Taal en Letteren. Jaargang 10


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 10. Haagsche Boekhandel- en Uitgeversmaatschappij, Den Haag 1900


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 281]

Over Vondel.
(Fragment uit een lezing over Vondel als historie-dichter.)

 

Holland, schoon in zeker opzicht minder klein dan nu, was toch ook in de 17e eeuw een beperkt, klein landje. Wie zijn blik niet in de wijdte slaan kon, kon niet leven, althans niet, als hij dichter was en Vondel heette. Alle eerbied voor onzen vrijheidsoorlog, maar hij heeft Holland niet enkel groot gemaakt, hij heeft het ook verkleind. Hij heeft helaas, naar het schijnt voor goed een scheiding gemaakt tusschen ons en België. Hij heeft ook de elastische banden doorgesneden, die het weleer verbonden met het Heilige Roomsche Rijk, dat eerwaarde Rijk bij uitnemendheid, welks Keizers met de Pausen en in worsteling met deze, de Westelijke Christenheid naar lichaam en ziel hadden beheerscht of althans daarop, als op een recht, hadden aanspraak gemaakt. Eigenlijk leeft Vondel nog met heel zijn ziel in dien tijd. Te veel heeft men hem enkel voorgesteld als Hollander, als Amsterdammer. Neen, bovenal is hij burger van het Rijk. Waar de Rijn stroomt, daar is zijn vaderland. Die voor al wat Duitsch spreekt schier geheiligde rivier huldigt hij als zijn ‘treckende geboortestroom’ of als ‘zijn zoeten droom’, hij bewondert haar gracieuse en onverwachte kronkelingen, haar ‘wuften ommeswaey’, hij prijst den wijn, die op haar bergen wast, en vooral de grijze en hooggetoornde kathedralen in de oude stichten aan haar oevers met haar onvergetelijke herinneringen aan de geloofspredikers en haar gewijde legenden. Maar helaas een ‘Hydra’ geboren uit ‘Kerkgeschil en haat van Heeren’ verdeelt thans Duitschland. Gij weet welk een vreeselijke crisis het Rijk in het tweede jaartiental der 17e eeuw ingetreden was: den dertigjarigen oorlog. In Bohemen was tusschen Roomschdom en protestantisme de tweede nu beslissende strijd ontbrand, welke het geheele Rijk in vlammen zette. Aanvankelijk zijn de protestanten overal in de minderheid en tegen 1630 schijnt hun zaak verloren. Schier alle vorsten en

[p. 282]

steden hebben zich aan den keizer en zijn katholieke verbondenen onderworpen: het kloeke Maagdenburg blijft weerstaan. Maar de beroemde veldheer Tilly weet het ten slotte te vermeesteren en laat - volgens de voorstelling van dien tijd, welke echter ten deele onjuist is - de stad op een gruwelijke wijze plunderen en geheel opbranden. Doch reeds is een wreker in aantocht. De Zweedsche koning Gustaaf Adolf, jong en eerzuchtig, beducht voor het overwicht der keizerlijken aan de Oostzee, beducht voor het Protestantsche geloof, het zijne en dat van zijn volk, bovendien gedreven door dat zeker-iets, dat het midden houdt tusschen genie, roekeloosheid en geestdrift en dat erfelijk schijnt te zijn geweest in zijn huis, landt aan de Duitsche kust en rukt, eerst tegengehouden door de kleingeestige zelfzucht en jaloezie van Noordduitsche vorsten ten slotte zuidwaarts om dwars door Duitschland een krijgstocht aan te vangen, die even uniek is in de wereldgeschiedenis door zijn verblindenden voorspoed als door zijn plotseling-tragischen afloop. De eerste groote overwinning was die van Leipzig, bevochten op Tilly, den beul van Maagdenburg en door Vondel bezongen in een krachtig vers. De dichter beschouwt haar als een hemelsche wraak voor de Maagdenburgsche bloedschuld; vandaar ook de titel ‘Maeghdeburghs lyckoffer’. Tal van mooie plaatsen zijn in dit gedicht:

 
Op, Sanggodin, en huw uw' heldenluyte
 
Aen't zegespel der koningklycke fluyte:
 
En volgh de maet van Saxens trommeldans,
 
Bohemen vlught, en Sweden wint de kans.
 
