Taal en Letteren. Jaargang 9


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 9. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1899


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 193]

Eischen en bezwaren der wetenschap pelijke lexicographie.1)

De Nederlandsche philologie of liever, om dezen dubbelzinnigen term te vermijden, de philologie van het Nederlandsch, heeft meermalen het verwijt moeten hooren dat de lexicographie in haar midden eene buiten verhouding ruime plaats innam, dat zij geheel scheen op te gaan in woordverklaring, hetzij dan etymologie of semasiologie: dit vak zou hier te lande zóózeer op den voorgrond staan dat - om nu nog geheel te zwijgen van de geschiedenis der letterkunde en hetgeen daarmede in verband staat - alle andere vakken: grammatica (hetzij klankleer, vormleer, of syntaxis der levende zoowel als der oudere, algemeene of gewestelijke taal), versbouw, volkskunde, oudheidkunde enz. geheel in de schaduw gesteld werden en hunnen eisch niet kregen: de meeste ‘neerlandici’ waren ‘woordenaren.’2) Het is niet te ontkennen dat, sedert De Vries met zijn glossarium op den Lekenspieghel een tot navolging prikkelend voorbeeld gaf, het geruimen tijd scheen alsof tekstuitgaven en woordenboeken de eenige producten der Nederlandsche philologie konden zijn; en al komt er in den laatsten tijd hierin verandering en verbetering, nog altijd liggen sommige terreinen, in vergelijking met de eerstgenoemde, vrij wel braak.

Doch al loochent noch verschoont men deze eenzijdigheid, erkend dient toch ook dat hier te lande voor de juiste beschrijving en verklaring der woorden, voor de geschiedenis hunner beteekenissen inderdaad een en ander is gedaan, in sommige opzichten zelfs meer dan ergens elders.3) Zoo kan, zoover mij bekend is, geen volk bogen op een zóó rijk en degelijk bewerkt woordenboek zijner middeleeuwsche taal als het werk is, dat wij, dank zij den onverdroten ijver en der stalen werkkracht van onzen Verdam, reeds

[p. 194]

nagenoeg voor de helft voltooid bezitten. In allen gevalle: niemand zal gelukkig den wetenschappelijken woordenboekschrijver eene plaats weigeren onder de philologen: ‘es muss auch solche käuze geben’; de lexicographie, steunende op de grammatica en in verband met de zich ontwikkelende semantiek, is buiten kijf een gewichtig onderdeel der philologie. Over de geschiedenis, den aard, de eischen en de bezwaren van dien arbeid wensch ik hier een en ander in 't midden te brengen.

 

De oudste eigenlijke woordenboeken zijn, evenals de middeleeuwsche glossae, glossaria en vocabularia waarvan zij de opvolgers waren, louter voor een practisch doel samengesteld: zoowel de ‘Gemmae’ en ‘Gemmulae vocabulorum’ als de woordenboeken in twee, drie en meer talen, die reeds in de 15de en 16de eeuw verschenen, dienden alleen om eene vreemde taal, hetzij dan eene der levende landstalen of de taal der geleerden, het Latijn, te leeren schrijven en spreken of althans lezen en verstaan; de eigen moedertaal was hier hulpmiddel, geen doel. Hiertoe behoorden ook Van der Schueren's Teuthonista - het eerste werk trouwens, dat behalve het gewone Latijnsch-Nederduitsche deel een ander bevatte waarin het Nederduitsch vooropstond1) - en Plantijn's Thesaurus2); ook Kiliaan had, hoewel hij reeds iets anders en hoogers nastreefde, toch nog voornamelijk het oog gevestigd op de behoeften van het verkeer.3)

Naast deze woordenboeken in twee of meer talen, welker rechtstreeksche afstammelingen in kleiner of grooter formaat thans ieder beschaafd man van de lagere school tot aan zijn dood vergezellen, ontstond eene andere soort die zich niet zoozeer ten doel stelde de taal zonder bijstand eener vreemde taal te verklaren, als wel ze in haren classieken vorm aan de eigen taalgenooten voor te houden als spiegel, voorbeeld en richtsnoer. Niet het practische nut van den koopman en vreemdeling, maar de veredeling der kunst van den letterkundigen schrijver werd hier beoogd; de aanwijzing van het juist en zuiver gebruik der taal door voorbeelden uit goede, d.i. classieke auteurs, en de waarschuwing voor allerlei barbarismen en neologismen, kortom de handhaving van de zuiverheid der taal en hare vrijwaring tegen ‘vreemde smetten’, ten bate en ten dienste der vaderlandsche kunst, staan er

[p. 195]

op den voorgrond. Zoodanig was de Dictionnaire de l'Académie française, zoodanig was ook Adelung's groot Wörterbuch, en hiertoe kan men ook min of meer een werk als Johnson's Dictionary rekenen: zij laten de taal zien zooals zij geschreven is door de grootste dichters en prozaïsten en dus, naar de meening der samenstellers, ook geschreven behoort te worden door allen die, in navolging van hen, zich op een goeden stijl toeleggen.

Terwijl eenerzijds door samensmelting, verkorting en aanvulling der beide genoemde soorten de hedendaagsche handwoordenboeken en woordenlijsten eener taal ontstonden, waarin het groot publiek ongewone woorden en beteekenissen, of ook alleen maar den vorm, het geslacht, de spelling enz. van een woord kan naslaan, begon men anderzijds bij de opkomst der moderne philologie, naar het voorbeeld van de lexica der classieke talen, glossaria samen te stellen op enkele oudere werken of woordenboeken waarin het taalgebruik van een bepaalden schrijver werd opgeteekend, tot beter verstand en verklaring der taal uit vroegere tijdperken.

Het denkbeeld van een historisch woordenboek eener taal, dat deze verklaring der oudere met de ‘ten-toon-stelling’ der hedendaagsche taal zou verbinden tot één groot organisch geheel, schijnt reeds Leibnitz voor oogen gestaan hebben1) maar is eerst langzamerhand in onze eeuw, die alles historisch is gaan beschouwen, verwezenlijkt. Zonder rechtstreeksche practische strekking, zonder artistieke voorkeur voor dezen of genen vorm van uitdrukking, op zuiver wetenschappelijken grondslag, geheel objectief de geschiedenis der woorden afzonderlijk en in hunnen onderlingen samenhang te beschrijven, d.i. dus niet vaststellen hoe het moet zijn, ook niet alleen uiteenzetten hoe het is en hoe het geweest is, maar verklaren hoe en waardoor het zoo geworden is als het thans is: dat is het hooge doel, het ideaal, dat een historisch woordenboek nastreeft. Men zou deze jongere methode de cosmopolietische, wetenschappelijke kunnen noemen in tegenstelling met de oudere, vaderlandsche, artistieke: niet om de nationale woordkunst, maar om de algemeene woordgeschiedenis is het haar te doen; zij heeft den blik meer naar het verleden dan naar de toekomst gericht.

Wij mogen hierbij dankbaar onzen onvolprezen Kiliaan gedenken, ‘den vader der Dietscher woordenare algader’, die reeds in de 16de eeuw met zulk een wetenschappelijken zin, met zulk een ruimen blik zoowel op de verwantschap der verschillende Germaansche als op den invloed der Latijnsche en Romaansche talen zijne Brabantsche moedertaal en de met haar verwante Nederduitsche dialecten voor ons heeft opgeteekend. Doch eerst in onzen tijd kon een werk als het Duitsche Woordenboek der gebroeders Grimm ontstaan, dat werkelijk ‘eine Naturgeschichte der einzelnen Wörter’2), de geschiedenis der Hoogduitsche woorden gedurende de 16de, 17de en 18de eeuw, van Luther tot Goethe wilde verhalen, waarbij echter de nadruk viel op de oudere taal en

[p. 196]

eer een stap achter- en zijwaarts naar het Oud- en Middelhoogduitsch, naar het Middelnederduitsch of zelfs het Middelnederlandsch, werd gedaan dan voorwaarts naar de hedendaagsche gesproken en geschreven taal, die wel een weinig te kort kwam.

Langer en beter voorbereid en daardoor rijker van stof, consequenter in de zuiver historisch-wetenschappelijke opvatting, gelijkmatiger en doelmatiger van bewerking, en vrij van alle practische bedoeling is het groote Engelsche woordenboek ‘on historical principles’, sedert 1884 geredigeerd door Dr. Murray en Mr. Bradley. Het wil de geschiedenis van alle Engelsche woorden die na 1150 in algemeen gebruik geweest zijn (met uitsluiting dus van de uitsluitend Angelsaksische woorden) van hunne eerste verschijning af tot heden toe voor oogen stellen; en het doet dit op voortreffelijke wijze: wetenschappelijk, helder en bondig. Dank zij de hulp van eene gansche schare vrijwillige medewerkers (‘readers’ en ‘sub-editors’)1), door Murray op voorbeeldige wijze georganiseerd, maar ook dank zij de groote werkkracht van de beide redacteurs en hun staf is er reeds een aanmerkelijk deel voltooid van een werk, dat als zuiver historisch woordenboek kwalijk zijne wedergade heeft.

