Taal en Letteren. Jaargang 8


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 8. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1898


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 257]

Vondel-studieën.
I.
Vondels verchristeliking van de heidense didaktiek.

Nu en dan worden als door 'n gril van 't Noodlot geesten opgeroepen, die zich tot taak stellen, om, tegen de heersende beschaving in, hun werkzaam leven zo goed als vruchteloos te verspillen met een machteloos worstelen tegen de stroming der eeuw.

Zulk een geest is Vondel. Levende in 'n tijd van overgang, in een periode van chaotiese beschaving, die, zonder zich zelf te zijn, zich vergenoegde met te teren op de overblijfselen van 'n krachtig vroeg-Christelike en sterk-formalistiese heidense Oudheid, - zoekt hij in gans die bonte en verscheidene overgeleverde massa één en dezelfde vormen-scheppende Inhoud te herkennen; tracht hij in 't Zijn der dingen, zelfs in de naam soms, ja, in dat waarin wìj niets dan 't blote toeval zien, hun Historie en hun Toekomst, hun Wording en hun Bestemming op te sporen en te verkondigen. En dat Oorspronkelike en Eeuwige in de Alwereld is God, in de Schepping uitgesproken, door 't Bijbelwoord bevestigd, in Christus in Z'n ganse volheid geopenbaard.

Vondel was mystiek van aanleg. Hij had de oud-Christelike literatuur gelezen en bewonderd. Toen meende hij in z'n jeugdig Protestantisme 'n afdwaling van de Oude leer te zien, in 'n Protestantisme, dat noch te symbolies van inhoud was, om van de Moederkerk te zeer vervreemd te zijn. En buiten hem, - daar heerste door de starre onbeslistheid van de reusachtige Godsdienst-worsteling in 't Westen, - het scepticisme, moe, afgemat, deels z'n kracht terugvindend in heidens stoïcisme, deels verlangend zoekend naar 'n troostrijker steunpunt voor 't gemoed.

Die òpwandeling van Vondel uit z'n ‘dwaling’ tot z'n ‘Waarheid’ na te gaan, is 'n moeielik werk. We kennen van Vondel niet de geschiedenis van z'n gedachte. We hebben z'n werken, en van de meeste ook de nauwkeurige datum van hun verschijning, maar de nauwkeurige datering van z'n gedichten uit z'n overgangsperiode tot het Oude geloof, hebben we bijlange niet.

[p. 258]

En dan noch: de geestes produkten geven volstrekt de man zelf niet, en in geen geval de worsteling in de geest. Van ‘nieuwlichters’ toch ontstaat het woord, als 't nieuwe geboren is, en uitgesproken moet worden. Bij zulken is het gedicht vaak alleen maar 'n juichtoon. Daarom, blijft er zo veel bij berekening te gissen. Wat wij hier dan ook alleen willen aantonen, is dit. Bij Vondel is de natuurwetenschap, vooreerst al door haar massale uitgebreidheid, niet meer geschikt om te worden gereprestineerd tot wat ze oorspronkelik in de vroegste M.E. was; de typiese aanduiding van Kerkelike hoofdleerstellingen in meestal levende natuurvoortbrengselen. Maar terwijl - onder het trouw bewaren wat er aan kerkelike symboliek is overgebleven, - de natuurbeschouwing, evenals ze in de latere M.E. was, in alle opzichten de algemeen-Christelike blijft, wordt de fabel, het oorspronkelik heidens genre, eerst als met schroom onder het volk gebracht, door de voorgoed Katholieke Vondel bij 't einde van z'n leven gerechtvaardigd als een door God in oude tijden voorgeschreven, toen en later wel slecht begrepen, maar toch onvervalst Heilige leerwijze tot verkondiging van Z'n geopenbaard Geloof.

Laten we beginnen met te nemen de ‘Vorstelycke Warande der Dieren’, een fabel-verzameling met moralieserende bijschriften; Emblemata dus. Zoals we weten, is 't om de lering te doen. Samen vormen ze dan ook de volgende levenswijsheid:

‘Ongelukkig 'n volk dat door 'n tyran wordt geregeerd! Het leven van z'n onderdanen offert hij op aan z'n heerszucht (51),1) de minste klacht wordt vergolden met 'n driedubbele druk (1), zodat de onschuldige, om z'n toorn te ontzien, gedreven wordt tot logentaal en ijdele beloften (82), en zich bedachtzaam van 't bedriegelik Hof verwijderd houdt (2). Maar als de Geweldenaar valt, - dikwels sleept de ondergang van z'n slachtoffer de zijne mee (112), - dan vloekt en trapt hem 't zelfde volk, dat hij te lang misbruikte (118). Niet genoeg wordt bedacht, dat 'n volk liever met zachtheid geleid, dan met geweld gedwongen wil zijn (11).’

‘Een goed vorst daarentegen ziet in, dat z'n eigen heil bestaat in 't heil van z'n onderzaten (3). Hij houdt zowel de kleinen als de groten in waarde (10, 37), wetende dat ook wat nietig schijnt, bij tegenstand kracht kan oefenen en leed kan doen (25, 79). Hij zorgt voor z'n volk als 'n ouder voor z'n kroost (64). En 't volk zelf, al valt de Koning wat streng, zal niet te roekeloos zich verzetten of wel Hem verdrijven, omdat een die de eerste vervangt, licht erger dan deze kan zijn (45).’

‘Evenwel, men bouwe niet te veel op de beloften der Vorsten (86); noch

[p. 259]

veel heerst het recht van de sterkste (109), die de wet verkracht (99), en voor wie hij verderven wil, wel 't schuldbewijs weet te vinden (27, 84). Leert dit ons niet voorzichtig te zijn in onze omgang met hen die meer zijn dan wij (73)? Niet allen zijn te betrouwen; de verleiding lokt (46, 55, 106); zo licht wordt men in slaap gewiegd (9, 60), geeft z'n wapens af (47), en moet, zo men niet bijtijds 't gevaar ziet (87), radeloos z'n hulp zoeken bij die zelf weerloos zijn (49), en vervalt op die wijze van kwaad tot erger (35). Wie dan noch maar wijs is, en van twee kwaden 't beste kiest (24)! Zo leert men bij 't duchten van morgen, de druk van 't heden prijzen (101)!’1)

‘Dit kweekt tevredenheid met de aan ons bedeelde gaven (8), met onze staat (26), onze dienstbaarheid (88), in 't algemeen met wat ons beschoren is (98, 105, 121). Wie z'n meerderen benijdt (52), weelde en wellust wil (40), of roem (43), en naar verandering haakt (68), vergeet in z'n soberheid (70, 100), dat het de hoogsten zijn, die 't eerst door de stormen van 't leven worden getroffen (14), zoals de machtige op zijn beurt vergeet, dat 't Noodlot wispelturig kan zijn (115). Maar altijd werden zij, die zich boven hun krachten verhieven, voor hun waan gestraft (20, 21, 42, 114), zoals ook zij die 't bovenmatige begeerden, de straf voor hun lusten moesten dragen (66, 76, 107, 108, 117). Vlied dan de hoogmoed (33, 48, 63, 69), de betweters (34) en de snoevers (110, 111); vertrouw hen niet, die u vleien (31, 62), omdat zij, evenals de tafelschuimers (41, 53), uw verderf en eigen voordeel bejagen;2) maar zoek de braven (59), leef matig (102), en geef van uw overvloed aan hen die 't nodigste ontberen (29). Gierigheid toch is 'n groot kwaad (80, 116). - Bewaak het goed van hem, wiens brood ge eet (28); toon ook uw trouw in de vriendschap bij 't stijgen van de nood (103), wacht u altijd voor ontrouw (44, 65), en voor ondank (61, 72),3) maar help uw vijand, zij 't ook met omzichtigheid (83),4) omdat de oude natuur zich nooit verloochent (89). En waar ge, ongelukkig in uw lot, in uw druk getroost wordt door 't niet alléén te zijn (92), zo zult ge toch geen vreugde scheppen in 't leed van anderen (54). Evenmin zult ge uw voordeel zoeken waar twee onenig zijn (32), maar liever 't kwaad gezelschap vluchten (93), nooit aangedaan onrecht met wraak vergelden (58, 77, 96), omdat het bedreven kwaad (6, 7, 36, 38) en 't bedrog (15, 59) altijd zich zelve straffen.5) Werk met vlijt (57) en zorg voor de volgende dag (12, 90). Heb uw kinderen verstandig lief (5, 124), verdraag u met anderen (99); bedenk, dat ieder z'n neiging