Fortuyn verkiest, om d'eeu, wt soo veel' koppen,
 
Een hoofd: om dat, tot walgens toe, te kroppen
 
Met roofschat en triomfen, reys op reys:
 
Tot glori van een Keyserlyck paleys.
 
Wie met dees' eer bewieroockt vaert ten grave,
 
Eer hy veraerd: bedanck haer, voor die gaeve;
 
Want menigh, daerse lang meê heeft gepopt,
 
Verbastert, en ten troon word wtgeschopt.
 
Tilly getuyght van desen keer der dingen:
 
Tilly, voor wien de sloten open springen:
 
Voor wiens gesicht heel Duytschland ruymt het veld:
 
Wiens swaerd bereyckt den Donau en de Belt.
 
 
 
Wat gruwel trapt, met Christen hoofds banieren,
 
Op maeghdepalm, tot schennis van laurieren!
 
En schaeckt'er weeu en wees haer' roosekrans:
 
Op 't versche lyck van vaders en van mans!
[p. 283]
 
Die tyranny past Turcken en Maraenen.
 
Ach hemel! strem, op 't aenschyn, dese traenen,
 
En kuyschen dau, tot parlen altemael:
 
Dit suyver bloed, dees' sprengklen tot korael.
 
 
 
Wat Albaes swaerd en tackel heeft gebrouwen,
 
Sal Nederland en Spanjen eeuwigh rouwen.
 
De weereld brand, door eenen Faëton,
 
Die reuckloos ment den breydel van de son.
 
Die sich, aen 't vier des oorlooghs, niet wil sengen,
 
De gal der straf, met honighraet, leer mengen.
 
De sondaer kust de roe, en blyft haer vriend,
 
Die lieflyck quetst, wanneer hy 't streng verdient.
 
 
 
Gods arrem maeyt, met syn' gerechte zeyssen,
 
Een' ysren oegst: en deckt de grond van Meyssen,
 
Veel' mylen velds, met lycken sonder tal.
 
Vergeefs gevloon: de Dood is overal.
 
De Dood verslind, en scheurt, met staele tanden.
 
Een' roode zee die bruyst, op d' akkerlanden.
 
De klepper gaet, tot aen den buyck, te wedt:
 
En wascht syn sweet en stof, in 't laeuwe bed.

Ook na den slag bij Leipzig laat Vondel niet na den tocht van den schier fabelachtigen held met bewondering te volgen. Van Saxen trekt Gustaaf Adolf naar den Rijn en bedreigt er - naar Vondel vreest - de stad Keulen, zijn geboortestad, waar hij altijd een groote voorliefde voor heeft gehad. Nu richt hij idealiter tot Gustaaf Adolf ‘den Olyftack’, een dichterlijke bede om die stad te sparen.

 
't Wild vogelkijn dat singt, daar 't onbeknipt is:
 
Al d'ope lucht is mijn:
 
Noch steent het, om te sijn
 
Bij 't lieve nestje, daar het uitgekipt is.
 
Ick meed; hoewel mijn blyde geest vaart speulen
 
Daar draaiboom sluit noch heck;
 
Een heimelicke treck
 
Verleit het hart naar mijn geboortstad Keulen.
 
Daar heb ick eerst om honigh uitgevlogen,
 
Ontrent den blonden Rhijn,
 
Beplant met Rinschen wijn;
 
En als een bie violendau gesogen.
 