Zuiver historisch zal ook het woordenboek der Latijnsche taal zijn, waartoe zich thans de classieke philologie in Duitschland aangordt, op degelijk Duitsche wijze bouwsteenen aandragende in het door Wölfflin uitgegeven Archiv für lateinische Lexikographie.2) Men zou zich verwonderen, dat de toestand der Latijnsche lexicographie niet reeds lang de behoefte aan zulk een historisch woordenboek had doen gevoelen - te meer omdat men hier te doen heeft met eene doode taal, met het afgesloten geheel eener literatuur van betrekkelijk beperkten, althans overzienbaren, niet steeds aangroeienden omvang -, indien men niet wist dat in de classieke philologie het begrip van historische taalbeoefening eerst zoo laat heeft wortel geschoten.

Minder radicaal is het standpunt van Littré's Dictionnaire. Voor hem is

[p. 197]

‘l'historique’, de achter aan 't artikel in een afzonderlijke rubriek geplaatste verzameling citaten van vóór de 17de eeuw alleen middel; zijn doel blijft: de hedendaagsche beschaafde Fransche taal, voor zooveel noodig opgehelderd door de oudere taal, vooral die der classieken uit de 17de eeuw, in al haren rijkdom en zuiverheid ten toon te spreiden, maar ook te handhaven en te vrijwaren tegen dreigende ‘néologismes’.1) ‘L'érudition est ici non l'objet, mais l'instrument; et ce qu' elle apporte d'historique est employé á compléter l'idée de l'usage. C'est ainsi qu'un dictionnaire historique est le flambeau de l'usage, et ne passe par l'érudition que pour arriver au service de la langue.’2) Maar al was de geschiedenis voor Littré niet doel maar middel, en al zijn dus het beschrijvend, logisch ingedeeld, en het historisch, chronologisch geordend gedeelte niet tot één levend geheel versmolten, zijn werk - een reuzenwerk, door één man op gevorderden leeftijd ondernomen en, met supplement en al, voltooid! - zal niet alleen als model van een zeer rijk en toch beknopt, bondig woordenboek der moderne taal, maar ook als kostbare bijdrage tot een historisch woordenboek nog langen tijd onschatbare diensten bewijzen.3)

Meer historisch opgevat is het thans verschijnende Fransche woordenboek van Hatzfeld-Darmesteter, thans bewerkt door A. Thomas, dat in zeer beknopten vorm de geschiedenis van elk woord geeft, al wil het tevens door de kennis van het verleden bijdragen om de hedendaagsche taal in haar eigenaardig karakter zuiver, vrij van onfransche wendingen te houden.4)

Ook de Zweden hebben sedert eenige jaren hun historisch woordenboek, uitgegeven door de Zweedsche Academie; zij hebben daarbij hun voordeel kunnen doen met de ervaring hunner voorgangers in andere landen, daartoe

[p. 198]

opzettelijk bestudeerd.1) Het omvat de taal der vier laatste eeuwen, maar wijst toch ook het hedendaagsche goede en juiste gebruik als zoodanig aan.

Op een dergelijk standpunt, tusschen het Duitsche werk der Grimm's en het Fransche van Littré in, staat ook ons ‘Woordenboek der Nederlandsche taal’. Het is door zijnen stichter in de eerste plaats bestemd om voor de taal te zijn ‘een welingericht museum, dat al hare schatten, ordelijk ten toon gesteld, aan de geheele natie te aanschouwen en te genieten geeft’2): de schatten van de schrijftaal, zooals zij door de voornaamste schrijvers gebezigd en veredeld is, maar ook van de hedendaagsche beschaafde en zelfs gemeenzame spreektaal. De oudere taal zou voornamelijk dienen tot verklaring en opheldering der tegenwoordige; thans geheel verouderde woorden uit de 16de, 17de en 18de eeuw zouden niet opgenomen, verouderde beteekenissen achteraan of tusschenin, bij wijze van noot of aanmerking vermeld worden. Ook zou de Redactie, als een goed directeur van dit ‘Taalmuseum’, de onechte voorwerpen, d.i. de barbarismen, er buiten sluiten of ze in een hoek zetten, uitgemonsterd met een waarschuwend bordje ‘Aanm.’ De synoniemen zou zij opzettelijk in den breede behandelen. In dit alles ziet men meer gelijkenis met Littré dan met Grimm. Doch De Vries, hoezeer een geboren en getogen classicus van den ouden stempel, had toch aan den anderen kant ook te zeer den invloed der historische taalstudie ondervonden om niet der volkstaal van den aanvang af eene vrij ruime plaats te gunnen; bovendien was hij zelf door zoo nauwe banden met de philologie onzer middeleeuwsche en zeventiende-eeuwsche taal verbonden, dat hij gaandeweg meer naderde tot eene meer historische opvatting, al gevoelde hij later levendig het verschil tusschen zijn werk en een zuiver historisch als dat van Murray. Zijne opvolgers, de tegenwoordige redacteuren zijn hem op dien later door hem ingeslagen weg welberaden gevolgd; zij streven er naar om - zonder ontrouw te worden aan het verleden en aan het oorspronkelijk doel van het werk: de systematische beschrijving van den woordenschat der hedendaagsche spreeken schrijftaal - van de wording en ontwikkeling dezer taal uit de oudere een historisch tafereel op te hangen, en zoo, in aansluiting aan Verdam's Middelnederlandsch Woordenboek, de pragmatische geschiedenis der Nederlandsche woorden gedurende de laatste vier eeuwen te geven.

Zoo opgevat heeft een woordenboek - en niemand zal 't, naar ik vertrouw, mij ten kwade duiden dat ik hier en in 't vervolg dikwijls bepaaldelijk het oog heb op ons Woordenboek der Nederlandsche taal - twee zijden: eene wetenschappelijk-historische en eene artistiek-practische, volkomen in overeenstemming trouwens met den naam ‘Taalmuseum’, door De Vries zoo gaarne aan zijn werk gegeven. Immers een ‘museum’ dient zoowel de wetenschap als de kunst (of kunstnijverheid). En ik behoef den naam van het ‘Ethnographisch Museum’ slechts te noemen om er aan te herinneren hoe

[p. 199]

die beide soms met elkander om den boventoon kunnen dingen of zelfs overhoop liggen, en te doen begrijpen hoe het ook in een ‘Taalmuseum’ niet altijd gemakkelijk is aan beide gelijkelijk den vollen eisch te geven. Hiermede hangt ook samen het vraagstuk hoe ver het recht, de plicht en de macht van een (historisch) woordenboek gaat om woorden aan te bevelen of af te keuren, te doen aannemen of verwerpen: eene quaestie die ik thans echter ter zijde moet laten. Liever wil ik hier eenige der steeds talrijker en hooger eischen die aan een wetenschappelijk-historisch woordenboek heden ten dage gesteld worden en enkele bezwaren die daarmede gepaard gaan wat meer van nabij beschouwen.

 

Ik zal niet in den breede uitweiden over de eischen van het groote publiek, dat ook van een (al of niet dus betiteld) ‘Groot Woordenboek’ niet veel meer verlangt dan eene korte en bondige inlichting over de spelling, het geslacht of de beteekenis van een vreemd of een minder gewoon, ‘raar’ woord1) en vooral een stellig antwoord op de gewichtige vraag of een of ander woord ‘goed’ is, of men het ‘mag’ gebruiken en neerschrijven; het publiek, dat - wat de voorstanders van nieuwe spelling en taalindividualisme ook beweren - een gezag verlangt waaraan het zich gaarne wil onderwerpen,2) maar dat in de geschiedenis van een woord gewoonlijk geen belang stelt, en dat ten slotte, evenals de uitgevers, bovenal spoedige bewerking en afwerking wenscht. Het begeert een beknopt antwoord op een zeker klein getal van vragen, en wordt dus licht wrevelig over breedvoerige behandeling van andere punten die zijn zoeken maar bemoeielijken; al is het aan den anderen kant, waar het zoekt, niet gediend van eene al te sobere bewoording die den lezer veel inspanning vergt, of van verwijzingen naar andere werken, maar alleen van eene omstandige, voor ieder duidelijke uiteenzetting.3)

Letterkundigen, kunstenaars willen in een woordenboek, behalve hetgeen het groote publiek er van eischt, inzonderheid fraaie aanhalingen uit de beste, vooral de nieuwste schrijvers, en allerlei dichterlijke samenstellingen vinden; zij zijn dan ook verontwaardigd, wanneer zij er een citaat uit een hedendaagsch dag- of weekblad in aantreffen, dat immers onwaardig is toegelaten te worden in dezen ‘bloemhof der poëzie’4)! Natuurlijk zal een

[p. 200]

woordenboekschrijver, ceteris paribus, niets liever doen dan de lezing of raadpleging van zijn werk veraangenamen door de aanhaling van fraaie, beroemde of ook maar algemeen bekende passages, die iedereen hier òf verwacht, òf blijde is terug te zien, òf met vreugde voor 't eerst ontmoet, ‘passages... which... intersperse with verdure and flowers the dusty deserts of barren philology’1). Maar het is aan den anderen kant ook duidelijk dat dergelijke overwegingen voor hem eerst in de tweede plaats komen, en dat zijne keuze allereerst bepaald wordt door het antwoord op de vraag of een citaat van zekere omschreven beteekenis een juist en ondubbelzinnig voorbeeld geeft, dat het bestaan dier beteekenis staaft of ze nader toelicht; eveneens dat hij, ondanks zijne overtuiging dat de dagbladschrijvers (met loffelijke uitzonderingen trouwens) de ergste en gevaarlijkste taalbedervers zijn, vooral voor een woord uit het moderne leven soms eene aanhaling uit eene courant gaarne zal opnemen, wanneer de beteekenis daarin duidelijker uitkomt dan in een ander uit een vermaard auteur, of ook wanneer hij geen enkel ander citaat bezit en het waarschijnlijk elders ook onvindbaar zou zijn!