[p. 260]

en zwak heeft (119); ook wat u eerst bevreesd maakte, wordt bij 'n nadere omgang u gemeenzaam (75). Of ge daarom op beloften zult bouwen, die de doodsnood uw vijand ontperst heeft (120)? Evenmin als gij dank zult vragen, waar ùw weldaad door dwang werd verleend (19)! Ook zult ge niet spotten, want spotters krijgen hun loon (30); noch zult ge uzelve roemen (17); hoed u voor de schijn (18); niet in de uitwendigheid (81) ligt de waarde, maar in het nut der dingen (113), zoals de ware roem niet in de grootspraak ligt, maar in de daad (97).1) Zo ge soms list te baat neemt, om de kracht te overmogen (4, 85), zo mag ze noch niet in dienst staan van 't verraad (91). Geef God de hoogste eer (125), maar met een oprecht gemoed (95);2) beschouw de dood als 'n weldaad (122) en de faam van uw wijsheid als de roem van uw onsterfelikheid (123).’ -

Wanneer we in deze Emblemata, - eigelik niets anders dan dierefabels zoals de Mnd. Esopet. verzameling er ons aanbiedt,3) - de handelingen der verschillende dieren nagaan, zien we, dat ze niet altijd met die eigenschappen zijn toegerust, waardoor zij zich kenmerkend van andere dieren onderscheiden. Wel is de aap, die z'n jongen vertroetelt, en ‘ongegeneerd’ in z'n doen en laten is, het voorbeeld van overdreven moederliefde (5) of van schaamteloosheid (89); de wolf overal wreed en bedriegelik; de vos slim en sluw. Maar hoeveel maal is dit niet het geval? Aan de ram (63) en de ekster (48) hoogmoed toe te schrijven, zou men met 'n beetje goeie wil noch kunnen verklaren, maar hoe ter wereld komt de slak (69) aan z'n bedrog, en de os (40) aan z'n tevredenheid! Om niet te spreken van het onstandvastige in 't karakter van 'n bepaald dier. Ik laat dáár het geval met de leeuw b.v., die wel nu eens tyranniek (2), dan weer edelmoedig (18) of rechtvaardig (37) is, maar daarin als koning der dieren toch noch z'n koninklike eigenschappen bewaart. Maar dan 't paard, dat vandaag 't beeld van de verdrukking (1) is, morgen dat van de spotter (30), of van de ontevredene (86). De hond, die nu trouw (28) is, zo meteen gierig (29), dan aan 't klaplopen gaat (58), en ten slotte de voorzichtigheid (87) zelf is. Genoeg, om te laten zien, dat men niet nodig vond, om 'n dier, - behoudens enige sterksprekende gevallen, - in 'n scherp belijnd karakter te laten optreden. De hoofdzaak was de les; waren er voor 't veraanschouweliken van de les een of meer levende wezens nodig, dan nàm men ze, soms met 'n duidelike voorkeur,4) soms zo goed als op de tast, liet ze doen als dieren, en denken en praten als mensen. Veranderde de te prediken les, dan veranderden ook de omstandigheden, waar-

[p. 261]

onder de les kon worden veraanschouwelikt, en bij die wijzigingen kregen de dieren allicht 'n rol buiten hun meest sprekende karaktertrek om. Zo kon 't komen, dat 'n slang en 'n egel zowel gastvrij als ondankbaar worden geschetst. Bij de mensen had men er toch ook gastvrije en ondankbare onder? - Kortom, het dier illustreerde, niets meer. Was 't nodig het te nemen als 'n toelichtend voorbeeld voor 'n algemeen geldig geacht zedelik princiepe, men nam het, 't zij vogel of viervoeter. De preek was 't hoofddoel; de vorm van 't bijschrift wijst 't uit. Een waarschuwing, dacht men, na al 't gepasseerde, kwam nooit ongelegen; en 'n berijmde spreuk op de koop toe kon er noch eens ten overvloede aan herinneren, waarom het in 't verhaal eigelik te doen was. Zo was 't in de Oudheid geweest, en zo hadden de M.E. de antieke fabelstof aan de Nieuwe tijd in de literatuur overgeleverd. Doch in de 16e eeuw, met z'n opkomend Protestantisme en z'n verdiept gemoedsleven, kon de moralieserende didaktiek zich ten opzichte van deze antieke fabel niet langer verloochenen. In de ‘Warande’ wordt de lering van 't verhaal aangedikt met het aanhalen van toepasselike feiten uit de wereldgeschiedenis. In de ‘Gulden Winckel,’ eveneens bestaande uit meestal heidense en aan de M.E. overgeleverde fabelstoffen, worden de emblemata met bijbelse en berijmde uitspraken, en de nodige tekstverwijzingen voor het konsensieuze godsdienstige Nederland naar behoren gekerstend. 't Viel in de smaak van 't publiek; de vele herdrukken mogen het staven. -

 

Alvorens deze emblemata en hun verchristeliking bij Vondel te bespreken, willen we er de aandacht op vestigen, dat het dier ook noch op 'n andere wijze, dan in de fabel, in de dienst van de zedeleer heeft gestaan, eveneens tijdens en vóór Vondel, maar nu voortgekomen uit en gedragen door het Christendom. Elke godsdienst verkondigt z'n zedeleer; hoeveel te meer dan niet de Christelike, die, in tegenstelling met het Heidendom, dat de mens z'n iedeaal wil laten bereiken met te bouwen op eigen kracht, - in de mens het diepgevallen schepsel ziet, dat zich met de hulp en de steun van buiten op moet richten. Vandaar, dat het Christendom in z'n leer en in z'n literatuur zo overvloedig het woord van troost en bemoediging laat horen, en zo gaarne aan de mens 'n gedragslijn voorschrijft, hoe hij zich tegenover God en z'n naaste heeft te gedragen, om zich in de Hemel bemind, en bij z'n medemensen geacht te maken. Maar vooral werd hem steeds de grootheid van z'n Schepper, tegenover z'n eigen nietigheid, voorgehouden. Die grootheid blonk vooral uit in Gods werken, uit 'n Schepping, die als volmaakt en voortreffelik geordend, geheel de ondoorgrondelike wijsheid van z'n Maker leerde kennen. Maar wat meer was, Gods wereld openbaarde op milde wijze

[p. 262]

telkens nieuwe, verborgen wonderen aan wie de natuur geduldig doorvorste. Niet alleen zou de zoekende vinden, dat God in de dieren en planten heilzame eigenschappen gelegd had, en zelfs vele stenen geheime krachten omsloten, die de mens konden baten en schaden, - maar dat ook de gewoonten waarmee de dieren waren behept, en de levenswijze, waarmee ze waren bedeeld, voor de nadenkende waarnemer een lering, 't zij 'n aansporing of 'n waarschuwing, inhielden. In zoverre had dus de mens in de Schepping 'n leerschool te zien; en wie in die school ernstig ter lering ging, zou bewondering krijgen voor Gods wijsheid, steun voor z'n eerbiedig geloof, 'n diep besef van de waarde der weldaad, hem in de Schepping gegeven, en 'n levendige dankbaarheid voor Gods overvloedige gift. Niet alleen de natuurvoorwerpen zelf in hun bestemming en gebruik, maar ook 't natuuronderzoek was 'n verheuging des harten, en maakte als in 'n voortdurende openbaring van Gods Wijsheid en Liefde, de band tussen God en de mens met den dag inniger. Alleen de botte onverschilligheid, dacht men, zou verkiezen onwetend te blijven, en 't zou alleen de blinde onwetendheid zijn, die God zou kunnen loochenen. Wie omzichtig was in z'n oordeel, ontkende niets, maar keek goed uit, en zo hij scherp was van oog, zag hij alles, en in dat Alles z'n God.

