: Maar Sara mede staat, Op Gods gezetten stond, de moeder van een zaad, een zoon etc. (zie T. en L. II, 298); deze beide plaatsen helderen elkander mooi op. Het is het best weer te geven door: staan voor het oog der menschen, daar staan als, gezien worden als: Maar Sara staat daar, op Gods gezetten stond, als de moeder van het zaad etc.; ook Sara wordt gezien als moeder; en evenzoo: zoo ik ooit als Dichter werd gezien, daar stond. Een meer of min overeenkomstig gebruik van staan heeft men in bekend staan als, schuldig staan als, waarin het nu vrijwel met zijn overeenkomt, maar oorspronkelijk zeker net gevoeld werd als op die plaatsen in Hagar en in Uitboezeming. Da Costa heeft hier een oude zegswìjze weer herschapen. Hoezeer hij het woord niet als equivalent van zijn, maar in eigenlijke beteekenis neemt, blijkt uit vers 9: stond roept het rijmwoord grond en de plaatsbepaling op dezen grond voor den dag. Deze plaatsbepaling zegt hier (behalve dat de voorstelling een andere is) precies hetzelfde als de tijdsbepaling: toen, toen ik dichter was.
Bij de regels 9-10, 11 en 12-14 mogen we wèl eens stilstaan. Ik moet vooraf opmerken, dat ze niet gemàkkelijk te expliceeren zijn en er tusschen menschen die eenig recht van oordeelen in dezen be- | | | | zitten, zich al heel licht eenig verschil van opinie zal voordoen. De juiste explicatie is voor mij deze, die hier volgt.
Ik merk dan eerst op dat Bilderdijks en Da Costa's wereldbeschouwing zich ook baseerde op het feit (ieder kan dat onmiddellijk bij zich zelf waarnemen), dat de mensch als bewust wezen eigenlijk heelemaal gewaarwording, - gevoel is In het gevoel openbaren de dingen zich; in het gevoel openbaart zich ook God; in het gedìcht Gevoel (Kompl. Werken, 184; lees het; het is gewichtig voor de kennis van Da Costa) zegt hij:
Gij zijt de weergalm van Zijn stem
Alle menschen hebben in het gevoel Godsopenbaring. De dichter, de wezenlijke dichter gevoelt fijner en krachtiger, hij is meer dan de gewone mensch een orgaan van het Goddelijke. De dichter is Openbaarder van Hoogere Waarheid, Ziener, Gods-tolk. Hij is het door Gevoel en Verbeelding. In zijn gevoel ontvangt hij den ‘indruk uit den hoogen’ (zie de Gaaf der Poëzy, Kompl. W., 197); zijn Verbeelding verwerkt het ontvangene tot aanschouwing. Goddelijke Waarheid nadert den dichter in zijn groote oogenblikken, komt tot hem, bezielt hem.
Bij dat hooger waarheid in 10 denkt Da Costa bepaaldelijk aan wat hem de Allerhoogste Waarheid, de Volle Waarheid tevens, is: de Waarheid van zijn Geloof.
Nog voor hij die Waarheid zijn eigendom, het eigendom van zijn hart mocht noemen, heeft hij haar reeds in den geest aanschouwd.1) Dit is het dichterlijk aanschouwen. Hiervan spreekt vers 11.
Dichterlijk aanschouwen is dikwijls als een zien uit de verte; niet altijd is wat zich aan den dichter als werkelijkheid en waarheid opdringt ook zijn persoonlijk eigendom. Soms is het een zien voor een oogenblik, en als het oogenblik voorbij is en ook de natrilling heeft opgehouden, dan houdt het licht òp te schijnen en de herinnering en het heimwee slechts blijven over. - Met Da Costa is er iets bijzonders gebeurd:
Tot hem is de Waarheid, de Volle Waarheid eindelijk met zùlk een klaarheid gekomen, - hij heeft haar op zeker oogenblik zòò nabij zich gezien, - met zulk een onweerstàànbre kracht (want er is allerlei in den mensch wat de waarheid weerstaat) heeft Zij zich aan hem opgedrongen, dat het sìnds toen geen buiten zich aanschouwen maar in het
| | | |
hart bezitten is geweest. - Let dus op de tegenstelling tusschen geest (in 11) en hart (in 14).
Welke ìs nu die onvergetelijke stond, dat oogenblik? Het antwoord hangt àf van het antwoord op de vraag: Wat is die vaderlijke mond in 13, wie is de Vader? Het ligt voor de hand dat hier aan Bilderdijk gedacht moet worden (Da Costa nòèmt Bilderdijk ook wel zijn vader); en dan is die stond die ure waarvan in mijn opstel over Da Costa's Bekeering in Afl. 1, pag. 53, alinea 5 gewaagd is; in de Inleiding op deel IV van de bij Messchert uitgegeven Brieven aan Mr. W. Bilderdijk, pag. XIV, zegt de dichter daarvan: ‘Van dat oogenblik af (toen hem door een woord van Bilderdijk duidelijk werd dat God zich zelf heeft willen geven aan den mensch) gingen mij de oogen open’, open voor wat hem de ‘hoogste aller verborgenheden’, de allesomvattende Waarheid wordt.