Wij philologen eindelijk verwachten of hopen althans in een woordenboek niet alleen de verklaring van verouderde woorden of beteekenissen te vinden, maar ook de uitlegging van moeilijke plaatsen uit meer en minder bekende dichters en prozaschrijvers, soms zelfs de verbetering eener verkeerde lezing of eener drukfout, althans de vergelijking van andere uitgaven.2) En al is een duidelijk overzicht ook ons welkom, wij zullen over 't algemeen eer klagen over te groote beknoptheid en onvolledigheid dan over groote uitvoerigheid: wij zien ons ongaarne het materiaal voor een of ander onderzoek onthouden.

Ziedaar eenige (lang niet alle) eischen die van verschillende kanten aan een woordenboek gesteld worden. En - geen dezer kan men volslagen onbillijk noemen; tot op zekere hoogte en naar vermogen moet aan alle voldaan worden! Doch ik wilde deze eischen slechts terloops aanroeren, om meer opzettelijk te spreken over enkele andere die de lexicograaf zich bij den voortgang der wetenschap met steeds grooter klem zelf stelt, met het oog op hetgeen hem, als zoodanig, persoonlijk het grootste belang inboezemt: de geschiedenis der woorden.

Over die eischen is een paar jaar geleden door niemand minder dan Hermann Paul eene belangrijke academische verhandeling geschreven, die als 't ware de voorlooper en de aankondiger mag heeten van zijn kort daarna verschenen Deutsches Wörterbuch: een werk, nieuw en eigenaardig
3)

[p. 201]

van aanleg, waarin hij, de algemeene taal bekend onderstellende, zich voornamelijk er op toelegt al hetgeen belangrijk is voor de geschiedenis van de beteekenissen der woorden in het Hoogduitsch in een kort bestek mede te deelen. De Nederlander kan hierbij niet zonder genoegen opmerken, dat menige eisch, door Paul in die verhandeling gesteld, niet alleen in het Engelsche, maar ook in het oudere Nederlandsche Woordenboek van den beginne af of later meer en meer in 't oog gehouden is. Verschillende der in het volgende door mij aangeroerde punten zijn ook door hem behandeld. Hoe aangenaam het voor mij was bij iemand als Paul instemming te vinden met sommige reeds lang gekoesterde denkbeelden en wenschen, het schijnt mij daarom noch ongeoorloofd, noch overbodig ze ook hier, met het oog op onze taal en in verband met andere opmerkingen, ter sprake te brengen.

 

Wat den oorsprong der woorden betreft, is een gedeelte onzer taak in den laatsten tijd zeer verlicht door de etymologische onderzoekingen en de samenvatting harer uitkomsten in verschillende etymologische woordenboeken, waarnaar men voor eene breedere uiteenzetting mag verwijzen, zich vergenoegende met eene beknopte mededeeling der vaststaande resultaten of der voornaamste gissingen. Immers voor breedvoerige navorsching van oude, in verschillende Indogermaansche talen bestaande woorden heeft een algemeen woordenboek geen ruimte; en het is er ook niet de geschikte plaats voor. Het publiek zal zijne gewoonlijk niet geringe nieuwsgierigheid naar dien geheimzinnigen hoogeren oorsprong der woorden met dit weinige moeten te vreden stellen, moeten leeren inzien dat deze wetenschappelijke vraagstukken niet altijd vatbaar zijn voor eene beknopte behandeling, en dat het begrijpen er van meer en meer allerlei bijzondere kundigheden vereischt. In allen gevalle heeft m.i. Hildebrand volkomen te recht betoogd1), dat voor een woordenboek als het Duitsche (en ik voeg er bij: ook het Nederlandsche), hetwelk de geschiedenis der woorden in eene nog levende taal behandelt, de zekere en nadere verwantschap en vergelijking met andere woorden binnen de grenzen van het Germaansch van veel grooter gewicht is dan de verderaf liggende, vaak onzekere verwantschap met de overige Indogermaansche talen en de hoogere oorsprong van zulk eene groep. Doch al kan men de uitvoerige behandeling daarvan meestal veilig overlaten aan de bijzondere etymologische woordenboeken, er blijft nog genoeg te doen met de talrijke daarin ontbrekende woorden die, hoewel alleen in het Nederlandsch voorkomende, toch soms overoud zijn, en met de in ouderen en jongeren tijd aan andere talen ontleende woorden.

 

De etymologie geeft echter niet meer dan het punt van uitgang: de geschiedenis van het woord in onze taal moet dan pas volgen. Het is dus natuurlijk dat in een historisch woordenboek de etymologie nauwelijks van zooveel gewicht is als de chronologie en de topographie der woorden.

[p. 202]

Wanneer en waar is een woord het eerst voorgekomen? wanneer en waar is het in de algemeene taal ingedrongen? dat zijn de vragen waarop zoo nauwkeurig mogelijk antwoord gegeven moet worden. De methode en de eischen worden hier inderdaad hoe langer hoe strenger. De Vries en Littré stelden zich meestal tevreden met eenige citaten uit de goede schrijvers van den classieken tijd: het begeerig zoeken om eerst en vooral het oudste voorbeeld, het eerste openbaar optreden van een woord te vinden dagteekent van later, toen de philologie, de eruditie grooter aandeel en stem in den arbeid kreeg. Eerst Murray is begonnen stelselmatig vóór alle citaten een jaartal te plaatsen en alles meer statistisch in te richten.

Dat onvolledigheid van materiaal hierbij het grootste bezwaar is spreekt vanzelf.1) Voor ons Nederlandsch Woordenboek zijn b.v. de bouwstoffen uit de 16de eeuw maar al te dikwijls gering, ja onbeduidend, ofschoon toch juist in die eeuw niet alleen de kunsttaal der rederijkers vol is van nieuwe afleidingen (die trouwens grootendeels slechts korten tijd bestaan hebben), maar vooral ook in de taal der volksdichters vele zoogenaamd ‘nieuwe’ woorden ‘opduikeu’ (d.w.z. uit den bodem der volkstaal, waarin zij wellicht reeds eeuwen bestaan hebben, naar de oppervlakte komen, en ‘in druk verschijnen’). En hoeveel kan niet van de vondst van één citaat, den schakel soms tusschen twee beteekenissen, afhangen! Het kan een gansch artikel omverwerpen, nopen tot verbinding van twee artikels of tot splitsing van een reeds persklaar artikel in tweeën.2)

En hoe meer men van het historisch besef doordrongen wordt, hoe meer men althans tracht niet alleen aan de woorden der algemeene spreek- en schrijftaal, maar ook aan de vaktermen in dit opzicht hun eisch te geven. Immers ook deze hebben eene geschiedenis, zij komen ook in de oudere

[p. 203]

taal, en niet altijd in dezelfde beteekenis als thans, voor; eene bloote opgave hunner hedendaagsche beteekenis is dus nauwelijks voldoende. Hoewel men hier licht afdwaalt op het donker en doornig pad der geschiedenis van allerlei vakken, kan men toch vaak door aanhaling van oudere woordenboeken (die soms als getuigen eene onschatbare waarde hebben), maar vooral door raadpleging van oudere werken over die vakken (als b.v. vestingbouw, scheepsbouw, scheepvaart), van plakkaat- en keurboeken, landrechten, oude reisverhalen, reglementen, zoo noodig met voorlichting van deskundigen, vrij wat mededeelen over de geschiedenis van menigen term.1) Voor de wetenschappen, meestal tot in onze eeuw in de taal der geleerden behandeld, zijn hier veel minder bronnen aanwezig, en zijn zij trouwens ook minder noodig, daar eo ipso de Nederlandsche termen hier betrekkelijk jong (en ook dikwijls onvast) zijn; toch bevatten voor enkele vanouds of later populaire vakken als geneeskunde, kruidkunde en natuurkunde de werken van Van Beverwijck en Palfijn, Dodoens, Van Musschenbroek e.a. een (soms zelfs verbijsterenden) schat van gegevens.

Niet alleen het oudste, maar ook het jongste citaat is dikwijls van belang, nl. om te kunnen aantoonen hoe lang een thans verouderd woord nog (althans in de schrijftaal) geleefd heeft, of wel om te staven dat een woord heden nog leeft. In het laatste geval mag en moet echter soms een voorbeeld, door den lexicograaf aan zijne eigene spreektaal ontleend, of ook zijne bloote verzekering volstaan; immers waarom zou hij voor een woord uit de nog levende algemeene spreektaal ook zijn eigen taalgevoel niet mogen raadplegen? Mits hij slechts niet zijn rol van objectief waarnemer vergeet en dus in geval van twijfel telkens zijn taalgevoel toetst aan dat van anderen. Zulke oudste of jongste citaten strekken soms minder tot nadere toelichting eener beteekenis (het voorname doel in een woordenboek als van Littré) dan wel tot bewijs van het bestaan er van in zekeren tijd (zooals bij Murray).

