|
|
|
| |
| | | |
Nog meer ‘stijloefeningen’.
In De Nieuwe School van 1907 schreef Th.J. Thijssen een geestige parodie: Proeve van schoolmeesters-stel- en stijloefeningen. Bij een spotsonnet op de Rembrandt-feesten ontwierp hij vijf bladzijden stijloefeningen, b.v.
| Centjes: verkleinwoord van cent = honderd. |
| Wat is: |
| centenaar, centrum, zendeling, accent, send-talen; |
| Gebruik deze woorden in flinke zinnen. |
| ten doop. Wat is dat? |
| Vergelijk en verklaar: |
| doopjurk, doopvont, Wederdooper, doopmaal, kandeelmaal, doopceel. |
| Wat is iemands doopceel lichten? |
| Vergelijk huurceel |
| leizeel = leidsel. |
| Gare ventjes. Noem een drietal gare ventjes op. |
| Vergelijk: half gaar |
| halve gare |
| in eigen vet laten gaar smoren; |
| in de wieg gesmoord, |
| vergaarbak - vergadering, |
| Wanneer noemt men aardappels gaar? |
| Wanneer kool, wanneer visch? |
| Is rauw vleesch eetbaar? |
Dr. W.F. van der Vliet schreef, anno 1909, Oefeningen in het Stellen1), waaruit wij de volgende bloemen plukken:
Fondsveiling (blz. 12-14)......
| b. | Zeg het verschil, dat men maakt, tusschen fondsenveiling en fondsveiling. |
| c. | De stam van veiling n.l. veil komt nog in twee beteekenissen voor, welke zijn die? |
| | | |
| d. | Kent gij boeken, welke door een fondsveiling in de tweede hand zijn overgegaan? |
| e. | Men spreekt van tweedehandsche artikelen, behooren daar nu ook boeken toe? Zijn dat dan boeken, welke op bovengenoemde wijze in het bezit van een tweeden uitgever zijn gekomen? |
| f. | Kan een uitgever, welke op een fondsveiling een werk heeft overgenomen, een kat in den zak gekocht hebben; waarom niet? En toch ook weer wel, waarom? |
Een voorhoofd zonder rimpels, een geweten zonder kreuken (blz. 38)....
| B. 1. | Zoek eenige passende bijvoeg. naamwn. bij voorhoofd, en geweten. |
| 2. | In welke richting loopen de rimpels in het voorhoofd; wat duiden ze veeltijds aan.
N.B. Denk ook aan die bij neus en oogen. |
| 3. | Wat is een kreuk; waarin verschilt zij van een rimpel? |
| 4. | Het voorhoofd is de zetel van......?
Het geweten is de zetel van......? |
Weg, pad, straat, baan, gang (blz. 130).
N.B. Denk hierbij aan: heirbaan, kloostergang, ga uw gang, hij is den geheelen dag op het pad, wegeling (in 't Vlaamsch verkleinwoord van weg).
Laat van deze woorden de figuurlijke beteekenis in goede volzinnen uitkomen.
De baan is, bij het spel enz., de afgeperkte ruimte. De gang is de doortocht, de weg de richting. Wat is een olifantspad, een roetschbaan?
Waar is hier de grens tussen parodie en werkelikheid? Wij zouden dergelijke fabrikaten stilzwijgend voorbij kunnen gaan, als ze in onderwijzerskringen niet zo hartelik verwelkomd werden. Het Katholieke Schoolblad (12 Augustus) noemt dit boekje: ‘een waardig slot van een mooien stijlbundel’, een ‘sleutel tot het heerlijk taalpaleis onzer eerste prozaïsten’. De recensent vindt er in ‘uitmuntende stof in groote verscheidenheid’. Men vindt hier werkelik de gewone potpourri die onder de naam ‘stijloefeningen’ doorgaat. Eerst een rubriek zeldzame en figuurlik gebruikte woorden, of woorden die als kapstok kunnen dienen voor etymologiese en andere wetenswaardigheden, waarbij de schr. wel eens de plank misslaat1). De bespreking
| | | | van die woorden kan in een bepaald verband leerzaam en nuttig zijn, b.v. om de betekenisontwikkeling te illustreren. Voor de heer Van Vliet blijven het losse curiositeiten. Over betekenisontwikkeling heeft hij weinig nagedacht. Anders zou hij niet kunnen schrijven: ‘Gemelijk is een woord dat vroeger meer gehoord werd dan nu, dat dus allengs afsterft, vermoedelijk omdat men de grondbeteekenis niet meer voelt’ (blz. 12). Wat zouden er dan een woorden moeten ‘afsterven’! Hij vindt er dan ook niets vreemds in dat zo'n woord plotseling in zijn tegendeel omslaat: eerst betekent het ‘opgewekt van humeur’ - een betekenis die in 't Nederlands niet bewezen is! - ‘en nu wordt het juist in den tegengestelden zin gebruikt; een treffend voorbeeld derhalve van het verloopen der beteekenis van een woord.’ Dat bij dit woord, in verband met wonderlik, zonderling, raar, juist zo mooi aan te tonen is hoe de betekenis zich wijzigde, ontgaat de schr. blijkbaar. En eerst dan zou zijn geleerdheid voor de leerling vruchtbaar worden.
