Taal en Letteren. Jaargang 9


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 9. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1899


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 126]

‘Zitten’ in slang-uitdrukkingen.

Mischien zijn de volgende de lezers welkom enkel als aanvulling op die van Fred. Berens in afl. 1 van Taal en Letteren (zie aldaar, blz. 27 en verv.). 't Zal wel mogelik wezen er noch meer te vinden. Ik volg dezelfde indeling als F.B.

I. Oorspronkelike betekenis.

a.Gezeten zijn, zich bevinden in 'n bepaalde houding:
Voor spot zitten. - Te koop zitten. - De blaadjes zitten (zonder steeltje) aan de stengel: zittend blad.
c.Waar de bakker zit, kan de brouwer niet liggen. - Dr. A. Kuyper zit voor 't distrikt Sliedrecht. - De kat zit op de loer.

II. Verbleekte beteekenis.

a.Zich bevinden, zijn:
Vast, scheef, verkeerd zitten. - Omhoog zitten (vast zitten, van 'n schip op n bank). - Dat vuil zat onder aan de zak. - Hij zit vol grappen, kuren, streken. - Hij zit er helemaal in (hij is er door en door mee bekend); b.v. nee, man, je zit er niet in (daarvoor moet je eerst je der inwerken). - Dat zat er ín (dat had je er in moeten zien, dat kon je er uit afleiden, dat moest er wel uit volgen). - Aan de grond zitten, op 't strand zitten. - Ik zit (kan niet verder). - De laatste honderd gulden (termijn) bleef zitten (steken, werd niet betaald). - 't Spel zit (kan niet verder, hokt). - 't IJs zit (zit vast). - 't Zit bij 'm = hij zit aan lager wal (de zaak marsjeert niet, is fout, hij is fout). - Hij zit er goed bij (= in). - (Half) er uit zitten ('t jong zit er al half uit. - In de put zitten. - Op de schopstoel zitten. - Daar zit (steekt) niets in, heel wat in. - In 'n goed gedoe ('n goede zaak) zitten. - Goed in z'n bullen zitten (militaire uitdrukking), evenals: Goed in de was zitten (= goed ‘gespekt zijn’). - Er over zitten, er op zitten (ik heb er wel 'n uur over [op]gezeten).
b.Zich aan 't lichaam bevinden:
Hoe zit je dat? (= hoe smaakt je dat, hoe staat je dat aan?); hiermee verwant: dat zit er niet glad tussen die twee.
c.Bij 't vernemen van iets noodlottigs, iets zeer droevigs, 'n ramp, 'n ongeluk, valt men vernietigd op 'n stoel neer: men zit er onder versuft. Als liggen gewoonte was, zou men er bij gaan liggen. Zo is bij akeligheid, naarheid,
[p. 127]
benauwdheid de beweging, de kracht verlamd; blijdschap geeft beweging, maar droefheid verlamt, zet neer (= doet neerzitten). Zitten betekent dus ook: in 'n onpleizierige toestand verkeren:
In de narigheid, in de war, in de knoei, in de penarie zitten. - Er lelik tussen zitten - Tussen twee stoelen in de as zitten. - In de bonen zitten (in de war zijn, de kluts kwijt zijn). - Daar kom je mooi te zitten! - Onder de paraplu zitten (= in de gevangenis). - Voor 'n tekort zitten (voor 'n lelik tekort zitten). - Voor 't gat zitten (= er geen gat in zien. Aardig is 't op te merken, dat gat hier uitkomst, en in voor 't gat zitten (in de) verlegenheid betekent: niet alle gaten zijn groot genoeg om er door te kruipen.) - In de brand, in de klem zitten. - Op de lange bank zitten (wordt gezegd van meisjes, die met kermis geen vrijer hebben. 't Schijnt afkomstig te zijn van 't dansen in de herbergen bij kermis. Aan de wand staat een lange bank. Die niet ten dans gevraagd wordt, de muurbloem, blijft op de lange bank zitten.) - In de knijp; in de knijpert zitten. - In z'n gat geknepen zitten.
d.Zich (ergens) bevinden:
Er onder zitten (geheel door iemand beheerst worden). - Voor de mast zitten. - Dat zit hem hoog (= hij kan 't niet op). - Hij heeft 't hart op de rechte plaats, hoog zitten. - Hij heeft ze zitten (ze = de schijven, die hier en daar in zitten als hypotheken, in effekten, in andere zaken = hij is rijk). - Voor de boeg zitten = in de weg zitten.
e.Beweging, in allerlei bedrijvende betekenissen:
(Iemand) aan de kont, in de kont zitten. - Er op zitten (als er wat te verdienen valt, zit hij er dadelijk op). - Er op zitten als de bok op de haverkist. - Opzitten en pootjes geven. - Iemand op z'n tabberd zitten. - Er achter zitten (= achterheen zitten). - Er onder zitten (= er achter zitten): (daar zit de domienee onder = achter).
f.In: De rode of witte bal zit. - Je zit (als de bal, waarmee je speelt, zit).

C. Groustra.