Soms moet men zich hierbij hoeden voor het gevaar een schijnbaar of kunstmatig leven voor het werkelijke, natuurlijke aan te zien. Vooreerst zijn er die hun schijnbestaan alleen danken aan eene onjuiste redeneering of ook aan de vruchtbare verbeelding van een gezaghebbend woordenboekschrijver: door slaafsche, oncritische opvolgers overgenomen, kan zulk een ‘dictionaryword’ soms een lang, taai leven hebben. Maar ook zijn er woorden, die, in de volkstaal of de beschaafde spreektaal reeds lang dood, toch vaak nog lang daarna worden geschreven; sommige leven alleen als historische term, als naam eener verouderde zaak voort, of herleven schijnbaar voor korten tijd, bij archaïseerende dichters of in historische romans. Andere hebben reeds geruimen tijd in de volkstaal bestaan voor zij in de schrijftaal worden toege-

[p. 204]

laten, of blijven na hunne verbanning uit deze nog lang in gene voortleven. Ongelukkig kan men voor het verleden, dat men alleen uit geschriften, niet uit de levende taal kent, deze ‘staatverwisselingen’ der woorden, deze onderlinge betrekking tusschen schrijf- en spreektaal slechts in enkele zeldzame gevallen constateeren door een stellig getuigenis uit dien tijd of door de vergelijking van de taal der volksliteratuur met den meer deftigen stijl.1) Maar voor het heden heeft men natuurlijk zijn eigen taalgevoel als criterium.

Zulk een schijnbaar in de schrijftaal levend woord is b.v. nnl. gulgauw. Tot dusverre is het in de oudere taal slechts op ééne plaats bij Hooft gevonden, in eene niet overduidelijke opvatting; daarna ontmoet men het eerst in onze eeuw weder eenige malen bij Potgieter, Bosboom-Toussaint en Schimmel; en hoewel hunne opvatting eer schijnt overeen te stemmen met gul + gauw, dan met de beteekenis bij Hooft, is de gissing toch zeker niet gewaagd, dat deze drie schrijvers uit het tijdperk onzer romantiek, vurige vereerders onzer zeventiendeëeuwsche letterkunde - wellicht Potgieter het eerst, en de anderen in navolging van hem - dit woord van den Muider Drost gelezen, slechts ten halve verstaan, en, naar hun eigen taalgevoel verwrongen, zelf gebezigd hebben. Op deze zonderlinge wijze herboren, heeft het woord toch (op 't papier) zekere levenskracht getoond: ook Hooyer b.v. heeft het nog veel later gebruikt.2)

 

De topographie, de herkomst van een woord heeft natuurlijk vooral belang voor die tijdperken, waarin de schrijftaal nog niet in die mate voor alle (Nederlandsche) schrijvers één en dezelfde was of zij vertoonde nog vrij wat gewestelijke verschillen. Zoo zal men b.v. door na te gaan bij welke schrijvers een woord als vaak vroeger wel, bij welke het niet voorkwam, kunnen aantoonen van waar en wanneer het als geriefelijk wisselwoord naast dikwijls in de algemeene schrijftaal is doorgedrongen (hoewel de Hollandsche spreektaal het nog steeds niet als gewoon erkent). Iets dergelijks is het geval met schuren en boenen, schoorsteen en schouw en dergelijke woordenparen; op den lexicograaf rust de plicht om wat hem uit zijn materiaal blijkt omtrent de herkomst van zoodanige woorden opzettelijk te vermelden of althans door de citaten duidelijk te doen uitkomen. Niet zelden stemt het verschillend gebruik der oudere schrijvers te dezen opzichte op verrassende wijze overeen met den toestand dien ons de dialecten nog heden ten dage te zien geven; gewoonlijk heeft de schrijftaal dan later eene keus gedaan, of anders beide woorden behouden, maar onderscheiden3). Enkele malen zullen hierbij de taalkaarten van Noord-Nederland goede diensten kunnen bewijzen, gelijk zij reeds eens, bij de onderscheiding van boterham,

[p. 205]

brugge en stik, gedaan hebben; woordenboek en taalkaart, verleden en heden, vullen elkander hier aan en stellen in verband met elkander de geschiedenis der woorden en der schrijftaal in 't licht.

Waar het Zuid-Nederland geldt is deze ‘plaatsbepaling’, deze ‘woordengeographie’ van dubbel gewicht, zoowel om het aandeel der zuidelijke gewesten aan de vorming onzer gemeenschappelijke schrijftaal te leeren kennen, als om de eigenaardige verhouding der hedendaagsche schrijftaal in België tot de spreektaal ginds en hier te beoordeelen. Het is bekend dat de Zuidnederlandsche schrijvers tot aan de 17de eeuw een grooten, ja overwegenden invloed op de Nederlandsche schrijftaal hebben geoefend, doch, na het verbreken van den band en het geregeld verkeer met de noordelijke gewesten aan zich zelf overgelaten, hunne taal meer en meer onder den dubbelen invloed van hunne tongvallen en van het Fransch hebben moeten ontwikkelen, totdat zij in onze eeuw vóór en na 1830 telkens weer aansluiting aan het Noorden hebben gezocht. Die onnatuurlijke groei der schrijftaal in Zuid-Nederland maakt het thans voor ons moeilijk in hedendaagsche Zuidnederlandsche geschriften het vanouds inheemsche van het later uit de tongvallen, uit het Fransch, en uit Noord-Nederland ontleende te onderscheiden. Daarom is het niet zonder belang in de aanhalingen uit den ouderen tijd waar te nemen hoe b.v. het oude znw. breede in de 16de en nog in de 17de eeuw door Brabanders, Vlamingen en Zeeuwen gehandhaafd wordt, terwijl bij de Hollanders breedte doordringt, dat dan eindelijk in spreek- en schrijftaal zegeviert. Iets dergelijks is het geval met paroniemen als gewisse (Brab., Vl. Zeeuwsch, Zuidholl., later alleen in poëzie), geweet (Zeeuwsch) en geweten (Noordholl., en later het gewone woord der spreek- en schrijftaal.)1) Op zulke verschillen dient nauwkeuriger gelet te worden dan tot dusverre geschied is.

Nog op een ander punt raakt de lexicographie aan de aardrijkskunde: ik bedoel bij de behandeling van benamingen als waard, geest, marsch, ham, kling, broek, horst, bol, schor, gors, haaiman, zijp, nes, enz. Soms kan hierbij het gebruik dezer woorden door schrijvers uit verschillende streken eene welkome bevestiging geven van hetgeen omtrent hunne verspreiding en beteekenis door geschieden aardrijkskundigen in oorkonden en kaarten gevonden is; gewoonlijk echter zal de lexicograaf omgekeerd van dezen moeten leeren, en zullen dus onze Nomina geographica Neerlandica voor hem eene bron van wetenschap zijn.

Deze eisch om de grenzen van tijd en plaats zoo nauwkeurig mogelijk te trekken, strekt zich niet alleen uit tot de geheele woorden, maar ook tot de verschillende vormen en beteekenissen van elk woord. Bij de vormen is het natuurlijk niet te doen om de gedaante van het woord in schrift, de spelling: deze is alleen belangrijk voor zooverre zij ons den gesproken klank afbeeldt (of soms ook maar laat gissen). Daarom is eene zoo nauwkeurige en uitvoerige rekenschap dier verschillende spellingen als het Engelsche Woordenboek geeft zelden noodig voor eene taal als de onze (en het Hoog-

[p. 206]

duitsch), waarin uitspraak en schrift voorheen en thans zooveel dichter bij elkander staan dan in het Fransch of Engelsch en waar een bloot verschil in spelling gemakkelijk te onderkennen is van een werkelijk verschil in de levende taal, in de uitspraak. Evenmin is de geregelde aanwijzing der hedendaagsche uitspraak bij ons een vereischte.1) Maar in sommige gevallen, b.v. bij de woorden waarin nnl. ui niet ontstaan is uit ogerm. û, zooals lui, duit, huik enz., behoort natuurlijk liefst vóór aan het artikel opzettelijk te worden aangegeven in welken tijd, in welk gewest of bij welken schrijver de verschillende spellingen (u of eui of ei enz.), die hier wel degelijk verschillende uitspraak aanduiden, voorkomen.2) Het is waar dat de lexicograaf hier gevaar loopt te verdwalen op het gebied van den grammaticus; ook mag men niet van hem eischen dat hij dergelijke kwesties op afdoende wijze uitmake: daartoe zou men eigenlijk een om zoo te zeggen volledig apparaat, een gelijkmatig uittreksel der literatuur uit alle tijden en plaatsen of althans bijzondere woordenboeken of statistieken der vormen (en beteekenissen) bij alle schrijvers moeten bezitten.3) Maar wel mag men verlangen dat hij van het hem ter beschikking staande materiaal voor de geschiedenis van het woord (dat na hem niet licht iemand anders in dien omvang bijeen zal hebben) ook voor dit doel behoorlijk partij trekke, en zoodoende den grammaticus, etymoloog of dialectoloog materiaal voor zijn onderzoek in handen geve.

