De Nieuwe Taalgids. Jaargang 5


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 5. J.B. Wolters, Groningen 1911  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 317]

Uit de tijdschriften. (September - Oktober).

De Gids. Sept. Uit een aanstaande biografie van mevrouw Bosboom-Toussaint, door J. Dyserinck, wordt een brief van deze schrijfster overgenomen, die belangrijk is voor haar verhouding tot Busken Huet.

 

De Beweging. Okt. J. Koopmans publiceert het eerste gedeelte van een letterkundige studie: Van Kist tot Daalberg. Deze beide romanschrijvers, hoewel tijdgenoten, worden ‘door een scherpe lijn gescheiden.’ ‘Kist, de onvermoeide kennis-en-deugd-vermaner, houdt zich voorzichtig opgesloten in de Nuts-katheder, en geeft er de voorkeur aan, zich te uiten in boekbundels met zedekundige verhandelingen die in de verte herinneren aan de traktaatjesvorm.’ Bij hem zien we ‘de verzwakte stromen van de “Aufklärung” rimpelloos vervloeien in 't dode zand van ons meest vervlakte volksleven.’ Juist uit dat oogpunt is zijn werk kultuur-histories zeer interessant: wij ademen er in de atmosfeer van de tijd. Dat leert ons de fijne ontleding van deze vergeten romanschrijver.

 

De Nieuwe Gids. Sept. In een artikel Heldendaad of Dolzinnigheid? verdedigt W. Meyer opnieuw, tegenover Jhr. de Cock, Multatuli's ontslagname te Lebak.

 

Groot-Nederland. Sept. W.G. van Nouhuys beoordeelt de jongste Shakespeare-vertalingen van J. van Looy en van Edw. B. Koster. - H. van der Wal bespreekt waarderend de literaire opstellen Nederlandsche Verskunst door David Moolenaar en Herman Poort.

Okt. H. van der Wal bespreekt o.a. Getijden door Anna van Gogh - Kaulbach.

 

Elseviers Maandschrift. Sept. In een geïllustreerd artikel Overtooneelinrichting maakt P.H. van Moerkerken Jr. opnieuw propaganda voor de ‘drie-dimensionale’ inrichting van het décor, in verband met het Griekse en het Middeleeuwse toneel, en met het moderne streven van Verkade en van Royaards. - H. Robbers spreekt over het proza van Jacob Geel, naar aanleiding van de laatste

[p. 318]

herdruk, en over dat van Eigenhuis (Groei), waarin hij achteruitgang konstateert.

 

Den Gulden Winckel. Sept. D. Fuldauer bespreekt Zuid-Afrikaansche Geschriften. Gerard van Eckeren beoordeelt enige verzenbundels o.a. van Boutens en A. Salomons. - André de Ridder bespreekt De Vroolijke Tocht, door Cyriel Buysse. - De Lexicografische Mededeelingen betreffen Fiore della Neve en Joh. Steketee.

Okt. Behalve het vervolg van Bezemer's artikel De oudste Volksliedjes van het Nut, brengt deze afl. een prijzende beoordeling van de Emile-vertaling van Is. Querido, door H. Smeets, die de vertaler in bescherming neemt tegen de aanval van H.J. Stomp (zie beneden: De Nieuwe School).

 

Van onzen tijd No. 47-50. H.J.E. Endepols publiceert een belangrijke studie over Poirters' Masker van de Wereldt afgetrocken. Hij prijst dit ‘kunsteloos proza,’ waarvan de natuurlikheid en echtheid zo scherp staat tegenover het verlatiniseerde schrijven van zijn tijd. ‘Zijn stijl is werkelijk een snedig mes gelijk en zijn zinnen staan, wat Vondel van de verzen verlangt, wakker op hun voeten.’ Zijn werk is een schatkamer voor de gesproken taal van de 17de eeuw. Zijn gebreken - de geringe waarde van de berijmde verhalen, de wansmaak - worden door Endepols niet vergoelikt. Maar ondanks deze blijft zijn werk literair-histories waardevol.

XII, No. i. J.F.M. Sterck publiceert Kleinigheden over Vondel, n.l. een verbeterde tekst van een gedichtje dat Van Lennep (X, 486) niet kon verklaren.

 

De Tijdspiegel. Sept. Jan Greshoff beoordeelt de poëzie van de Vlaming Adolf Herckenrath (Dichter's Lentetijd).

Okt. J. Speelman schrijft, onder het opschrift Tendenzkunst een artikel over de werken van W.A. Paap.

 

Volkskunde. Afl. 9-10. Th. Peeters vervolgt de Oude Kempische Liederen, A. de Cock de Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op volksgeloof berustend (handelende over de vogels), G.J. Boekenoogen zijn mededelingen Waar de kinderen vandaan komen. Dezelfde schr. geeft proeven van Volkshumor in geestelijke zaken, aansluitende bij vroeger afgedrukte geparodieerde sermoenen.