Bij deze opvatting moeten we aannemen dat Da Costa ook bij vers 11 aan Bilderdijk gedacht heeft: Bilderdijk is daar dan de verkondiger.
Maar is die Vader die tot hem spreekt God, dan is met stonde veeleer dat andere oogenblik in zijn leven bedoeld, dat hij aldus in de genoemde Inleiding (pag. XV) gedenkt: ‘Op èèn oogenblik (het was het tijdstip mijner diepste verwikkeling in den weg, die ten afgrond voert!) ging er een licht op in het diepst mijns bestaans; en ik bevond mij geloovende, dat Jesus de Nazarener de Koning van Israël, de Zaligmaker der Wereld was’, - het oogenblik van het: ‘Ik zag Hem, ik gaf mij!’ (zie mijn opstel, pag. 56, en de noot aldaar).
Ik vind dat ik den lezer niet vermoeien moet met het pro en còntra van deze tweeërlei mogelijkheid. Ik voor mij denk in vers 13 gaarne aan Bilderdijk. Maar ik ben geneigd vers 10-11 algemeener op te vatten, d.w.z. zòò alsof daar niet eigenlijk spraak was van Bilderdijk: Dat d'eigen, dezelfde van 13 verklaar ik mij dan door aan te nemen, dat Da Costa ook bij 10-11 aan Bilderdijk heeft gedacht.
In vers 9 heeft dat galm, geslaakt eenige toelichting noodig. Zoo iets kan een phrase zijn, maar bij Da Costa is het geen phrase. Nu vergelijke de lezer de eerste coupletten van het gedicht De Stem (een van Da Costa's mooiste, - karakteristiekste; Kompl. V., 317). Heb ik er wel veel aan toe te voegen? Er is iets passiefs in 9-10. Als Gods Waarheid, die Gods Geest is, het speeltuig naderen (de snaren van een hart beroeren), dan geeft het geluid. En dit, zegt de dichter, was mijn poëzie: voor mij is daar geen stof tot roemen in; God heeft het gewerkt.
En nu moeten we nog even zien hoe Da Costa zich in deze verzen
| | | | (9-14) tegenòver Calisch stelt. Laat de lezer dieus gedicht even opslaan (pag. 807). Wat was voor Da Costa de Poëzie, de zì ne niet alleen, maar de waarachtige Poëzie-zelf? De Geest der Waarheid die het instrument van 's menschen hart bespeelt We willen het gedicht van Calisch niet nagaan, nog veel minder beoordeelen, maar deze enkele aanhaling kan ook volstaan:
‘Des dichters troon is altijd hoog verheren,
't Zij 't licht der rede en waarheid hem bestraal,
't Zij duisternis en dwaling hem omgeven;
Zijn zetel staat in 't rijk van 't ideaal,’
en wat daar verder volgt, bladz. 809; vgl. vers 13-21, ook regel 5-7 van onderaf aan geteld. Commentaar is, dunkt ons, overbodig.
Waarop ziet vers 16 weer? Zie vers 4. Welk een deemoed in deze regels. Wat is de kracht van in het stof? Naam is hier natuurlijk synoniem van roem (maar let op slechts); een naam heeft hij, die genoemd wordt, zoodat we kunnen omschrijven: indien ik dan hierom slechts genoemd word. Vers 19 moet men bij vers 20 nemen; de zin is: laat zelfs de vonk der poëzie heel en al in mij uitgedoofd, verglommen zijn; hij oppert de onderstelling, dat hij misschien nooit weer zingen zàl.
De zin van 17-20 is kortweg dit: als dìt later maar van mij gezegd zal kunnen worden: etc.
De tegenstelling in 21-22 zal nu duidelijk zijn. Er is niet meer dat spelen op het instrument van zijn dichterhart, maar de waarheidzelve is zijn eigendom gebleven. Hij roemt niet meer in de schoonheid van die weggedorde lentebloem zijner poëzie, - hij roemt van den Eeuwigen Boom des Levens (vgl. Openbaring II, 7, XXII, 2 en Genesis II, 9): Christus!
