De Nieuwe Taalgids. Jaargang 3


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 3. J.B. Wolters, Groningen 1909  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 315]

Uit de tijdschriften. (September - Oktober).

De Gids. Sept. N. van Wijk besluit zijn artikel over Het Russiese Volksepos.

Okt. G. Boxman - Winkler vergelijkt in een opstel Twee beelden van kolonie-leven Nico van Suchtelen's roman Quia absurdum met een soortgelijk verhaal van Nathaniel Hawthorne, The Blithedale romance, beide ervaringen en indrukken van kolonie-leven, ‘opgeheven in een klaarder sfeer’, maar tegelijk hemelsbreed verschillend. - J.N. van Hall geeft in een bespreking van Verkade's Macbeth-opvoering (Dramatisch Overzicht) o.a. interessante biezonderheden over Shakespeare-vertalingen op ons toneel.

 

Onze Eeuw. Sept. G.J. Hoogewerff wijdt een artikel aan Een Nederlandsche Bron van den Robinson Crusoe, n.l. een boekje van H. Smeeks, tien jaar vóór de Robinson Crusoe geschreven, getiteld: ‘Beschrijvinge van het magtig Koningrijk Krinke Kermes’. Van dit boek, ook door Staverman in zijn proefschrift Robinson Crusoe in Nederland (blz. 51) besproken, geeft de schrijver de inhoud en een karakteristiek fragment.

 

De Beweging. Sept. Het slot van Koopmans' artikel over Daniël Heinsius behandelt zijn Verachtinge des Doods als spiegel van zijn Stoïeijns Christendom, het aandeel dat Heinsius had in de Emblematalitteratuur, die ‘sterksprekende verschijningsvorm van de Renaissance’, waarin ‘de Oudheid door 't Christendom genaast werd.’ Uit de Emblemata Amatoria, in verband met andere gedichten, wordt aangetoond, dat deze Stoïcijn ook de teleurstellingen van de liefde gekend heeft. Zijn kunst wordt aldus gekarakteriseerd: ‘Heinsius' dichtwerken bevatten geen verzen, die door kracht en kleur het eigendommelike van de nieuwe tijd weergeven. In hem hoort men niet het geluid van een Van der Noot of Van Hout. Hij nadert de groep Pers en Z. Heijns in 't Noorden; hij herinnert ons zijn tijdgenoten De Brune

[p. 316]

en Cats. Heinsius is de grote geleerde, die in zich en om zich het nationaal bewustzijn voelt rijpen, en zich geeft aan een litteratuur, die de steun van de besten des volks behoeft om in kracht en gloed te winnen. Hem strekt zijn initiatief tot groter roem dan zijn kunst.’ Het artikel eindigt met een parallel tussen Heinsius en zijn neef Zevecote, die ‘de schaduw van Heinsius’ genoemd wordt, maar die niettemin als dichter hoger stond, al bleef zijn werk een belofte. - In de rubriek Boeken, Menschen en Stroomingen bespreekt Verwey uitvoerig en krities de verzen-bundel De getooide Doolhof van P.N. van Eyck.

Okt. Albert Verwey geeft een korte karakteristiek van J.A. Alberdingk Thijm. Hij houdt al de novellen van deze schrijver voor ‘dilettante-werk: alleraardigst en door zijn vele gegevens dikwijls bruikbaar, niet zonder hier en daar een bevallige bladzijde, maar in de behandeling van de werkelijkheid al te klein en in de verdichting al te kinderlijk.’ Daarom meent hij dat Thijm's nagedachtenis beter door een keuze dan door een volledige uitgave van zijn werk geëerd zou zijn. - Interessant is ook Verwey's beschouwing over de kunst van het toneel, over de werking van de kleur en van het woord op de verbeelding van de toeschouwer in enige bladzijden over De Macbeth van de Hagespelers.

 

De Nieuwe Gids. Sept. De Literaire Kroniek van Kloos, naar aanleiding van Van Hulzen, is grotendeels een causerie over oudere letterkunde, waarin o.a. de mening uitgesproken wordt, dat Wiselius als dramadichter in onze letterkundige geschiedenis naar voren verdient te worden gebracht.