Deze beschouwing, die noch geldende is, waar de wetenschap geleraard wordt tot verheffing van de Schepper in het Geschapene, is 'n algemeen-Christelike. Het is dezelfde, zoals we ze aantreffen in de schoolboekjes uit onze kinderjaren, in lesjes, waarin ons de bij vlijt, de mier onderling hulpbetoon, de vlieg door het schuieren van haar vlerkjes, zindelikheid, de kapel, door 't vergrootglas bekeken, ons de schoonheid ook van 't nietîgste schepsel moest leren kennen, terwijl we bovendien, door 't voedsel en de kleding, die 't Opperwezen ons in de dieren gegeven had, Hem tot dagelikse dank waren verplicht. En noch eens: dit wijzen op de grootheid en liefde van God, wat waarde moest hebben voor iedereen, die boven het geschapene 'n Alvader erkende, bedoelde iets algemeens, raakte geen biezondere leerstukken van kerkgenootschappen en had allerminst de verdediging van een of ander dogma op 't oog. En deze godsdienstige beschouwing kon stand houden naast en parallel met de voortschrijdende wetenschap. God bleef wijs en goed; en de reusachtige vermeerdering der natuurkennis bij de zuiverst metodiese en meest onbevooroordeelde waarneming kon bij innerlik-vrome harten alleen maar strekken om de onmetelike Grootheid en de onpeilbare Wijsheid van 't Opperwezen des te overstelpender te doen uitkomen.

 

Behalve op deze algemeen-Christelijke natuurbeschouwing, willen we onze aandacht vestigen op 'n andere zienswijze, als zou men in de dieren 'n veel

[p. 263]

diepere betekenis hebben te zoeken, dan enkel die van voorbeeld om ons te wijzen op onze plichten tegenover God en onze naaste. Volgens deze mening, zou men in verscheidene natuurvoortbrengselen, vooral dieren, afschaduwingen hebben te zien van de grootste Waarheden der Christelike leer. Dit gevoelen had zich gezet in de eerste tijden van 't Christendom, toen uit wat was en geweest was, Natuur en Historie, het bewijsmaterieaal werd geput, dat maar enigsins kon dienen, de geloofshoofdpunten van de nieuwe leer tegen de wetenschap en de wijsbegeerte van de Joden en Heidenen te verdedigen. De feniks, een fabelachtige vogel, die men zich echter in Arabië dacht, en die naar 't verhaal zegt, zich als hij oud werd, in 't vuur verjongde, voorspelde en herinnerde aan de gekruisigde en toch herboren Christus; dit deed ook de peliekaan, die z'n jongen met z'n bloed heette te voeden, zoals Christus z'n bloed had gegeven om er de mensheid door te redden; verder de oliefant, naar aanleiding van een in de oudheid heersende mening, als zou hij in de woestijn kunnen gevangen worden door twee kuise maagden, waavan de eene, voorstellende de Joodse Wet, hem doorboort, en de andere, die dan de Kerk betekende, z'n bloed moet opvangen;1) andere dieren verbeeldden de Kerk; weer andere de Satan, zoals de slang, de draak en de patrijs; ten slotte waren er dieren, welke de mens tiepeerden in betrekking tot Christus, of tot de duivel, zoals de antholops, 'n fabelachtig wezen, dat in z'n twee horens het Oude en Nieuwe Testament vertoonde, welke ons, stervelingen, helpen om de Boze van ons af te houden.2) Of men bij deze soort natuurbeschouwing al of niet wetenschappelik te werk ging, werd niet eens gevraagd; men zocht alleen naar iets wat voor het leerstellige betekenis kon hebben; om 'n mogelike krietiek van 'n empiriese eeuw, konden zij, die van geen ervaringsleer afwisten, zich niet bekommeren. Wat niet kon dienen, liet men veronachtzaamd liggen; wat wèl te gebruiken was, 't zij het in werkelikheid, of slechts in de verbeelding bestond, lijfde men als voorbeeld, zinnebeeld of allegorie bij de wetenschap en zodoende bij de Kerkleer in. Wat het Christendom hierin steun gaf, was, dat ook het Heidendom even onkrieties en onwetenschappelik met de natuurbeschrijving was te werk gegaan. De jonge godsdienst nam uit zelfverdediging de ganse massa over, smeedde ze om als Christelik symbool en wierp aldus de ongelovige Oude Wereld, de Natuur als de Goddelike eerste Openbaring van de Scheppingsdag, voor de voeten. En ook nadat 't Christendom had gezegevierd, bleef het verkerstenen van de ganse Schepping een geliefkoosd werk voor de latere mystici. Het assimileer-proces heeft zeker meer dan 1000 jaar onaf-

[p. 264]

gebroken voortgeduurd, en op 't einde der M.E. was er in 't wijde luchtruim en in de diepste zeeën geen verschijnsel, geen ster, geen viervoeter, geen vogel' geen plant en geen steen, die geen bijbelse en theologiese herinneringen wekten, geen stof aanboden voor moralisasieën, geen gelegenheid openden tot mystieke vergelijkingen en tot openbaring van Goddelike verborgenheden.

We kunnen bij de geschiedenis van de ‘Physiologi’, zoals de boeken der Natuur in de M.E. genoemd worden, alsmede bij de invloed van de Kerkvaders en de Theologen op deze literatuur, hier niet langer uitweiden. Alleen mogen we de gewichtige kentering ten goede, en ten gunste van 'n meer wetenschappelike natuurbeoefening, niet ongemerkt voorbijgaan. De Kruistochten n.l. hadden dezelfde gevolgen gehad als de vóórchristelike Alexandertochten: een sterke opwekking van de fantasie der volkeren. De verbeelding der westersen werd ontvankelik voor de zeldzaamste feiten en de wonderlikste verhalen. De Hohenstaufen, de M.E.-se Ptolomaeën, lieten de echte en de onechte geschriften uit de Oudheid, uit 't Grieks en Arabies vertolken; de teruggekeerde kruisvaarders vertelden wat ze gezien, gehoord en gelezen hadden; de oudste geschiedenissen, en de oudste sagen van de oosterse wonderen kregen weer nieuw leven, en de sprookjes-literatuur, die we aan de Alexander-tochten zagen vastgeknoopt, deed zoals vroeger door 't O., nu de ronde door 't Westen. Van die zucht tot verhalen ondervond de litteratuur al spoedig de invloed. Men weet, dat de 13de eeuw de tijd is der reusachtige encyklopedieën, zogenaamde ‘Summa’, waarin al de universele kennis werd bijeenverzameld. In zo'n Compendium werd ook aan de natuurlike historie 'n groot aandeel gegund. Nu was Albertus Magnus de eerste, die, niet langer tevreden met de Etymologieën van Isidorus van Sevilla en dergelike schetsmatige werken, besloot, om het verstrooide en ongeordende in deze stof, tot een omvangrijk, volledig en pragmaties geheel te verwerken. Deze kundige schrijver stond, ofschoon hij 'n kind van z'n godvrezende en bijgelovige eeuw was, en zonder strenge methode en wetenschappelike krietiek te werk moest gaan, toch in zoverre boven z'n tijdgenoten, dat hij met z'n gezond verstand de buitensporigste dingen op zijde zette, en ze desnoods bestreed. Niet veel later schreef de Dominikaner Thomas von Cantimpré z'n boek De naturis rerum, dat onze Maerlant, onder de tietel van Naturen Bloeme in 't M.Ned. bewerkte. Daarop volgden in Frankrijk het minder krietiese Speculum Naturale van Vincent de Beauvais, welk boek een onderdeel is van z'n Speculum Universale. Ten slotte vermelden we 't Engelse werk van Glanvil, De proprietatibus rerum, dat veel vertaald werd, en zelfs noch in 't begin van de 17e eeuw te Frankfort gedrukt werd. Deze vier werken nu, hebben behalve de oud-griekse Physiologus, alles opgenomen, wat de inhoud der

