Taal en Letteren. Jaargang 9


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 9. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1899


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 221]

Vergelijkingen in de gesproken taal.

Het gelijken der dingen tegens malkanderen is van groot vermogen, en geeft de zaak, die in zich zelve de zelve blijft, terstond een ander aanzicht.
Vondel.

De opvatting dat de zogenaamde tropen of figuren in de taal voor 'n soort van versieringsmiddel gehouden zouden moeten worden ligt achter ons. Men heeft ingezien dat de rhetorica, de spreekkunst der Grieken en Romeinen, niets te maken heeft noch met dichtertaal noch met de taal in 't algemeen. Het heeft wel wat lang geduurd, eer 't zo ver was, maar nu staat dan toch onomstotelik vast: vele figuren en tropen hebben behoord tot de natuurlike taal en zijn niets anders dan de natuurlike uitingen van 'n bizondere stemming van de geest of 'n bizondere wijze van denken. Reeds Rabener vertelt ons in een van z'n satieren, hoe 'n jong geleerde wien 't aanleren van de eigenaardigheden van alle taal- en redekunstige figuren veel hoofdbreken gekost heeft, verbaasd staat te horen, hoe 'n tuinman die z'n zoon 'n standje schopt verschillende van die fieguren gebruikt, zonder ook maar lezen of schrijven te kunnen.

Dat van alle tropen de vergelijking de meest voorkomende is behoeft ons niet te verwonderen, waar 't vergelijken zulk 'n elementaire denkfunksie is. (Zie J.G. Talen: T. en L. VIII, blz. 178.) Aan honderde woorden - men denke bijv. aan kop, voet, arm, tand in al hun betekenissen - ligt 'n vergelijking ten grondslag. Hier is dan op de vergelijking 'n volkomen gelijkstelling gevolgd. In plaats dus van te zeggen: ‘Onder die tafel zit 'n ding als 'n poot’, wordt 't: ‘Onder die tafel zit 'n poot.’ Dat ging natuurlik alleen als 't aantal overeenkomstige eigenschappen overwegend was of scheen. Waar dit niet 't geval was, waar de overeenkomst zich tot een enkele eigenschap bepaalde, moest de hele vergelijking in woorden gebracht blijven. Zoals altijd is ook hier weer geen scherpe grens te trekken: we kunnen iemand die we ‘zo dom als 'n eend’ vinden ook eenvoudig ‘'n eend’ noemen; daarentegen een die ‘zo grijs als 'n duif’ is, geen ‘duif’. Eigenaardig is ook, dat we zeggen ‘zo rood als 'n kreeft,’ ‘zo lui, zo morsig als 'n varken’, en toch als we 'n vrouwelik individu 'n ‘kreeft’ of 'n ‘varken’

[p. 222]

noemen aan heel andere eigenschappen denken dan aan roodheid, luiheid of morsigheid.

Van die volledig uitgedrukte vergelijkingen nu bezitten we noch 'n groot aantal. Naast millioenen andere die in de loop der tijden gemaakt zijn en spoorloos zijn ondergegaan, zijn zij 't die geluk in de wereld gehad hebben. Waaraan ze dat te danken hebben moet wel voor ons tot op zekere hoogte duister blijven. Spreken ons nu noch vele van de opmerkingsgave, de fantasie en de humor van onze voorouders, andere bevredigen ons niet of liever we begrijpen ze niet, daar voor ons van tal van woorden, zo niet van alle, de oorspronkelike zin en betekenis verloren is gegaan. Voor ons zijn 't geen vergelijkingen meer: 't zijn versteende formules geworden, die we gedachteloos gebruiken. Geheel uit de levende taal, zelfs uit de schrijftaal verdwenen woorden zijn soms alleen in 'n dergelijke formule bewaard gebleven. (B.v. Lier. - Brand.)

Wat ons bij nagenoeg alle vergelijkingen in de volkstaal treft, is de schrikbarende overdrijving die er in valt op te merken. Daar echter de hyperbool niet alleen 'n gevolg van hartstochtelikheid is, maar tevens een van de goedkoopste manieren om grappig te wezen, behoeft ons deze omstandigheid niet te verwonderen.