Uit dit geboortsogh word mijn sorgh geboren,
[p. 284]
 
Nu 't Sweedsche vaandel vlieght
 
Daar ick ben opgewieght;
 
Nu 't grof geschut vast dondert in mijn ooren.
 
Hoe wensch ick, als een Rijnswaan, Mars t' ontmoeten,
 
En met de borst in stroom,
 
Aldus door sang sijn toom
 
Te temmen, langs het stof van paardevoeten!

Dan vergelijkt Vondel Gustaaf Adolf met Alexander den Groote van wien de overlevering - niet de geschiedenis - gewaagt, dat hij, op zijn grooten veroveringstocht, na de inneming van Tyrus, bij Jeruzalem gekomen, slechts van de verwoesting dier heilige stad was weerhouden door den Hoogepriester Iaddus, die hem in zijn volle symbolieke ornaat en omringd door den priesterstoet te gemoet was gegaan.

 
De sware smack van Tyrus trotse muuren
 
Deê zidderen in 't rond
 
Den Asiaanschen grond,
 
En schreeuwde, dat 'er niets gemaackt is om te duuren.
 
't Verslegen Sion laat sijn schilden hangen.
 
Het heiligh Priesterdom
 
Sich statigh toereed, om
 
Den dappren triomfeerder wel t' ontvangen.
 
Hij naackt in end: Iäddus treed hem tegen,
 
Met Godgewijde pracht
 
Van 't Kerckelijck geslacht,
 
Om den gesteurden veldheer te bewegen.
 
De jonge krijghsheld blijft verwondert staren
 
Op 't priesterlick gewaad;
 
En 't Goddelijck cieraad
 
Sijn bittre wraack verweldight tot bedaren
 
Hy leest Jehovaas dieren naam gesneden
 
In 't voorhoofd, op den hoed.
 
Hy siet der steenen gloed,
 
Den glans van goud en purpere offerkleeden.
 
Ootmoedigh stijght hy van den hoogen paarde,
 
En eert den priester Gods,
 
En Salems tempelrots,
 
Met neigend hoofd en afgeleiden swaarde.
 
Hierusalem, bekleed met groene meyen,
 
Hem feestelijck begroet;
 
Terwijl hy met sijn stoet
 
Op Davids burgh sich vreedsaam laat geleyen.
[p. 285]

Volgt een vergelijking van Alexander en Jeruzalem met Gustaaf Adolf en Keulen, en toespelingen op de oude Keulsche legende, volgens welke de drie koningen of wijzen uit het Oosten, door Vondel ‘Perziaansche wijzen’ genoemd te Keulen begraven zijn, van waar ook de drie kronen in het Keulsche wapen, en op de legende van de Heilige Ursula en de 11.000 maagden, die te Keulen den marteldood door Attila's hand zouden hebben geleden. Ieder kent in den Keulschen kerkschat de prachtige zilververgulde en met edelgesteenten rijk versierde schrijnen, waarin tot op heden de reliquien èn der drie koningen èn van Ursula en de maagden worden bewaard.

 
So vreedsaam wensch ick dat met fluit en cyter
 
Mijn Rijcksstad u onthaal,
 
Met geestelicke praal,
 
En Roomschen bisschopsstaf, en witten myter:
 
Dat sy niet swijm voor uwen rooden stander;
 
Maar hou haar verwe braaf,
 
En groete u, o Gustaaf,
 
Als een van God gedreven Alexander.
 
Ghy sult haar grijsen ouderdom verschoonen,
 
Wanneer sy heusch en mild
 
U toont den wapenschild,
 
Het bloedigh veld, gewijd met goude kroonen.
 
Dat 's d'eeuwige eer der Persiaansche Wijsen,
 
Die met geschenck en stem,
 
In 't nedrigh Bethlehem,
 
Den grootsten koning offeren en prijsen.
 
Dat 's 't jammerteecken, dat haar oude straten
 
Gedoopt zijn so verwoed
 
In 't kuische maaghdenbloed,
 
Vergoten van Barbarische soldaten.

