De Nieuwe Taalgids. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 1. J.B. Wolters, Groningen 1907  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 284]

Uit de tijdschriften. (September-Oktober).

De Gids. - Sept. J. van den Bergh van Eysinga-Elias stelt in haar studie Vondel en de Grieksche tragici het probleem: vanwaar Vondel's voorliefde voor Euripides, terwijl ‘het fijne skepticisme van dezen voltairiaanschen geest’ hem zoveel vreemder moest zijn dan de innige vroomheid van Sophocles. De schr. betoogt dat Vondel het wezen van de Griekse tragedie nooit doorgrond heeft. In zijn navolgingen van de grote tragici ‘paart zich eene gebrekkige, onvolledige theorie aan een herhaald mistasten in de praktijk.’ Deze stelling wordt toegelicht door de ontleding van ‘eenige zijner beste stukken’: Gebroeders, Andonias en Jeptha, en daarnaast de trits Lucifer, Adam in Ballingschap en Noah. Opmerkelik is daarbij de terugkeer tot Jonckbloet's principe: de aesthetiese toetsing. De schr. klaagt over ‘de schromelijke verwaarloozing der aesthetica door de Nederlandsche geleerden.’

Ten slotte wordt betoogd dat onze zeventiende-eeuwse schrijvers nòch klassiek nòch romanties waren: ‘Vondels werken behooren dus tot een bastaardgenre.’ In de geesteskultuur van de zeventiendeeeuwse maatschappij was ‘ware tragiek’ onmogelik.

Okt. Het Overzicht der Nederlandsche letteren van Carl Scharten bestaat deze keer uit een reeks ‘korte aanteekeningen’ over een aantal werken die in de loop van dit jaar verschenen.

 

De Nieuwe Gids. - Sept. Een leerzaam en breed opgezet artikel wijdt H. de Boer aan De regie der zomerspelen (Lanseloet en Elckerlyc). Zijn doel is: ‘de artistieke beteekenis dezer uitvoeringen in hun moderne regie eenigermate te omschrijven, en in verband daarmee van den geest der tijden, waaruit deze beide werken zeldzame en belangwekkende exempels zijn, het een en ander te verhalen.’ Naast menige fijne opmerking over de techniek van de opvoering, geeft de schr. beschouwingen over de geest van de stukken zelf, in 't biezonder van de Lanseloet; o.a. over de opvatting van de liefde, die er uit spreekt. - De Literaire Kroniek van Kloos handelt over Cyriel

[p. 285]

Buysse, en over de bloemlezing uit Prudens van Duyse's gedichten, onlangs door Victor de Meijere uitgegeven. - De criticus acht deze ‘opgewonden verstandelijke welsprekendheidspoëzie’ grotendeels van uitsluitend histories belang.

Okt. - Kloos beoordeelt in zijn Literaire Kroniek de jongste verzen van H. Roland Holst.

 

De twintigste eeuw. - Sept. Leo van Puyvelde vertelt in een kort artikel iets over het leven van de jonggestorven Vlaamse dichter Albrecht Rodenbach en geeft een karakteriserend overzicht van zijn werk.

 

Groot-Nederland. - Okt. Van Nouhuys polemiseert in de rubriek Dramatische Kunst tegen Emants' aesthetiese beschouwingen over het toneel, die een plaats vonden in de voorrede van zijn toneelstuk Domheidsmacht.

 

Elseviers Maandschrift. - Okt. Top Naeff schrijft over de Zomerspelen een artikel, dat door foto's aangevuld wordt. Jammer dat die ongekleurde afbeeldingen slechts een gebrekkige indruk geven van de vertoningen, die juist door licht en kleur zo biezonder waren.

 

De Beweging. - Sept. Albert Verwey trekt in zijn Studies in Hölderlin een parallel tussen Hölderlin en Vondel, door brokstukken uit beider vertaling van Koning Edipus naast elkaar af te drukken. - J. Koopmans besluit zijn studie over Willem van Haren's ‘Friso’. Daarin wordt aangetoond dat Van Haren's ‘antiek en massief epos’, hoe zwak ook als kunstprodukt, door zijn ideeën-inhoud buitengewoon interessant is. ‘Als geheel, is de Friso hoog van stijl, en de openbaring van een voorname en diep wijsgerige geest.’ De Friese oervorst is een ‘gepraedestineerde Aufklärungs-vorst, doorkneed met de ethiek van Engelse moralisten.’ In hem ‘hebben Stoa en Verlichting zich geassocieerd.’ - Maurits Uyldert geeft een gedetailleerde, afbrekende kritiek van Van Moerkerken's poëzie.