De komiese uitwerking van sommige vergelijkingen wordt verhoogd door dat men 'n hoedanigheid, die in z'n eigenlike betekenis met iets anders vergeleken is, nu ook figuurlik zoo gaat gebruiken. Slecht gesteven linnegoed kan Moeder de verzuchting doen slaken: 't Is zo slap als 'n vaatdoek, en dat beetje overdrijving vergeven we haar graag. Maar grappiger wordt 't geval, als nu Vader straks ook de tee zo slap als 'n vaatdoek vindt, of 'n zieke van zich zelf verzekert: Ik voel me zo slap als 'n vaatdoek. Gladheid in eigenlike betekenis is een van de meest sprekende eigenschappen van de aal. Toch zal men nooit horen: de ijsbaan is zo glad als 'n aal. Maar wèl wordt de vergelijking gebruikt, waar glad z'n figuurlike betekenis van slim, geslepen heeft, en waar dus van enige overeenkomst met 't genoemde dier in de grond van de zaak wel sprake is.

Zo glad als 'n aal. - Zo heet als de bliksem. (Voor: wellustig.) - Zo geil als boter. (Als voren.) - Hij stuift op als buskruit. - Zo klaar als de dag. - Zo helder als glas. - 'n Mond als 'n hooischuur. (Verg. 'n grote mond hebben, opzetten.) - Zo lekker als kip. (Voor: welvarend.) Verg.: Zich lekker maken. (Indië.) - Zo klaar als 'n klontje. - Zo helder als kristal. - Zo kaal als 'n luis.

Voor: armoedig. Verg. kale neten. In Amsterdam als scheldwoord voor behoorlik geklede jongens (jongeheren): Kale beren. Zo bijv. in 't bij fabrieksmeiden geliefde lied:

 
Wij binne jonges van éne ploeg;
 
Wij hoeve ons niet te zieneren.
 
Geld in onze zak genoeg
 
Meer asse die kale beren.
[p. 223]

Zo vet als modder. (Voor: beschonken.) - Neergeslagen als 'n pannekoek. (Voor: bedrukt, teleurgesteld.) - Zo dicht als 'n pot. (Voor: weinig mededeelzaam.) - Zo fijn als gemalen poppestront. (Voor: overdreven vroom.) - Zo kaal als 'n rat. - Zo slap als 'n vaatdoek. (Verg. Tee als juffrouw de meid roept.) -

 

Ook de ieronie is 'n middel om 'n komies effekt te bereiken. Toch is 't aantal ieroniese vergelijkingen in de volkstaal niet bijster groot; 't volk houdt er van 't kind bij z'n naam te noemen.

Zo recht als m'n been. - Lachen, als 'n boer die kiespijn heeft. - Zo vrindelik als de deur van 't rasphuis. - Dat sluit, dat rijmt als 'n huurceel dat niet getekend is. - Zo gelukkig als 'n kat die op z'n verjaardag verdrinkt. - Dat klinkt als katoen. (Verg.: Archief v. Nederl. Taalkunde, III, 180.) - Hij is gezien als 'n rotte kool bij de groenvrouw. - Zo klaar als modder. - Zo sterk als mosterd.

Bedoeld wordt dus: niet sterk. En toch, mosterd is sterk, al is 't dan ook in 'n andere betekenis. Juist daàrin schijnt dan hier de grap te zitten.

Dat past hier als 'n tang op 'n varken. - Dat past hier als 'n vuist op 'n (blauw) oog. - Aan elkander hangen als droog zand. -

 

't Vergelijken van menslike eigenschappen en handelingen met die van dieren schijnt wel zo oud als de wereld. De fabeldichting maakt 'n onderdeel uit van haast elke literatuurperiode, en evenzo danken 'n groot aantal versteende vergelijkingen hun ontstaan aan de opmerkzaamheid waarmee onze voorouders 't leven der dieren gadesloegen. Meegewerkt heeft ook zonder twijfel de omstandigheid, dat 't vergelijken van mensen met dieren al op zich zelf 'n komies tintje heeft. Bij verreweg de meeste is 't ook voor ons nog duidelik, waarom juist dat en geen ander dier tot vergelijking genomen is. Enkele zijn er echter, waarvan de oorsprong minder of ook wel helemaal niet in 't oog valt. We zullen die dan wel te zoeken hebben in een of ander algemeen verbreid volksgeloof, dat zelf weer z'n ontstaan te danken had aan geschriften in de geest van de ouë Physiologus.