Ziehier nu een paraphrase:
Gij verheerlijkt mij om de kracht en de verheffing van de poëzie mijner jeugd als of ik een trotsche adelaar was die enkel in hemelruimte verkeerde.... en Gij weet niet dat ik een nietige worm ben. Ik ben niet schoon en sterk; ik heb niets waarop ik zou kunnen roemen en waarom ik geroemd zou mogen worden. Zoo het waar is, dat er kracht van mijn poëzie is uitgegaan, o Gij die het aan U zelf ervaren hebt, weet dat het niet de verdienste van mijn dichtkunst was. Wat was die poëzie anders dan de muziek van die Waarheid Gods, die, nadat ik haar van te voren dichterlijk in den geest aanschouwd had, mij eindelijk, in die onvergetelijke ure, tot een eigendom des harten
| | | | is geworden (of: Wat was mijn poëzie anders dan dat naderen [dat tot mij komen] van die Goddelijke Waarheid, die ik eerst dichterlijk in den geest heb mogen aanschouwen, die later zelf tot mijn hart is gekomen. - In den eersten zin kan men opnemen, tusschen haakjes: door Bilderdijks toedoen; in den tweeden: door een woord uit Bilderdijks mond). Houd op met mij, die niet een adelaar maar een worm ben, met eer en lof te overladen; ik heb er geen lust in, het mishaagt mij. Indien dìt later maar van mij gezegd zal kunnen worden (laat zelfs de Zanglust nooit weer in mij wakker worden!): Zijn Poëzie is met zijn jeugd voorgoed voorbijgegaan, maar de Waarheid-zelve die hem eenmaal dichter maakte, is zijn eigendom gebleven; zijn roem is niet in vergankelijke eer, maar in Christus die hem het Eeuwige Leven openbaarde.
De tijd dat hij weer in Poëzie zou spreken naderde ondertusschen, - maar naderde langzaam, en Calisch noch Hecker hebben er zich op kunnen beroemen dat zij het verhaast hebben. Zie zelf; het blijkt uit de datums in de Kompleete Werken: uit '36 is er nog slechts een kleinigheid; uit '37 niets, zoo goed als niets uit '38 en uit '39 niet veel meer. Maar dan .... Op eenmaal.... het Lied in het jaar 1840: Vijf en Twintig Jaren!
In 1839 was Da Costa tot lid van 't Koninklijk Instituut benoemd (die bekende instelling van Lodewijk Napoleon, de tegenwoordige Koninklijke Academie). Met de voordracht van Vijf en Twintig Jaren hield hij zijn intrede; hij leidde het in met den jubelenden anapesten- Voorzang:
Kan het zijn dat de lier, die sints lang niet meer ruischte,
Die sints lang tot geen harten in dichtmuzijk sprak,
Weêr op eens van verrukking en hemellust bruischte,
En in stroomende galmen het stilzwijgen brak?
En een beter tijd breekt dan weer aan: de tweede periode in Da Costa's Poëzie: de periode van zijn Politieke Poëzie, van Hagar en den Slag bij Nieuwpoort. - Vijf en Twintig Jaren hopen we dit jaar nog in behandeling te nemen.
Z.
v.d.B. |
1)Wij verzoeken den lezer de lectuur van deze noot niet nu, maar afzonderlijk te nemen. Bezwaren tegen den Geest der Eeuw, 1823. Om zich de uitwerking van dit geschrift op de menschen van dien tijd te kunnen voorstellen, dient men te weten hoe die menschen zelf over hun eeuw d.i. toch ook over zich-zelve dachten. Ik ontleen, om dat te karakteriseeren, zoo een en ander aan een vroeger opstel van mij ( Gids voor den Onderwijzer v. 1889, onder Redactie van L. Leopold, Dr. Groneman e.a., een van de beste tijdschriften die we ooit gehad hebben). ‘De tijd van ± 1830 was een mengsel van de XVIII de en XIX de eeuw, en Nederland had meer van de XVIIIde dan van de XIXde. Ieder weet, dat na de inspanning waarmede men Napoleon eindelijk ten onder gebracht had, een algemeene stilstand volgde. - Toen de eerste afgematheid voorbij was, begon men zich op zijn gemak te zetten met het heilig voornemen, zich door niets of niemand uit den huiselijken leuningstoel te laten verdrijven. Den staatkundigen toestand mogen we als bekend onderstellen. Men reageerde tegen de revolutie op elk gebied. Terwijl men de uitkomsten der critiek voor zoo verre aanvaardde als men die beschouwde als de voorwaarden van het Juste-Milieu, waarvan men tevreden droomde, hoedde men zich zorgvuldig voor haar consequenties. Men wilde geenerlei uiterste. In de eenzijdigheid der uitersten echter alleen ligt practische kracht. Maar de kracht juist vreesden deze nakomelingen van
