|
|
|
| |
De zuurdesem van een oud taalonderwijs.
Na de verschijning van C. Scharten's Gids-artikel over Het Spellingvraagstuk vatte een scherpzinnig hoogleraar zijn oordeel samen in de woorden: ‘Dat stuk is een klaar bewijs, hoe slecht het taalonderwijs in de laatste vijf-en-twintig jaar geweest is.’ Het loont de moeite, het veelbesproken artikel voor onze lezers eens van dit standpunt te beschouwen. Opmerkelik en leerzaam is de botsing van de juiste taalintuïtie bij de kunst-gevoelige criticus, en de onverteerde bestanddelen van de oude schoolse taalwijsheid. Tweeslachtigheid is er het noodzakelik gevolg van.1)
Scharten vertelt ons van het voortreffelike taalonderwijs dat hij op de Nutschool te 's Gravenhage genoten heeft: ‘De onderscheiding der woorden, verbuiging, vervoeging, in de middelste jaren, het leek ons alles helder en eenvoudig.’ Met instemming haalt hij de woorden van zijn meester aan: ‘Niets is er ontwikkelender dan zins- en woordontleding.’ Natuurlik. Wanneer dit alles met het nodige gewicht behandeld wordt, zal geen kindergeest door twijfel gepijnigd worden. Ik herinner mij nog goed, hoe ‘eenvoudig’ ik de verbuiging van degene en dezelfde vond, toen ik die voor het admissie-examen H.B.S. had ingestudeerd. En dat na een voorzetsel een vierde naamval volgt, was voor mij een axioma.
Ondertussen heeft Scharten met buitengewone sympathie het nieuwe taalonderwijs leren kennen. Hij schrijft er een ware lofrede op: ‘De dorheid van het taalbegrip, dat van de “spraakkunst” uitgaat; de onzinnigheid der boekjes, die, het leven in 't aangezicht slaand en de eigen levende taal der kinderen niet het minst, hen in de schier ondoordringbare geheimen dier kunstmatige grammatica oefenen
| | | | moesten, - al dat verdraaide, valsche en geest-doodende heeft zij aan de kaak gesteld en voor een niet onaanzienlijk deel reeds uitgebannen.
Zij toonde bovendien aan, dat de spelling van De Vries en Te Winkel, deze levenslange moeilijkheid tot voor onze geleerden toe, voor het volkskind tè moeilijk was; dat het niettemin hardnekkig aanleeren dier onlogische spelling een niet zeer opvoedenden invloed kon hebben, waar het voor de gevreesde letter, den zin deed vergeten; en dat, op die wijze, het onderricht in de eigen taal tot eene kwelling werd. Aldus, de tyrannie der “spraakkunst” brekend, vroegen de jongere taalmannen eerbied voor de springlevende spraak der kinderen zelve.
En voor de nare, verbijsterende letter, brachten zij het leven de school binnen.’ (blz. 235).
Mooi gezegd, maar... drie bladzijden verder schiet hem de opvoedende kracht van de oude zinsontleding te binnen, en bepleit hij het behoud van de ‘kunstmatige grammatica’, de dressuur van de ‘gevreesde letter’ in de retoriese vraag: ‘Gaat, zonder de naamvallen, die fijne, logische zins-ontleding, gaat zonder de sch niet een deel der zoo gevoelige woord-ontleding te loor?’
In bovenstaande aanhaling vinden we niet de frase van onoprechtheid of modezucht, maar van oppervlakkig denken en waarnemen. De kluwen van oud en nieuw begrip willen we op enkele plaatsen trachten te ontwarren.