Okt. In de Literaire Kroniek schrijft Kloos waarderend over Prinsen's studie Multatuli en de Romantiek. Zijn bezwaar is dat de schrijver niet de ‘ware’ romantiek, de ‘negentiende-eeuwsche romantiek in den eersten graad’ op 't oog heeft, maar alleen ‘de tweedehands-romantiek’. Als inleiding prijst hij de tegenwoordige letterkundige kritiek tegenover de oudere, en meent dat de oudere, zelfs van Potgieter en Huet, teveel op de gedachten-inhoud, te weinig op het ‘psychisch-aesthetisch talent’ lette.

 

Groot-Nederland. Sept. L. Simons geeft Tooneelbespiegelingen, een causerie over hedendaagse toneeltoestanden. - W.G. van Nouhuijs trekt in de rubriek Literatuur een parallel tussen Boutens' Beatrijs en het Middeleeuwse gedicht. Van het laatste schat hij de dichterlike waarde hoger dan van de moderne bewerking.

Oktober. L. Simons besluit zijn Tooneelbespiegelingen.

[p. 317]

Elseviers Maandschrift. Okt. Frans Verschoren schrijft in enkele bladzijden, met mooie illustraties, Iets over Tony Bergmann en over Lier. - De Boekbespreking van Robbers waardeert Anna van Gogh - Kaulbach's roman Moeder, maar besluit met ‘bezwaren en protesten’ tegen de taal en ‘stijlnouveautés’ van deze schrijfster, om daaruit de waarschuwende gevolgtrekking te maken, tegen het ‘mooi’-doen van meer jonge artiesten gericht: ‘Er is in de moderne rhetoriek al bijna net zooveel onzin als in de oude, waartegen de Nieuwe Gids zoo hard gevochten heeft.’

 

Van onzen tijd. Nummer IX-X. Belangrijk is het artikel Maatschappelike kunstleer van Gerard Brom, geschreven naar aanleiding van Adama van Scheltema's bekend boek De grondslagen eener nieuwe Poëzie. Met de negatieve zijde van dit werk is bij biezonder ingenomen: ‘op 't ogenblik is Scheltema's opruiming werkelik een weldaad.’ In het ‘beschouwende deel’ van zijn studie stelt de overtuigde Katholiek zijn Katholieke kunstleer tegenover de socialistiese. Hij is van oordeel dat Scheltema ‘twee gewichtige tegenstellingen niet verzoent: eerstens stof en geest, tweedens persoon en gemeenschap.’

 

De Navorscher. Afl. 5-6 bevat een artikel van W. Zuidema: Hajo Albert Spandaw. - J.E. ter Gouw eindigt een artikel over De Mostellaria van Plautus en de Nederlandsche navolgingen. - G.A. Nauta schrijft over splint = geld.

 

Volkskunde. Afl. 5-6. J.H. Scheltema de Heere maakt twee oude liedjes bekend, die op straatroepen betrekking hebben. - De redakteur A. de Cock vervolgt zijn Spreekwoorden, zegswijzen, uitdrukkingen op volksgeloof berustend (plantennamen) en geeft Aanvullingen en verbeteringen op de Spreekwoorden en zegswijzen over de Vrouwen de liefde en het huwelijk. - G.J. Boekenoogen vervolgt zijn Nederlandsche sprookjes en vertelsels (No. 125-128). - Ivo Struijf vertelt een Kongoleesch Sprookje.

Afl. 7-9. G.J. Boekenoogen begint een nieuwe reeks: Nederlandsche sprookjes uit de XVIIe en het begin der XVIIIe eeuw met interessante oude teksten, uitvoerig toegelicht. - J. Niederer schrijft Palmzondag te Hougaerde; Lod. Scheltjes over Witten-Donderdag te Rupelmonde. - A. de Cock vervolgt de beide bovengenoemde reeksen en geeft nieuwe Historische kinderrijmpjes.

