Taal en Letteren. Jaargang 10


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 10. Haagsche Boekhandel- en Uitgeversmaatschappij, Den Haag 1900


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 74]

Studie van spraakklanken.
II.

In den vorigen jaargang van dit tijdschrift, bij gelegenheid van de bespreking van Jespersen's Phonetik, heb ik eene mededeeling toegezegd over het geen bereikt zou kunnen worden met de experimenteele methode, indien de onderzoekingen langs dezen weg uitgebreid werden. Ik zal thans mededeelen wat wij, mijn collega Zwaardemaker en ik, meenen dat men langs dezen weg kan bereiken.

Voor de kennis der historische ontwikkeling eener taal of eener dialectengroep is noodig kennis der oudere taalvormen, der woorden en zinswendingen in verschillende vroegere tijdperken van hare ontwikkeling, maar niet minder van die welke heden ten dage in gebruik zijn. De woordenschat van het levend dialect, zijne taalvormen en wijze van uitdrukking werpen dikwijls licht op wat ons duister is in hetgeen van vroeger tijden overgeleverd is; de historische ontwikkeling eener dialectengroep wordt ons te duidelijker, hoe meer men van verschillende zijden onderzoekt.

Naast mijn onderzoek der Taal, die vroeger eenmaal oostelijk van den IJsel gesproken werd, meende ik studie der hedendaagsche dialecten te moeten stellen en ik achtte het 't best hiervoor als uitgangspunt een dialect te nemen, dat ik zelf kan spreken.

Voor de bepaling der klanken van mijn eigen dialect, nl. het dialect, dat in en om mijne geboorteplaats (Vorden) gesproken wordt, voor de meer nauwkeurige opteekening van den Geldersch-Overijselschen woordenschat heb ik eerst mijn toevlucht genomen tot de akoustische methode en die van Bell-Sweet; d.w.z. ik heb door hooren, zien en voelen getracht de waarde der verschillende spraakgeluiden te weten te komen. Bij sommige klanken gelukte dit wel. Maar bij andere klanken kwam ik, hoe meer ik hoorde en hoe meer mijn waarneming geoefend werd, tot de overtuiging dat de klank niet eenvoudig,

[p. 75]

soms zelfs zeer samengesteld was, en welke nu de waarde der verschillende deelen was kon ik niet goed op het gehoor af bepalen; ik zag wel standveranderingen van den mond, maar zij waren te snel om goed geobserveerd en gedefinieerd te worden. Waar veranderingen in den mondstand plaats hebben, daar verandert de resonantieruimte van vorm en moet derhalve ook de klank veranderen. Die veranderingen van den mondstand kunnen wij thans door werktuigen rechtstreeks doen aangeven en de geschreven curven kunnen wij blijven raadplegen.

Een andere vraag die zich voordeed is: Wat is de lengte van eene syllabe, hoe lang is het vocalisch gedeelte? Is dit altijd gelijk, hoeveel verschilt het bij den een, vergeleken met een anderen persoon? Welke lengte hebben consonanten, welke lengte hebben ‘gedehnte’ consonanten of zoo als wij zeggen: verdubbelde? Zijn zij verlengd of verdubbeld? Deze en meer vragen drongen zich bij mij op.

Omtrent toonssamenstelling en duur konden de rollen van den phonograaf veel licht geven. In den phonograaf echter ontsnappen vooralsnog de consonanten aan het met mikroskoop gewapend oog. Met behulp der machines, die ik kortheidshalve Zwaardemakers-registratie-apparaat zal noemen, is het mogelijk geworden een aantal spraakgeluiden nader te bepalen. Wanneer men tevens den neusklank-registrator van Rousselot en den larynx-vibrator van Marey (den laatsten, wat de waardeering der resultaten betreft, met omzichtigheid te gebruiken, zooals ik straks zal aantoonen) aanlegt, kan men omtrent verschillende klanken nauwkeuriger inlichting verkrijgen dan alleen door de akoustische methode of die van Bell-Sweet te verkrijgen is.

