Taal en Letteren. Jaargang 12


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 12. J.M.N. Kapteijn, Leiden 1902


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 73]

De ‘prijsvraag’ van de Nederduytsche Academie (1630).

Er zijn weinig jaren in onze Nederlandsche geschiedenis aan te wijzen, waarin zooveel pamfletten en twistschriften verschenen als in 1630. Men behoeft de catalogi van Muller, Meulman, Petit en Knuttel slechts in te zien, om hiervan onmiddellijk overtuigd te worden. Onder al die dagvlinders is er geen enkele, die zooveel voor- en tegenstanders naar de pen heeft doen grijpen als de vermaarde ‘prijsvraag’ van de Academie. Omtrent de ware toedracht van zaken is nog wel het een en ander te melden, dat belangrijk geacht kan worden.

In korte trekken wensch ik te herinneren aan eenige feiten, die elders breedvoeriger verhaald zijn1).

 

Na den dood van Prins Maurits werden de Remonstranten, zooals bekend is, langzamerhand met meer verdraagzaamheid behandeld; inzonderheid te Amsterdam, waar de vroedschap op hunne hand was, werden hunne vergaderingen oogluikend toegelaten. Dit was niet naar den zin der orthodoxe predikanten Ad. Smout, Triglandus, Cloppenburg en hun aanhang, die alle mogelijke moeite deden, om het stadsbestuur tot strenger maatregelen tegenover de Arminianen te bewegen.

[p. 74]

De heeren lieten zich echter aan dien tegenstand niet veel gelegen liggen, maar traden met kracht tegen de onruststokers op. In het laatst van 1628 zond de prins op verzoek van Burgemeesteren eenige vendels voetknechten naar Amsterdam tot handhaving van de orde. Weinige maanden later moesten twee hoofdmannen der oppositie, Jan Willemsz Bogaert en Dr. Karel Lenertsz de stad verlaten. Eén was er echter, die onversaagd den strijd met het stadsbestuur volhield n.l. Adriaan Smout, uit wiens levensgeschiedenis hier enkele bijzonderheden vermeld moeten worden.

Reeds in 1626, op Paaschmaandag, waren, hetzij door zijn toedoen of in ieder geval met zijn goedkeuring, de Arminianen door het gepeupel met steenen geworpen en had men het huis, waarin zij hun godsdienstoefeningen hielden, geplunderd. Ruim twee jaar daarna werden er te Amsterdam bij de schutterij eenige personen gekozen, die bij de predikanten niet in den smaak vielen. Dezen durfden verklaren, dat nu de Gereformeerde schutters niet door hun eed tegenover deze hoofdmannen gebonden waren1). Velen van hen werden door den schuttersraad ontslagen en weldra wist de magistraat de rust te herstellen. Smout bleef echter oppositie voeren. Reeds herhaalde malen was hij met een vermaning of waarschuwing vrijgekomen, tot eindelijk op het laatst van het jaar 1629 de maat vol was. Hij viel in een predikatie openlijk diegenen aan, ‘die de vrome burgers ontschuttert’ hadden. Maandagavond den 7en Januari 1630 ontving Smout een briefje, waarin hem gelast werd den anderen dag vóór zonneschijn de stad te verlaten. Uit de brieven van Wtenbogaert blijkt, dat hem, op aandrang van den kerkeraad, vergund werd nog eenige dagen te blijven. Woensdagmorgen te 4 uur voer hij met de trekschuit naar Haarlem2).

[p. 75]

Zegevierend zong Vondel dan ook in het zelfde jaar in zijn Haec libertatis ergo:

De toghtschuyt leydt gereed, voor all' die oproer kraeyen.

Over deze uitzetting van Smout is heel wat te doen geweest. Zoo schreef Episcopius aan Wtenbogaert dd. 9 Jan. 1630: ‘De gedeputeerden van de kerckenraet waren gisteren en eergisteren lang op het toorntgen, (i.e. het stadhuis) men seyt om uytstel voor Smoutio te versoecken, maer te vergeefs.’

Ook naar Den Haag werden gecommitteerden afgezonden. Den 8en Maart maakte Wtenbogaert in een schrijven aan P. Cupus melding van ‘de dachvaert, op dewelcke Poly(ander), Fabricius ende noch eenige zijn comen doleren over d' Amsterdamsche heeren als die 1 Smout hadden uytgeset, 2.’ enz. Dezelfde meldde den 18en Mrt aan Episcopius: ‘De Hollandsche (d.i. predikanten) hebben mondeling ende schriftelick gedoleert over de vergaderingen (n.l. aan de Staten van Holland) eerst der papisten, daernae der Remonstranten, versoecken (soo mij is geseydt) een Synodum provinciael, om daer te delibereren hoe doen met de Arminianen, oock over 't uytsetten Smoutij, ende ick weet niet wat meer.’