Okt. Albert Verwey schrijft over Het Beoordeelen van Gedichten een paar mooie, diepgaande bladzijden. Verder geeft hij Drost's Hermingard, gedeeltelijk herdrukt, met inleiding en toelichting. Daarmee wordt voor deze zeldzaam geworden roman en de te weinig bekende auteur terecht nog eens de aandacht gevraagd. - Maurits Uyldert geeft een scherpe kritiek, gekarakteriseerd door de woorden Onbevoegd inleiden, op de Zelfkeur in Simons' Wereldbibliotheek.

[p. 286]

Van onzen tijd X-XI. Maria Viola geeft een interessante beschouwing over De vertooning der zomerspelen, waarbij ook het wezen van deze Middeleeuwse kunst ter sprake komt, en o.a. betoogd wordt ‘hoe de middeleeuwse mensch aan een andere noodwendigheid gehoorzaamde dan de moderne dramaticus erkent.’ - H.W.E. Moller kritiseert onder het opschrift Bloemlezen de ‘Verzen van Vondel, verzameld door H. Bartels en E. Vrijdag.’ Hij maakt er de verzamelaars een verwijt van dat ze, door bovenal het ‘algemeen menschelijke’ in Vondel te zoeken, de christen-kunstenaar onrecht aangedaan, en Vondel's poëzie niet voldoende toegelicht hebben. - C.R. de Kerk vervolgt zijn artikel Van doctor Kuyper, Moester Bilderdijk en Vader Cats, waarin hij de eerste ‘na-theologiseert’, en tegenover ‘het centrale dogma der Calvijnsche leer’ Vondel's ‘praedestinatie-haat’ plaatst, die tot schoonheid werd in zijn Hekeldichten. Ten slotte de Litteraire Kroniek van Maria Viola.

XII. J.A. van Lieshout behandelt onder de titel Vlamingen III het werk van Gustaaf Vermeersch, die hij ‘als psychologies auteur van alle Vlamingen de beste’ noemt. Maria Viola vervolgt haar Litteraire Kroniek; C.R. de Klerk besluit het bovengenoemde artikel, waarin hij er tegen op komt dat Kuyper de dichter Cats ten koste van de theoloog Voet verheft.

 

Ons Tijdschrift. Afl. 5-6. In een Kort vertoog over ‘Calvinistische Vertoogen’ kritiseert V. de aldus getitelde studies van J. Postmus. Hij verwijt de schrijver ‘ongedurigheid’ en gebrek aan ‘voorafgaande rustige studie,’ en licht dit toe door elkaar tegensprekende citaten. Dezelfde criticus prijst onder de rubriek boek beoordeelingen Jacobsen's proefschrift over Carel van Mander.

Afl. 7. Onder de rubriek Van Boeken geeft V. een brede bespreking van Van Elring's bloemlezing Vondels Lyriek, met citaten en aanvullende kritiek.

 

Museum. - Aug. Sept. A. Kluyver geeft een aankondiging van De Boeventaal. Zakwoordenboek van het Bargoensch of de taal van de jongens van de vlakte. Deze lijst, afkomstig van ambtenaren der politie geeft zogoed als alleen materiaal. Merkwaardig is daarin na te gaan ‘hoe het Bargoensch aldoor voortgaat in de behoeften van het oogenblik te voorzien.’ - C.G.N. de Vooys bespreekt het tweede deel van Kalff's Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde. G. Kalff wijst in een aankondiging van het ten dele verouderde boek van Wilhelm Wackernagel: Poetik, Rhetorik, Stilistik op de

[p. 287]

belemmering van de literair-historiese en literair-esthetiese studieën aan de universiteit, door de wet op het H.0. - K. Sneyders de Vogel bespreekt de buitenlandsche dissertatie van Marie Loke: Les versions néerlandaises de Renaud de Montauban, étudiées dans leurs rapports avec le poême français.

 

School en Leven IX No. 1, bevat een artikel van A.W. Stellwagen: Betuttelingen van Koenen's Handwoordenboek. In dezelfde afl. begint O. Thon een belangrijk en nuttig opstel: Over spraakontwikkeling bij het kind en spraakgebreken. Dr. H. Gutzman.