Voltaire en Rousseau. Kracht gaat met hartstocht gepaard en hartstocht is gevaarlijk, hartstocht wekt strijd en van den strijd had men genoeg. Vandaar een heilige afschuw van al wat weigerde aan de algemeene vereffening aller geschillen mee te doen; een heilige verontwaardiging jegens al wat, zich niet thuis gevoelend in dezen neutralen eeuwigen vrede en de individueele idealen van eigen gemoed hooger schattend dan de zachte gewaarwordingen eener conventioneele welwillendheid en het gemakkelijke eener verdraagzaamheid, zonder den gloed van den waarheidszin, - wederom naar verandering haakte.’ - ‘Het was een verbond om alle bergen en heuvelen gelijk te maken en alle struikelblokken uit den weg te ruimen. Niemand mocht zijn voet stooten. Er zou slechts èène meening zijn. Christenplicht en burgerdeugd schreven het aanvaarden van een algemeen stelsel van afslijping voor. Geen punten, hocken en kanten meer. Botsing van beginselen moest zorgvuldig voorkomen worden. Men had zich voor al te sterke wrijving der gedachten te waren. De lezer van mijn artikelen over Van der Palm (in 't zelfde Tijdschrift) herinnert zich zijn weerzin tegen “groote geesten.” Hij verstond er onrustige, onharmonische wezens onder, die de grenzen hunner vermogens overschreden en, door buitensporige begeerten verleid, blind waren voor de eenvoudige waarheid dat God niet begrepen kan worden; wezens, met wèlke gaven ook bedeeld, wier matelooze zelfzucht zich uitte in het gering achten van den eenvoud, in het verwaarloozen van den regel, het omkeeren van gebruik en gewoonte, het vertreden van Goddelijke en menschelijke wetten; geen bòòzen, maar geestelijke kranken toch. Uit de botsing der meeningen was de Waarheid reeds lang voor den dag gekomen. De Waarheid namelijk, die de Voorzienigheid binnen het bereik van den mensch had gesteld: een praktische leer, richtsnoer voor een gelukkig leven. Over haar behoefden redelijke lieden niet meer te
twisten. Al wat daar buiten ging was Donquixoterie. Het kon niet anders of het toenmalig Gezond Verstand gevoelde zich ver boven deze dolende ridders verheven en was onuitsprekelijk ingenomen met zich-zelf.’ - ‘“Diep getroffen”, schreef in 1825 iemand te Amsterdam aan de Redactie van den Kunst- en Letterbode (1825, I, 1), “toen ik onlangs in zeker Letterkundig Geschrift, dat in een Duitsche Academiestad het licht zag, een algemeen overzicht las van den staat der Litteratuur in Europa; waarin men gewaagde van eenen Schlegel, Göthe, de Stollbergen in Duitschland, van Byron, Scott in Engeland, van Delavigne, Lamartine in Frankrijk, terwijl men onze Letterkunde tamelijk bloeiend noemende, haar wel een toeneming in bloei wilde voorspellen op grond, dat de Duitsche origineelen onder ons meer en meer goede overzettingen vonden! diep getroffen, zeg ik, toen ik dit las, stortte ik mijn gevoel uit in de bijgaande dichtregelen, welke UEd. ter liefde des Vaderlands wel een plaatsje zult gelieven in te ruimen in de K. en L., welk weekblad in de meeste Duitsche Academiesteden lezers vindende, misschien nog wel dezen of genen der verstokte Germanen van zijn grove dwaling zou kunnen terugleiden en bekeeren.”’ En op dit ellendig brok proza, waarin de schrijver met zich-zelf den draak schijnt te steken en dat al de blijken draagt van opgeschroefde inbeelding en opgeblazen ijdelheid, volgt dan een lang gedicht, zoo typisch slecht en leugenachtig, dat men de moeite van 't lezen zich misschien wel niet beklagen zal. De drie bladzijden schijnen een parodie op het Kwade in den toenmaligen volksgeest. De toongevende geleerde Letterbode nam het, goedkeurend, op. De Caricatuur spreekt hier duidelijk. Wil men nu den normalen toon dien de zelfbewondering aansloeg, den belangstellende maken we opmerkzaam op de Voorredenen van deel I en II (1825-1826) van Sprenger van Eyks