Maar wat zijn heldendaden, vergeleken bij de jammeren en vooral de gevaren, die genoemde Hydra over het Rijk heeft gebracht? Nog altijd wordt de Zuid-Oostgrens ervan, ja de geheele Christenheid, bedreigd door de Turken, die nu een schoone kans schijnen te hebben door in te grijpen in den dertigjarigen oorlog. Wij, die niet meer te midden van die eeuw verwikkelingen staan, maar ze van uit de verte in haar geheel kunnen overzien, wij weten nu wel, dat reeds in Vondels tijd de kracht van het Turksche rijk zeer was afgenomen en het gevaar van die zijde in dezelfde mate verminderd. Maar Vondel en zijn tijdgenooten hadden den vreeselijken voortgang van den Islam in Europa nog versch in 't geheugen, zooals die als een springvloed de Balkan- en Donaulanden

[p. 286]

had overstelpt. Constantinopel in der Turken handen. De Aja Sofia, de heiligste kerk der geheele Oost-Europeesche Christenheid, schier haar symbool, veranderd in een moskee. De Turken tot aan, tot over de Donau voortgerukt. 't Hongaarsche volk in afhankelijkheid gebracht. Rechtstreeks het Rijk bedreigd, zelfs Weenen berend en slechts gered door den heldenmoed harer burgers. Kruistochtgedachten duiken telkens op, maar komen niet tot verwezenlijking, al had ook Tasso, een geestverwant van Vondel, door zijn heldendicht deze eigenaardige soort van krijgsexpeditiën, wier heugenis zeer verflauwd was, met een nieuwen luister omhuld. Innerlijke tweedracht verlamt de Christenheid en doemt haar tot een wellicht naar den ondergang voerende lijdelijkheid. Aldus is Vondels beschouwing:

 
De Christe Princen sitten vast
 
Malkanderen in 't hair.
 
Gants Christenrijck geraeckt in last.
 
En 't uiterste gevaer;
 
Als 't schip, dat met gekerfden mast
 
Flus schipbreuck lijden sal,
 
En drijft na lager wal.
 
 
 
De felle Turck, die Christus kruist,
 
Siet ons krackeelen aen.
 
d'Erfvyand lacht vast in sijn vuist,
 
En hoopt den klaeuw te slaen.
 
Van bloed geverwt, van stof begruist,
 
In 't hart van 't blind gevecht,
 
Dat hy 't geschil beslecht.
 
 
 
Soo 't hem gelucken magh na wensch
 
Met sijnen woesten hoop,
 
Dat hy 's Geloofs verswackte grens
 
Op 't onversienste sloop,
 
En vel en vil soo menigh mensch;
 
Help God! wat wil 't een dagh
 
Van rouw zijn en beklagh.
 
 
 
Gelijck een ingeborsten stroom
 
Sal 't ingelaeten heir
 
Verdrencken al den Duitschen boôm,
 
En bruisen als een Meir,
 
En spoelen den bebloeden toom
 
Te Keulen in den Rijn,
 
Daer sal sijn Paerdstal zijn.
 
 
[p. 287]
 
Dan voeltmen hoemen heeft gefaelt,
 
En uit deu Burgertwist
 
En brand verdoemden roof gehaelt,
 
En wolven opgehist
 
Na Christus schaepskoy: dan betaelt
 
Men self sijn eige roe,
 
En schreit en sucht sich moe.
 
 
 
O Jesus, keer dit voorspoock af,
 
Verdrijf die duistre wolck.
 
Herplant veel eer op 't heiligh graf
 
Door uw geloovigh volck,
 
Den Turcken tot gherechte straf,
 
Den standerd van uw' naem,
 
Op dat sich d'afgrond schaem.