Zo vlug als 'n aap. - Als 'n bandrekel op de vloer liggen. - Zo dik als 'n beer. - Er bij zijn als de bok op de haverkist. (Verg.: Taal en Letteren VIII, 9, 422.) - Zo koud als 'n botje. - 'n Kop als 'n bul. (Voor: nijdig, rood opgezet.) - Als 'n bulhond voor de deur liggen - Stinken als 'n bunsing. - Zo grijs als 'n duif. (Alleen van baard en hoofdhaar gezegd.) - Zo dom als 'n eend. - Zo dom als 'n ezel. - Zo dom als 'n gans. - 'n Geheugen als 'n garnaal.

Waarschijnlik wel: zo klein als 'n garnaal is. In 't Duits: ein Katzengedächtnis.

Zo fris als 'n hoentje. - Zo lam, zo moe als 'n hond.

'n Hond toont z'n moeheid meer dan 'n ander dier: hijgen, tong uit de bek, enz. -

Beven als 'n juffershondje. - Zo nuchter als 'n kalf. - Kijken als 'n kat op 'n vreemd pakhuis. - Zo rood als 'n kalkoense haan. - Zo arm als 'n kerkrat.

[p. 224]

In 'n kerk is niet veel te halen. Duits ook: arm wie 'ne Kirchenmaus. -

Rondlopen als 'n kip die z'n ei niet kwijt kan raken. (Let wel: z'n.) - Er bij zijn als de kippen. - 'n Leventje als de kippetjes. - Lopen als 'n kievit. - Zo schor als 'n kraai. - Zo scheef als 'n krab. (De krab loopt scheef.) - Zo misselik als 'n krab. (Verklaring?) - Zo rood als 'n kreeft. - Zo doof als een kwartel.

Het geluid van den kwartel is zeer doordringend, zijn slag is zwaar, en laat zich verre hooren. Zou dit de reden zijn, dat men hem voor doof acht? Doove menschen spreken altijd zeer luid en meenen, dat zulks noodig is, om verstaan te kunnen worden, omdat ze zich zelven niet hooren. De kwartel zelf is volstrekt niet doof. -

Harrebomée. Nederl. Spreekwb.

 

(Duits: taub wie ein alter Specht.) Zo onnozel als 'n lam. - Zitten als 'n leeuwerik op z'n zootje (Zich alleen zitten te vervelen.) - Zo vrolik als 'n lijster. - Zingen als 'n lijster. - 'n Leventje als 'n luis op 'n zeer hoofd. - Vooruit komen als 'n luis op 'n teerton. - Zo arm als de mieren. - Zo blind als 'n mol. - Zo stil als 'n muis. - 'n Gezicht als 'n oorworm.

('n Kwaad, nijdig gezicht.) Verklaring? De Duitser merkt in 't diertje 't heimelik kruiperige, en noemt 'n lage vleier: bethulich wie ein Ohrwurm.

Zo dom als 'n os. - Lopen als 'n os voor de bijl. (Zonder voor zich uit te kijken.) - Slapen als 'n os. - Snurken als 'n os. - Werken als 'n paard.

Verg. Hengsten voor 'n eksamen. Duits: ochsen, büffeln. Ook: werken als 'n molenpaard. 'n Dik, onbehouwen vrouwspersoon wordt ook wel molenpaard genoemd. -

Zo trots als 'n pauw. - Zo dood als n pier.

Verklaring? Kan 't algemeen bekende ouë liedje van Pierlala van invloed zijn geweest:

 
Toen Pierlala lag in de kist
 
En Pierlala was dood, enz?

Men hoort in elk geval ook wel eens: Zo dood als Pierlala. - Zo mager als 'n ram. - Zo plat als 'n schol. - Zo traag als 'n slak. - Zo bezopen als 'n snip.