Den 29en Maart schreef hij hem: ‘Dynsdach resolveerden de heeren Staten bij pluraliteit van stemmen.... een Synodus provinciael, dewelcke men 't stuck van Smout ende d' ander Amsterdamsche quaestie metten kerckenraedt in handen soude stellen.... Men heeft middel gevonden om op gisteren de saeck te doen resumeren, ende is by pluraliteyt van stemmen.... het Synodus.... plat affgeslagen.’

 

In dezen strijd koos de Amsterdamsche Academie van Dr. Coster, waarin Vondel thans een man van beteekenis was, de zijde van de Arminianen. Omstreeks het einde van Maart trad de vermaarde tooneelspeler Thomas de Keyser, misschien wel als Apollo gekleed en gegrimeerd, op de planken en declameerde het volgende vers van Vondel:

[p. 76]
 
Apoll, op Helicon geseten,
 
Vraegt al syn heylige Poëten:
 
Wat beste en slimste tongen syn?
 
Of waerheyt salich maeckt, of schijn?
 
Of dwang van vrome Christen-sielen
 
Niet streckt om Holland te vernielen?
 
Of vryheyt niet en was de schat
 
Waerom men eerst in oorloogh tradt?
 
Of oock in wel bestierde steden
 
Een oproermaecker wort geleden?
 
Of huyse-plondren vesten sticht?
 
Of d' eedt geen burgery verplicht?
 
En of sich leeraers niet verloopen,
 
Wanneerse desen bandt ontknoopen?
 
 
 
Wiens antwoordt kortst en bondichst is,
 
En klaerst in dese duysternis,
 
Dien sullen d' ACADEMIHEEREN
 
Met eenen PRINCENROEMER eeren:
 
Daer Pallas, met haer diamant,
 
In sne den Veldheer van het landt,
 
Die met 's Hartogenbosch gaet strijcken,
 
Daer Mauritz tweemael af most wijcken.

Deze vragen verschenen ook in druk. Het regende antwoorden op de ‘prijsvraag’, niet alleen uit Amsterdam, maar ook uit andere steden. Doch daarover straks nader.

Den 12en April zag het stadsbestuur zich genoodzaakt het uitgeven en verkoopen zoowel van vraag als antwoorden te verbieden1). Hooren wij daaromtrent de ‘Samenspreking tusschen Twee Goudse Veer-Luy, Iaap en Kees. (Muller, pamflet No. 2392).

[p. 77]
 
Iaap. Wat off dit nou weer beduyt?
 
Hoorje niet? de Ste-klock luyt,
 
dit sal al wat nieus weer weese
 
Luystert, hij begint te leese.

Het Placcaat word of gelesen:

De resolutie, echter zeer gewijzigd, van 12 April volgt dan. En Jaap gaat verder:

 
Ia Het heyt wat te beduye
 
deerom mogt je wel soo Luye
 
dat 's so veel als niet een beet.
 
Want het is schier viertien daghe
 
dat men uytgaf dese Vraghe1)
 
'kWeet het seker want ick was
 
Op de kamar (sic) doement las
 
k'On hem schier niet deur sijn kliere
 
Maer het was een dar poort tiere
 
Van de Nieuwe Regeliers Poort

Kees wil er meer van weten:

 
Maer wie mienje nou van baije
 
Siet je moestse onderscheije
 
Anders sou ick d'een veur d'aer
 
Lichtelijck mienen ist niet waer.
 
 
 
Iaap. Jaet, maer k' mien die midt groote
 
Naem van Kayser is begoote
 
Hoe wel dat hy waynich heeft
 
Als hy leest (sic) een Kayser leeft.
 
 
 
Kees. Dat is waer, maer nu de vrage
 
Die hy 't volck voor quam drage,
 
Wat was daer den inhoudt van?
[p. 78]
 
Iaep. tWeere (= het waren) die nou lest die man
 
Tot uis (= ons) Geurt inde Raeyger
 
Las hier op de Gouse stayger.

Wij laten Jaap en Kees hun samenspraak rustig voortzetten, die verder niet bijzonder belangrijk is. Gewichtiger acht ik het, aan te toonen, dat werkelijk de tooneelspeler der Academie ook portier van de Regulierspoort was.

Eene resolutie van den Oud-Raad te Amsterdam dd. 29 Jan. 1632 luidt: Thomas de Keijser portier vande reguliers poort is voor huijshuyr toegevoecht vijftich guldens iaerlicx, sonder meerder te genieten soo lang Franck d' oude portier int leven is. Ook in een resolutie van 12 Aug. 1640 wordt hij als zoodanig genoemd1).

Het zou ondoenlijk zijn, de meer dan 30 ‘antwoorden’, die tot ons gekomen zijn en welke trouwens in Ungers Vondel-editie als bijlagen afgedrukt zijn, alle de revue te laten passeeren. Bekend is het schoone en waardige antwoord van Tesselschade, door Hooft ‘betutteld’ en het vuile en hatelijke gedicht, ten onrechte misschien, maar denkelijk ook door Vondel zelf, aan Cats toegeschreven.