Bij de studie van curven zijn wij op de volgende wijze te werk gegaan. Wij hebben eerst klankverbindingen van zeer eenvoudigen aard gezegd, z.a. ba, boe, pa, va, na, ta, toe, to, enz. Daarop zijn wij overgegaan tot woorden, waarin zich een slotconsonant bevond of waarin dezelfde consonanten terugkeerden, b.v. mama, papa, naad, boet, baan e.a. Eindelijk zijn wij overgegaan tot woorden uit verschillende klanken samengesteld en ten slotte tot korte zinnen.

Zoo zijn wij tot het beter begrijpen van de bewegingscurven gekomen en onze hieruit gewonnen ervaring heeft ons geleerd, dat wij omtrent de volgende phonetische vraagpunten langs dezen weg eenige inlichting konden verwerven.

1oover de quantiteit der vocalen: d.i. de tijdsduur van een vocaal tusschen twee consonanten, die sluiting van de kaak vereischen, of waarbij ver-
[p. 76]
andering van den stand der lippen of van mondbodem plaats heeft.
2oover de enkelvoudigheid van vocalen: verandert het vocalisch gedeelte van klank, dan zal ook de mondholte van stand veranderen en kaak- of lip- of bodemlijn zullen eene verandering in de opgeschreven lijn (curve) vertoonen. Hierbij komen dan aan den dag de overgangsklanken voor of na den domineerenden klank en de klankverbindingen, die wij diphthongen noemen.
3ode grootte der kaakopening, die, zooals bekend is, in het eene dialect aanmerkelijk verschilt van het andere.
4ogebruikt men hierbij den larynx-registrator van Marey, dan is het soms mogelijk het klinkend of toonloos karakter van vocaal of consonant te bepalen.
5oover het explosief of spirantisch karakter van dentale en labiale consonanten. In onze curven kenmerkte zich het onderscheid tusschen dentale en labiale explosiva en spirans o.a. daardoor dat bij de eerste de kaak volkomen of bijna volkomen gesloten werd tusschen vocalen, terwijl dit bij spiranten niet het geval is. (Verder heeft ons onderzoek in dezen zich nog niet uitgestrekt.)
6oover de geminatie van consonanten; of men met ware geminatie of met verlengden consonant te doen had was in de curven zichtbaar.
7ode r-trillingen die door middel van een luchttransport op een niet sterk gespannen caoutchouc-membraan werden overgebracht.
8ode nasalen, die duidelijk zichtbaar zijn door de wijze van mondbodemontspanning en die verder met behulp van den neusregistrator zichtbaar zijn.
9oook de mouilleering van n of l.
10ode l, die volgens thans geschreven curven in het Hollandsch een slagconsonant is, bij duidelijke articulatie.
11ode blählaut, waarbij ook weder, als hij werkt, de larynx-registrator diensten kan bewijzen.
12ode invloed van consonanten op voorafgaande of volgende vocalen.
13ode verzwakking of wijziging die zij ondergaan bij slappe articulatie (slordige uitspraak).
14ode expiratie, die wij registreerden door in een papieren trechter te spreken aan een buis met luchtkussen en inscripteur verbonden.

De hier volgende curven, ongeveer ½ der grootte geven de registratie van woorden door twee personen A en B gesproken. Ik zal de beteekenis van eene der curven nader aangeven.

[p. 77]

De kleine golflijn geeft den tijdsduur aan: 10 golvingen = 1 seconde. Bij enkele curven komt onderaan eene lijn voor door het signal electrique veroorzaakt. Bij twee is ook de expiratie geregistreerd.

Van de verdere lijnen is in den regel de bovenste de lijn der kaakopening; elke daling dezer lijn geeft eene opening der kaak aan, stijging de sluiting der kaak.

De volgende lijn is die der lippen; zijn er twee lipcurven dan geeft de bovenste lijn de beweging der bovenlip, de tweede die der onderlip aan. Elke verheffing dezer lijn wijst op verdikking of stulping der lippen.

De onderste dezer lijnen wijst de beweging van den mondbodem aan.1)

Alvorens te beginnen met spreken wordt door eene beweging der organen op iedere lijn een verticale boog gezet, die als nulpunt dienst doet, van waaruit de schrijfstift zijne beweging aanvangt, welke lijnen dus als uitgangspunt voor de berekeningen dienst kunnen doen.

Beschouwen wij thans ééne groep meer in het bizonder, nl. Piet eet een pit; Eet Piet pitten?

De kaak is eerst geheel gesloten, de lippen zijn in rust, de bodem is niet gespannen.