Uit: ‘een toonbeeld van ellende’, naast ‘een voorbeeld van goed gedrag’ distilleert de schr. dat ‘toonbeeld’ altijd ongunstig is. Dat brengt hem tot de zonderlinge vraag: ‘Kunt gij personen noemen die toonbeelden, andere die voorbeelden zijn geweest?’ (blz. 17).
De afdeling Spreekwoorden en zegswijzen levert een dergelijk mengelmoes: de leerlingen moeten spreekwoorden leren kennen, leren. begrijpen, leren ontleden, leren beoordelen, leren verwerken tot opstellen.
Dan komen de teksten, puntdichten en fragmenten, met een ‘schat’ van vragen versierd. Wij vragen ons af: vindt niet elk docent dergelijke stof in zijn leesboeken, en is de gemiddelde docent zo weinig bevoegd, dat hij de verklaringen zelf niet geven, of in zijn boeken vinden kan?1) En weet de docent niet hoe hij zijn vragen in moet richten om zich te overtuigen of het gelezene begrepen is? In dat geval geeft Van Vliet geen goed voorbeeld, want herhaaldelik vraagt hij wat de leerling niet weten kan, en dan weer zo naief of hij halve idioten voor zich heeft.
Een vraag als: ‘Hoe werd in het Mnl. een lang mes genoemd?’ (blz. 28), doet men b.v. aan professor Verdam, maar niet aan een
| | | | schooljongen. En welke jongen weet te antwoorden op de vraag: ‘Wat is de beteekenis van wel gemeyt?’ (blz. 83).
Daarentegen wordt bij een regel van Helmers: ‘d'Iber en den Taag in uwe hand gegeven’ gevraagd: ‘Is dat in letterlijken zin op te vatten?’ Een verstandige jongen ziet in die vraag hoogstens een mislukte grap.
Een machinaal toepassen van de traditionele parafrase is het, wanneer opgegeven wordt, de bekende wandeling van Kackerlack uit Bredero's Moortje ‘in tegenwoordig Nederlandsch over te zetten’ (blz. 95 vlg.). Moeten Bredero's marktventers ‘fatsoenlik’ Nederlands leren praten, of moet dat stuk soms in modern plat-Amsterdams overgebracht worden?
Natuurlik is ook een hoofdstuk gewijd aan de zinsontleding-sport. Wanneer zullen de leraren, de opleiders en de examinatoren zich eindelik eens gaan afvragen: waarvoor dienen nu eigenlik die mooie schema's, die benoemingen en onderscheidingen? Leert men daardoor taal begrijpen? Soms is men geneigd het tegendeel te menen. De schrijver van dit boekje beweert b.v. dat de zin ‘Wie de wespen gonzen laat, doen zij nog het minste kwaad’ onvolledig is (blz. 39). En als hij de begin-‘periode’ van Verwey's Cor Cordium in een schema gebracht heeft: I a, b, c enz. II A B aʹ + bʹ, aʺ + bʺ, meent hij dan in ernst dat hij de weg tot het begrijpen gebaand heeft? Het belachelike van zo'n poging (blz. 73-75) is misschien een beter geneesmiddel tegen die ontledings-waan dan een lang vertoog.