1o. De verhouding van taal en teken. Scharten verkondigt de stelling: ‘de geschreven taal zij enkel maar de zoo trouw mogelijke afbeelding van den klank.’ Dat die afbeelding - of juister gezegd: aanduiding - de taal zelf is, zal hij in theorie beslist verwerpen. Maar in de praktijk blijft hij op het standpunt dat de ‘eigenlike’ taal bestaat uit zwarte tekens die meer of minder juist ‘uitgesproken’ worden. Hij spreekt van een ‘kale’ spelling, van het eenogig loensende ‘zo’, dat ‘verminkt’ is, van een taal die zelve nog niet slap is, al wordt ze op een slappe wijze uitgesproken. Met een taal ‘die leeft in onze hoofden’ bedoelt hij soms de gezichtsherinnering aan het geschreven woord. Als de sj van meisje geschreven wordt in sjokola dan wordt het woord plotseling plat.1)
Minder duidelik zal dezelfde verwarring voor sommigen zijn in deze passage:
| | | |
‘Wanneer de “beschaafde Nederlander”, 's avonds een spelletje doende met zijn kinderen, uitbrengt: “wassuwwe nou 's bedenken?” - dan wil dat, nietwaar, in geenen deele zeggen, dat de woorden “wat”, “zullen”, “wij”, “nu”, “eens” en “bedenken” niet meer bestaan! Toch klinkt, hardop gezeid “wat zullen wij nu eens bedenken?” - of zelfs, op zijn Kollewijnsch: “wat zullen we nu 'ns bedenken?” (maar alle n's en ook de z netjes uitspreken!) - ontegenzeggelijk stijf en onwaar. En echter bestonden die woorden, ook achter de vage klanken van den bedenkenden vader, zooals de latjes van een hek bestaan, dat men, in den trein gezeten, als een trillende schutting ziet’ (blz. 228).
De realiteit van de taal, de ‘latjes’, zijn dus voor Scharten de geschreven woorden. De gesproken taal geeft daarvan een meer of minder nauwkeurige reproduktie. In werkelikheid is de zaak omgekeerd. De bedoelde klankenreeks komt niet in twee, maar in honderd verscheidenheden voor, afwisselend naar accent en tempo, naar de stemming van de spreker, naar de omstandigheden (meer of minder familiaar), naar de nuancen in het Beschaafd.1)
Geen deskundige heeft er ooit over gedacht, al die nuancen bij de gewone taalpraktijk in het schrift vast te leggen: 1o. omdat wij de woorden van elkaar schrijven, en de sandhi-regels (d.w.z. de wederzijdse inwerking van de slotklank van het ene, en de beginklank van het andere woord) dus niet in het schrift tot hun recht doen komen; 2o. omdat ter wille van de eenheid en de gemakkelikheid van opvatting de scherp geartikuleerde klankvolging, in rustig tempo, de norm dient te zijn voor de geschreven taal.
Er is niet veel scherpzinnigheid voor nodig om waar te nemen dat de vereenvoudigers deze beginselen uit volle overtuiging als heilzaam handhaven, en dat de bittertafel-bezwaren tegen het ‘schrijf zoals je spreekt’ na zoveel gedachtenwisseling, een ernstig betoog onwaardig zijn.2) Een minder oppervlakkig beschouwer dan Scharten zou met
| | | | verwondering de vraag gesteld hebben: Hoe komt het, dat zoveel hooggeleerde, zeergeleerde en niet-geleerde vereenvoudigers hun eigen beginselen zo slecht kunnen toepassen? Want waar las hij, buiten realistiese taalweergave, zinnen als ‘wat hewwenen kou geleje’?