Bij P wijken de kaken iets van een, de lip wordt vooruitgebracht en de bodem begint zich te spannen, om bij de t zijn hoogste punt te bereiken.

Waar de p in î overgaat opent zich de kaak, de lippen trekken zich sterk terug en de bodem is sterk gespannen. Bij het einde der î, die hier monophthong (een rechte lijn) is, wordt de kaak terstond gesloten, de lippen komen iets naar voren en de bodem trekt samen en ontspant zich, het laatste bij de explosie der t. Hierna blijft de kaak een oogen blik gesloten.

Bij eet daalt de kaaklijn, de kaak opent zich dus, de lijn der lippen daalt, de bodem rijst; bij t rijzen de kaaklijn en de liplijn, terwijl de bodemlijn na sterke stijging daalt bij de explosie der t.

Daarop sluit de mond zich zeer kort. De kaaklijn daalt weinig, de

[p. 78]

lip verheft zich en de bodem stijgt; uit de verheffing van de liplijn blijkt dat de klinker die met de ee van een wordt aangewezen een ŭ-klank heeft.

Bij de volgende n wordt de kaak gesloten (blijkens de stijging der lijn), de lip echter wordt niet voor dentale gesteld, maar met het oog op de volgende p, waarvoor de lippen gestulpt blijven, in labiaalvorm.

Na de explosie der p wordt de kaak sterk geopend (de kaaklijn daalt) en ook de liplijn daalt, de bodemdruk wordt sterker zoolang de i duurt; de druk is echter niet zoo sterk als bij î van Piet.

Bij de t sluit zich de kaak, de lip blijft strak, maar verheft zich na de explosie der t, die ook in de kaak zichtbaar is; de bodemlijn is laag geworden en begint gedurende de spanning, die volgt, te stijgen tot de explosie der t.

De ee in Eet is langer dan die in den vorigen zin, en is niet volkomen monophthongisch, blijkens de beweging die tijdens de vocaal door de kaak en door de lippen gemaakt wordt.

Bij de t stijgt de kaaklijn, de liplijn daalt en evenzoo bij de explosie de bodemlijn; de beide laatste stijgen terstond weder bij de p. Wanneer de kaak voor î geopend wordt daalt de lijn weder, ditmaal niet sterk, de mond is dus niet sterk geopend, de liplijn daalt (de lip wordt teruggetrokken) en blijft laag ook bij de volgende t. De bodem stijgt bij p en is het hoogste bij ie en het begin der t om bij de uiting der t opeens te dalen. Bij t en p is de kaak gesloten. Bij p stijgen lip- en bodemlijn; de laatste is ook nog hoog bij de volgende i. Deze is in de kaaklijn zichtbaar door een vrij sterke daling, terwijl ook de liplijn opeens daalt. Bij de tt rijst de kaaklijn, worden lip en bodemlijn na eene kleine verheffing laag. Bij deze tt is eene dubbele beweging waar te nemen. De kaak opent zich weinig bij de e, de lijn komt iets vooruit, de bodem stijgt en ontspant zich bij de explosie der n, waarbij de kaak gesloten wordt.

Uit deze analyse van eene der curven blijkt m.i. voldoende dat op deze wijze aan te wijzen is waar de verschillende klanken aanvangen en eindigen. Hierdoor wordt het bij gevolg mogelijk om den duur van consonanten en sonanten met eenige nauwkeurigheid te bepalen.

Uit de hierboven aangegeven punten wil ik dit punt nog iets nader toelichten en ik zal de langte van enkele vocalen in cijfers opgeven.

Reeds in 1883, en opnieuw in 1893, heeft Sievers in zijne Phonetik4 § 642 e.v., waar hij bij de indeeling der vocalen in overkorte, korte,

[p. 79]

lange en overlange, de metingen van vocalen in het dialect van Reutlingen door Ph. Wagner gedaan bespreekt, op de noodzakelijkheid van nauwkeurige metingen der vocalen gewezen. Nu door de belangrijke onderzoekingen van Hirt en Streitberg over de accentuatie, aan lange vocalen en diphthongen een duur van drie morae, aan korte een duur van twee morae is toegekend (Hirt Der Indogerm. Akzent p. 62 en 63) is het volstrekt noodig te onderzoeken welke vocalen in de levende taal tot de lange, welke tot de korte gerekend mogen worden. Dit onderzoek is niet zoo eenvoudig, want de lengte is niet altijd gelijk en is soms afhankelijk van bijomstandigheden, zooals o.a. de emphase waarmede een woord wordt uitgesproken, de meerdere of mindere nadruk, die op een woord gelegd wordt, de plaats, die het woord in den zin inneemt.