 

Tijdschrift voor Ned. taal- en letterkunde XXVIII. Afl. 2. - De huidige stand der genealogische taalwetenschap wordt geschetst in

[p. 318]

een artikel van Jac van Ginneken. Hij stelt de vraag: welke problemen houden tegenwoordig de genealogiese wetenschap bezig? En wat belooft zij ons voor de toekomst. Dat van het Indo-germaans een stamboom op te maken was, is bekend. Maar nu meent men in de Kaukasiese taalgroep een schakel gevonden te hebben tussen het Indogermaans, Chamities en Semities.

In de zogenaamde ‘Nostratiese talen’ vindt men een hogere eenheid. ‘De tijd dat de grootste taalgeleerden het voor onmogelijk hielden dat de verschillende bekende taalstammen toch weer onderling zouden samenhangen is voorbij, voorgoed voorbij.’ Dan geeft de schr. de stamboom van de Bantoïden en Bantoe-talen en van de Austriese talen. Een geniaal Italiaans geleerde Trombetti, meent zelfs de verwantschap van alle talen der wereld aangetoond te hebben. Zijn ‘machtige synthese’ is te gewaagd; wetenschappelike zekerheid bestaat nog niet, maar ‘de eenheid van grondtaal wordt met den dag waarschijnlijker’. - G.A. Nauta behandelt het liefkozend woord song in de brieven van Dorothea van Dorp aan Const. Huygens. Hij wil het verklaren als: gezang, lied. - R. Grisard bezorgde een uitgave van Asselyn's blijspel De Dobbelaar, alleen in een Haarlems handschrift bewaard. - R. van der Meulen behandelt in een artikel Hollando-Russica een reeks Russiese woorden die uit onze taal overgenomen zijn.

 

Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie, 1909. - A. de Cock wijdt een grondige studie aan De sage van den te gast genooden doode. Hij gaat na in welke lezingen dit sagenmotief in Vlaanderen en Holland voorkomt, en wijst er op dat die alle teruggaan op een verhaal in Poirters' Masker van de wereld. Daarna somt hij een groot aantal soortgelijke sagen uit den vreemde op. De bron van Poirters blijkt dan te zijn een Jezuietendrame over de Leontiussage, die aan de Don-Juan-sage verwant is. Een uitvoerige Bibliographie besluit deze studie.

Over de Benamingen onzer Taal, inzonderheid over Nederlandsch is de titel van een lezing door Willem de Vreese. Daarin wordt aangetoond dat de oude naam dietsch, duitsch in het midden van de 16de eeuw (de eerste plaats dateert van 1518) de mededinging krijgt van de term Nederlandsch, die in de tweede helft van de 16de eeuw de beide andere overheerst; dat Nederlandsch gedurende de eerste helft van de 17de eeuw Duitsch en Nederduitsch blijft overheersen, en dat Nederduitsch in de loop van de tweede helft van de 17de eeuw zoveel veld wint, dat het ten slotte aan de spits komt, voor een klein

[p. 319]

gedeelte nog ten koste van Duitsch, maar vooral ten koste van Nederlandsch. Merkwaardig is nog ‘dat Nederlandsch als tope-, ethnoen geografische benaming in de 16de eeuw het eerst en het meest door Zuidnederlanders werd gebezigd.’ Dit alles wordt in biezonderheden uitgewerkt en toegelicht met een volledig afgedrukt materiaal, waarin niet minder dan 1994 plaatsen afgedrukt zijn, die een benaming van onze taal bevatten.

 

Museum. Aug.-Sept. A. Borgeld bespreekt uitvoerig en aanvullend het boek van E. Lorenz over Die Kastellanin von Vergi, een proeve van vergelijkende-litteratuurstudie.

 

Den Gulden Winckel. 15 Okt. André de Ridder publiceert een geïllustreerd vraaggesprek By Cyriel Buysse, waarin de auteur het oordeel onderschrijft dat zijn ‘buitenromans’, zijn landelike verhalen beter zijn dan de stadsverhalen. - Gerard van Eckeren beoordeelt de jongste roman van Robbers: De Gelukkige Familie, waarin hij vooral het ‘stil spel’ voortreffelik vindt.