Harrebomée geeft: Hij is zoo dronken als 'n snip. - De watersnip is 'n nathals onder de vogels: altijd met den bek in 't water. Vandaar de vergelijking van den dronkaard met dezen vogel.’ - En dan: ‘Hij is zoo wijs als 'n snip. - Om hare vlugt wordt de snip onder de domme vogels geteld. Het opvliegen geschiedt niet, gelijk bij andere vogels, regtuit, maar met schokken: dan regts, dan links. Men bezigt daarom deze spreekwijze voor een hoofd zonder hersens. -’ De laatste uitdrukking heb ik nooit gehoord, maar ik vind bovendien, dat de verklaring veel beter bij de eerstgenoemde past. Als men zegt: hij is zo bezopen als 'n snip, dan denkt men in de eerste plaats aan de onvaste gang van de persoon in kwestie. -

[p. 225]

Zo nijdig als 'n spin. - 't Land hebben als 'n stier. - Zo jaloers als 'n tijger. - Kijken als 'n uil in doodsnood. - Zo lui als 'n varken. - Schreeuwen als 'n mager varken. - Zo stom als 't achterend van 'n varken. (Stom = dom.) - Zo gezond als 'n vis. - Zo vrij als 'n vogeltje in de lucht. - Zo bang als 'n wezel. - Eten als 'n wolf. (Verg. 'n Vretwolf.) - Zo dronken als 'n zwijn.

Eerst: zwijn als scheldnaam voor 'n dronkaard, gelijk in 't algemeen voor elk verdierlikt mens. Dan: dronken zwijn. Dan onze uitdrukking.

Zo morsig als 'n zwijn. -

 

Bij de vroeger algemene bekendheid met de bijbelsche geschiedenis hoeft 't ons niet te verwonderen, dat ook daaraan vergelijkingen ontleend zijn. Toch zijn 't er niet zooveel als men mogelik wel zou verwachten.

Wij leven hier als in Abrahams schoot. - Hij is er op als de duivel op 'n zieltje. - Zo blij als 'n engel - Zo arm als Job. - De schel gaat als 'n Lazarusklep. - Al werd ik zoo oud als Methuzalem - 'n Leven als 'n oordeel. - Zo wijs als Salomo z'n kat. -

 

Er blijven nu noch tal van vergelijkingen over die bezwaarlik in rubrieken gebracht kunnen worden. Ik geef ze dus eenvoudig in alfabetiese volgorde evenals de vorige. De meeste zijn weer duidelik, maar toch zijn er enkele waarvoor ondanks de door velen aangewende moeite nog geen bevredigende verklaring gevonden is. Hierin is naar mij dunkt niets vreemds gelegen. De aanleiding die 'n uitdrukking populair maakt kan zo gering zijn, dat die zelfs aan de waarneming van tijdgenoten ontsnapt. Om 'n voorbeeld te noemen, 'k zelf heb de bloeitijd beleefd van de uitdrukking: ‘Haast je maar niet.’ Jarenlang was dit gezegde schering en inslag, meest in de betekenis van: Dat gebeurt toch niet, dat kan je denken; maar ook als stopwoordje was 't zeer geliefd. Nu, ik zou met de beste wil van de wereld niet kunnen zeggen, waaraan die uitdrukking nu eigenlik z'n ontstaan te danken had, en toch leeft hij noch en zal mischien blijven leven. Zo ook zou ik twee jaar geleden iemand niet begrepen hebben, die me had toegevoegd: Wat zal je daàraan jokken. Nù weet ik, dat die spreekwijze moet betekenen: Dat lieg je! Maar waar en hoe hij ontstaan is, ik weet 't niet; wèl, dat ook hij zich in 'n buitengewone populariteit verheugt.

Zweten als 'n aandrager. - Zo zwart als de aarde. (Alleen van gezicht en handen.) - Hij ziet er uit, of-ie in 'n bak met spijkers is gevallen. - (Van 'n pokdalige). - Regenen of 't met bakken van de hemel gegooid wordt. - Zinken als 'n baksteen. - Hij is als de bank. (Zo betrouwbaar namelik.) - Zo brutaal als de beul. - Te keer gaan als 'n bezetene. - Zo hard als 'n bikkel. - 'n Kleur als 'n boei - 'n Kop als 'n boei = hoogrode kleur hebben.

'n Boei is 'n blok hout, aan 't anker verbonden, dat op 't water drijft, en de ligplaats van 't anker moet aanwijzen. 't Eerste spreekwoord ziet op het hooge rood, waarmede ze eertijds geschilderd werd, het volgende op den vorm, die lomp is. -

Harrebomée.