[p. 265]

latijnse Bestiarieën, Aviarieën, Lapidarieën, Herbarieën en andere dergelike boeken tot aan de 12e eeuw toe, uitmaakt. In die werken, en hun navolgelingen (ook Maerlants werk is zéér tiepies Middeleeuws) blijft echter noch altijd het hoofd-thema, Gods almacht en wijsheid uit het Boek der Natuur te openbaren; maar wat ze kenmerkend van de oudere Physiologi onderscheidt, is, dat de korte typenverzamelingen, door de opneming van uitvoerige biezonderheden, uitgedijd zijn tot populairwetenschappelike beschrijvingen. Aan de ene kant toch hadden de schrijvers te veel belangstelling voor de verhalen en legenden van 't Oosten, om ze in 'n werk, dat noch wel op de naam van volledig aanspraak wilde maken, maar voor 't minst te verzwijgen; daargelaten noch, dat enkele mystieke geesten in de profane stof 'n geheimnis konden vermoeden, waarvan de ontraadseling, zo niet voor hen, dan toch bij Gods wil voor latere geslachten kon zijn weggelegd. Aan de andere kant behoefde de kerk, doordat ze niet meer, zoals in haar wordingstijd, apologeties had op te treden, in de gewijzigde literatuur geen nadeel te zien; het dogma school veilig onder de hoede van de Kerkelike theologie, en de rust en zekerheid in de Kerk zelf, konden aan de wetenschappen de vrijheid gunnen, wat verder dan gewoon, van huis te gaan en het ruime veld met 'n meer wereldse blik te bekijken. Wat werd nu het gevolg? Toen door de kruistochten de kring van de kennis bij hen, die veel van de zaken in 't O. wisten te verhalen en te schrijven, aanzienlik verruimd bleek, kwam ook bij de volken van 't W. de drang, om van de nieuwe wereld nader te horen en te weten. In 't kort, de volksliteraturen ontstonden, natuurlik met dezelfde stof als in de grotere en kleinere encykolopedieën, hun epitomen en ‘extracten’; en in deze volksliteraturen nemen ook de Dieren-, Planten- en Gesteenten boeken (Bestiarieën, etc.) 'n aanzienlik deel in. Onnoemelik groot moet het aantal van dergelike werken zijn, die onuitgegeven in de bibliotheken van Europa berusten, en waarvan, ook met het oog op de persoonlike opvattingen der verschillende schrijvers, een hele geschiedenis zou zijn samen te stellen. Voor de karakteristiek van dergelijke werken geeft evenwel ons middel-Ned. werk Naturen Bloeme van Maerlant, een volledige en voldoend kenmerkende gids.

Evenwel, al liet het Christendom, omdat het apologeties motief ontbrak, het na, de gehele Natuur in dergelike werken opzettelik te allegoriseren en alle verhalen in haar stelsel te assimileren, daarom bleven er de natuurbeschrijvers niet te minder Christenen om. En vandaar komt het, dat de populaire Natuurboeken zich er niet mee vergenoegen, alles te vertellen; waarmee de dierkunde in de laatste tijden verrijkt is, maar ook op hun manier onderhoudend (door anecdoten in te lassen), en moralieserend te werk

[p. 266]

gaan. Zelfs daar waar het wereldlike met 'n zekere voorliefde beschreven wordt, ziet men de schrijver noch aan de smaak voor mystieke ‘figuren’ en stichtelike vergelijkingen toegeven. Altijd worden de dieren en hunne eigenschappen noch aangewend om er 't inscherpen van geloof- en levensregelen aan vast te knopen, en de zedepreken blijven altijd vol waarschnwing voor het naderend einde, wijzende op de dood voor de zondaar, het vagevuur en de jammerpoel van de hel.

Toch, - het profane element was aanwezig, en toen allengs de lezer meer belang in het wetenschappelike dan in het mysties-didaktiese gedeelte ging stellen, verdween in de latere eeuwen langzamerhand het allegoriese, óf, wat ook gebeurde, het werd voor minder stichtelike doeleinden misbruikt. Maar nu moest zich natuurlikerwijze een leemte laten gevoelen. Zolang de natuur in dienst van de Kerkleer sterk samengesnoerd lag om één Lichtend Middelpunt: de openbaring in Christus, en al wat er bij werd gehaald, duidelik en dierekt kon terugwijzen òp dat middelpunt, was het de assimilerende Waarheid, die de natuur als 'n geheel aan zich bond. Maar met het losmaken van dat snoer, kwamen de natuurvoorwerpen verbandloos naast elkander te staan, en die stelselloosheid zou te opvallender worden, naarmate men voortging de levende schepselen in hun karakterieserend voorkomen, leefwijze en woonplaats te beschrijven. De manier, waarop men in de M.E. dan ook de dieren rangschikt, is 'n alles behalve wetenschappelike; men bepaalt er zich toe - behoudens de verdeling in gewervelde en ongewervelde dieren, en van de eerste in viervoetige, vogels, vissen, enz.1) - ze op 't voorbeeld van Isidoris' Etymologyarum, alfabeties te rangschikken. Trouwens, een wetenschap zou de natuurlike historie eerst worden, wanneer bij 'n krieties vergelijken van de verzamelde feiten, de objecten naar hun overeenkomsten en verschillen zouden worden gegroepeerd. Maar van 'n stelselmatig ordenen van de kennis was destijds noch geen sprake. Wat meer is, de krietiek zelf lag noch in slaap. Zoals we reeds opmerkten, maakt wat er van vele dieren verteld wordt, op ons de indruk van sprookjes en ongerijmdheden. En deze krietieklose onwetenschappelikheid zou noch lang blijven bestaan. Wel beginnen in de 16e eeuw enkele mannen te beproeven, orde in de bajert te brengen, maar in de literatuur blijven de meningen, zoals de M.E. ze ons door de Renaissance heen overleverden, noch veel langer dan in de natuurwetenschap zelf, voortduren. Hoe de vrije krietiek, vooral en eerst toegepast in de metodiese beoefening dier wetenschap, haar uit de windselen van de legende heeft ge-

[p. 267]

wikkeld en het haar helder dag heeft gemaakt, zullen we hier niet uiteenzetten. Laten we er veeleer op wijzen, hoe lang dit proces heeft moeten duren, vooral door 't gebrek aan voldoende hulpmiddelen; hoe zelfs pas in deze eeuw verschillende natuur- en aardrijkskundige vakken zich tot afzonderlike wetenschappen, en tot hun tegenwoordige aanzienlike hoogte hebben kunnen ontwikkelen. En wat de kennis der dieren betreft, het is in de vorige eeuw Linnaeus geweest, aan wie 't gelukt is, voor de wetenschap 'n algemeen erkend stelsel van verdeling in te voeren, en na hem zijn 't vooral Buffon, wegens de aantrekkelikheid zijner natuurbeschrijving, en Cuvier door z'n nieuwe wetenschappelike indeling van 't dierenrijk, die de grote stoot hebben gegeven aan de beoefening van de zoölogie.

