De Nieuwe Taalgids. Jaargang 4


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 4. J.B. Wolters, Groningen 1910  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Iets over de metafoor.

Vrij algemeen verbreid is de mening dat de metafoor ‘eigenlik’ een soort ‘beeldspraak’ is, die zelfs in de meest gewone taal doorgedrongen is. Die mening wordt door de stijlleer gesterkt. Hasselbach1) wijst er op ‘dat wij ons allen zelfs in de meest alledaagsche taal en bij de doodeenvoudigste onderwerpen onbewust van figuurlijke taal bedienen.’ Heringa2) stelt in zijn voorbeelden van de metaphora de dichter- en auteurstaal voorop. En nog onlangs schreef Poelhekke3): ‘De taal, ook die van het dagelijksch leven, is vol van beeldspraak.’ Ook uit de voorbeelden (‘de pooten van een stoel, de voet van een berg’) blijkt dat hij voornamelik het oog heeft op de zogenaamde metafoor. Hier te lande wijst men bij voorkeur op het bekende opstel van Simon Gorter over Beeldspraak. De Duitsers beroepen zich op de uitspraak van Jean Paul: ‘Die Sprache ist ein Wörterbuch vergilbter Metaphern.’

De verrassende ontdekking dat ieder mens zijn hele leven onbewust zich van ‘beeldspraak’ bedient, werd helaas door de wetenschappelike kritiek sinds lang zo onbarmhartig ontleed, dat er niet veel van overbleef. H. Paul stelde in het licht dat de metafoor ‘mit Notwendigkeit aus der menschlichen Natur fliesst und sich geltend macht nicht bloss in der Dichtersprache, sondern vor allem auch in der volkstümlichen Umgangssprache’4), dat de metafoor een van de voornaamste middelen was, om nieuwe voorstellingskomplexen namen te geven. Deze beschouwing bracht verheldering. De algemene taal wemelt niet van verbleekte ‘beeldspraak’, maar de beeldspraak wortelt in

[p. 46]

de algemeen-menselike neiging tot metaforiese naamgeving. Onder de ruime naam ‘metafoor’ (letterlik: over-dracht) werden nu door Paul alle betekenisovergangen saamgevat, die berusten op een vergelijking, op gelijkenis of overeenkomst. De overgangen zijn zo velerlei, dat een volledige groepering en opsomming haast onmogelik is. De aanleiding kan b.v. zijn: overeenkomst in uiterlike vorm, de overeenkomst tussen uitgestrektheden in ruimte en tijd, de verwantschap tussen zinnelike gewaarwordingen, door verschillende zintuigen ontvangen. Bovendien worden de namen voor handelingen in de ruimte overgedragen op geestelike verrichtingen, en worden termen voor menselike handelingen overgebracht op verrichtingen van levenloze voorwerpen.

Het is duidelik dat in deze ruime opvatting van de term ‘metafoor’ de eigenlike beeldspraak nauweliks teruggevonden wordt. Maar tegelijk wordt het begrijpelik, dat Wundt zich niet verenigen kan met deze vage term, die alleen ter groepering, en niet ter verklaring van de verschijnselen dient. Hij trachtte op psychologiese gronden een splitsing te brengen onder de verschillende betekenisovergangen, die Paul metaforen noemde. De term ‘metafoor’ - een erfstuk uit de oude retorika - verwierp hij niet, maar hij behield die voor een deel van de verschijnselen. De nieuwe indeling had dit grote voordeel, dat daarmee tegelijk een psychologiese verklaring beproefd werd. Wundt's beschouwing is dus zeer geschikt om vage denkbeelden te verhelderen. Daarom lijkt het mij niet overbodig, daarvan een beknopte uiteenzetting te geven, die de hoofdzaken in 't licht stelt1).

 

Het zijn voornamelik twee groepen van verschijnselen waarop Wundt niet langer de naam ‘metafoor’ wil toepassen:

1o.de betekenisverandering door ‘complicatie’,
2o.die gevallen van ‘naamgeving’, waarin een bestaand woord verbonden wordt met een nieuwe voorstelling, maar zò, dat bij het ontstaan van die verbinding die naam als rechtstreekse aanduiding gevoeld wordt.