[p. 226]

Spreken als 'n boek. - Dat spreekt als 'n boek. (Van 'n vroegrijp kind of schoolvosserig mens: ‘Het boek der wijsheid spreekt.’) - Regenen of de boel kapot moet. - Zo stijf als 'n bokking.

[De gewone uitspraak is: bokkem. Hoe komt dat? Men hoort toch altijd: paling, spiering, haring, enz.] -

'n Kerel als 'n boom. - Zo helder als 'n brand. (Brand was oudtijds de naam van 'n zwaard. Ital. brando = zwaard, degen. Eigennamen als: Hildebrand, Heribrand, Hadubrand. Verg.: Taalkundig Magazijn II, 209.) - Zo zout als brem. - Praten als Brugman. - Dat sluit als 'n bus. - 't Scheelt (als) de dag en de nacht. - 't Gaat als van 'n leien dakje. - Zo stijf als 'n deur. - Zo wit als 'n doek. (Alleen van de gelaatskleur.) - Zo bang als de dood.

Hij was als de dood, dat ze 't zouën merken. Ik ben er als de dood voor, dat 't mis zal lopen. -

Er uitzien als de dood van Yperen. (Pest te Yperen. - Verg. Archief v. Nederl. Taalkunde IV, 39.) - Er uitzien als de geletterde dood. - Er net zoveel van weten als van 't uur van z'n dood. - Er uit zien als de dood op rollen.

Verbastering van de titel van 't volksdrama: De dood van Rolla, of de Spanjaarden te Peru. -

't Is alsof-ie naar z'n dood gaat. (Zò ziet-ie er tegen op.) - 't Is de dood in de pot. (Aan 't ganzebord ontleend.) - Zo scherp als 'n els. - Zo bitter als gal. - 't Lijkt er net zoveel op als m'n gat op 'n kommetje soep. - Liegen of 't gedrukt staat (is). - Zich aanstellen als 'n gek, als 'n halve gek. - Die betrekking is voor hem als geknipt. - Dat gaat als gesmeerd. - Zo zwart als ('n) git. - Zo droog als gort. - Zo eerlik als goud.

Goud behoudt van alle metalen 't meest z'n waarde, en is dus 't minst bedriegelik. Ligt hierin de verklaring? Verg. Duits: Treu wie Gold. Sicher wie Jold. -

Zo groen als gras.

Ook wel in de betekenis van onervaren. Verg. 'n groene Mof. 't Gras zit nog tussen z'n kiezen. -

Spijt hebben als haren op z'n hoofd. - 'n Kleur als 'n vuil hemd. (Wat anderen interessant bleek noemen.) - Zo mager als 'n hout. - Zo oud als de weg van Jakatra. - Zo oud als de weg van Kralingen. - 'n Kerel als Kas.

Wordt meestal verklaard als ontstaan te zijn uit Mndl. ‘als kacx,’ 'n versterking. Ook is wel aan de dichter Cats gedacht. -

Zo hard als 'n kei. - Vloeken als 'n ketter. - Kijken of je 't in Keulen hoort donderen.

Te Keulen bestond eertijds het zestiende deel der bevolking uit geestelijken. De heiligdommen waren er zoo talrijk, dat het die stad eenen grooten reuk van heiligheid gaf, en ze daarom 't Duitsche Rome genoemd werd. Bij losgebarsten donder deed het bijgeloof alle klokken der stad luiden, en daar

[p. 227]

er niet minder dan 300 waren, waaronder die van den Dom, welke 25000 pond weegt, en door 12 man getrokken wordt, zoo veroorzaakte dit zulk een oorverdoovend geluid, dat er de kracht van den donder door verloren ging. Hoorde men dan toch nog den donder, dien men door 't klokgebrom had meenen te verjagen, dan was de verbaasdheid der bijgeloovige Keulenaars ten hoogsten top gestegen. Daarom wordt dit spreekwoord gebezigd, wanneer iemand op eene onnoozele wijze zijne verbaasdheid over eene vrij natuurlijke zaak aan den dag legt.

Harrebomée.