Zijn heele leven lang houdt Vondel zich met de worsteling tusschen Turken en Christenheid bezig. Dan eens bezingt hij een overwinning ter zee op hen door de Venetianen bevochten, dan eens een te verwachten aanval der Polen op de Turken. Nog in 1669, op 82-jarigen leeftijd, dichtte hij een krachtig vers op den uitersten nood van Creta, dat toen nog in 't bezit van Venetië was maar door de Turken ten felste werd bestookt, en waarin de volgende schoone passage:

 
De felle Turksche sabel schittert,
 
Te moedigh op haer halve maen,
 
Terwijl men, onderling verbittert,
 
De zon van 't kruis ziet ondergaen.
 
Wij staen, als met gevleugelde armen,
 
En zien al koel dien ondergang
 
Van 't kruis, het welk men kon beschermen,
 
Vergeefs verdaedight eeuwen lang.
 
Waekt op, Martel, Buljon, en Kroie,
 
Sint Luidewijk, en 't Duitsche huis:
 
Men haelt het Griexe paert in Troie,
 
En niemant zet zich scharp voor 't kruis.
 
Maer als gansch Asie, aengespannen
 
Met Tarters, inberst, als een zee,
 
Dan zalmen spa de muuren mannen,
 
En 't zwaert ontkleeden van zijn schee.
 
Nu is 't noch tijt, naerdien de vrede
 
De Christe-werrelt overstraelt,
 
Dat elk om 't eerst het slaghzwaert smede,
 
En zette alle ongelijk betaelt.
[p. 288]

Het algemeen karakter van de worstelingen in Duitschland en in den Griekschen archipel kan men weergeven met de woorden: geloofsverschil, veroveringszucht en rassenhaat. In Engeland was ook een geweldige worsteling, maar met een ander karakter: daar was het de strijd tusschen volksvrijheden en vorstenmacht. Koning Karel Stuart gesteund door zijn minister Strafford, had er gepoogd het de Spaansche en Fransche vorsten zoo wel gelukte streven na te volgen om naar het model der latere Romeinsche keizers, niet beperkt door Parlement of Staten, als een God op aarde over hun volken te regeeren. Maar na tien jaar het Parlement thuis te hebben gelaten, had de regeering zich door den Schotsche opstand gedwongen gezien het toch weer bijeen te roepen. Dit Parlement nu, het zg. Lange Parlement - over het ephemere zg. Korte spreek ik nu niet - had den strijd op leven en dood met 's konings regeering aangebonden. Men weet, dat die strijd, waarin Cromwell gaandeweg de hoofdfiguur wordt, met den dood van den koning op het schavot geëindigd is. 't Was in het begin van die worsteling, toen de toestand wel ernstig was, maar koning Karel nog de bovenhand had, dat een huwelijksverbintenis werd gesloten tusschen diens dochter Maria en den zoon van Prins Frederik Hendrik, den lateren stadhouder Willem II. Ieder kent het prachtige schilderij van Van Dijck in het Amsterdamsche Rijksmuseum, dat de 16- en 11-jarige bruidegom en bruid voorstelt. In Mei 1642 werd de jeugdige ‘Princesse Royale’, zooals haar titel was, naar Holland gebracht door haar moeder zelf, koningin Henriette Marie. Die begeleiding was een voorwendsel om in Holland onopgemerkt politieke verbintenissen aan te knoopen en om er geld op te nemen op een deel der kroonjuweelen. De koningin bezocht ook Amsterdam, waar zij luisterrijk ontvangen werd. Bij die gelegenheid dichtte Vondel te harer eere een groot dichtstuk getiteld ‘Henriette Marie te Amsterdam.’ Daarin worden de oude betrekkingen van Engeland en zijn vorsten ter eener en Nederland en Oranje ter anderer zijde op poëtische wijze ontvouwd. Eigenaardig is het te zien, welke illusie Vondel blijkens dit dichtstuk zich schept van de groote gevolgen die het huwelijk van Prins Willem met het Engelsche princesje zal kunnen hebben. Volgens hem zal het ons met Spanje verzoenen en in het algemeen den vrede brengen op het vaste land. Door dit huwelijk toch werd de jonge Willem - en dit is werkelijk heel curieus - neef, d.i. oomzegger van onzen bitteren vijand den koning van Spanje. Diens vrouw nl. was een Fransche princes en zuster van de koningin van Engeland, nu Willems schoonmoeder. Ja zelfs profeteert Vondel of liever stelt hij zich als mogelijk en wenschelijk voor, dat na den algemeenen vrede een gemeenschappelijke vloot der christennatiën