Fakkel (of Bijdragen tot de Kennis van het Ware, Schoone en Goede, 1825-1839 en 1843, 15 dln.); men zal er uit leeren dat men in al wat voor een natie lofwaardig mag heeten, zich-zelf vooraan zag. Men achtte zich volkomen, in deugd en educatie. En wat voor een boek verschijnt daar nu in deze rustige wereld? Een boek met bezwaren. En wat voor bezwaren? In de voorrede stond: ‘Het boekdeeltje - - is geschreven ter bestrijding van een vooroordeel, by het tegenwoordig geslacht algemeen aangenomen, verdedigd, geliefkoosd, en tot het beginsel van denk- en handelwijze bijna overal en in alles op het krachtdadigst vastgesteld. Het is dat der verregaande meerderheid - - waarop de eeuw, in welke wy leven, zich boven hare voorgangsters met een hoogmoed, zoo belachlijk als voorbeeldeloos, en zoo ongegrond als gevaarlijk, by iedere gelegenheid niet ophoudt te beroemen.’ Een der motto's was: ‘want wy en hebben den strijt - - tegen de Overheden, tegen de Machten, tegen de Geweldthebbers der werelt, der duysternisse deser eeuwe.’ In een elftal hoofdstukjes ( Godsdienst, Zedelijkheid, Verdraagzaamheid en Menschelijkheid, Schoone Kunsten, Wetenschappen, Constitutie, Geboorte, Publieke Opinie, Onderwijs, Vrijheid en Verlichting, Besluit; 98 bladz.) haalde de schrijver de geheele toenmalige moderne beschaving (zedelijk en intellectueel) onder den voet en trachtte de ‘eeuw der Vrijheid en Verlichting’ tot ‘een eeuw van slavernij’, ‘van bijgeloof’, ‘van afgoderij’, ‘van onkunde’ en ‘duisternis’ te stempelen. En hij eindigt met de geestverwanten toe te roepen: ‘bewaart de vestinge: - sterkt de lendenen,
versterkt de kracht seer.’ Een storm brak tegen Da Costa los; een orkaan mag men zeggen. Als men al wat er tegen, voor en over de Bezwaren en al wat er tegen den persòòn van Da Costa werd geschreven (de smaad- en schendbrieven nog daargelaten) bijeen kon krijgen, zou 't een heele verzameling wezen. Alles keerde zich van den schrijver af, ook zijn beste vrienden. Bilderdijk en Willem de Clercq alleen bleven getrouw; de eerste nam het geschrift (dat buiten hem om geschreven was) voor zijn rekening. En nu was de strijd voor goed begonnen. De Sadduceën, van het jaar 1824, verschenen onder het motto: ‘Indien ik nog menschen behaegde, so en ware ik geen dienstknecht Christi’; de opdracht was aan Dr. A. Capadose, in een gedicht dat we al noemden en dat men leze. Maar deze dingen ben ik van zin nog eens uitvoerig te behandelen. Tot 1830 (in dit jaar nog zag men het veranderd) bleef Da Costa van bijna al wat zich fatsoenlijk rekende geschuwd; het was een daad van moed bij hem aan te schellen en als iemand ergens een bezoek bracht en er was mogelijkheid dat men er Da Costa aantrof, dan informeerde men eerst bij de dienstbode; hij werd ook voor een politieken samenzweerder gehouden en de Amsterdamsche burgemeester had, ik geloof in 1824, in last Da Costa's huis te doen bewaken en den koning elke week opgaaf te doen van de personen die zich daar lieten vinden. Bijzonder kenmerkend voor dien tijd is de aankondiging van de Bezwaren in de Konst- en Letterbode (1823, II, 170). Tot gedachtenwisseling of critiek wilde hij zich niet vernederen; hij verwees slechts, alsof het van zelf sprak, naar Jeremia LI, 63, waar men geschreven vindt: ‘En het zal geschieden als gij geëindigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult gij eenen steen daaraan binden en werpen het in het midden van den Frath’ (Eufrat). Niet zoozeer het Ellendeling,
Oproermaker, Brandstichter van andere periodieken, maar dit stille auto-da-fe der laatdunkendheid teekent eerst den toestand en Da Costa's positie. - Een andere bijdrage tot kennis van dezen tijd heeft men in de Inleiding op Starings Aan het Graf van R. Feith.
1)De studeerende lezer moet deze noot uitstellen.