In de volgende bladzijden heb ik getracht den tijdsduur der vocalen voor de klanken in sommige woorden te bepalen. Natuurlijk is dit nog verre van voldoende om hieruit bepaalde conclusies van algemeenen aard te trekken. De enkele opmerkingen, die ik bij deze cijfers geef, moeten dan ook opgevat worden als alleen geldende voor het tot nog toe waargenomene. Waar ik thans eenige resultaten van onderzoek op zoo beperkte schaal mededeel, doe ik dit in de hoop dat ook anderen zich opgewekt zullen gevoelen tot dit onderzoek, want alleen door de klanken bij verschillende individuen en in verschillenden spreekrythmus te meten, zal men tot zekere resultaten en tot kennis van den algemeenen toestand kunnen komen.

Door middel onzer instrumenten zijn curven opgeteekend van woorden in de Nederlandsche conversatietaal gesproken, van woorden in dialect gesproken, en van woorden door een Franschman gesproken (deze curven heb ik elders behandeld, hier deel ik alleen de metingen mede.)

Uit deze curven heb ik thans eenige genomen, die in de algemeene conversatietaal gezegd zijn door twee Nederlanders, twee (1 en 3) geboortig uit Holland, de andere uit het oosten van het land, doch sinds lang niet meer daar woonachtig. De woorden werden gesproken vóór het plan om den duur der vocalen te onderzoekon bij ons was opgekomen. De zinnen werden in den gewonen spreektoon gezegd.

Zij zijn de volgende:

Zij maten met twee maten. Piet eet een pit. Eet Piet pitten? Wat raad, sprak Clara; en de op zichzelf staande woorden leefde, leven, baan, boen, ban, bang, bank, baat, boet, bat, boei, bit, biet, bet.

[p. 80]



illustratie



illustratie

[p. 81]



illustratie



illustratie

[p. 82]



illustratie



illustratie



illustratie



illustratie

[p. 83]



illustratie

1)


illustratie

2)3)


illustratie

N.B. Met - is nasaleering der vocaal bedoeld.

[p. 84]



illustratie



illustratie



illustratie

[p. 85]

De lengte van de verschillende deelen dezer woorden zijn, gemeten op de er onder staande tijdmaat, met behulp van den nonius in seconden en onderdeelen van seconden uitgedrukt. Er kunnen natuurlijk fouten in deze berekeningen zijn; naar ik meen zullen deze zich bepalen tot fouten in de honderste deelen der seconden.

Voor ons oor gelijkklinkende vocalen zijn, naar deze maten oordeelende, niet altijd even lang, en evenmin is een, in de spraakkunst, lang genoemde vocaal altijd langer dan eene zoogenaamde korte; (vgl. Sievers Phonetik § 642) het omgekeerde kan zelfs het geval zijn.1) Wordt een klank met emphase gezegd dan is deze meestal langer dan wanneer dit niet het geval is, vgl. Eet Piet pitten met Piet eet ĕn pit. En eindelijk een op zich zelf gezegd woord heeft een anderen meest veel langeren tijdsduur dan een woord in een zin; een gevolg waarschijnlijk van de speciale aandacht die er aan gewijd wordt.

Hierbij wil ik nog eene opmerking voegen, die ik gemaakt heb bij het gebruik van het electrisch signaal, dat de larijnxvibraties controleert.

Bij sommige vocalen, o.a. bij de Hollandsche a die met sterk geopenden mond gezegd wordt, werkte het maar zelden regelmatig en bijna nooit zonder sterke inspanning van den phoneerende. Waarschijnlijk is de oorzaak daarvan hierin te zoeken, dat deze a sterk uitgestooten wordt en niet voldoende in den larijnx resoneert om eene geregelde trilling van het signaal te doen ontstaan.