 

Na het bovenstaande zal de lezer zich gemakkeliker bij ons aansluiten, als wij beweren, dat Vondel, zo hij al niet van aanleg en door z'n opvoeding tot in haren en nagels Christen was geweest, hij het moest geworden zijn door de invloed van de hem omringende literatuur. En die invloed is ook in z'n werken duidelik merkbaar. Z'n natuurbeschouwing is de algemeen-Christelike, die in de Schepping, van 't firmament tot de diepten der aarde, het werk van Gods handen ziet; z'n natuurstof in z'n didaktiese werken is rudimentair-middeleeuws, dikwels holle omhulsels, waaruit de mystiese zin in de loop der tijden verloren was gegaan, behoudens enkele noch lang bewaarde uitzonderingen. Dat dit rudimentair-mystiese ook in de belletristiese Vondellieteratuur voorkomt, zal de lezer ook niet verwonderen; de hele laat-middeneeuwse en vroeg-renaissance lieteratuur, romaans en germaans, bevat in verschillende genres, talrijke voorbeelden er van, en zelfs in onze eeuw zouden er noch wel overblijfselen van te vinden zijn. De ‘tortel op de dorre ranck’ is er één geval, en de plaatsen, waar deze tortel bij Vondel voorkomt, bewijzen dat de dichter bij dit dier de aloude mystiese zin heeft herkend. Misschien is 't de moeite waard, om aan 't gebruik dat de dichter op z'n christelik standpunt van het dier in de lyriek heeft gemaakt, 'n afzonderlike studie te wijden. Hier echter is 't ons om het christelik-wetenschappelik gezichtspunt te doen. En dan is daarvoor het werk bij uitnemendheid, Vondels Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst, een in de jaren 1660-1662 verschenen leerdicht, waarin ook de werken van de Schepping, ter ere van God, teleologies worden verklaard, en waarbij, analoog met de natuurkundige werken der 13de eeuw, de mystiek zich heeft opgelost in moraliesasieën en in nuttige wenken voor 't lichamelik behoud; de Leer die op de zaligheid wijst van hiernamaals, werd 'n Handleiding voor de praktijk, om wél te leven en wél te sterven.

[p. 268]

‘Gods almacht staat in de Natuur geschreven, met gestalten tot letters!’ zegt de dichter. - ‘Wilt ge een bewijs? Welnu, zie dan zelf.....

 
Nu ren de aerdtboôm door, en hoor en zie u moe,
 
En tast, en rieck, en smaeck, de Godtheit straelt u toe,
 
Bejegent u alsins in haer geschapenheden;
 
Al Godt wat gij verneemt, van boven tot beneden.
 
Waer vindt men nu een' mensch, die elcks vernuft verkloeckt,
 
En Godt niet vinden kan, indien hij 't onderzoeckt?
 
Dat monster magh vermomt, als mensch, den gront betreden,
 
De klaeu verraet het dier, veraert van Godt en reden.’1)

Duideliker kan het al niet. Wie God niet ziet in Z'n werken, is bot, verstandloos, en niet Gods evenbeeld meer. Maar die Hem zoeken wil, vindt Hem overal.

Vooreerst in de verborgen krachten der stenen, planten en dieren; zelfs het gif wordt in de hand van de ijverige, en de natuur doorvorsende sterveling, hem, tot loon, een baat voor ziekten en kwalen:

 
‘Wie zich van artsenij wil dienen, dat hij ga,
 
En 't wijs natuurboeck, vol geheimnis, open sla,
 
Doorsnuffle mijnen, stof, en steenen, planten, dieren;
 
Dan blijckt hem hoe natuur het alles weet te stieren
 
Tot eenigh heilzaem ende, en elcks behoudenis,
 
Waer van 't aeloudt gebruick een ondervintster is,
 
Oock zulx dat dootelijcke en moordende vergiften
 
Van akonit en slang door louteren en schiften
 
Verlaeten hunnen aert, en steeckende venijn,
 
Door kunst en weetenschap verkeert in medecijn.2)
[p. 269]

Merkwaardig is het nu volgend Lapidarium, geheel volgens de beschouwing der M.E., die de toegeschreven wonderen op hun beurt bij Plinius borgden:

 
De diamant, de vorst der kostelijcke steenen
 
Verdrijft zwaermoedigheit van 't harte, en stilt het weenen.
 
De vrolijcke smaragd ontwringt vergift zijn kracht,
 
Zet 's gramschaps oploop neêr, heeft uit zijn' aert de maght
 
Om zwindelinge in 't hooft en evel in te toomen,
 
En ons geheughenis te stercken, en te vroomen.
 
De blaewende saffier het vel en vlies geneest,
 
Verquickt het aengezicht, herschept den droeven geest.
 
De gloeiende robijn verteert vergifte treken,
 
En bluscht den geilen brant, door Venus vier ontsteecken.
 
Een hyacint verdrijft den damp, die 't brein verbluft,
 
Stilt dronckenschap, en wet de stompheit van 't vernuft.
 
De groene jaspis stulpt de bloetbron van de vrouwe,
 
Versterckt ze in baerens noot, en slaeckt het hart van rouwe.
 
De hemelsche turkois verheught gezicht, en moedt.
 
De deught des bloetsteens blinckt in 't stulpen van het bloet:
 
De kracht des zeilsteens treckt vijf ringen aen elckander,
 
En volght den noortschen Beer en zuid-as, fix en schrander,
 
Geleit de hulck in zee, dan voor, dan in den wint:
 
Want zonder zeekompas zijn oogh en starren blint.1)

We slaan de metalen en aardsoorten over, en nemen de planten en dieren. Eerst, om de geweldige krachten der organiese wereld te leren kennen, luidde het:

[p. 270]
 
Verzamel eens 't geslacht der reuzen overal,
 
Oock 't gruwzaem ongediert, de leeuwen, tigers, beeren,
 
De stier en elefant, den walvisch in de meeren
 
En noortschen Oceaan, den draeck, de krokodil,
 
De slangen, onder 't gras gedoken, loos, en stil;
 
Wat stapelen ze een' bergh van krachten! eene plante,
 
Een worm vermoort een helt. Een steeckende tarante
 
Berooft den mensch zijn rust en slaep.1)......

En wat meer bepaald het nut van de levende natuur voor de mens betreft, vinden we:

 
De roos, de koningin der bloemen, sterckt het hart
 
In flaeute, en koelt den brant, in 's krancken koortse en smart.
 
Narcis, die bronnen mint, verdrooght en vaeght de wonden.
 
Het brein, de lever, 't hart, van zwaricheên ontbonden,
 
Bedancken voor haer deught de troostende melis.
 
Het hooft, zoo dra de damp in 't brein verdreven is,
 
Dat eerst benevelt was van koude vochtigheden,
 
Bekent 's levenders2) trou, betoont aen d' eer der leden.
 
Saffraen verheught den geest. De roosmarijn versterckt
 
Geheughenis, en brein, dat als voorheene werckt.
 
De heilige laurier verdubbelt onze krachten,
 
Verwarmt het ingewant, schept vrolijcke gedachten.
 
De hysop ruimt de borst van kille vochtigheên,
 
En als de ruime lucht den adem vult te kleen,
 
Ontsluit ze flux de long, en al wat lagh gesloten.
 
Met mankop wort de slaep in 't beckeneel gegoten.
 
Peoni helpt de nier, en toomt de razerny.
 
Rabarber vaeght de gal. De wijnruit, altijt blij
 
Van verwe, reckt den tijt des levens, jaeght de pesten,
 
En bluscht het vier der lucht in brandende gewesten.
 
Sint Jans kruit heelt en streelt de zenuw, die, verwarmt
 
En opgedrooght, de kracht gevoelt, die haer beschermt.
 
Verstramde zenuwen, van koude dootgevroren,
 
Genezen van den vos,3) verquicken, als herboren.
 
De beveroli sterckt de zenuw, die verdrijft
 
Den stormwint, die in 't oor, vol onweêrs, ruischen blijft.
[p. 271]
 
De pierworm sust de leên, die van beroernis beven.
 
Hartshoren weckt het lijck, dat doot lagh, en vergeven.
 