[p. 289]

onder aanvoering van prins Willem naar het Oosten varen zal, als in een laatsten en beslissende kruistocht om te Constantinopel de Turken te verjagen, er het aloude Oostersch-Romeinsche Rijk te herstellen, en het Heilige Land van den smadelijke heerschappij der ongeloovigen te bevrijden. Sommige nuchtere, of al te nuchtere menschen zullen wellicht over deze phantasie glimlachen, maar ik vraag mij af: was dit denkbeeld zoo geheel een hersenschim? En dan antwoord ik ontkennend. 't Is nl. zeker, dat er in 't begin der 17e eeuw in de Europeesche diplomatie een plan bestaan heeft om een algemeene verzoening der christenvolken tot stand te brengen en daarna met vereende krachten de Turken te lijf te gaan; het gemeenschappelijke leger zou dan door onzen Prins Maurits worden aangevoerd. Welnu, dit niet uitgevoerde plan kan een jaar of veertig later weer opgerakeld zijn geworden en gewijzigd in den geest, als Vondel aangeeft. Ja zelfs in onze eeuw tusschen 1820 en 1830 is tusschen de Fransche en Russische diplomatie een plan besproken geworden, om ten einde een hechter vredetoestand in ons werelddeel te vestigen, de bestaande grensverdeelingen vooral der groote mogendheden grondig te herzien en in verband daarmede een einde te maken aan de Turksche heerschappij in Europa. Het huis van Oranje zou dan op den konings- of keizerstroon van Constantinopel gevestigd worden.1) Het zou mij niet verwonderen, als in dit laatste plan nog reminiscenzen naklinken van het zoo even genoemde plan of de plannen der 17e eeuw. Zulke phantastische ontwerpen blijven soms zeer lang slingeren in de kanselarijen van gezantschappen en ministeriën om telkens weer eens voor den dag gehaald, gewijzigd en opgepoetst te worden, maar dan al heel gauw als onuitvoerbaar weer ter zijde te worden gelegd.

't Was te verwachten dat Vondel scherp partij zou kiezen voor den Engelschen Koning en tegen het Parlement. Trouwens zoo was de algemeene opinie hier te lande in overeenstemming met het monarchaal karakter van ons volk. Want al waren wij staatsrechtelijk toenmaals een republiek, het was een republiek zonder republikeinen, uitgezonderd in de kringen van de stedelijke regenten en hun aanhang in den groothandel en onder de gestudeerde menschen. Het volk had zijn monarchale sympathie van het oude, wegens zijn verspaansching onmogelijk geworden, vorstenhuis eenvoudig op het huis van Oranje overgebracht.2)

[p. 290]

Het beschouwde de Oranjes als zijn monarchen en begreep niets van de subtile onderscheidingen van het staatsrecht. In dit opzicht - ik zal waarlijk niet zeggen in alle opzichten - gevoelde Vondel identiek met zijn volk. Maar er was nog een andere reden, waarom hij zoo warm de zaak der Stuarts toegedaan was. Juist in dien tijd was hij Katholiek geworden. En al wat Katholiek was gevoelde voor de Stuarts, in wie men een neiging tot den Roomschen godsdienst onderstelde, omdat zij afstamden van de beroemde Maria Stuart, die, zooals gij weet, als een soort katholieke martelares door haar gelukkige mededingster koningin Elizabeth na een schijn van rechtspraak uit raison d'état om het leven was gebracht. Later zijn dan ook werkelijk de Stuarts en het aan hen nu verwante Paltische huis tot de Roomsche kerk teruggekeerd.