 

Iets, iemand kunnen missen als kiespijn. - Ergens als kind in huis zijn. - Zo onschuldig als 'n pasgeboren kind. - Kijken of je 'n klap op (tegen) je gezicht krijgt. - Zo flauw of je 'n klap op (tegen) je gezicht krijgt. (Alleen van spijzen gezegd.) - Hij kijkt of-ie de een op heeft en de ander aan wil. - 'n Stem als 'n klok. - Klinken als 'n klok. (Verg. Z'n naam heeft 'n goeie klank.) - 't Gaat er in als koek. - Dat verhaal kun je rekken als kokinje. - 'n Hoofd als 'n rooie kool. - Zo teer als kraakporselein. - Zo rood als 'n kraal. - Zo droog als kurk. - Zo vlug als kwik. - Zo taai als leer. - Branden als 'n lier.

Verwijs en Verdam, Mndl. Wdb.: Lier heeft in 't Mndl. verschillende bet., als borstwering, leuning, houten bank voor 'n huis. ‘Misschien is de eene of andere van deze opvattingen bewaard in de hedendaagsche uitdrukking: branden als een lier. Wellicht is ook lier = lierboom, Duitsch Lierbaum = pinus larix. In 't Wvla. bestaan uitdrukkingen als: Het gaat gelijk eene liere op eenen stok, gelijk eene liere des Zondags, voor: L'affaire marche à merveille. Daarom is 't ook mogelijk, dat wij in de spreekwijze verkeerd toegepaste overdracht van 't muziekwerktuig moeten zien.’ Verg. Noord en Zuid IV, 108. -

Zo wit als 'n lijk. - Zo blauw als 'n long. - Zo zwaar als lood. - Staan te kijken als verdomde Louis.

Dat is: hij is het beeld der onnoozelheid. Men ziet hier op koning Lodewijk, die in alles van zijnen broeder Napoleon afhankelijk was, en dus alleen als werktuig kan beschouwd worden.

Harrebomée.

 

Vanwaar echter de uitdrukkelike vermelding van 's mans onzaligheid? Algemeen heette hij: lamme Louis. Waarom dan ook niet hier? -

'n Kleur als melk en bloed. - Zo slim, leep als 'n mens.

Wordt van dieren en kinderen, maar ook schertsend van volwassenen gezegd. -

Ik ben als 'n mal mens. (In de war.) - Zo rot als 'n mispel.

'n Mispel moet rot wezen om eetbaar te zijn. Ook figuurlik gebruikt van lijders aan veneriese ziekten. -

Hij ziet er uit of-ie zo van z'n Moesie komt. - Zwijgen als 'n Mof. - Zo vol als mud. - (mut?)

Harrebomée geeft de uitdrukking: Het was er zo vol als dook, en zegt dan: ‘Dit Groninger spreekwoord gebruikt men voor zeer vol. Dook is

[p. 228]

daar, wat in Gelderland en Overijsel mot is, elders mist.’ Als dit zo is, kan men in mud 't zelfde woord als in mot zien. Anders is 't niet erg duidelik. Zo vol als mist bestaat niet. -

Zo vast als 'n muur. - Zo lelik als de nacht. (Alleen van vrouwen gezegd. 'n Remedie tegen de liefde!) - Zo zwart als 'n nikker. (Verg. Taalkundig Magazijn II, 209.) - 'n Stem als 'n omroeper. - 't Staat zo vast als 'n paal boven water. - Zo wit als papier. - Stinken als de pest. - Zo lauw als pis. - Zo doof als 'n pot. (Die toch ook oren heeft. Frans ook: Sourd comme un pot.) - 'n Hoofd als 'n ijzeren pot.

Hoewel men 'n jongen die moeilik leert 'n harde kop verwijt, wordt deze uitdrukking toch juist gebruikt van iemand die buitengewoon veel weet. Niet van 'n wijze. -

Beven als 'n riet. - Zo bitter als roet. - Zo zwart als roet. - Slapen als 'n roos.

Hoeveel lezenswaardigs men ook bij Alewijn en Lublink omtrent deze spreekwijze vindt, geloof ik, dat men de zaak al te woordelijk opvat, en geenszins tot eene verbastering de toevlugt behoeft te nemen. Zou men, zonder gedrongenheid, van den bloeienden, in onschuld levenden jongen niet kunnen zeggen: Hij slaapt als eene roos, en verstaan er door: hij ligt zoo gerust, dat ook in den slaap de blos hem niet begeeft, maar de glans der rozen op zijn gelaat is afgeteekend?

Harrebomée.