De voor een paar jaar overleden Groninger Professor Hecker heeft een werkzaam aandeel gehad in den letterkundigen strijd omtrent het jaar 1840. Hij had zich gevormd in de School van de Ouden, onder den invloed van Klopstock, Goethe en Voss (zie de Voorrede van Dichterlijke Mengelingen). Hij studeerde te Groningen, was ook een Groninger, en stond dus buiten de centra der letterkundige beweging. Zijn in 1836 verschenen Dichterlijke Mengelingen (waarin ook bijdragen van anderen, studiegenooten; o.a. van Bennink Janssonius uit Hölty vertaalde gedichten en een lied Aan Hölty) bevatte hoofdzakelijk vertalingen uit de klassieken, gedichten in klassieken trant, in klassieke maten, en over 't geheel is er veel Duitsche invloed in. Merkwaardig is de 11 bladzijden lange Voorrede, minder zijn buitensporige drukte daarin over 't uitkomen van zijn bundel, als wel (VI-XI) zijn denkbeelden over rijm en onrijm; hij is er na aan toe om met Chateaubriand voor z'n vertaling van 't Paradise Lost) het rijm als een overblijfsel van barbaarschheid te beschouwen (uitgenomen voor sommige dichtgenres) en het is zijn streven de rijmlooze maten te helpen invoeren. Allerminst kon hij ingenomen zijn met den rijm-rijkdom, dien men, in navolging van het toenmalige Engelsche vers vooral, bij Beets en vele andere jonge auteurs aantrof. Van dat navolgen van de Engelschen wou Hecker niets weten. Hij hààtte dat met een geweldigen haat. Natuurlijk was hij ook geen verklaarde vriend van de ‘Ouwe School’ van Yntema en de Feithiauen en de Almanak-poëten. Hij wil eigenlijk van geen school weten. Met sommigen van de ouderen en de overgangsdichters (Boxman, Staring, Withuys, Bogaers, Van der Hoop, Vinkeles, Spandau; ook Wiselius, Kinker, Van Hall; ook Tollens) had hij veel op. Maar over 't geheel sloeg hij de nieuwe Romantische poëzie in
Nederland niet hoog aan. Bilderdijk was zijn Eenige en Da Costa Bilderdijks eenige waardige zoon. Van den jongen Ten Kate (geb. 1819) had hij goede verwachtingen. De eigenlijke groote tijd was hem de XVII de eeuw. Wat hij over de toestanden dacht ging hij in 1838 in een naamlooze en zeer felle Satire zeggen. In April van dat jaar werd er onder kruisband, uit Amsterdam, aan verscheiden Dichters en Letterkundigen een exemplaar van toegezonden. Ook de naam van drukker en uitgever was verzwegen. Het feit verwekte groote sensatie, en groot was de nieuwsgierigheid naar den naam van den schrijver. Sommigen noemden Dr. Wap (den auteur immers van Nieskruid voor den heer J.L. Nierstrass Jr. Amsterdam 1828); anderen Adriaan van der Hoop; enkelen hielden vol, dat de Ontzwaveling het werk was ‘van een verongelukt genie, die in Leyden eenigen tijd studeerende, de jeneverflesch maar al te dikwerf als hippokreen had aangewend, en bij zijne mede-akademieburgers en de Professoren te vergeefs naar achting en bewondering dong’, en de Aanteekeningen zouden zijn: van ‘een Hoogleeraar aan een meer Noordelijke Hoogeschool die evenzeer een monster van geleerdheid als van kitteloorigheid is’, zooals iemand het uitdrukte (Lulofs?) Nog anderen weer (maar de minsten; 't was ook vrij dwaas) hielden 't oog op Mr. A.W. Engelen, een toen veelszins bekend man die òòk wel eens, in zijn Dichterlijke Brief van 1833, geroskamd had (vgl. ook Hippokreen-ontzwaveling pag. 7, 33 en de Aant. ad. 33; vgl. dààrmee een Aanteekening van Engelen op pag. 20 van zijn Quî fit, Maecenas? Dichterlijke Nanutsvoorlezing, Groningen 1839; ook aldaar een ontboezeming op pag. 6; Engelen werd door den Hippokreen-ontzwavelaar nog terecht gezet in de Nieuwe Hippokreen-ontzwaveling van 1844, op pag. 22 en de Aant. op pag. 61). Ondertusschen