Ook met betrekking tot de beteekenissen dient er wel gelet op verschillen in tijd en plaats. Ik bedoel hiermede natuurlijk in de eerste plaats het zoo nauwkeurig mogelijk bepalen sedert en tot hoe lang en waar eenige beteekenis is gangbaar geweest. Zoo is het b.v. niet onverschillig te weten tot hoe lang en waar breien, in de algemeene bet.: vlechten (van netten, bloemkransen, haar enz.) gebezigd werd, van wanneer de thans gewone, bijzondere toepassing in de algemeene taal dagteekent, en bij wie en onder welken invloed in de 17de en 18de eeuw een figuurlijk gebruik in den zin: brouwen, ‘berokkenen’, veroorzaken voorkomt.4) Maar er is meer. Het

[p. 207]

kan zich voordoen dat citaten waarin een woord nagenoeg dezelfde beteekenis heeft of schijnt te hebben toch behooren tot naar tijd of plaats verschillende rubrieken. Een woord kan b.v. in de 17de eeuw bij den Zeeuw Cats, in de 18de bij de Zeeuwsch-Noordhollandsche juffrouwen Wolff en Deken, en daarna in de 19de bij den Vlaming Conscience voorkomen in schijnbaar dezelfde opvatting, terwijl toch het gebruik bij den laatste veeleer uit eene navolging van het Fransch, als een Vlaamsch gallicisme, dan uit eene voortzetting der Hollandsch-Zeeuwsche traditie te verklaren is.1) Soms moet men hier wel afgaan op den persoonlijken indruk, dien eene of andere aanhaling maakt, op eene zekere intuïtie, of op algemeene overwegingen, ontleend aan de ervaring bij het werk opgedaan.

 

Maar niet alleen zijn er grenzen van tijd en plaats te trekken: er zijn ook, allereerst in de hedendaagsche, maar ook zooveel mogelijk in de oudere tijdperken, verschillende, met de maatschappelijke groepen overeenkomende taalkringen te onderscheiden: de algemeene beschaafde spreektaal, de hoogere, dichterlijke stijl (het ‘artiestenidioom’, zooals 't tegenwoordig minder fraai genoemd wordt), en aan den anderen kant de gemeenzame spreektaal, de volkstaal, de straattaal, de gewestelijke taal, en voorts de termen van wetenschappen, kunsten, bedrijven enz.2): dit alles moet nauwkeurig onder-

[p. 208]

scheiden en als zoodanig aangewezen worden; ook op de verschuivingen, die er in verloop van tijd te dezen opzichte plaats grijpen, dient gelet. Trouwens dit alles spreekt eigenlijk vanzelf, hoewel Paul het niet overbodig acht er, met het oog op Grimm's Woordenboek, den nadruk op te leggen.1)

Noodig, althans zeer gewenscht, maar voor de oudere taal niet altijd gemakkelijk is ook de onderscheiding tusschen het algemeene, gewone, ‘usueele’ en het bijzondere, persoonlijke, ‘occasioneele.’2) Het laatste moet als zoodanig aangeduid en uitgemonsterd worden: niet alleen de ἅπαζ εἰρημένα, zooals Hooft's latinismen, de ongewone woorden of een ongewoon gebruik van bekende woorden, maar ook soms eene bijzondere toepassing of kleur die een woord op algemeen bekende plaatsen aan het verband ontleent (het laatste natuurlijk met de noodige beperking). Immers zulk een persoonlijk, occasioneel gebruik kan door anderen nagevolgd worden en zoodoende binnen zekeren kring, soms zelfs algemeen in gebruik komen. Trouwens alle verandering van taal begint immers met navolging door anderen van hetgeen eenmaal voor 't eerst door één persoon gezegd is; doch bij de gesproken taal is dit meestal niet in elk bijzonder geval na te gaan: hoe zelden toch kan men den auteur van een of ander nieuw, in de mode komend woord (zooals b.v. fiets) of van een opkomend woordgebruik op 't spoor komen! Waar het woord in de schrijftaal gefixeerd is gaat dat beter; en daarvan is hier natuurlijk in de eerste plaats sprake. Ook heb ik hier niet zoozeer het oog op figuurlijke, ongemeene uitdrukkingen als b.v. een kerk van ongekorven hout, naar 't schijnt door Hooft gevonden, en door Vondel, en later weer door Ten Kate nagevolgd3), of een gezonken dal, Vondel door Anslo ‘nagezongen’4): zulke uitdrukkingen blijven vanzelf beperkt tot den zoogenaamden hoogeren stijl. Ik bedoel het gebruik van nieuwe woorden of beteekenissen uit de algemeene taal, als b.v. het bovengenoemde gulgauw, of het bnw. bekomzaam dat, naar 't schijnt door Busken Huet naar zijne bekomst van iets hebben tegen alle gebruik in gevormd en éénmaal in een veelgelezen boek gebezigd, uit die ééne plaats zich inderdaad in vrij ruime kringen, zelfs der spreektaal, verbreid heeft5); of het gebruik van blond als epitheton voor duinen bij De Génestet, oogenschijnlijk naar Hooft6) gevolgd. Zoo is er veel wat, voor 't eerst bij Vondel, later bij de epigonen van het eind der 17de en het begin der 18de eeuw als herinneringen aan Vondel voorkomende, alleen in de schrijftaal en dan nog slechts gedurende zeker tijdperk, geleefd heeft. Men zou verkeerd doen met zoo iets daarom als in dien tijd algemeen gebruikelijk voor te stellen. Ook hier kunnen wij voor de oudere

[p. 209]

taal, die wij alleen uit geschriften kennen en niet aan ons hedendaagsch taalgevoel vermogen te toetsen, slechts zelden, door vergelijking van verschillende soorten van schrijvers, bij benadering het onderscheid tusschen het algemeene en het bijzondere (of zelfs kunstmatige) vaststellen.

 

Een punt waarop in den laatsten tijd van verschillende zijden1), in verband met de woordbeschrijving, opnieuw met nadruk de aandacht is gevestigd, is de eigenlijk reeds afgesleten waarheid dat woorden niet op zich zelf staan, maar in verbinding met andere leven en dus invloed op elkander oefenen. Vele dier verbindingen van znw. met bnw., ww. of voorz. zijn min of meer vast geworden. Deze staande, of ook maar zeer gewone uitdrukkingen2) dienen aangewezen, ook al wordt de beteekenis der woorden er niet door gewijzigd. Zoo zullen, om een paar zeer eenvoudige voorbeelden te noemen, bij uitnoodiging afzonderlijk vermeld moeten worden uitdrukkingen als: eene uitnoodiging aannemen, - afslaan, gevolg geven aan -, bedanken voor eene uitnoodiging. Verder is 't zeker niet van belang uitdrukkelijk b.v. aan te geven, dat gaan in de meest gewone beteekenis zoowel van menschen als van dieren wordt gebezigd3), maar wel in hoeverre eten ook van dieren gezegd wordt; niet bij dood eene onderscheiding en verdeeling te maken naar gelang het onderwerp een mensch, een dier of eene plant is, maar wel b.v. dood hout en dood vleesch afzonderlijk te noemen (evenals natuurlijk, in eene andere afdeeling, eene doode taal en eene doode stad). Al de vragen nu, die zich bij een woord of een zijner vormen of beteekenissen voordoen, kunnen eigenlijk bij elke zoodanige verbinding, die één geheel, als 't ware een nieuw woord voor een bepaald begrip of eene schakeering uitmaakt, opnieuw gesteld worden: hoe oud? wanneer en waar, in welk gewest of bij welken schrijver het eerst? overgenomen of nagevolgd naar eene vreemde taal? hoe ver in de algemcene taal doorgedrongen? enz. Het spreekt echter vanzelf dat de beantwoording van al deze vragen beperkt wordt door de eischen der practijk, die een te grooten omvang verbieden.

 

Van groot gewicht, hoewel niet altijd voldoende in 't oog gehouden, is hierbij de invloed van vreemde talen. Ik behoef er niet op te wijzen dat deze invloed niet alleen blijkt uit de met huid en haar overgenomen ‘vreemde’, maar evenzeer, wellicht nog meer uit de menigte van nagevolgde woorden (o.a. vele namen van abstracte begrippen enz.). Doch ook onder

[p. 210]

de vaste verbindingen, overdrachtelijke en figuurlijke uitdrukkingen, zegswijzen en spreekwoorden1) zijn er veel meer dan men zou meenen vertaald uit andere talen of ten minste ons met andere talen gemeen. Wanneer men bij de bewerking van een of ander groot artikel voor ons Nederlandsch Woordenboek bij een Franschen, Duitschen en Engelschen collega de overeenkomstige woorden naslaat, staat men verbaasd over het aantal Nederlandsche uitdrukkingen die men in eene of meer dier talen terugvindt. Dat het Hoogduitsch sedert lang op het Deensch en Zweedsch, sedert eene eeuw ook op het Nederlandsch grooten invloed heeft geoefend, evenals het Fransch in de laatste eeuwen op de overige Romaansche talen en ook op het Nieuwgrieksch, zoodat b.v. de wetenschappelijke taal dezer kleine natiën grootendeels overgenomen, vertaald of nagevolgd is naar de talen dier beide ‘Culturvölker’: dit is welbekend en kan niemand verwonderen; het is een blijk van het overwicht en den invloed van volkeren met eene oudere of althans verder gevorderde, meer verfijnde beschaving en met eene rijker literatuur op volkeren die hun achternastreven. De grootere rijkdom dier ‘cultuurtalen’ bestaat niet, althans niet alleen, zooals vroeger sommige statistici, meenden in het getal woorden der woordenlijst, maar veeleer in het aantal der verschillende beteekenissen en opvattingen en de fijnheid der schakeeringen, kortom den grooteren, rijkeren inhoud van elk woord; en dezen eenmaal verworven rijkdom eigenen de in dit opzicht jongere natiën zich onbeschroomd toe. Maar dat wereldtalen als het Fransch, Duitsch en Engelsch met elkander niet alleen internationale, ‘Europeesche’ woorden als sigaar en locomotief, maar ook zoovele figuurlijke uitdrukkingen en zegswijzen gemeen hebben, dit geeft een diepen indruk van het cosmopolietisch karakter onzer moderne beschaving en doet soms vragen of deze dan nu reeds zooveel gelijkgemaakt, zoo weinig eigenaardigs overgelaten heeft, dat wij het volapük, het ideaal eener volstrekte gelijkvormigheid, reeds een goed eind genaderd zijn! Zooveel is zeker dat men zich niet bewust is, hoe de meeste nieuwe talen, vooral van de kleinere volkeren, eigenlijk vol ‘barbarismen’ zitten, soms overoude die door niemand meer als zoodanig opgevat worden.