 

School en Leven. 16 Sep. Jan Ligthart verdedigd in een artikel Ocer opstellen en taalfouten (naar aanleiding van Schreuders brochure Een bijdrage tot de praktijk van het nieuw stelonderwijs, waaruit een groot fragment overgenomen is) het ‘vrije opstel’, en meent dat deze vrije oefening zeer goed mogelik is zonder dat alles gekorrigeerd wordt.

23 Sept. A.W. Stellwagen geeft weer in een paar artikels: Nieuwe bijdragen voor Koenen's Handwoordenboek.

7 Okt. In aansluiting bij bovengenoemd artikel van Jan Ligthart geeft ook Rein ervaringen over het ‘vrije opstel’ in de lagere school.

 

Opvoeding en Onderwijs No. 6-8. W. Lutkie Lzn. bepleit het het nut van een wereldtaal in een artikel Het wereldtaalvraagstuk opgelost?

 

De Nieuwe School 15 Sept. Een artikel Het karakter van P.J. Bol is een scherpe aanval op een bekende examen-opgave: het opstel over een karakter uit een roman. De aanval geldt in 't biezonder Casimir, die proeven gaf voor hoofdakte-kandidaten. Volgens de schr. ‘spookt de voorbije tijd in die karakterstudies.’

 

De Amsterdammer. 16 Okt. Albert Verwey geeft in een bespreking van Prinsen's Multatuli en de Romantiek ook zijn eigen waardering van Multatuli's invloed en betekenis.

[p. 320]

Zeitschrift für deutsches altertum. Band 51. W. de Vreese publiceert zijn rede op het Histories Kongres te Berlijn gehouden Ueber eine Bibliotheca neerlandica manuscripta, waarin hij voor buitenlandse geleerden zijn ver strekkende plannen en de betekenis daarvan uiteenzet (vgl. het artikel in Taal en Letteren 1903, blz. 271).

Lijst van ontvangen boeken.

Aan het einde van deze jaargang geven we een opsomming van de werken die ons ter bespreking werden toegezonden. Wij behouden ons voor, er in de aanstaande jaargang op terug te komen, al zijn we door de omvang van ons tijdschrift gedwongen voor uitvoeriger bespreking een keuze te doen.

R. Casimir, Lessen in Letterkunde (Deventer - A.E. Kluwer - 1909). Prijs ƒ1,90. Geb. ƒ2,40.
G. Elgersma, Lezen en verwerken (Groningen - J.B. Wolters - 1909). Prijs geb. 1,90.
E. Rijpma, Gids bij de studie der Nederlandsche Letterkunde, vooral ten dienste van candidaat-hoofdonderwijzers. Bespreking van verschillende werken. Tweede druk. (Groningen - J.B. Wolters - 1909). Prijs ƒ2, -. Geb. ƒ2,25.
Dr. C.G.N. de Vooys, Historische Schets van de Nederlandsche Letterkunde. Tweede druk. (Groningen - J.B. Wolters - 1909). Prijs geb. ƒ1,75.
A. Vincent en J.J. Verbeeten, Poëzie en Proza. Twee bundels. (Nijmegen - J.C.G. Malmberg - 1909).
M.A.P.C. Poelhekke, Taalbloei. Twee bundels. (Groningen - J.B. Wolters - 1909). Prijs per deel geb. ƒ1,90.
M.A.P.C. Poelhekke, Woordkunst, Leerboek tot het bijbrengen van inzicht in letterkundige verschijnselen. (Groningen - J.B. Wolters - 1909). Prijs geb. ƒ1,75.
W.H. Hasselbach, Beknopte Stijlleer. Vierde, vermeerderde drnk. (Breda - P.B. Nieuwenhuis - 1909). Prijs ƒ 1,75.
M.J. Koenen, Verklarend Handwoordenboek der Nederlandsche taal. Achtste, vermeerderde druk. (Groningen - J.B. Wolters - 1909). Prijs ƒ2,75.
C.G. Kaakebeen en Jan Ligthart, Reinaert de Vos (Van alle tijden No. 3). Groningen - J.B. Wolters - 1909). Prijs ƒ0,90.
Dr. N. van Wijk, De Nederlandsche taal. Tweede, verbeterde en vermeerderde druk. (Zwolle - W.E.J. Tjeenk Willink - 1909). Prijs ƒ 1,50.