 

Volkskunde XIX afl. 1-2. Jos. Schrijnen schrijft over Twee volksheiligen (Lucia en Brigitta) en wijst op het verband tussen hun funkties en de etymologie van hun naam (‘licht’). - J.W. Muller geeft een aardige plaats voor het woord Beeldwit = slaapwandelaar (uit ‘belewitte’, eig. ‘goede geesten’). - L.G. Eggink beschrijft Zaause Meisjesspelen. - A. de Cock zet zijn reeks Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk voort. - G.J. Boekenoogen vervolgt zijn Nederlandsche sprookjes en vertelsels. - C.C. van der Graft vult een bijdrage uit de vorige jaargang aan: Nog eens het haaroffer in gebakvorm. - Maurits Sabre bespreekt een achttiende-eeuwse raadsel-profetie en een vijftiende-eeuws raadsel, onder het opschrift Satirische profetie of raadselspel?

 

Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde. XXVI Afl. 2. Jos. Schrijnen brengt de Taalgrenzen van het zogenaamde Mich kwartier in Zuid-Nederland in kaart. - J. Verdam verklaart het ontstaan van de uitdrukking Op zijn Fransch, van behept (naast Mnl. behepet) en doet mededelingen omtrent zeldzame woorden, of woorden waarvan de oorsprong duister is (gewricht, buken, haren, beitel, boten, een vervorming van drochtijn, ontpluken, saken, zakken. - Dezelfde schr. drukt Een fragment eener Hooglied-paraphrase af. - Verder nog de volgende kleine bijdragen: G.A. Nauta: Moyses Gezang; W. de Vries: Vocaalrekking vóór r + dentaal; Iets over vocaalquantiteit; Mnl. ruden. M. van Blankenstein; Kaf. H. Kern: Suursak. J. Prinsen J.Lz.: Kloppen-castrare. A. Beets: Kaneelwater. P. van Meurs: Sta bij.

 

Noord en Zuid. - Aug. E. Rijpma behandelt voor de hoofdaktestudie ‘Waarheid en Droomen’ door Jonathan. - B.H. Peteri geeft een brede prijzende aankondiging van Te Winkel's Inleiding tot de

[p. 288]

geschiedenis der Nederlandsche Taal; J. Monsma, de gewone bloemlezing uit het Woordenboek der Nederlandsche Taal. De redakteur Taco H. de Beer wijdt een artikel aan De taak der taalleeraars en die hunner opleiders, ‘naar aanleiding der Intrêerede van Prof. dr. J.J. Salverda de Grave,’ waarin hij zijn mening uitspreekt dat de universitaire opleiding voor aanstaande docenten in het Frans onvoldoende is.

Sept. P. Beishuizen Gz. schrijft Over beeldspraak, naar aanleiding van opmerkingen van Kloos, en zet dan uit onze oude dichters staaltjes van soortgelijke beeldspraak naast elkaar. - ‘Noodlot’ van L. Couperus wordt geanalyseerd door S.E.C. van Valkenburg. - Van wijlen A.C. Oudemans zijn een aantal Woordverklaringen opgenomen.

Okt. A. de Lauwere geeft een uitwerking van de Examen-opgaven voor de Hoofdakte, en kritiseert het mondeling examen te Breda. Deze bijdragen leveren overtuigende bewijzen, hoe de sleur en een dooren-door ouderwetse taalbeschouwing bij deze examens een rol spelen. Wij zeggen het de redakteur De Beer van harte na (zie zijn Naschrift): wanneer zal die ‘zinsontlederij’ eindelik eens plaats maken voor nuttige taalkennis en taalinzicht! - F. van Gortel schrijft over het woord Fooi - Verder Boekbesprekingen door B.H.P.

 

Verslagen en Mededeelingen der Kon. Vlaamsche Academie 1907. Cornelis Everaert's spelen als spiegel van de maatschappelijke toestanden zijns tijds is de titel van een belangrijke redevoering, door prof. J.W. Muller in de Vlaamsche Akademie gehouden. Deze Sinnespelen schilderen in schrille kleuren de ellende van het arbeidende volk in het achteruitgaande Brugge. Van de oorlogsrampen, van de strijd tussen de moderne industrie met het gildewezen vinden we de weerklank in Everaert's werk. In het laatste gedeelte tracht de schr. het probleem op te lossen, hoe de half-revolutionaire toneeldichter aan het slot van zijn stukken verkeert in een konservatieve boetprediker.