Het scorpioen verwarmt, en drijft het water neêr.
 
De slincken elantsklaeu, een dier, van geest zoo teêr,
 
Biet Herkles knods het hooft, en heelt en helpt het evel
 
In 't hooft, wanneer het, dol van pijne, raze en revel';
 
Dus heeft voorzienigheit een tegenmaght gestelt,
 
Die 's menschen jammeren met heelzaemheên vergelt.1)

Maar niet alleen in de verborgen geneeskundige krachten zien we de wijsheid des Heren. Er is noch meer!

 
Behalve dat ons plant en kruit en dier genezen,
 
Kan elck uit haeren aert en eigenschappen lezen
 
Een leering voor 't gemoedt. De braeve dadeltack,
 
Bij Duitschen palm genoemt, bezwijckt niet onder 't pack,
 
Maer heft het hooft om hoogh, en leert in tegenspoeden
 
Volharden, en getroost de scha met baet vergoeden.
 
De kuischeit wederstreeft, gelijck de lauwerier,
 
De vlamme, en slaet geluit in 't heiloos minnevier.
 
De wijngaert, om den olm gevlochten met zijne armen,
 
Leert man en vrou uit liefde elckandre trou beschermen.
 
De zwangre korenaer, die, zegenrijckst van zaet,
 
En allervolst, haer hooft ter aerde hangen laet,
 
Leert ootmoedt aen den rijcke, en adel, en geleerde.
 
De zonnebloem, die nooit zich van de zonne keerde,
 
Vermaent ons 't oogh te slaen naer aller lichten bron,
 
En 't aengezicht van Godt te kennen in de zon
 
De boomen leeren Godt te zoecken in den wortel.
 
De kuische weduw volge in eenzaemheit de tortel,
 
Op haeren dorren tack. Arachne leert al stil
 
De huisvrou haere hant te slaen aen wol en spil,
 
De zijworm desgelijcks. De stomme en stille kraenen,
 
Met kaien in den beck, tot zwijgen ons vermaenen,
 
Met waecken op de wacht.2) De zwaluw, d' ojevaêr,
[p. 272]
 
Elck roept: een ieder neem' saizoen en tijden waer.
 
De wackre veltmier leert bij tijts den nootdruft spaeren:
 
En d'arbeitzaeme bie leert winnen, en vergaeren.
 
Oock onderdaenigheit aen 's konings majesteit;
 
De fiere leeu gena, de hont getrouwicheit,
 
De slang voorzichtigheit. De schiltpadt leert de vrouwen,
 
Als huisvrou, onder 't dack, haer huis en drempel trouwen.
 
En d'arent, die zijn nest leert vliegen in de lucht,
 
Den oudren wijst het spoor van strenge kindertucht.1)

We brengen noch even in herinnering wat wij hierboven aantoonden. Dit nl., dat bij Vondel de natuurkennis, die de oudheid mythologies en folkloristies aan 't Christendom overleverde, en die 't Christendom mysties en moralisties in dienst stelde van de kerk en de zedeleer, - niets meer of minder is dan 'n heidens-christelik, ongeordend, onkrieties rudiement, dat - en Christelijke gemoederen en tijden kùnnen niet anders, - het didakties en moralieserend materiaal wordt voor de alles beheersende les: God is Groot en Goed, en wij aanbidden Hem in Liefde.

Verder willen we hier herhalen, wat we in 't begin van 't opstel opmerkten, dat nl. bij de gemeenschappelike moreel-didaktiese strekking van de dierenkennis en de dierfabel, ons echter een groot onderscheid tussen het dier uit de fabel en het dier uit de natuur, in 't oog springt. In de fabel speelt het 'n rol, heeft het geen dierlike eigenschappen, is zelfs niet eens - behoudens enkele gevallen - konsekwent met 't zelfde karakter bedeeld, maar bij beurte 'n wijze, 'n hoogmoedige, 'n begerige, 'n ontevredene, alleen om in z'n rol te laten zien, - wat dan in de moraliesasie gegeneralieseerd wordt, - dat de deugd beloond en 't kwaad gestraft wordt. In de wetenschappelike dierkunde daarentegen speelt het dier geen rol, maar is 'n schepsel van God, dat met al 't geschapene de Almacht van de Schepper moet getuigen. Beide genres - om ze zo maar te noemen, - zijn uit het heidendom tot ons gekomen; de fabel alleen is ondanks haar moralieserend karakter, zo dan niet heidens, altans on-christelik gebleven; terwijl de natuur in de eerste plaats al gekerstend werd, doordat men ze opvatte als Godsopenbaring, en vervolgens door de toepassing van de Bijbel-symboliek op enige grepen uit de werkelikheid en uit de fantasie, voor en na in de M.E. ook noch 'n leerstellige doop onderging.

Dit verschil in aanmerking nemend, zullen we het begrijpelik vinden, dat in 'n tijd van verdiept godsdienstig leven, zoals de 16e eeuw er een was, en

[p. 273]

bij 't strengste vasthouden aan 't Bijbelwoord door de Protestantse kerken en sekten, - de voorliefde voor de fabel met haar algemeen-menselike en in genen dele speciefiek-christelijke strekking, niet biezonder groot kon zijn. Vooral aan 't veldwinnend en militante Calvinisme moest de generalieserende etiek te armoedig en krachteloos, in elk geval te onbijbels en te weinig didakties-moralieserend voorkomen. Wat bij 'n ernstig christelik publiek 'n uitgaaf als deze zou kunnen rechtvaardigen, moesten dan ook aanprijzingen zijn buiten de inhoud om, zoals b.v. de biezondere inkleding, nieuwere, zorgvuldiger illustrasies, de roem van de dichter, de naam van de etser, of wat dan ook. Geen wonder dat ook Vondel, die z'n volk kent, waartoe hij vanwege z'n stand en z'n opvoeding behoort, bezwaren voorziet en zich moeite geeft ze bij z'n uitgaaf van de ‘Vorstelycke Warande der Dieren’ te weerleggen. - ‘Het verhalen van deze fabels, op de trant der ouden,’ brengt hij te berde, ‘ontneemt natuurlijk niets aan de luister van de Heilige Schrift, zo de lezer maar in 't oog gelieft te houden, dat de Schrift met 'n christelijke geest, en de fabel met de heidense geest is beschreven. We ontkennen dan ook hiermee in genen dele, dat de Schrift in z'n voorbeelden en voorspellingen ons opmerkzaam maakt op dieren en vogels, (evenals op verborgen en allegoriese zegswijzen,) die slechts door helderzienden duidelik begrepen kunnen worden, en dat niemand, die prijs stelt op een goede naam in 't zedelik en maatschappelik leven, de schriftnurlike waarde van de dieren in de Bijbel mag verkleinen. Maar daarom mag niemand ónze vlijt ten kwade duiden, nu wij weer, met de heidense fabels, - al genoeg bekend en beschreven, zal men zeggen, - voor den dag komen. Men zou het doen om de fraaie plaatjes van 'n gelauwerd kunstenaar. Let maar eens op, lezer....’ enz.1)

 

De lezer zal gaan twijfelen, of in deze reklame de ware reden van de uitgaaf ligt, en in 'n beroep van de dichter op de Ouden, 'n veiliger vlag willen zoeken, die de smokkellading moet dekken. En waarlik, in de ‘Voorreden’ van de Warande, om niet van elders te spreken, wordt er met nadruk op gewezen, wat Plato en Dionysius van Halicarnassus van 't nut der fabelen hebben gezegd. ‘Ze stellen verbloemd de werken der natuur voor, vertroosten de mens, reinigen z'n gedachten, brengen de vrede in z'n gemoed,’ heet het. ‘Ook,’ voegt de dichter er bij, ‘oefenen ze de scherpte in 't denken, (want soo haest en wordt de fabel niet voorghestelt, off 't kloecke vernuft lett terstont op 't ooghmerck derselver. Soo dat uit voorstellen en begrijpen een sonderlinghe aerdicheydt geleghen is.)’2)