Werd de mond minder geopend, zoodat de klank meer kreeg van dien der vocaal, die in het Geldersch-Overijselsch in deze woorden gehoord wordt, dan begon het te werken. Over het algemeen werkte het beter bij vocalen met weinig geopenden mond, waarbij sterker inwendige resonatie aanwezig is.

Het is dus te betwijfelen of het signal electrique wel alle vocalen of deelen van vocalen nauwkeurig genoeg controleeren kan. Ik noem hier deelen van vocalen, omdat, evenals wij het bij de hollandsche a opmerkten, er ook bij andere vocalen componenten of onderdeelen zijn,

[p. 86]

waarbij de stembanden en vooral de wanden van den larijnx niet voldoende in trilling zijn om het signal te doen vibreeren, Bij fluisterstem b.v. is er geen trilling en toch is er wel klank. Nu zijn er vocalen, die met fluisterstem eindigen. Bij verschillende vocalen met overgangsklank (glide) vooral in sleepend gesproken dialecten schijnt zulks het geval, evenals bij de e muet in het Fransch. In de curven die de bewegingen van den mond uitdrukken is deze vocaal of dit vocaaldeel echter altijd zichtbaar. Wij mogen dus besluiten, wanneer het signal electrique geschreven heeft, dat er trilling van de stembanden geweest is, maar in het omgekeerde geval, en wanneer de curven der beweging er op wijzen, mogen wij nog niet altijd afwezigheid van klank aannemen.

Er zijn gevallen, waarin de vocaal niet uit een enkelen klank gevolgd door een korten overgangsklank bestaat, maar waar de vocaal uit twee deelen bestaat die weinig in klank, maar wel in toonshoogte verschillen, b.v. bij vocalen in die syllaben die men in het Duitsch zweigipflig noemt (vgl. Sievers Phonetik4 § 544). Men vindt ze in de Fransche vocalen met circumflex, en ook in sommige Nederlandsceh dialecten b.v. Geldersch-Overijselsch lillustratieopen: oo (in notenschrift, waarbij het cijfer onder de lijn de waarde aangeeft van de noot er boven) illustratie; stillustratieenen, illustratiee illustratie; in het Noord-Hollandsche dillustratieag illustratie, soms ook illustratie.

Bij de laatste is het nu eens het eerste deel, dan het tweede deel dat den langeren duur en soms een hoogeren toon dan het voorgaande heeft.1)

Deze klanksamenstellingen verraden zich altijd in de curven en komen wel het sterkst uit in die, welke de bewegingen van de kaak en de lippen registreeren. De grootte en vorm van de mondopening

[p. 87]

(door kaak of lippen bepaald) staan in verband met de toonshoogte. Wanneer nu het onderscheid tusschen a en â, e en ee niet in verschil van tijdsduur schijnt te liggen, zal men het wellicht langs dezen weg kunnen vinden. De heer L.P.H. Eykman te Amsterdam, die hierover onderzoekingen heeft ingesteld, zal spoedig in staat zijn hierover nadere inlichtingen te geven.

Daar ik het wenschelijk vond dat deze vraag ook langs anderen weg onderzocht werd, richtte ik tot Dr. Boeke te Alkmaar, bekend door zijne onderzoekingen van phonographische glyphieken, het verzoek mij mede te deelen, welke gegevens hij had omtrent den duur van korte en lange vocalen. Uit zijn antwoord bleek mij, dat hij eveneens dan eens korte vocalen en lange vocalen met langeren tijdsduur, dan weder met korteren tijdsduur had aangetroffen. Zoo was b.v. de aa in vervaardigd, phonograaf dan eens 0.12 dan eens 0.14 sec., terwijl de a van acht, Jan, eveneens 0.12 sec. duurde. De o in op duurde 0.14 sec. terwijl de oo in oord slechts 0.11 sec. lang was. Alle vocalen bevonden zich in zinnen op dezelfde rol, waren door denzelfden spreker gezegd.

Wil men de vocalen wat den toon en den duur van den toon betreft registreeren, dan verdient het de voorkeur den phonograaf te gebruiken, gelijktijdig met de registratie-instrumenten der beweging. Wij hebben reeds enkele onderzoekingen hiermede ingesteld en hieruit bleek dat niet alle deelen van den vocaal ten opzichte van den toon gelijke waarde hebben. Soms is het begin zwak, terwijl ook dikwijls de laatste periodes zwakker en zwakker worden. Maar ook zonder den phonograaf zal men op deze wijze met meer zekerheid de lengte kunnen berekenen dan alleen door het signal électrique.