Op de gebeurtenissen in Engeland dichtte Vondel vele gedichten die soms, 't moet erkend worden, niet veel meer zijn dan zeer scherpe, eigenlijk onbillijke, schimpschoten, b.v. het versje getiteld: Protecteur Weerwolf, waarmede Cromwell bedoeld wordt.

Tot deze reeks van historiedichter reken ik ook zijn treurspel ‘Maria Stuart,’ een zeer gevoelige dramatische schildering van het droevige einde dier - spijt alle zelfschuld - immer sympathieke koningin, vol toespelingen op den Engelschen burgeroorlog en als 't ware een sombere voorspelling van het gelijke lot, dat Maria's kleinzoon een paar jaar later ondergaan zou. Niet dat het stuk als geheel nu zoo voortreffelijk is - ik zou dit betwijfelen - maar er zijn zeer mooie passages in, b.v. het afscheidsgesprek tusschen Maria en de Rey harer staatsjonkvrouwen:

 
Maria.
 
Myn ziel, eens afgesolt op d'ongestuime baren
 
Der weerelt, na verloop van vijfmael negen jaren,
 
Verlangt, als 't moede schip, naer een gewenschte kust
 
Van veiligheit, en loopt de haven van de rust
 
Met volle zeilen in, op 't rijzen van de stralen
 
Der zonne, vroeger op om mijn geluck t'onthalen
 
Met levendiger vier en glanssen danze plagh.
 
'k Begin door 's weerelts damp en nevels nu den dagh
 
Der zaligen te zien, en vrydom te genieten,
 
In 't onbenijde licht, na kerckers en verdrieten
 
En ketens zonder endt. Het juichende gemoedt
 
Begeert naer zulck een prijs te rennen door het bloedt
 
Der adren, en om hoogh t' aenschouwen, vol genoegen,
 
Hoe hier de vyanden, geknaeght en bleek van 't wroegen,
[p. 291]
 
En onverzaet van wraeck, geen vatten vinden aen
 
't Onsterflijck deel, de ziel, nu 't lichaem moet vergaen.
 
Rey.
 
Och! och! ghy Koningen van Engelschen en Schotten,
 
Hoe stappen nu helaes! uw dochters de schavotten
 
In ste van troonen op. Wat is ons bang te moe'!
 
Men vloeckt uw afkomst zelf den scherreprechter toe.
 
Waer toe vervalt de stam der Koningen, eilaci!
 
Maria.
 
Gelooftme, dat de dagh van mijne bruiloftstaetsi,
 
Die my, door zulck een' drang van 't juichende Parijs,
 
Te kercke en koore leide, in 't bruiloftsparadijs,
 
Daer 't eenigh oir des Rijcks Francois op 't heerlijckst praelde.
 
En in de bloem der jeught zijn lieve Bruit onthaelde,
 
Noit blijder scheen dan nu in mijn ontloken hart.
 
Schept moedt, ick zie het honck van mijn gelede smart.
 
De weerelt is maer roock met al haer ydelheden,
 
Een oogenblick, een niet. De mensch, die hier beneden
 
Iet zekers zoeckt, is blint. Wat baet een hantvol tijt?
 
Terwijl men grijpt naer 't aertsch zoo wordt men 't hemelsch quijt.

En iets verder Maria's troostwoorden:

 
Mijn dochters, zijt getroost: ghy kunt met al dit kermen
 
En jammeren ons niet beschutten, noch beschermen:
 
De tranen baten niet, en zijn een kranck geweer.
 
Vergeefs omhelst ghy ons: uw armen zijn te teêr,
 
De vyanden te sterck, en zonder mededoogen.
 