Wat onze taal betreft, na eerst, evenals alle andere Europeesche talen het Latijn en Fransch te hebben nagevolgd, heeft zij eerst veel later, maar toen ook met ruime hand, uit het Duitsch geput, vooral voor uitdrukkingen van abstracte begrippen, zoodat men mag beweren dat het Nnl. - anders dan het met bloedverwanten na verloop van tijd gaat - althans in syntaxis en lexicon, dichter bij het Nhd. staat dan het Mnl. bij het Mhd. Het Engelsch komt eerst in den jongsten tijd eenigen invloed oefenen.2)

[p. 211]

Deze invloeden moeten in het woordenboek zooveel mogelijk nagegaan en aangewezen worden. Maar hier doen zich aan den lexicograaf dezelfde vragen voor waarop de etymoloog bij eene blijkbare overeenkomst in vorm tusschen twee woorden reeds lang het antwoord pleegt te zoeken. Hoe moeilijk is het in elk bijzonder geval de herkomst eener overdracht, eener verbinding met zekerheid aan te wijzen, te onderscheiden wat aan twee verwante talen vanouds gemeen, wat door elk harer uit dezelfde grondbeteekenis zelfstandig ontwikkeld, wat door alle moderne talen gelijkelijk (b.v. uit het Latijn) overgenomen, en wat aan deze of gene nieuwe taal ontleend is! Iemand of zich het hoofd (met iets) breken vindt men evenzeer in het Fransch: (se) rompre la tête, in het Duitsch: (sich) den Kopf (zer)brechen, en in het Engelsch: to break one's head; in welke taal is de uitdrukking nu ontstaan en in welke is zij overgenomen? Iemand of zich breken (tot iets) komt reeds in de middeleeuwen bij ons voor in nagenoeg denzelfden zin als fr. (se) rompre à quelque chose en eng. to break one's (self) to something, iemand of zich in iets oefenen, aan iets gewennen; mag men het nu voor uit het Fransch of Eng. vertaald houden (fr. rompre en eng. to break beteekenen ook in 't algemeen: temmen, africhten, gewinnen?)1) Is het 't gevolg van gelijke doch zelfstandige ontwikkeling eener gemeenschappelijke grondbeteekenis, dat zoowel mnl. en mhd. kiesen als het aan germ. kausjan ontleende en dus in oorsprong met kiesen nauwverwante fr. choisir in de middeleeuwen: onderzoeken, waarnemen, zien, bevinden, doch in den nieuweren tijd alleen: uit vele uitnemen beteekenen; of heeft ook hier navolging plaats gehad? Is dreigen voor: gevaar loopen, op 't punt staan (dit huis dreigt in te vallen) ontleend aan 't Fransch of aan 't Hoogduitsch? Zijn niettegenstaande en niettemin, volkomen beantwoordende aan fr. nonobstant en néanmoins, eng. notwithstanding, nevertheless, en hd. nichtsdestoweniger, uit eene dezer uitdrukkingen vertaald, of is het gemeenschappelijk voorbeeld voor alle het Latijn geweest? Is het adversatief gebruik van woorden als intusschen, terwijl - en in de jongere taal waar2) - in het Nederlandsch zelfstandig ontwikkeld, dan wel naar eene vreemde taal nagevolgd?

[p. 212]

Het antwoord op zulke vragen is ook daardoor zoo moeielijk en onzeker, dat zoo zelden de woordenboeken der te vergelijken talen alle even ver teruggaan en even volledig zijn, en men dus op de chronologie van het voorkomen der woorden en uitdrukkingen in die talen niet te veel kan bouwen.

 

Behalve op deze vaste verbindingen en uitdrukkingen, dient ook gelet op het door het taalgevoel evenzeer waargenomen verband tusschen in beteekenis (soms tegelijk ook in vorm) verwante woorden, die dus eene semasiologische groep vormen. Niet alleen woordenparen als dik en dun, groot en klein, leven en sterven, komen en gaan, die min of meer tot de vaste verbindingen behooren, maar ook uitdrukkingen als stukmaken en stukgaan, ombrengen en omkomen, samenstellingen met onder en boven, die alleen maar eene tegenstelling uitmaken, vertoonen in den gang hunner beteekenissen, in hun gebruik zeker parallelisme, dat in een woordenboek eene gelijke en vergelijkende behandeling eischt of althans verkieselijk maakt. Zoo vormen ook de namen van lichaamsdeelen die met verkleiningsuitgang veelal gebruikt worden als benaming van het kleedingstuk dat het lichaamsdeel bedekt, zooals armpje, borstje, duimpje, halsje, lijfje, polsje, rompje, rugje, mnl. vingerling, eene groep, waarbij dezelfde overgang van beteekenis valt waar te nemen, en waarmede fr. collet, bracelet enz. vergeleken kunnen worden. Woorden als boef, knaap, knecht, jongen en fr. garçon hebben denzelfden begripsovergang van: jong manlijk persoon tot: dienaar; uit deze laatste is de latere ongunstige beteekenis van boef op dezelfde wijze ontstaan als in mnl. scalc, dorper, en kerel; en de latere schertsende, ‘melioratieve’1) opvatting van boef(je) is weer te vergelijken met die van deugniet, schalk, schelm, rakker en rekel. De begripsontwikkeling van woorden als erg, boos, kwaad, ondeugend, oolijk, snood levert vele punten van overeenkomst op, zoowel onderling als met fr. méchant en mâlin. De geschiedenis van braaf, waarvan de modernste, ironische opvatting (eerzaam, zoet en gehoorzaam, bijna: suf) lijnrecht tegenover de oudste beteekenis (woest, krijgshaftig, flink) staat, geeft een dergelijken blik op de voortdurende gedaanteverwisselingen van het zedelijk ideaal als die van vroom, en is te vergelijken met de ontwikkekeling van lat. virtus tot fr. vertu. De geschiedenis van zulke woorden is een stukje beschavingsgeschiedenis.

Uitdrukkingen als kort en bondig, heinde en verre, gnap en gnut hebben dit gemeen, dat de beteekenis van het eene, meest bekende woord zóózeer op den voorgrond is komen te staan, dat die van het andere in deze vaste verbinding en onder dien invloed gaandeweg verduisterd is, zoodat de uitdrukking eigenlijk één begrip door twee woorden schijnt uit te drukken, pleonastisch wordt, en ten slotte soms het overheerschte woord ook alleenstaande in de beteekenis van het andere, overheerschende gebezigd wordt: heinde, eig.
2)

[p. 213]

dichtbij, wordt thans gemeenlijk gelijkbeteekenend met ver geacht; bondig, klemmend, krachtig wordt zeer vaak voor kort gebruikt.1)

Bij vergelijking van nnl. brassen met slempen, smeren, smodderen, smullen, hd. schmausen e.a. blijkt dat in al die ww. de beteekenissen: morsen, ploeteren en die van: gulzig en overdadig eten, zwelgen naast elkander staan. Woorden als gerei, getouw, (ge)tuig, boel, bras, brui, goed, spul en vele andere dergelijke, hoewel van verschillende grondbegrippen uitgegaan, vertoonen zooveel overeenkomst in lotgevallen, dat het zeker de moeite loont ze met elkander te vergelijken en daarbij ook na te gaan hoe b.v. bras, althans in Noord-Nederland, door het jongere boel verdrongen is. De ww. die beteekenen: een hoogen toon voeren, als brallen, brommen, snoeven, snorken, zwetsen, bluffen, boffen, pochen, puffen, zijn bijna alle oorspronkelijk min of meer klanknabootsende aanduidingen òf van een (met neus ef mond) gemaakt geluid òf van een doffen klap op iets opgeblazens; zooveel mogelijk moet deze groep van ‘synonieme wortels’2) op ééne plaats vermeld, en bij de andere daarnaar verwezen worden.

De laatstgenoemde woorden behooren reeds min of meer tot die soort van woorden, voornamelijk frequentatieve ww., die een indruk door iets in de natuur, meestal eene met geluid verbonden beweging, op de zintuigen gemaakt, min of meer rechtstreeks in klanken trachten af te beelden of uit te drukken, te ‘verklanken’, de zoogenaamde ‘onomatopeeën’ of ‘verklankingen’3), zooals bobbelen, brobbelen, borrelen, bortelen, gobbelen, pruttelen, en ook minder rechtstreeks ‘klanknabootsende’ als dommelen, tintelen, wemelen enz. Die woorden hebben zekere eigenaardige moeielijkheden gemeen: zij zijn of schijnen eerst in een jonger tijdperk ontstaan4), zijn moeielijk te omschrijven, omdat de indrukken op verschillende zintuigen er niet altijd scherp onderscheiden5), vaak ‘ondereengedommeld’ worden, en ook moeielijk tot eene

[p. 214]

vaste begripskern en een zuiveren, etymologischen oorsprong te herleiden; het is inderdaad, zooals een mijner collega's het eigenaardig, noemt ‘taalgelei’, men heeft er geen houvast aan. Men krijgt hier, veel meer dan bij andere ‘wortels’ of woordengroepen, den indruk dat eerst later uit een onvast, vlottend, vaag begrip, door beperking en vooral door wat Bréal noemt ‘la loi de répartition’, voor het eene woord deze, voor het andere gene toepassing voortgevloeid is en zich gevestigd heeft.1) Iets dergelijks nemen wij trouwens ook elders waar, b.v. in de syntaxis, waar onhelder gedachte constructiën, in de kindsheid van menschen en volkeren gewoon, zooals die ἀπὸ ϰοινοῦ of een gebruik als dat van mnl. ende voor allerlei doeleinden, in latere perioden verdwijnen om plaats te maken voor eene meer nauwkeurige, logische zinsvorming. De bekende theorie van Jespersen gaat immers, als ik mij niet bedrieg, van dezelfde gedachte uit.

