De Nieuwe Taalgids. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 1. J.B. Wolters, Groningen 1907  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Over Moedertaal.

Waarom eigen taal?

Is de eene taal de andere niet weerd, en is geheel dit streven en strijden voor de moedertaal niet enkel waan? Eene dolle liefde, waaraan de kleine en groote volkeren lijden en die aan de kleine niets anders dan erge schade brengt?

Wat is dan eigentlijk eene taal?

Een aantal stemteekens, waarvan de menschen gebruik maken om elkander te verstaan. Bij voorbeeld: huis, tafel, stoel.... in 't Fransch, maison, table, chaise. Wat is er aan die geluiden gelegen, dat de eerste den Vlaming zoo aan 't herte liggen en dat de andere hem onverschillig laten? - Is ‘prends une chaise et assieds-toi’ niet even goed als ‘neemt eenen stoel en zet u’? Het eerste heeft de Fransche, het tweede de Vlaamsche moeder aan haar kind geleerd.

[p. 122]

Het een is zoo gemakkelijk om uit te spreken als 't ander en even zoo kort en klaar. Waarom al dit beslag en bedrijf over de moedertaal? Laat een Flaming Fransch spreken, en meer menschen zullen hem verstaan! Of leert hem Engelsch ‘take a chair and sit down.’ Daarmee kan hij door geheel de wereld geraken en verstaan worden in Amerika, in de woestijnen van Afrika, in Aziën en tot in Australiën onder de temme Papoes.

Ja, maar er bestaan nog andere dingen onder de kappe des hemels als tafels en stoelen. Wij hebben ook onstoffelijke begrippen, denkbeelden van persoonlijken aard, de eene scherp, de andere onduidelijker in hunne aanschouwbaarheid, ook duizendvoudige aandoeningen der ziel, waarvan het woord een veel min vormvast beeld in ons verwekt.

Deze beelden, de gemoedstoestanden, dit denken en voelen, verschillen van volk tot volk, van ras tot ras.

En juist gelijk voor elk voorwerp van dagelijksch gebruik, een woord komt te bestaan dat dit voorwerp bediedt, zoo ook voor de onstoffelijke denkbeelden, worden woorden omzeggens geboren, geteeld uit den schoot der sprekende, scheppende, vruchtbarende taalgemeente. De woordenschat volgt, schrede voor schrede, de ontwikkeling van hert en van geest; elk gemeenschappelijk denkbeeld, elk gevoel, iedere aandoening vindt op den duur zijn wederwoord.

Dit geschiedt in elke taal, bij elk volk, juist volgens dat het handelt en wandelt en denkt en doet.

En niet alleen de diepe zin der woorden verschilt van volk tot volk, maar ook hunne onderlinge betrekkingen, hun voegen en sluiten, waarbij de vluchtigste schakeeringen ontstaan in woord en zinbouw, overal de aandoeningen volgend van ons binnenste wezen.

Zoo ontsluit de taal den geest der volkeren. De taal is als een kleed dat over het denkend, voelend, handelend volk ligt en alle zijne lidmaten eng omvat. Zij is een afgietsel, eene weêrspleet der ziele zelf van het volk dat ze spreekt. In de taal eens menschen ligt zijn land en zijn hert geschilderd.

(G. Verriest: Taal en Opvoeding.)