 

Tijdschrift voor Ned. Taal en Letterk. XXX, afl. 4. E. Haslinghuis behandelt de zelfverwensingen die in de M.E. gewoonlik de inhoud uitmaken van Het lied van de hel. - P. Bonaventura Kruit-

[p. 319]

wagen betoogt uitvoerig de wenselikheid van Een verzameling van middelnederlandse initia, die hij voor het herkennen en rangschikken van onbekende teksten van buitengewoon belang acht. - J. Helnsius toont aan dat lakmoes staat voor lekmoes, d.i. pap die men uit laat druipen. - J. van der Valk oefent tekstkritiek uit op Maerlant's Epitaphium. - B. Faddegon formuleert De regels der afstandsmetathesis. - R. van der Meulen wijst op een zeldzaam Mnl. paerde, dat een Slavies woord voor: grof linnen blijkt te zijn. - J;A. vor der Hake verklaart de zestiende-eeuwse uitdrukking Hackemans ghesinneken (= Jan alleman), die met hak en mak (eig. gehakt, mengelmoes), hakmak dooreengelopen is. De verklaring van hakmak in 't Ned. Wdb. acht hij dus niet geheel juist. - W. de Vries behandelt een Abnormale spelling van goed in het Mnl., Mnd. en Ofri., n.l. de spelling met ue. - J. van der Valk verklaart viole (in Lanc. 12040) als fles. - J. Verdam geeft een reeks Mnl. verscheidenheden: ‘Nog eens de Eenhoorn’, blinnen (vgl. Ts. XXV), wempelwite (Alex. V, 106) ogenschalker (in het nieuwe Reinaert-hs. te herstellen), clerc van den bloede (griffier bij een rechterlik kollege voor lijfstraffelike rechtspleging). - P. Geyl spreekt uitvoerig over De dateering van Vondel's Roskam, die hij, in tegenstelling met P. Leendertz, op zijn vroegst tot in het voorjaar van 1628 terugbrengt. Deze onderzoeking leidde tot een interessante vondst, n.l. dat Vondel zeer duidelik zinspeelt op een opzienbarend schandaal bij het Rotterdams Admiraliteitscollege, dat in 1626 aan het licht kwam. De biezonderheden van dit proces geven een historiese achtergrond aan de Roskam.

 

Verslagen en Mededeelingen der Kon. Vlaamsche Academie. Het Verslag over den vijfjaarlijkschen wedstrijd in Nederlandsche Letterkunde (1905-1909), uitgebracht door C. Lecoutere, bevat een uitvoerig krities overzicht van wat in de periode in Zuid Nederland geschreven is. Gelijk men weet, won Streuvels met zijn Vlasschaard de prijs.

 

De Nieuwe School. Sept. H.J. Stomp beoordeelt hoogst ongunstig de vertaling of bewerking van Rousseau's Emile door Is. Querido. De vertaler, die Rousseau's ‘bombast en taaldorheid’ wilde wegwerken, geeft in plaats van het klare Frans, slecht en ongenietbaar Nederlands.

Okt. P.J. Bol schrijft over Stijl, naar aanleiding van Pluim's Keur van Nederlandsche synoniemen. Hij toont aan dat ‘de zoogenaamde stijloefening met stijl niets heeft uit te staan,’ en solt hardhandig met het slachtoffer, dat hem overvloedig materiaal geleverd heeft voor een vinnige en verder reikende kritiek.

[p. 320]

Paedagogisch Tijdschrift. Afl. 3. H. Deelman bestrijdt in een zelfbewust artikel Het nieuwe taalonderwijs. Hij houdt zich aan de beproefde methoden, in 't biezonder voor de stijloefening: ‘Op de lagere school doet men genoeg, als men de kinderen aan allerlei stijlvormen gewent en als zij daar telkens onder de leiding van den onderwijzer tot het samenstellen van goede opstellen worden gebracht.’ ‘De vrije gedachtenuiting, de uiting der gedachten, zooals zij volgens het psychisch mechanisme in de ziel oprijzen, heeft meen ik, voor het leeren stellen geen of heel weinig waarde.’ De laatste zin, waarin het bescheiden ‘meen ik’ niet overbodig is, maakt dit betoog tot een anachronisme.

Afl. 4. G. Th. Selman behandelt, uit de praktijk van zijn onderwijs, Het schrijven van brieven en stemmingsuitingen bij het stelonderwijs. Hij beschikt over een rijk materiaal van schriftelike kinderuitdrukkingen, dat hij belangstellenden ter inzage aanbiedt. H. van Strien verdedigt, naar aanleiding van Deelman's artikel, het goed recht van Het nieuwe taalonderwijs. Een eigenlike polemiek is bij een zo verschillend standpunt onmogelik. Wèl kan aangetoond worden dat de heer Deelman schrijft over zaken die hij onvoldoende bestudeerd heeft. Dit betoog is tegelijk voor lezers die uit vooroordeel op het oude standpunt bleven, een aansporing tot studie en nadenken.

 

Opvoeding en Onderwijs. No. 17 e.v. Fr. S. Rombouts vervolgt zijn artikel over Het stellen bij 12-16jarigen. Hij kiest daarin de partij van Scharrelmann, en vindt het ‘klaar als de dag, dat het onverstandig, neen dwaas is, 'n jongen te willen dwingen 'n paar bladzijden vol te schrijven, over 'n onderwerp dat hem vreemd is.’ Hij gaat uit de ervaringsschat van 12-jarige leerlingen na, waar ze wèl over kunnen schrijven. Een opstel-thema kan ook gevonden worden in vroegere gezamenlike lektuur, door fantasie aangevuld. Daarna komt de schr. tot een scherpe veroordeling van de schema's voor de zonderlingste onderwerpen, zoals de gebruikelike boekjes die geven. Hoe zulke averechtse oefening in het ‘stellen’ werkt, illustreert hij uit zijn eigen kwekeling-ervaring. Het effekt is een verderfelik ‘verbalisme’.

No. 18-19. Leerzaam en aanbevelenswaardig is het artikel Spreken en verstaan door Desiderius, een schrijver die van taalpsychologie grondige studie gemaakt heeft, en die nu, voornamelik aan de hand van Wegener (Die Grundfragen des Sprachlebens) eenvoudig en helder de vraag stelt en beantwoordt:

1o. ‘Hoe verstaat men?’ 2o. ‘Hoe spreekt men?’

C.d.V.