 

I. Onder ‘complicatie’ verstaat men de verbinding van voorstel-

[p. 47]

lingen of bestanddelen van voorstellingen op verschillend zintuigelik gebied1). Wanneer b.v. de voorstelling van de reuk van een bepaald gerecht zich verbindt met die van de smaak en van het uiterlik voorkomen, dan ontstaat een complicatie. Door hun verschillende oorsprong heeft een eigenlike versmelting van deze voorstellingselementen niet plaats. Maar al is de verbinding in wezen los, toch is begrijpelik dat hetzelfde gerecht zoet of zuur kan ruiken en smaken. Nog een stapje verder gaan we, als we zeggen dat een pudding lekker ruikt, lekker smaakt, en er lekker uit ziet. Maar ook zonder dat ze op hetzelfde voorwerp betrekking hebben, kunnen er complicaties bestaan tussen voorstellingen op verschillend zintuigelik gebied. Schel, hel, scherp en dof, hard en zacht, worden zowel voor geluids- als voor gezichtsindrukken gebruikt; een kleur kan warm en koud zijn, en zelfs sterksprekend of schreeuwend. Wij spreken over de toon van een schilderij, en over de kleur van muziek (vgl. het Duitse Farbenton en Klangfarbe).

In de tweede plaats kan er een complicatie tot stand komen tussen gewaarwordingen en bepaalde voorstellingen van voorwerpen, werkingen of toestanden, waardoor de naam van die voorwerpen, werkingen of toestanden overgedragen wordt op de gewaarwording. Zo zijn waarschijnlik de meeste kleurnamen ontstaan. Bruin hangt samen met branden, zwart met een woord dat ‘vuil’ betekent. Misschien is er een meer verwijderd verband tussen geel en gloeien, groen en groeien. Maar we behoeven niet naar de grijze voortijd terug te gaan, als we zien dat de kleurnamen oranje, violet, purper, rose, terracotta, paille enz. een soortgelijke oorsprong hebben. Als de taalwetenschap leert dat bitter met bijten samenhangt of wrang met wringen, dan denken we dadelik aan een overeenkomstige overgang in een snijdend geluid of de prikkelende smaak van een pikante saus2). De samenhang van voelen met de (hand)palm, van horen met oor is sinds lang verduisterd. Maar dat ruiken zowel geur afgeven, als die geur waarnemen betekent, toont ons een dergelijke overgang nog in de tegenwoordige taal.

In de derde plaats worden de benamingen van uitwendige indrukken overgedragen op subjektieve gemoedstoestanden. Men spreekt van een

[p. 48]

koele ontvangst, een warme liefde, een bittere stemming, zoetje woordjes en scherpe verwijten. Het is begrijpelik dat het nauwe verband tussen de psychiese toestand en de fysiese indrukken die er mee samengaan, ook in de taal tot uitdrukking komt. Dat in allerlei talen woorden voor ‘trillen, sidderen, beven’ ook een gevoel van vrees aanduiden, ligt voor de hand. Evenzo dat angstgevoel samengaat met een gewaarwording van een druk, een beklemdheid, van iets nauws, iets engs. We zien dat dus evengoed bij een oud woord als angst, waarin men niet licht het woord eng herkent1), als in allerlei termen die nog dageliks zouden kunnen ontstaan: in de druk, in de benauwdheid zitten, er tussen zitten, een beklemd gevoel, drukkende zorgen2). Juist het feit dat dezelfde komplikatie telkens opnieuw opduikt, bewijst ons dat er in de verbinding iets noodzakeliks is. De etymologie leert dat verbolgen en gebelgd in verband staan met belgen = opzwellen (vgl. blaasbalg), maar met dezelfde overdracht zeggen wij nog: maak je niet dik! ‘Iets niet 'kunnen velen’ betekent oorspronkelik: niet kunnen opbergen, maar die betekenisovergang wordt herhaald in: iets niet kunnen slikken, verduwen, verkroppen. Denk verder aan overwegen naast ‘wikken en wegen’; aan schrikken (eig. springen) naast: aarzelen en terugdeinzen.