Hoofdstuk VI heeft de oefeningen, die al zo bont gemengd zijn, nog eens gemengd. Dan krijgen we fraaie kombinaties als deze (blz. 127):
Omschrijf de beteekenis van:
| 1. | Het vrije veld. |
| 2. | Vrije uren. |
| 3. | Het nachtkil van den plavuisten vloer. |
| 4. | Van bare smalende lippen striemde het als een zweepslag. |
Waarom moeten 1 en 2 ‘omschreven’ worden? Ze zijn moeielik van gemakkelikheid, zal de leerling denken. De omschrijving van 3 en 4 is een echt kunststuk. Uit de keuze leert men de onpartijdigheid van de schrijver kennen: ultra-moderne en ultra-ouderwetse taal verheugt zich gelijkelik in zijn belangstelling. Om ‘stijl’ te krijgen kan men blijkbaar kiezen. Maar om de Eigen opstellen (N.B. eigen!) van blz. 137-138 te kunnen maken, moet men over een rijkdom van ‘stijl’ kunnen beschikken. Wie denkt niet bij ‘Ontmoeting met een Bedeljongen op een kouden. Winteravond’ aan Tollens? Of bij ‘De Straatkoopman’ aan de typen uit de
| | | | Camera? ‘Een storm in de Steppe’ vereist toch romantiese boeketaal, en ‘Na de Aardbeving’ een grondige kennis van krantenverslagen en van de stijlversieringen die journalisten plegen te gebruiken! Voor ‘Een Match’, ‘Een Prettige Vacantiedag’ kan dan de alledaagse taal bewaard blijven. Maar ook daar moet de welonderwezen leerling zich wachten voor de verderfelike leer: ‘schrijf zoals je spreekt’, al mag hij wel enige koncessies doen aan de ‘geest des tijds’. Dat blijkt uit het volgende recept - of Voorbeeld - van een spreekwoorden-opstel (blz. 26):
Gisteravond zat ik met mijn beide zusters Marie en Anna in de huiskamer mijn werk te maken. 't Was een vertaling van het Nederlandsch in het Fransch, welke ik te voren in het klad had gemaakt en nu overschreef. Marie riep: ‘Hé, valsche jongen, je zit af te schrijven!’ Ik stoof op; maar Vader, die tegenwoordig was en het gehoord had, suste mij en berispte Marie, die zich meermalen aan zulk een fout schuldig maakte, zeggende: ‘Foei, Marie, hoe durft gij dat zeggen. Maandagavond nog zag ik je, toen ik binnen kwam, snel het schrift van je zuster Anna wegmoffelen, waaruit ge bezig waart over te schrijven. Op jou is met recht het spreekwoord “de pot verwijt den ketel, dat hij zwart ziet” van toepassing.’
In dit stukje ‘model-stijl’ kan men ook de illustratie zien van een ander spreekwoord: ‘Aan de vrucht kent men de boom’. Wanneer men aan kollega's en leerlingen dit als ‘voorbeeld’ opdist, dan zijn de ‘stijl’-oefeningen die daartoe leiden, nog iets meer dan een onschuldig tijdverdrijf.
De schrijver zegt in zijn Voorbericht: ‘Door een veeljarige ondervinding in mijn overtuiging versterkt, dat z.g. steloefeningen bij het onderwijs in de Nederlandsche taal nuttig en noodzakelijk zijn, bied ik mijn collega's dit deeltje aan.’ Wij hopen dat een groot aantal kollega's, door studie en nadenken, gepaard met ondervinding, tot ander inzicht zullen komen, en voor dat aanbod, al streelt het hun gemakzucht, zullen bedanken.
C.G.N. de Vooys.
|
1)Tweede deel B. 's Gravenhage - Joh. IJkema.
1)Op blz. 12 worden voor het Mnl. woord geme 6 betekenissen opgegeven, terwijl er in 't Mnl. Wdb. maar één plaats van voorkomt. Gemelijk betekent in 't Mnl. al 1 o. wonderlik, zonderling, 2 o. knorrig. - Het ww. nurken is volgens de schr. een ‘klanknabootsend woord’ (blz. 14). Een pruttelend mens zegt zeker: ‘nurk!’ Wat voor begrip moet de leerling daarin hechten? Wie Franck naslaat, zal zien dat de samensteller te oppervlakkig gelezen heeft.
1)De schr. zelf maakt soms rare fouten. Uit Bredero schrijft hij bij vergissing over: kuyverde in plaats van kuyerde. Dat kan ieder overkomen. Maar nu zet hij daarbij een noot: ‘Kuyverde = kuierden’!
|
|