Een andere vraag is de beoordeling van de honderd verschillende wijzen waarop het gelijk geschreven zinnetje ‘Wat zullen we nu eens bedenken’ door Nederlanders gezegd wordt. Zeker, er bestaan grenzen tussen beschaafd en niet-beschaafd, tussen korrekt en slordig, al zijn ze niet altijd scherp te trekken. In eigen gebruik, en in het onderwijs dient het beschaafde, het korrekte de toon aan te geven. Maar bij een taalbeschouwing die van de letter uitgaat, loopt men steeds gevaar het ‘korrekte’ uitsluitend te zoeken in die uniforme ‘uitspraak’, die de letter het dichtst nadert. Men vergeet, dat de eis aan ieder om onder alle omstandigheden scherp-geartikuleerd en rustig te spreken, gelijk zou staan met de eis om nooit moe, traag of hartstochtelik te zijn. Alleen machines kennen die geregelde gang. Al schrijft men altijd: Dat is onmogelik, dan verhindert dit volstrekt niet, dat in hartstochtelik tempo Da'z ommóóglək! een zeer ‘korrekte’ taal-vorm is. Het is dan ook niet te verwonderen dat elke taal deze verscheidenheid kent. Scharten meent dat het ‘slecht spreken’ van de taal een monopolie is van de slordige, tuchteloze Hollander, die aan de korrekte Fransman een voorbeeld kan nemen. Na Hesseling's onomstotelike weerlegging1) zal hij dat moeielik kunnen volhouden. Een Taalveredelingsbond, die een boete zou willen heffen van elke afwijking van de ‘toneeltaal’ in het dageliks leven, zou in elk land schatrijk worden.
2o. Verhouding van biezondere en algemene taal. Als letterkundige kent Scharten instinktief velerlei taal: hij verkiest het levende woord boven het papieren, hij houdt van ‘de zoete voois, de klankrijkheid der boerensprake’, de kleurige volkstaal; hij heeft het over de taal ‘waarin wij (kunstenaars), schrijvend, gaarne spreken.’ Maar van de schoolbanken bracht hij de traditionele splitsing in schrijftaal, spreektaal en dialekt mee. Vandaar een reeks tegenstrijdigheden. De ‘uitspraak’ van het dialekt - ook bij de zoete, klankrijke voois? - is ‘nòg slechter’, is ‘rauw’. Ziedaar de oude zuurdesem: dialekt is niet andere taal, met eigen klanken en grammatika, maar ‘slechte uitspraak’! De ‘springlevende spraak der kinderen’ heet een bladzijde verder een ‘verslordigd spreek-taaltje’. Het West-Vlaams gekleurd
| | | | Nederlands van Streuvels en Verriest wordt geprezen tegenover het zogenaamd Beschaafd, terwijl gelijktijdig elke dialektiese afwijking veroordeeld wordt, omdat de ware ‘distinctie’ eerst bereikt is wanneer één uniform-Nederlandse uitspraak, van het toneel uit, langs de school de volkstaal met die van de ‘beste standen’ gelijk gemaakt heeft.
Hoe de moderne beschouwing staat tegenover Scharten's kunstmatig vereenvoudigen van de werkelikheid, heb ik in het bovengenoemde artikel uiteengezet.
3o. Is grammatika taalwaarneming of taalwetgeving? Over dit punt is aan het vroeger geschrevene (Taalgids IV, 237 vlg.) niet veel toe te voegen. Scharten, die de ‘kunstmatige grammatika’ verwerpt, en toejuicht dat men ‘eerbied heeft voor de springlevende spraak der kinderen zelve’, blijkt weldra geheel op het oude standpunt te staan. In plaats van onze argumenten en opvattingen onder de aandacht van zijn lezers te brengen en te bestrijden, trekt hij een karikatuur aan de oren. De al te ‘wetenschappelike’ onderwijzer vraagt: ‘Hoe spreke jullie 't uit? Zegt niemand meer niets? Dan schrijven we dus nies of niks, na jullie wille.’ (blz. 236). Slechts één punt heeft Scharten een weerlegging waardig geacht, n.l. de opmerking naar aanleiding van welke (blz. 239). ‘Ook ik acht dit voornaamwoord onmisbaar,’ zegt hij. Deze bewering is weinig afdoend. Ik konstateerde dat welke, met zijn buigingsvormen, in de hedendaagse letterkunde zeer zeldzaam is geworden. Een statistiek zou dit kunnen bevestigen.1)