Tot een afzonderlike groep (‘secundäre Complicationen’) brengt Wundt de benamingen van verstandelike verrichtingen en algemene funkties van de geest, als begrijpen, verstaan, onthouden, waarnemen, voorstellen, herinneren enz. Opmerkelik is dat daaronder zoveel termen zijn, die uit de Latijnse termen vertaald zijn, terwijl die op hun beurt tot de Griekse teruggaan; een bewijs dat zulke woorden hun oorsprong vonden in de behoefte aan wetenschappelik denken.

Het onderscheid met de vorige groep is dat de oorspronkelike betekenis van het woord niets van de latere bevat, en dat omgekeerd de afgeleide betekenis gewoonlik niet meer, of zeer vaag, als verwant met de oorspronkelike, zinnelike betekenis wordt gevoeld. Maar ook hier moet er een tussentoestand geweest zijn, waarin het begrip èn zinnelik èn geestelik tegelijk was. Wundt wijst er op, hoe natuurlik dat is. Want als we ons een stoffelik voorwerp willen voorstellen, dan is immers, ook psychologies opgevat, een poging ‘ein ursprünglich wirklich gegenüberstehendes Object in der Erinnerung gegenüberstehend zu denken.’ Hij had ook uit de taal zelf bewijzen kunnen

[p. 49]

aanhalen, hoe ook deze komplikatie telkens opnieuw ontstaat en uitgedrukt wordt. Buiten alle Latijnse termen om, en zonder de geschooldheid van het wetenschappelik denken, konden uitdrukkingen ontstaan als: ik kan hem nog precies voor me halen; dat staat me niet voor (vgl. voor de geest halen). Synoniem met ‘iets begrijpen’ gaat men zeggen: iets vatten, snappen, te pakken hebben, beet hebben, en zelfs: voelen. Tegenover onthouden staat: kwijt zijn. De verborgen etymologie van ‘zich herinneren’ komt weer voor den dag in: zich te binnen brengen; 't wil me niet invallen, to binnen schieten, enz.

 

Waarom wil nu Wundt al deze betekenisovergangen niet langer met de naam metafoor bestempelen? Voornamelik omdat men op het ogenblik van ontstaan zich niet bewust was dat er een overdracht plaats had. Voor de metafoor is nodig dat de overdracht opzettelik geschiedt, ‘zum Zweck der stärkeren sinnlichen Gefühlsbetonung eines Begriffs geschaffen sei.’

Maar nu is het duidelik dat er moeielik een scherpe grens te trekken is tussen deze komplikaties en de verbleekte metaforen. Wic denkt bij: een boeiend boek, hoogdravende taal, een gloeiende toast, bezitten, enz. nog aan het ‘overdrachtelike’ van de tegenwoordige betekenis? En omgekeerd kan een woord als begrijpen op het reflekterende denken de indruk maken van een opzettelike, bewust toegepaste overdracht. Op dat in-elkaar-vloeien heeft Wundt nadrukkelik gewezen, maar dat verhinderde hem niet om tussen de komplikaties, in oorsprong natuurlik, en de metaforen, in oorsprong willekeurig, om hun verschillende wording, een grenslijn te trekken.

Van belang is intussen de opmerking dat in de natuurlike komplikaties het uitgangspunt ligt voor het ontstaan van de metafoor, en tegelijk de verklaring voor de indruk die de goed-gevonden metafoor op ons maakt, en voor zijn onmiddellike verstaanbaarheid. De eigenaardige werking van de metafoor zou onverklaarbaar zijn, als die in de oorspronkelike wetten van de voorstellings-verbindingen, zoals we die bij de komplikaties leerden kennen, geen aanknopingspunten vond.

C.G.N. de Vooys.

(Wordt vervolgd).