Zijn de genoemde groepen alleen verbonden door eene overeenkomst in aard, beteekenis en lotgevallen, en staan zij daardoor den lexicograaf niet altijd dadelijk voor den geest en ter beschikking, andere vertoonen, hetzij al of niet ten gevolge van gemeenschappelijken oorsprong, van etymologische ‘verwantschap’ (in den gewonen zin des woords) niet alleen in beteekenis, maar ook in den vorm eene gelijkenis. Hier heeft de domme alphabetische volgorde, die den lexicograaf menigmaal dwingt een knoop door te hakken welken hij liever geduldig ontwarde, en die daarna eensklaps zijne belangstelling eischt voor eene geheel andere reeks van woorden, verschillend in aard, oorsprong en dus ook in behandeling van de vorige, - hier heeft die alphabetische orde althans dit voordeel, dat het zijne aandacht vestigt op deze overeenkomst in beteekenis èn in vorm tusschen zekere al of niet verwante woorden. Zoo lokt eene reeks van woorden als knobbel, knod(de), knoest, knoet, knol, knoop, knop, knor, knorf, knot, knots, knotten, knuist, knuppel, knuttel, knutterig vanzelf uit tot eene vergelijkende beschouwing van overeenkomst en verschil in hunne beteekenis. En zoo geeft de achtereenvolgende behandeling der met gl- en gn- beginnende woorden als glibberen, glijden, gleep, glippen en gnokken, gnarren enz. gelegenheid en aanleiding te wijzen op de naast deze woorden bestaande bijvormen met sl- en l-, sn- en n- als slibberen, slede, leep, snokken, nokken enz. Dat de met hetzelfde voorvoegsel of bijwoord gevormde ww. vele trekken van gemeenschap vertoonen spreekt vanzelf; en zij zijn dan ook in ons Nederlandsch Woordenboek in verband met elkander en op grond van eene afzonderlijke systematische beschouwing van dat eerste lid behandeld.2) Maar ook waar van eigenlijk gezegde ‘verwantschap’ geen sprake kan zijn blijkt de uitwendige gelijkenis, vooral in den beginklank, op de beteekenis niet zonder invloed te zijn. Zoo is het zeker geen toeval dat er zoovele met br- aanvangende woorden zijn die een krachtig geluid, maar tegelijk ook een: trotsch prijken, zich trotsch en ver-

[p. 215]

waand gedragen, of ook: zich laten voorstaan op iets, bluffen enz. aanduiden, zooals brallen, brammen, bremen, bremmen, brieschen, brommen, bronken, bruischen en nog vele andere (benevens vormen met pr- als pralen, prijken, pronken). Niemand zal er aan denken deze woorden, en nog minder de gelijkbeginnende en ten deele gelijkbeteekenende brageeren en braveeren, in den gewonen zin des woords ‘etymologisch verwant’ te noemen; doch bij de behandeling en vergelijking dezer woorden dringt zich onweerstaanbaar de gedachte op, dat er in dien beginklank iets moet zijn dat die woorden bijzonder geschikt maakt om deze begrippen uit te drukken. Deze begrippen behoeven trouwens niet aan alle van den aanvang af eigen te zijn geweest; zij kunnen van het eene ww. op het andere overgedragen, enkele ww. eerst later in dezen kring van ‘verklankingen’ getrokken zijn; zonder twijfel hebben b.v. braveeren en brageeren, die, hoewel van gansch verschillenden oorsprong, in vorm en beteekenis reeds sterk op elkander geleken, elkander aangetrokken, totdat ze in beteekenis nagenoeg geheel aan elkaar gelijk geworden zijn. Ware 't niet dubbelzinnig, men zou zulke woorden ‘zin- en klankverwant’ willen noemen.1)

Zoo moet in 't algemeen, overal waar daartoe aanleiding bestaat, eene vergelijkende behandeling van het gelijksoortige de bestaande parallelieën in 't licht stellen, het oog vestigen op de semasiologische woordengroepen, op de verschillende onderlinge verbintenissen en betrekkingen tusschen de woorden. Zoodoende zal een woordenboek met het practisch gemak der alphabetische volgorde eenige voordeelen van de systematische groepeering der stof vereenigen, of deze althans voor anderen gemakkelijk maken. En hiertegen is slechts één, doch zeker gewichtig, bezwaar: de plaatsruimte en het oponthoud, die het gedurig onderzoeken en aanwijzen dezer vergelijkingen en analogieën kost. Inderdaad wordt men èn door het plaatsgebrek èn door de onzekerheid der juiste onderlinge verhoudingen dikwijls gedwongen zich te vergenoegen met eene algemeene vergelijking, aan het hoofd van 't artikel, tusschen eenige woorden, zonder voor elke beteekenis of uitdrukking telkens in bijzonderheden het voorbeeld of het analogon te kunnen opgeven.

 

Het behoeft nauwelijks gezegd dat de indeeling en ordening der aanhalingen en der beteekenissen een der voornaamste maar ook moeielijkste gedeelten van den woordenboeksarbeid is2), waarbij zich allerlei vragen voordoen als: vallen de historische en de logische volgorde hier samen?3) zoo neen, welke moet hier aangenomen, of hoe zijn die twee het best met elkander te vereenigen? Immers het is er niet slechts om te doen de verschillende beteekenissen, elk afzonderlijk, achter elkander te behandelen!

[p. 216]

Wat Littré als ‘une des originalités’ van zijn Dictionnaire noemde en roemde: ‘la règle de ranger les acceptions dans leur ordre naturel, c'est-à-dire en commençant par la plus directe et en terminant par la plus détournie’ (Ét. et Glan. 416) is thans slechts een eerste, vanzelf sprekende eisch, waaraan wij nog andere eischen of althans wenschen vastknoopen. Wij willen in de aaneenschakeling en dooreenstrengeling der beteekenissen de geheele geschiedenis van het woord zien: hoe die verschillende opvattingen zich groepeeren rondom en laten verklaren uit zekere hoofdbeteekenissen, hoe hier een oudere en een jongere opvatting dooreenspelen, daar een oude beteekenis alleen nog voortleeft in een enkele gewestelijke uitdrukking en zooveel meer van dien aard.

Een der neteligste punten is zeker het vinden der juiste criteria voor de verdeeling. De eene beteekenis gaat zoo ongemerkt in de andere over, dat men nergens eene grens ziet; toch blijkt aan het eind der reeks van citaten de beteekenis een gansch andere geworden. Er moeten één of meer lijnen getrokken worden; doch waar? Welke onderscheidingen berusten niet op ‘occasioneele’, althans niet-essentieele punten van overeenkomst en verschil tusschen de aanhalingen, maar zijn in overeenstemming met de werkelijke geschiedenis der woorden; welke criteria zijn - dat is de proef op de som - als toetssteenen onfeilbaar, zoodat alle citaten, er aan getoetst, zonder twijfel rechts of links van de aangenomen grenslijn vallen?

Verschillende momenten kunnen tot eene verdeeling aanleiding geven, en deze verdeelingen kunnen elkaar kruisen. Zoo kan b.v. breken opgevat worden als: het stuk maken, verbreken van iets, het verdeelen van een geheel, het doorbreken van eene hindernis, het af- of uitbreken van een stuk van of uit een geheel, het buigen of stuiten van iets dat wordt voorgesteld als in rechte lijn voortgaande of onveranderd voortdurende, of het verstoren der eenheid van iets; en elk dezer opvattingen kan weder figuurlijk genomen worden. Doch deze verdeeling wordt gekruist door de historisch en semasiologisch niet belangrijke, maar voor het gemakkelijk overzicht altijd aanbevelenswaardige verdeeling in transitief en intransitief. Hoe nu deze beide verdeelingen aan te nemen, zonder in al te wijdloopige herhalingen te vervallen? Dikwijls heeft men reden om het te betreuren dat men genoodzaakt is alles achter, onder elkaar te drukken, waardoor twee hoofdbeteekenissen die, als nauw verwant, dicht bijeen, naast elkaar behoorden te staan, van elkander gescheiden worden door eene lange reeks oneigenlijke en figuurlijke opvattingen der eerstgenoemde; men zou dan wenschen de onderlinge betrekking en historische ontwikkeling graphisch aanschouwelijk te kunnen voorstellen in een schema of stamboom.1)

Ook doet de voortgang der wetenschap soms nieuwe gezichtspunten ontdekken, waaruit men de beteekenissen kan onderscheiden en verdeelen. Zoo is het m.i. na de onderzoekingen van den laatsten tijd over het onderscheid tusschen duratieve en perfectieve of inchoatieve opvatting der beteekenis van