Dr. H. Schmid-Wartenberg, heeft, in de Indogerm. Forsch. 7, 211, metingen van Litausche klanken medegedeeld. Zijne resultaten heb ik bij het overzicht mijner metingen kort aangegeven.

Later hoop ik hierop terug te komen, wanneer ik over een grooter aantal gemeten vocalen, door meer personen gesproken dan thans het geval is, kan beschikken. In elk geval meen ik hiermede te hebben aangetoond, dat het mogelijk is den duur van vocalen en consonanten nader te bepalen. Dat het wenschelijk is dergelijke metingen te doen met het oog op de vraagpunten, die de quantiteit der vocalen betreffen, zal wel niet ontkend worden.

Utrecht, November, 1899.

J.H. Gallée.

[p. 88]

Inhoud van Tijdschriften:

De Nieuwe Gids, jrg. 5, Febr. 1900, o.a.: Mauritius, Honger. - Dr. J.H. Leopold, Verzen. - Willem Kloos, Liefde. - W. van Meurs, Idylle. -
De Gids, Febr. 1900, o.a.: Pr. A.G. van Hamel, Dichter-silhouetten. Maurice Maeterlinck. - Henri Borel, De laatste incarnatie. - Hélène Lapidoth-Swarth, Sonnetten. -
Elzevier's Geïll. Maandschr., afl. 2, Febr. 1900, o.a.: J.H. Speenhoif, Het slechte wijf van den doodgraver. - Inna Bakker, Ouderdom. - Evangeline, Gedichten. -
De Navorscher, 49e jrg., afl. 11/12, 1899, o.a.: P.C. Molhuijsen, Suffridus Sixtinus.
Nederland, jrg. 1900, no. 1, o.a.: Is. Quérido, Couperus Fantasmagorist?
De Tijdspiegel, afl. 2, Febr. 1900, o.a.: Mr. C. Bake, Huygens als zedemeester.
Dietsche Warande en Belfort, 1e jr. No. 1, Jan. 1900, o.a.: Een woord aan den Lezer. - B., Noord-Nederlandsche Kroniek (Frans Netscher, Karakters). [‘Frans Netscher moet geen karakterschetsen meer leveren, of liever zijn aardige opstellen niet meer noemen met den wijdschen naam, dien zij niet verdienen.’]
Woord en Beeld, Jan. 1900, o.a.: C. Bollaert, Nachtfeesten. - Idylle.
Boon's Geïll. Magazijn, Nos 7, 8, Jan. en Febr. 1900, o.a.: G. van Hulzen, Uit mijn reisboek. Davos. Het Nederlandsch Sanatorium, geïllustreerd naar foto's. - Thérèse Hoven, Verdeelde Plicht. Novelle. - Wilhelmina von Hillern-Birch, De Pleegzoon der Wenderlins. - Voordrachten, Monologen, Dialogen, Salonstukjes en Verzen. I. De voorstelling aan 't Publiek, naar 't Italiaansch van L. Rasi, door J.A. Holtropp, geïllustreerd naar foto's [een zeer aantebevelen artikel voor die ‘voordragen’]. - G.H. Priem, Liefde. - Picolo, De strijd der tongvallen. - Verhalen van de Vereeniging voor ernstige zieken: I. De moorddadige stoel. - Moordenaar, monoloog, naverteld door J.A. Holtrop.
Museum mndbl. v. Philologie en Gesch. 7de jrg. No. 12, Febr. 1900. o.a.: F. Buitenrust Hettema, De bewerking van het Fries Woordenboek. -

Nieuwe boeken:

Mr. S.J. Visser, Het leerplichtvraagstuk opnieuw toegelicht. 's-Gravenhage, Martinus Nijhoff. Gr. 8o. (V, 46 blz.).
Bibliotheca historico-neerlandica. Histoire des Pays-Bas. Catalogue systématique de livres anciens et modernes en vente aux prix marqués chez Martinus Nijhoff. La Haye, Martinus Nijhoff. Gr. 8o. (VI, 471 blz.), f 1.25.