verscheen er een uitgaaf van 't boekje bij J.H. Liedermooij Jr. te Amsterdam (in 't exempl. der Maatsch. v. Letterk. staat het op een boven het jaartal geplakt strookje) en later een tweede editie te Groningen. Daar kreeg men op eenmaal een Ontzwaveling van den Hippokreen-ontzwavelaar (Alkmaar 1839; van Doorninck gist dat de bekende Alkmaarsche Rector A. Hirschig Cz. de schrijver geweest is; vgl. Hippokr.-ontzw. 28 en daarbij de Aant. pag. 44); Adr. van der Hoop werd er als ‘de slechtste van den Hoop’ (pag. 9), als de schuldige in aangewezen. In het Handelsblad van 2 Jan. 1840 verscheen nu een verklaring (‘in een vergeten hoek der advertentien, zonder opschrift en naamteekening’) dat Van der Hoop niet daarvoor gehouden mocht worden. De vechtpartij zou nog niet uit zijn. In 't zelfde jaar '39 zag het licht: Nieskruid den Hippokreen-ontzwavelaar toegediend. Aanmerking op- en Bedenkingen tegen- en Bijvoegselen tot de Satire Hippokreen-Ontzw.; bij wijze van recensie daargesteld. Gevolgd van een paar dichtregelen aan Nicolaas Beets. Door G.T.M. (nl. G.T. Mohrman, een niet vèèl beteekenend dichter uit die dagen). Te Groningen bij J.H.C.D. Ohlen 1839. In de aankondiging van dit onbeteekende geschriftje in het Algemeen Letterlievend Maandschrift van 1840, Boekbeoord. 166 e.v.v. is het dat men de vergeten bijzonderheden vinden kan die we hier meedeelden. Het nieuwe boekje was in proza, 38 bladzijden. ‘Ha, zegt het Maandschrift, dat zullen krachtige kruiden zijn! want om een neus, als die van den Hippokreen-ontzwavelaar aan 't niezen te helpen, is geen gekheid; te meer wanneer zijne hersenen den mout- en brandewijnsprikkel dagelijks zoo heldhaftig weerstaan, als die van zekeren dichtlievenden student, tijdens zijn verblijf te Leijden.’ (Het blijkt dat de schrijver van het
Maandschrift-artikel bepaald aan dat ‘verongelukt genie’ denkt; Bakhuizen?; die was sinds '34 niet meer in Leiden.) De kruiden echter worden niet krachtig genoeg geoordeeld. G.T.M. vestigde (pag. 33) de aandacht op Gouverneur, den bekende, òòk een Groninger, - dat die de schrijver ziju zou. Het Maandschrift zegt: Is dit zoo, dan is G. van den zwartsten ondank te beschuldigen, dat hij mannen lastert wier namen te vinden zijn op zekere inteekenlijst (toen G. namelijk door behoefte gedrongen werd, ten zijnen voordeele een dichtbundel uit te geven). In de Groninger Courant van 3 Jan. 1840 had Gouverneur per advertentie de beschuldiging, door Mohrm. zoo hatelijk geuit, al van zich afgeweerd. In den Recensent der Recensenten, 1840 II, 144-145, schreef hij nu een Brief aan de Redactie van het Letterl. Maandschr., waarin bij zich terecht zeer ontsticht toont en andermaal verklaart geen debet te hebben aan de Hippokreen-ontzwaling. Later is het van algemeene bekendheid geworden, dat die andere Groninger, Willem Hecker (geb. 1817), de man was geweest. En van hem verscheen in 1844: Quos Ego! Hekelrijmen door den auteur der Hippokreen-ontzwaveling (te Groningen, bij P. van Zweeden; 74 bladz.) Dat Quos Ego! (d.i. Ik zal ze....! vgl. Vergilius Aeneïs I, 135) was nog al sprekend, en behalve een paar minder beteekenende kleine stukjes bevatte het boek een Nieuwe Hippokreen-ontzwaveling (bladz. 15-58; Aanteekeningen: 59-74) in den zelfden trant als de eerste. Vooral ook gaat hij er weer te keer tegen de navolging van 't vreemde. Zwaar hebben de Almanak-poeten het te verantwoorden, maar ook de Gids wordt nu à faire genomen en - Potgieter, den ‘Ailor-poëet’ met zijn Liedekens van Bontekoe! Ook het proza moest door de spitsroeden. Da Costa is en blijft hem de
waarachtige dichter en Ten Kate, die het ondertusschen verbruid heeft, wordt krachtig aangepord om de verwachtingen die men van hem koesteren mocht, alsnog te verwezenlijken. Mooi is het slot, pag. 55 en vervolgens: de verheerlijking van 't Zeventiende-eeuwsche. - De tijd om Heckers satire juist en naar loon en naar verdienste te kunnen beoordeelen is nu wel daar. - Te Zwartsluis is in 1839 ook nog een geschriftje Aan den Auteur der Hippokreen-ontzwaveling verschenen. En te Aruhem in 1844 een: Den auteur der Hippokreen-ontzwaveling en van Quos Ego! toegezongen, anoniem, een negental ook al nietsbeteekenende coupletten.
1)Hippokreen-ontzwaveling, pag. 31-32; vgl. 36. In de Nieuwe Hippokreen-ontzwaveling zie men pag. 17; 24:
(ik) staar op hooger licht en 't ging mijn oogen op,
Mijn zielzucht is voldaan; mijn blijdschap is ten top.
Da Costa, dat's genoeg, Da Costa heeft gezongen,
En ons, die laug vergeefs aan 's dichters lippen hongen,
En smachtten naar den daauw, die aan zijn tong ontvloeit,
Doordrongen, weggesleept, verbaasd, verrukt, doorgloeid;
God-zelf bezielde op nieuw zijn sluimerende snaren,
En leeft in 't grootsch tafreel der ‘Vijf en twintig jaren!’
Waard gekend te worden is ook, in den bundel Quos Ego! zijn hymne Hulde aan Da Costa.