[p. 274]

Maar er is meer. Vondel is nl. door en door mysties, en zo hij zelf al in z'n eerste tijd niet in elk voorval een symbool mag zien, toch erkent hij, dat in al wat de mens kan overkomen, lering en waarschuwing besloten kan liggen, en dat het zoeken van die les 'n lieflike verheuging des harten is en 'n troost in 't verdriet.1) En zou nu zo iemand geen genre aanprijzen, dat wegens z'n bedekte manier van onderrichting, juist in z'n smaak moet vallen? En als nu die fabelen eens met een Godlike Geest geschreven zijn,2) dan niet vooral? En als er nu alle geheimnissen der Ouden onder gescholen hebben,3) dan niet des te meer? Want gaven zij niet de domme wereld te kennen, dat er ‘eenighe Gods-dienst’ moest zijn, ‘om alsoo de herten aff te schricken vande ondeugden, en ten wedersijden een spoore of prickel te geven de deugden te omhelsen’(?)4) En wat voor 'n wijding geeft Plato er met z'n uitspraak niet aan, die ‘de Godlijcke onder den Heydenen ghenaemt wordt.....’ (!)5)

Nu was Plato geen fabulist, evenmin als Solon, Homerus, Herodotus en Euripides. Maar toch gaven ze, elk op zìjn wijs, wat te leren, en deelden aan de volken hun lessen mee op 'n eigenaardige en verbloemde manier van zeggen!

 

Altijd en weer is 't dat verbloemde, wat Vondel aantrok.

Zoveel te meer dus in de Fabel en 't Toneelspel met z'n karakter-figuren.

‘D'oude wijze Heydenen’, leraart hij al vroeg,6) ‘.... ziende hoe traegh vast een yeder was om langhs de trappen der deughden op te klimmen, .... hebben in alle manieren ghetracht door zekere middelen een yeder te brenghen tot een goet, zedigh, ende natuerlijck borgherlijck leven, tzij door eenighe Poëtische Fabulen,7) ende verzierde ghedichten, oft door andere bequame Regelen ende Wetten,’ enz. En - ‘nademael sy bevonden dat eenighe te kreupel waren, om te graven na de kostelijcke kleynodien der leeringhen ende gheheymenissen die onder de schorsse van ghedroomde Fabulen7) wechgescholen ende verborgen lagen,....; ende dat den eenen op dese den anderen op een ander wijse wilde gheleert ende onderwesen zijn, zoo en ist hun niet ghenoegh gheweest oft schoon de Boecken van schoone lessen al vervult waren,..... ende oft veel gulden redenen in Koperplaten ende Marbelsteenen konstich ghegraveert alsins int voorhooft van treffelijcke ghebouwen, de Voorbij-ganghers al verbaest op-hielden:

[p. 275]

maer sy hebben ooc daer beneffens in groote byzondere schou-plaetsen willen in 't openbaer de schatten der Philosophie inden schoot toe-werpen, de ghene die te achtloos waren om daer naer te arbeyden ende te streven: sy hebben met dit doen oock den gheheelen standt ende conditie der Werelt willen afbeelden,.... Want waer by mach het gheheele Tafereel oft Theatrum deser Werelt beter vergheleken worden, als bij een groot openbaar Toneel, daer vast een yeder gheduerende den handt-wijlschen tijdt van sijn vliende leven, sijn eyghen Rolle ende Personagie speelt.’1)

Doch de lezer volge zelf de brede uitwerking van deze stelling, die later in de nieuwe Schouwburg boven 't toneel werd verkondigd. ‘Al ydelheyt, Al ydelheyt’ heet het ook hier in de Pascha. Waarom dan niet, als 't leven zelf maar 'n Spel is, zou 'n sterkere de struikelende zwakkere niet voorthelpen, om hem 'n stuk van dat leven, op de planken, - dat blijft toch maar 't zelfde! - veraanschouwelikt met handelende fieguren, af te beelden?

't Komt er niet op aan, of de Calvinistiese realieteitszin in opstand komt tegen 't vereenzelvigen van 't werkdadige leven met Fabel en Toneelspel. Hij, de 24-jarige ketter, rukt hun de hele Bijbel, als basis van hun Geloof, onder de voeten vandaan, en gooit ze hem als Symbool in 't gezicht. Heel het Bijbelse leven is toneelspel, zegt hij: Heel 't Evangelie, zo als Christus het leert, leert hij in dramatiese vorm, zo roept hij:

‘..... wie zal dorven ontkennen dat de Wet met al heur ceremonien ende witerlijcke diensten, als offerhanden, reynighinghen, Sabbatthen, nieuwe Maenden, ende al het ghene Aarons Priesterschap, ende den Tempel met alle sijn cieragien, ghereedtschappen, ende toerustinghen aenkleeft, zoo ooc het regiment van 't Rijcke Israels....yet anders gheweest zij als een voorspel van 't ghene men inden toekomenden Messias te verwachten hadde?.... Ja de bloote parabolen ende gelijckenissen die de Heere onsen Zalichmaker inden Evangelio voorstelt;....wat zijn 't anders als naecte Comedien, ende Tragedien, om daer mede te leeren die menschen, de welcke op gheen ander maniere de verborghen misterien van 't Rijcke der Hemelen verstaen konnen? Ic gae voorbij de Boecken der Koninghen; daer eenen hoovaerdighen woedenden Saul al rasende ende troosteloos in sijn eygen sweert valt; daer eenen vluchtigen David gheduerende syn ballinghschap Hemel ende Aerde te nauw dunckt; daer eenen verwonnen Zedechias ghevanghelijck na Babylonien ghevoert wordt;....etc. Alle welcke Personagien ons van den H. Gheest tot leerachtighe voorbeelden (als op de Scena) voorghedraghen werden:.....’2)

Maar niet zò wilden de strengsten de Bijbel-typiek door de schrijver van

[p. 276]

't noch anti-Roomse Pascha verklaard hebben. Zeker, Vondels eersteling kon als Protestans passiespel en allegorie van de opstand, er noch door. En 'n allegoriese inkleding van de polietieke Palamedes was te verklaren, en raakte eigelik zozeer niet de zaak. De vraag was, en is, wat moest die parallel tussen de verbloemde manier van voorstellen door Fabel en Spel, en 't allegoriseren der Heilige Schrift betekenen! Is heel het Leven mischien 'n Christelik symbool, heel het denken der ‘oude Wijzen’ als Solon, Plato, Homerus en Euripides? - De lezer voelt, welke kant het opgaat. Hoe meer tegenstand deze man zal ondervinden, hoe meer hij de Historie en 't Zijn, met z'n verbazende kennis, zal verzamelen als bewijs-materieaal voor 't goed recht van z'n Kunst. Hij zal, omdat z'n antagonisten Bijbelvaste Christenen zijn, als strijd-mens die zelfde Bijbel tegen hen exploiteren, en bij diepere studie van Kerk-historie en Kerkleer, uit tradiesie en apologetiek nieuwe wapenen vinden voor 'n vernieuwde strijd. Laetantius levert hem heel z'n arsenaal, Augustinus z'n geestelike middelen. Niet dit streven, reusachtig iedee! het hele Bestaan te verkerstenen, is de oorzaak van z'n Katholicisme; zeker, er is in de Kerk van Rome ruimte voor z'n alles veroverende symboliek, maar er is diepte òòk voor de veelbetekenende uitspraak: ‘in Christo houden alle beelden, schaduwen en figuren op,’ en wie zegt ons, in hoeverre voor hem, die God niet anders dan als 't Licht ziet, Christus èn histories feit èn tegelijkertijd de generaliserende fieguur is voor de ‘Vlees’-wording ‘Gods’, de ‘Gestalte’-wording van 't ‘Woord,’ het gepredikte ‘Licht’? Wie ontsluit deze binnenkameren? - Maar in elk geval verklaart het z'n militant optreden als Kruis-heraut tegenover de anderen. Het verklaart heel z'n werkzaamheid als Katholiek: z'n didaktiek in z'n Godt en Godtsdienst, z'n treurspelen, die òf allegoriese vertogen zijn òf moralieserende beschouwingen om en over een of ander Bijbelse Christen-tiepe, in dramatiese vorm. Hij is en blijft in 't 17de eeuwse leven een afgezonderde geleerde monnik, dichterlike sermoenen schrijvend van kerkelik-exegetiese inhoud, dierekt of indierekt ter ere van de Allerhoogste God.