Genoeght u aen Godts wil: hy roept my uit den hoogen:
 
My dunckt, ick hoor zijn stem. Nu sus, mijn kinders, sus:
 
Ontfangt den lesten groet, Maries lesten kus.
 
Mijn kinders, matight u: ghy zult in droefheit sticken:
 
't Is wijsheit zich naer tijts gelegenheit te schicken,
 
Te kunnen sterven, als men immers sterven moet.
 
Volhardt in 't out geloof, het welck ick met mijn bloet
 
Bezegel, en zoo wijdt gehoorzaemt d' overheden.
 
Schept moedt: gedenckt mijn ziel voor Godt in uw gebeden.

Eindelijk de klacht der Rey na Maria's onthoofding:

 
Ontfang ons klaghte en lijckgebeden,
 
O Roomsche Roos, noch versch gesneden
 
Van uwen steel; hoe knap
 
Verliest ghy geur en sap!
[p. 292]
 
Hoe ras verwelcken en verslenssen
 
Uw bladers! Sterfelijcke menschen,
 
Het schoonste, dat ghy ziet,
 
Wat is het schoonste? niet.
 
Een oogenblick, een blick gaet strijcken
 
Met d' eere en 't licht der Koningkrijcken.
 
Een buy ontkleet die bloem
 
Van al haer pracht en roem.
 
Een nevel, och! voor ons te duister,
 
Berooft die zon van al haer' luister,
 
Benijt ons droef gezicht
 
Dat hartverquickend licht.
 
Die flonckrende oogen zijn geloken,
 
't Aenminnige gezicht gebroken,
 
Die scherpe stralen stomp,
 
Het lichaem slechts een romp.

Mooi ook de woorden, Maria Stuart in den mond gelegd in een gedicht, dat achter het treurspel afgedrukt staat:

 
Ick roemde op geen doorluchte troonen,
 
Noch grijzen stam, noch schoone Jeught:
 
Maer stelde mijn gewijde koonen,
 
Uit liefde tot de hooghste Deught,
 
Godtvruchtigheit, in Godes handen,
 
Van wien ikze al te leen bezat.
 
En hierom in benaeude banden
 
Beooghde en koos een wisser schat.
 
Hoe schielijk vloeiden d'andre heenen!
 
Mijn Koninglijcke Bruydegoom
 
Gelijck een leli is verdweenen.
 
 
 
Het is vergeefs mijn Faem te smooren,
 
Die op der wijzen tongen leeft,
 
En haere loftrompet laet hooren
 
Zoo verr' de zon haer loopbaen heeft.
 
Gelijck besnoeide looten bloejen;
 
Het graen versterft eer 't rijcker wast;
 
De lelien in doornen groejen;
 
De palmen steigren tegens last;
 
Zoo triomfeert de Deught na rampen,
 
Die hemelhoogh door druck gevoert,
 
Haer glori ziet geveeght van dampen
 
Des lastermondts, uit spijt gesnoert.
[p. 293]
 
Heldinnezielen voeght naer 't strijden
 
Alleen dees uitgeleze kroon.
 
Hoe feller weên het hart doorsnijden,
 
Hoe grooter, hoe volmaeckter loon.
 
Wie zich getroost voor Godt te sterven,
 
Zal 't eeuwigh Rijck en leven erven.

Juist, toen de Engelsche burgeroorlog zich ten ergste begon te wenden, eenige maanden voor de onthoofding van Karel Stuart, was op het vasteland een betere tijd aangebroken. De Westfaalsche vrede maakte een einde aan onzen strijd met Spanje en aan den vreeselijken oorlog in Duitschland, die tot een overheering door de meest verwilderde soldateska was ontaard. Vondel bezong dien vrede in een groot gedicht ‘den Getemden Mars,’ stellig een der schoonste, die hij ooit heeft geschreven. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

(Wordt vervolgd.)

N.A. Cramer.