Het fragment in den tekst heeft misschien eenige verklaring noodig. Die (4) heeft tot antecendent misschien adem, maar 't kan ook werking zijn: Het speeltuig trilt van verheven werking, maar dit is immers de werking van zijn gemoed, innerlijke beweging, die op het speeltuig overgaat; dat die werking een uitweg naar buiten vindt, geeft eenige kalmte; de gloed verteert hem nu niet; aderen is stroomen, van het bloed gezegd dat door de aderen stroomt; leven is hier dus zoo concreet mogelijk: het levende lichaam + ziel. Vgl. uit Da Costa's Inleiding op de Hymne Voorzienigheid: Mijn hart springt op, en wil zijn boei ontglippen, En golven met uw hymnen hemelwaart. De kou der koorts bevangt mijn bleeke lippen, Rondom mijn hart is 't brandend bloed vergaârd. Mijn Vaderen! geeft me adem, krachten, woorden! En storte ik uit het geen mijn borst doet gloên! en ook 't vervolg ( Kompl. W. 272). 10 slaat op D.C.'s gedicht Cain ( Kompl. W. 250) en op het door hem overgezette fragment uit Byrons Cain. - 13-14: Gij die bruischend' etc., - Gì zwijgt? - 15: Uw meesters (Bilderdijk) trotsche hoop en Euterpes (Muze van 't Lyrisch gezang) lieveling zijn aanspraak. - 18: Laat uw boetbazuin etc. - 19-20: Zorg dat gij, terwijl gij draalt (= door, met uw dralen) Nederland de parelkroon (d.i. haar schoonste) niet afrukt, dien het in Bilderdijks en Vondels poëzie gehad heeft.
1)In de Voorrede van zijn Gedichten, 1839 (opgedragen aan Helv. van den Bergh) waarschuwt Calisch voor mogelijke verkeerde opvatting van het vers. - 't Was niet bestemd geweest om onder Da Costa's oogen te komen. Toch was dit (in een afschrift) geschied door toedoen van een derde, hem onbekende, hand. D.C. had hem toen een exemplaar van zijn God met Ons met zijn antwoord (in handschrift ook natuurlijk), het vers Aan den dichter Calisch, doen toekomen. Hij verdedigt zich nu (XIII-XIV) ten opzichte van sommige uitdrukkingen in zijn vers, door D.C. in het zijne niet geheel juist opgevat.
2)3: Salems harpenaren = Jeruzalems psalmdichters; Salem is een oudere naam voor Jeruzalem; de harp is ook een Israëlietisch muziekinstrument geweest: David speelde immers voor Saul op de harp om zijn gemoed tot rust te brengen; David wordt als dichter van vele psalmen voorgesteld en daarom spreekt men van de ‘Koninklijke Harpenaar’, de ‘Psalmen Davids’, ‘Davids Harpzangen’ en vindt men zijn bceld op vele orgels; op andere orgels weer enkel de harp (de echte Davidsharp is een driehoek met de langste zijde ietwat gebogen. - 8: Vgl. Da Costa, Inleiding, vers 52, op de Hymne Voorzienigheid ( Kompl. Werken, 272).
1)Voor Goël in coupl. I. vgl. o.a. den Voorzang van de Hymne God met Ons, vers 57 ( Kompl. W. 363), Aan de Poëzy, coupl. VI, 58; 't is een Hebreeuwsch woord dat bij dezen dichter (ook bij Vondel) nog al eens voorkomt; voor de eigenlijke beteekenis zie men, voor in het Oude Testament, Leviticus XXV, 25 en vervolgens; geestelijk wordt het dan voor Verlosser (b.v. Job XIX, 25: vgl. D.C. Kompl. Werken, 496!) gebruikt. Christus heeft de Zijnen gekocht, losgekocht; Hij zelf was de losprijs. - Groote moeilijkheden zijn er verder uiet in. Houdt in 't oog dat Calisch Israeliet was net als hij.
2)Ook op examens schijnt dit wel opgegeven; zie althans Schutte II, bladz. 18.
3)Denkt u Lezer dat hier hoewel ziel vrouwelijk is, toch hij kan en màg staan?
1)Zinnen als vers 2-3 worden verschillend ontleed (zie hiervoor de registers der vorige jaargangen en van Wijnens zeer aanbevelenswaardige Taalcursus II). De eene taalkundige ontleedt: eigen kracht - onderwerp, deed - gezegde, hem ( wien) - lijdend voorwerp, uitschieten - bepal. v. gesteldheid. De andere: deed uitschieten - gezegde, hem - lijdend voorwerp (vgl. een boom vellen met: een boom doen vallen). Weer een ander: deed - gezegde, hem uitschieten - lijdend voorwerp, met de opmerking, dat hem logisch onderwerp van uitschieten is. Een vierde zegt: Zinnen als deze behooren ter ontleding aldus te worden getransformeerd: zij deed (= maakte), dat hij uitschoot.
2)In het woordregister op mijn Staring-bloemlezinkje ( Zwolsche Herdrukken VII) vindt men vijftien plaatsen - waar zwerk, in de Volksuitgaaf, voorkomt, aangehaald; die lust heeft, kan de beteekenis dus
nagaan.
1)Vgl. Aan den Dichter Calisch, couplet II, vers 5-6.
|
|