 

En ziedaar, 50 jaar later, op d'avond van z'n leven laat hij onbedekt het volle licht vallen op z'n vroegere fabelistiek. Al wat in de Voorrede van de Warande ‘geheimnis’ genoemd werd van de ‘Wijsheid’ der Ouden, wordt in de Voorrede op de vertaling van Ovidius' Herscheppinge zonder omwegen, als het besloten Woord, Symbool en schaduw van de Gods-Openbaring in Christus betekend. De troeven, die de 30-jarige veelweter in handen had, blijken bij nader inzien voor deze ‘Speler’ harten-kleur te hebben. De Ouden hadden niet alleen ongeveer christelike moraal gepredikt, ze hadden ook min of meer deel gehad aan de Christelike Waarheid die ze wel niet goed begrepen doorgaans, maar toch

[p. 277]

uit 'n zuivere bron hadden geput. Van niemand minder als de voortreffelike aartsvader Abraham, had z'n leerling in de astronomie Hermes Trismegistes de Chaldeeuwer, de Goddelike Wijsheid overgenomen, aan de Egyptenaren overgeleverd, en er de allegoriese leerwijze op toegepast, met dien verstande dat hij, getrouw aan de uitspraak van 't ‘allerwijste orakel der wijsheit,’ om geen paarlen voor de zwijnen te werpen, 't zo aanlegt, dat de zinnen der wijzen worden gescherpt, zonder dat de verhevenste Openbaring gemeengoed wordt. In die overgeleverde Wijsheid nu werd door toedoen van Farao's dochter, Mozes onderwezen. 't Hoogst stond Salomo, die alle wijzen, ook de Egyptenaren, in wijsheid overtrof. Maar putten ook al niet andere volken uit de algemeen geworden bron? Kende ook niet Saba's koningin de allegoriese leerwijze? Wat deed ze anders Salomo met raadsels te beproeven? Welnu, ook de Grieken haalden die manier van doen uit Egypte, en brachten de fabels in hun vaderland. Maar ook zij ‘schuwden in den beginne zulke geheimenissen onder het gemeen volk t'openbaeren, aangezien deze dingen qualijk verstaen, de gemeente lichtelijk van den godtsdienst en de deught moghten vervreemden.’1)

Palefatus echter wilde de mensen onderwijzen, en aantonen ‘hoe fabelen op waerheit gegront, de menschen ter kennisse van Godt, en de natuur, en zeden, en geschiedenissen aenleiden.’2) Maar o wee, daar kwàm het bederf! De verborgenheden zelf en de manier waarop ze moeten worden verklaard, werden zo helemaal verkeerd opgevat, dat de oude fabels hun waarde verloren, en afdaalden tot ijdele en logenachtige verdichtsels. Maar gelukkig, de eerste kerkvaders kwamen er achter, en haastten zich, bij de Heidenen 't misbruik der fabels te bestraffen. Maar daarom was er natuurlik wel 'n goed gebruik van te maken! - ‘Een fabel als voorbeeld,’ zei Augustinus, ‘is juist een verborgen waarheid. Want was 'n fabel geen waarheid, dan zou 'n parabel van Jezus, of 't diepzinnig woord van 'n heilige óók logen kunnen zijn, omdat naar 't gewone zeggen, in die dingen geen waarheid schuilt.’3) - En zo kwam de fabel, in de apologetiese strijd tegen de heidense dwaling, in dienst van christelik-allegoriese exegese. Dat ging niet altijd gemakkelik. Een troost was't, dat sommige der oudste schrijvers de Goddelike Wijsheid tot op 'n onherkenbare mengelmoes van oorspronkelike Waarheid en demoniese vindingen verknoeid hadden, en daardoor onmogelik te volgen waren. Twee vooral echter - om niet van Homerus, Plato en Aristoteles te spreken, die ook verklaarders vonden, - werden voor en na, tot aan de nieuwe tijd toe, vlijtig in christelike zin omgezet, t.w. Virgilius en

[p. 278]

Ovidius. Men begrijpt waarom. Door de Romeinse vóór-geschiedenis en mythologie te verkerstenen, gaf men aan Rome, als 't middelpunt van de staatkundige en kerkelike Eénheid, een prototiepies-christelik bestaan, binnen 't welk heel het leven en denken gericht scheen op Christus z'n Algemeen en Eeuwig Koninkrijk. Vandaar Vondels verering voor de exegeten, die hun krachten oefenden op de Metamorforen, als Natalis Comes en Pontanus. Dankbaar wordt de getuigenis zelfs van 'n Vossius er bijgehaald, als dat Naso, naar den eis toegelicht, 'n onovertrefbaar geleerd werkstuk zou blijken. En waarom zouden ze 't niet? Omdat het verzen zijn? Maar, ‘Godt heeft een groot gedeelte der heilige schriften in poëzye begreepen.’ Hoor Lactantius: ‘Ovidius bekent in den beginne van zyn doorluchtigh werk, zonder eenighzins Godts naam t'ontveinzen, dat de werrelt van Godt.... geschapen is.’ Wat alles mag afdoen: ‘Men ziet in Ovidius eerste boek Mozes klaerheit overal straelen uit het werk der scheppinge.’ Doch waartoe verder te gaan? De 84-jarige grijsaard heeft met z'n vertaalde Metamorfozen, aan landgenoot en nakomeling, 'n onsterfelike schat van 'n hoog-heilige betekenis willen overleveren. Die er de rechte pit en kern in kunnen vinden en smaken, - zij zien er de Grootheid en Wijsheid van God. Het is hetzelfde machtig pleidooi als in z'n Bespiegelingen, waar hij de Natuur openbaart als 't Werk van Gods handen. Het is het wijzen op alle dingen en feiten als afschaduwingen van Waarheid; z'n laatste pleidooi voor z'n Kerk, en in Haar, z'n laatste lofzang op God. Hij viert het Jubeljaar van z'n Warande-emblemata; hij legt in Ovidius' apotheose de rechtvaardiging van z'n Geloof en z'n Kerk.

 

Wie Vondel wil schetsen, beelde hem af als 'n ‘Oud-vader,’ die zich begraven heeft in joodse en heidense stoffen, om apologieën te schrijven voor z'n Moederkerk. Moraliezerend, waarbij de heiligheid van de tiepiese hoofdpersoon ‘relief’ moet geven aan de lering van 't treurspel, of ernstig vermanend, waarbij de hoogmoed, vooral in 't bestreden polytheïsme, ten val komt, stelt hij zich ijverig tot taak, allegories timmerhout te stapelen in de wisse der Aristoteliaanse toneelkunst. Buiten in 't 17de eeuwse gewoel, giet de zon haar stralen over de puien en luifels; binnen de kloostercellen zingt des grijsaards harpzang in kost'like klanken z'n Credo. Maar wie zal deze Psalmist de rijkheid van z'n leven betwisten, wetende dat bij hem het zandstofje en de oogwenk vóór alles de dragers waren van 'n Mysterie, waarvan de ontraadseling, - volgens de wil van God de Arbeid der mensen-geslachten, - alleen kon strekken tot de vreugdevolle Openbaring van Z'n onmetelike Eeuwigheid?

J. Koopmans.