 

Prof. Visscher neemt aan, dat de uitdrukking zou ontstaan zijn uit: Slapen als in 'n roes. En dat noch wel, waar hij haast altijd alleen van kinderen gebruikt wordt.

Hij heeft 'em staan als 'n rooverhoofdman. ('Em staan hebben = dronken zijn; maar ook...... Voor beide gevallen is de uitdrukking gebruikelik.) -

Zo geel als saffraan. - Zo zwart als de schoorsteen. - Zo zwart als 'n schoorsteenveger. - Er bij zitten als Piet Snot. - Zo wit als sneeuw. - Glimmen als 'n spiegel. - Zo mottig als 'n spons. (Scheldnaam: mottige drieëndertig.) - Zo hard als staal. - Zo trouw als staal. ('n Werktuig van staal is betrouwbaar, laat je niet licht in de steek.) - Zo hard als steen. - Zakken als 'n straal. (Voor 'n eksamen. Verklaring?) - Zo nat, zo week als stront. - Drinken, zuipen als 'n tempelier. - Kijken of je geen tien kan tellen. - Zo dronken als 'n tol. - 'n Hoed als 'n toren. - 'n Stem als 'n trompet. - 'n Gezicht als drie dagen slecht vet.

Waarschijnlik: 'n gezicht, zoals iemand trekt die drie dagen achtereen bedorven vet in z'n eten gehad heeft. In plaats van ‘drie dagen slecht vet’ komt ook voor: ‘vier duiten slecht vet, drie dagen slecht weer.’ Verg. noch: 'n Gezicht van ouë lappen; 'n Snoet van Moe. -

't Gaat er in als vet. - Zo licht als 'n veertje. - Dat is (past) als 'n vlag op 'n modderschuit. - Zo scherp als 'n vlijm (vliem). - Schelden als 'n viswijf. - Zo rood als vuur. - Geld als water. (In ons land

[p. 229]

geen wonder.) - Zo vlug als water, als 'n watertje. - 'n Kind als 'n wolk. (Wat is hier eigenlik 't tertium comparationis?) - Koken als 'n zee. - Lekken als 'n zeef. - Zo wit als zilver. -

 

Door 't bestaan van 'n zo groot aantal op dezelfde wijze gevormde taalformules, vergelijkingen waarbij geen sterfeling meer aan vergelijken denkt, zijn er nu ook verschillende uitdrukkingen ontstaan door de werking der analogie. Zo in de eerste plaats 'n paar vergelijkingen met dieren, waarbij men tevergeefs naar enige zin zal zoeken:

Zo ziek als 'n hond. - Zo nat als 'n kat. - Zo verkouen als 'n kat. - 'n Hoer als 'n paard. - De koorts hebben als 'n paard. -

Dat we met analogie-vormingen te doen hebben springt noch duideliker in 't oog bij de volgende vergelijkingen, die niet eens meer aan 'n vaste eigenschap of handeling gebonden zijn. De toorn, verontwaardiging of afschuw grijpt naar vergelijkingswoorden, die 'n zo ongunstig mogelike betekenis hebben, en zo ontstaan uitdrukkingen als:

Zo arm, zo brutaal, zo leep, zo stom, zo vroom, enz. enz. als de bliksem. - Zo bot, zo koud, zo warm, zo zout enz. enz. als de hel. - Gierig als de pest. - Liegen als de pest. -

 

't Is ons als 't ware tot 'n soort behoefte geworden, ons op 'n dergelijke manier uit te drukken. In plaats van te zeggen: Dit of dat is heel, erg, verschrikkelik .... en dan de eigenschap te noemen, beginnen we uit gewoonte met: 't is zo .... en staan dan eigenlik verlegen, wat we op de eigenschap zullen laten volgen, omdat die nu eenmaal niet bizonder typies aan 't een of ander vertegenwoordigd is. Eerlike mensen zeggen dan ook maar eenvoudig: als ... 'k weet niet wat. Maar anderen denken aan Goethes:

 
Gewöhnlich glaubt der Mensch, wenn er nur Worte hört,
 
Es müsse sich dabei auch etwas denken lassen,

en redden zich met de schone vergelijking: als daaraan toe, meest samengetrokken tot 't ene woord: asterantoe. En daarmee is dan de altijd bruikbare, ideale vergelijking bereikt.

 

A'dam

Fred. Berens.