Verschillende leden van de voormalige Brabantsche Kamer gebruikten deze gelegenheid, om hun gal over de Academie uit te storten. In den titel van een dezer gedichten wordt gesproken van ‘de Onghedoopte Academi-Heeren, Nu Besitters vande Brabantsche Camer.’ Een ander scheldt op de ‘Amsterdamsche Academy, Eerst gheweest Brabantsche Camer, maer dien naam verlatende uyt haet, omdat de Brabranders zijn Liefhebbers vande Religie, ende sy vande Goude Vryheyt, dat is te segghen duldinghe van Dwael-Gheesten ende misverstanden. Een derde smaalt van de ‘comoedianten van de tweedemael geformde Academy, alias de Brabandtsche

[p. 79]

Camer.’ Het is dus zeker, dat in April 1630 de Brab. Kamer niet meer bestond en met de Academie vereenigd was1).

Een der antwoorden heet ‘uytgebroet en voortghecomen, met het botten vande boomen.’ Elders vraagt men onder het opschrift ‘Paeschen’:

 
Ick wou wel weten goede Luyden,
 
Wat dat doch ditte mach beduyden,
 
Gemeenlijck om dees tijt 's Jaers,
 
Wanneer den Prince moet te Velt,
 
Datmen dan meer Pasquillen telt;
 
Als tot eenige tijden aers. (t.a.p. blz. 264).

Sommige hielden dr. Coster voor den dichter der prijsvraag. Niet onaardig is de raad, dien hij krijgt van iemand, die zich ‘een lit van de Brab. Kamer’ noemt:

 
Koster van Apollos Feesten,
 
Koster van des Amstels geesten,
 
Opgevoet in Helicon,
 
Droncken van de Helsche Bron:
 
Derf u Penn' bestaen te vragen,
 
Hooger dan u breyn can dragen?
 
T' is dan tijt dat ghy eens niest,
 
Eer ghy heel u breyn verliest.
 
Siet doch liever d'urinalen
 
In u sieck-huys wijde salen,
 
Dat 's u ambt; zijt daer een man,
 
Die de siecken raden can. (t.a.p. blz. 300).

De meesten schenen echter wel te weten, dat Vondel de

[p. 80]

auteur der vragen was. Hij moest het dan ook deerlijk ontgelden. De een spot met den ‘Camer-Godt Apollo ende sijn Camer-Knecht Joost Vondelens’, een tweede noemt hem ‘Vuyle-Palamedes Vader’, een derde weder ‘Vragher vande Vondelinghen’, enz. enz. Er zijn slechts weinigen, die de Academie c.s. prijzen. Een der dichters roemt van de ‘welghestelde vraghe vande wydt-beroemde Amsteldamsche Academi’ en meent, dat in welbestierde steden geen oproermaker wordt geleden

 
. . . . wel Palmedes Dichter,
 
Maar geen Smout, valsch Gods Wet stichter,
 
Die de goede stand uyt-blust.

Deze geeft als zijn woonplaats Den Haag op, een stadgenoot, een lid der Kamer ‘de Jonge Bataviers’ (hij noemt zich ‘een van de Batavieren’ t.a.p. blz. 279) heeft mede een proeve van zijn dichtkunst gegeven. In Ungers Vondel-editie (t.a.p. blz. 307) wordt ook een dichtstuk van een Leidsch rechtsgeleerde medegedeeld.

Niet weinigen waren er over gebelgd, dat men Prins Maurits in zijn eer had durven tasten. De Arminianen moesten daartegenover het verwijt aanhooren, dat zij ‘princemoorders’ waren. Men dichtte voor den aangevallene zelfs een ‘Lofs-Laurier-Crans waermede (hij) noch na sijn salich afsterven gekroont wort, tot spyt van sijne hedendaechsche been ende eerknagers.’ En in de aanteekeningen vaart men uit tegen de ‘goddeloose Accademische vraghen van Amsterdam’, waarin de prins gehoond wordt, ‘met dese Woorden, Daer Maurits tweemael af moest wyckē: maer wie is dit anders te verwijten, na menschē oordeel, dan o Joost van Vondelen, uwen Phenix Johan van Oldenbarnevelt, die sijn Excell. retardeerde meer dan acht dagen, daer anders so groote hoop toe was.’ (Knuttel, pamflet No. 3988).

Tegenover Vondels eenzijdigheid gewaagt een ongenoemde van de drie veldheeren van het land:

[p. 81]
 
Prins Willem, die de Grond eerst leyden,
 
Prins Maurits, die 't heeft op-gheboud,
 
Prins Hendrick, die het gaet verbreyden.

Leiden, November 1901.

M.M. Kleerkooper.