[p. 217]

ww., plicht om waar in het Nederlandsch van deze onderscheiding nog een spoor is overgebleven en te bespeuren valt, zooals b.v. bij met praefixen samengestelde ww. als opstaan, afzitten, bovendrijven enz., bij ww. met ge- als geliggen, genieten, gerusten en bij verl. deelw. als geglommen, gezeten, dit uitdrukkelijk aan te wijzen.1)

Bij deze verdeeling en ordening van een woordenboeksartikel zou men gaarne willen steunen op, en zoo noodig verwijzen naar eene algemeene, systematische beteekenisleer of semantiek en naar eene leer der Nederlandsche woordvorming. Wat de eerste betreft, het ontbreekt niet aan pogingen tot systematiseering2); doch of het ooit zal gelukken de bonte menigte van verschijnselen tot een organisch geheel te verbinden staat te bezien. Voor het tweede hebben wij Nederlanders natuurlijk nog altijd veel aan het 2de en 3de deel van Grimm's Grammatik, sedert eenige jaren ook aan Wilmanns' Deutsche Grammatik, en voorts aan Kluge's Nominale Stammbildungslehre. Doch eene systematische en historische behandeling van de geheele woordvorming, van alle nominale en verbale voor- en achtervoegsels, van de samenstellingen, koppelingen enz., iets als het Traité de la formation de la langue (française), door Hatzfeld-Darmesteter als inleiding op hun woordenboek beloofd, zou inderdaad een weliswaar zeer moeielijk, maar ook dankbaar werk zijn, dat in eene behoefte voorzag.

 

Na de verdeeling komt de juiste omschrijving en bepaling van iedere beteekenis. Hierover ten slotte slechts een enkel woord.

Is het reeds niet gemakkelijk den omvang van een begrip, den inhoud van een woord juist en zuiver waar te nemen, zoowel de citaten als zijn eigen taalgevoel zoo objectief mogelijk te raadplegen, dit laatste desnoods critisch te onderzoeken door het te toetsen aan dat van anderen en aan de citaten, en er zoo het persoonlijk, individueel element uit te verwijderen3); het is evenmin altijd gemakkelijk hetgeen men heeft waargenomen en in zijnen geest ziet juist, volledig, duidelijk en beknopt4) te bewoorden, met vermelding van alle essentiëele en met verzwijging van alle toevallige, bijkomende kenmerken5). Niet zelden kan hier, na de omschrijving, het

[p. 218]

noemen van synonieme of gelijkwaardige inheemsche woorden, van een vreemd equivalent, of van eene tegenstelling1) goede diensten bewijzen, ook zonder dat men zich waagt aan eene breedvoerige en nauwkeurige synonymiek.

Eigenaardige bezwaren levert de definitie van de technische termen der verschillende vakken van wetenschap en kunst, van nijverheid, handel, landbouw, zee- en krijgswezen enz. Die woorden kosten dikwijls de meeste moeite en zijn bovendien voor menigen lexicograaf de onaantrekkelijkste, ja soms ware cruces, omdat hij hier zijne kennis van zaken (die hem geenerlei belang inboezemen) door tijdroovende mondelinge of schriftelijke raadpleging van deskundigen, dus uit de tweede hand moet opdoen of aanvullen, waardoor hij altijd het onzekere en drukkende gevoel behoudt zich op vreemd terrein te bewegen, geen stap alleen te kunnen doen en anderen te moeten napraten of naschrijven. Bovendien is het gewrocht van al die navorschingen toch meestal iets, dat door deskundigen onvolledig en dus maar gedeeltelijk juist, kortom onvoldoend, half werk wordt geoordeeld, terwijl het publiek voor dergelijke zaken toch altijd meer vertrouwen stelt in vakwoordenboeken of handboeken en dus bij voorkeur deze raadpleegt. Netelig en voor verschillende beantwoording vatbaar is dan ook de telkens terugkeerende vraag hoe ver men moet gaan in het opnemen en verklaren dier woorden, waar dus de grens ligt tusschen een algemeen ‘taalkundig’ woordenboek en eene encyclopaedie of een vakwoordenboek.

Doch moeilijker nog is soms het juist en zuiver waarnemen van een verouderd woord, eene oudere beteekenis of opvatting uit de algemeene taal. Hier heeft de woordenaar aan zijn eigen taalgevoel niet genoeg, maar moet hij trachten na te voelen (‘nachempfinden’) wat men zich vroeger bij dat woord voorstelde, zich den vroegeren gedachteninhoud voor den geest te brengen, zich in den gang en kring der denkbeelden van het voorgeslacht te verplaatsen. Geen wonder zoo hij zich dikwijls bewust blijft hierin, hetzij door gebrekkig materiaal hetzij door eigen gebrekkig inzicht, tekort te schieten, niet tot de eigenlijke kern door te dringen2), en daardoor gevaar te loopen te verbinden of te scheiden wat voor onze voorvaderen niet of wel bijeenbehoorde; het onvermijdelijk gevolg is dan eene valsche voorstelling van den toenmaligen toestand, en dus ook van de geschiedenis van het woord tot op den huidigen dag.

[p. 219]

En ten slotte blijven er dan dikwijls eenige citaten over, waarin de beteekenis van het woord duister is, of die niet willen passen in een der gereedgemaakte vakjes, omdat zij eene beteekenis vertoonen die geheel op zich zelf schijnt te staan, buiten eenig verband met de reeds bekende; of wel er komen achterna citaten bij, die meer dan eene opvatting zouden toelaten, of die tot wijziging der definitie, soms ook der verdeeling nopen; een groot getal aanhalingen van zeker gebruik doet vragen of dit indertijd werkelijk zoo algemeen is geweest, dan of dit gezichtsbedrog is en die citaten alleen het bijzonder gebruik staven eener groep van toevallig zeer ruim vertegenwoordigde schrijvers, dat voor de geschiedenis van betrekkelijk ondergeschikt belang is1). Mag deze beteekenis, welks bestaan door één citaat uit de 16de eeuw bewezen wordt, rechtstreeks aangeknoopt worden aan gene schijnbaar nauw verwante, waarvan alleen één dialect in onzen tijd getuigenis geeft? Zelfs wanneer hij eer te veel dan te weinig, of wanneer hij een redelijk gelijkmatig materiaal schijnt te hebben, gebeurt het toch meermalen dat de lexicograaf gevoelt eenige schakels van de keten te missen, slechts enkele draden in handen te hebben van het weefsel, dat hij zoo gaarne in zijn geheel zou willen zien en ten toon spreiden.

 

Zoo zou ik kunnen voortgaan en nog vele eischen en bezwaren kunnen noemen...om dan toch te eindigen met de verklaring dat het gelijkelijk voldoen aan al die eischen door één persoon een onbereikbaar ideaal is. Doch ik zou vreezen den indruk te wekken, alsof de arbeid aan een woordenboek bij uitstek bezwaarlijk, verdrietig, vervelend en ondankbaar ware. Zoo is het inderdaad niet zelden voorgesteld, reeds door Scaliger in een bekend epigram2), later door Johnson3); en hoe zwaarder de eischen worden, hoe minder de lexicograaf zulke uitingen geheel zal logenstraffen. Ook dient erkend, dat, ondanks de vele en hooge eischen die heden ten dage gesteld worden, de arbeid aan een woordenboek eene bescheiden taak is: wetenschappelijk mozaïekwerk. De tyrannie der volslagen onwetenschappelijke, maar om practische redenen verkieselijke, ja alleen bruikbare alphabetische volgorde verhindert den lexicograaf telkens eenig vraagstuk zijner wetenschap, eene etymologische of semasiologische groep rustig en grondig van alle zijden te bestudeeren en af te handelen: wat in eene etymologische of semasiologische studie een organisch geheel kon en moest vormen, wordt in een alphabetisch woordenboek in stukken en brokken verdeeld. Een woordenboekschrijver mag niets voorbijgaan; hij moet alles aanroeren, en de uitkomsten zijner vluchtige onderzoekingen, de soms uit de tweede hand door hem verkregen

[p. 220]

inlichtingen in een kort bestek (van plaats en tijd) mededeelen. Soms heeft hij geene andere voldoening dan dat hij de overal verspreide bouwstoffen voor de geschiedenis van een woord of voor de oplossing eener bepaalde quaestie bijeenverzameld en behoorlijk geordend voor den lateren onderzoeker ter bewerking gereed gezet heeft, terwijl hij ze veel liever bewaard had totdat eene gelukkige vondst of rijper nadenken hem zelf het afdoende antwoord aan de hand gedaan had. Hij moet zich meestal vergenoegen met overal en altijd ‘bijdragen’ te leveren tot de geschiedenis der taal en tot de semantiek. Maar ook dit is eene schoone taak, waardig dat men er zijne krachten aan wijde, en rijk aan wetenschappelijk genot voor hem, die er behagen in schept en voldoening in vindt niet alleen onbekende feiten op te delven, maar ook een nog niet vermoed verband op te merken, in een schijnbaren baaierd de bestaande orde te ontdekken en aan het licht te brengen, en de historische ontwikkeling van denkbeelden en begrippen - want daarop komt het ten slotte neer - na te gaan. En mij schijnt die taak nog aantrekkelijker, wanneer het niet eene doode of eene vreemde taal geldt, maar de eigen moedertaal, de taal des vaderlands.

 

Leiden, Maart 1898.

J.W. Muller.