Met een ‘onmisbaar’ woord was blijkens de samenhang bedoeld: een woord dat geen auteur meende te kunnen missen. Voor een minderheid kan het wel onmisbaar zijn, maar uit het meerderheidsgebruik blijkt dat men aan de eisen van duidelikheid, ritmiek en klank even goed kan voldoen zonder dat woord, m.a.w. dat het geleidelik verdwijnen geen taalverarming betekent. Bij een auteur die het gebruikt, kan natuurlik elk welke niet straffeloos door die vervangen worden.2)
| | | |
Als voorbeeld nam ik een woord dat zo goed als verdwenen is, en waarvan nu niemand het ‘gemis’ betreurt, n.l. dezelve.1) Maar in zijn bloeitijd was het woord voor velen inderdaad onmisbaar. Neem een zin uit een toneelstuk van 1795: ‘Zij zijgt in de armen van Therese, verbergt haar aangezigt aan derzelver boezem, en besproeit dien met hare tranen,’ of een zin van prof. Tydeman over Bilderdijk: ‘Dit was een pijnlijk accident, ik meen aan zijn regtervoet of deszelfs grooten teen.’ Hier zou haar of zijn de zin ontwrichten, en de schrijvers zouden zonder dit kostbare woord in een verlegenheid geweest zijn, die wij nauweliks voelen. Toen nu de jongeren dit woord al lang verworpen hadden, in 1844, meende Mr. Koenen blijkbaar nog dat het ‘praatstijltje’ van Beets c.s. ‘een bredere stijl in zijn ontstaan tegenwerkte.’ Over Van Alphen schreef hij b.v. deze zin:
Nu kwam ook weder de herinnering aan den Amsterdamschen oom en diens vaderlijken raad op; en geen wonder, dat deszelfs nog meer vermaarde Ambtgenoot, de toen druk gelezen christen-dichter Schutte, wiens godvruchtige liederen veel in vrome gezelschappen, onder begeleiding van het huisorgel gezongen werden, de aandacht der begaafde jongelingen vooral bezig hield.
Wie voelt niet dat diens en deszelfs hier onmisbaar zijn? Maar wie begrijpt ook niet dat een ander biograaf het zonder die woorden had kunnen stellen?2)
De dwaling waarop wij wilden wijzen, is bij leken zeer gewoon, en bij afwezigheid van histories besef zeer begrijpelik. Men neemt gaarne aan dat het tegenwoordige histories ontstaan is; men erkent het goed recht van taalevolutie. Dat die evolutie voort zou gaan,
| | | | zodat het voor ons onmisbare wel eens spoorloos zou kunnen verdwijnen, dat vindt men ongerijmd en eigenlik onbehoorlik. De meest verfijnde letterkundige taal kan ‘opgeheven’ zijn uit de meest ‘platte’ volkstaal. Maar wat nu plat is, kan nooit meer opgeheven worden.1)
4o. Is een moderne ‘schrijftaal’ gegrond op het taalgebruik van onze ‘beste’ auteurs, voor het volksonderwijs gewenst? Scharten is, in theorie, geneigd deze vraag bevestigend te beantwoorden. Wij wezen al op de onmogelikheid van zo'n nieuwe Terwey, maar zonder enig sukses. In plaats van bezwaren te weerleggen, hakt Scharten de knoop van de geslachtsmoeielikheden door met een mannelik-vrouwelik woordgeslacht. Deze instelling zou alleen nuttig zijn, als hij alle woorden er mee bedeelde. Maar wij bieden hem nog meer knopen aan. Als onze ‘beste’ sehrijvers oude taalvormen gebruiken, die de schoolgrammatika niet meer kent2) of nieuwe scheppen3), moeten die dan dadelik opgenomen worden in de ‘zuivere schrijftaal’ die Adama van Scheltema immers bindend wil maken voor kunstenaars en volk? Anders vervreemden ze van elkaar.
Van de ongerijmdheid, kinderen ongewone taalvormen te leren gebruiken, omdat letterkundigen die niet missen kunnen, zijn de meeste pedagogen nu wel doordrongen.4) Maar wanneer zullen sommige letterkundigen eindelik eens in gaan zien dat hun ‘werkmateriaal’ allerminst ‘bedreigd’ wordt door een nieuw taalonderwijs en een zuiverder taalbegrip? Een poging om hun ‘werkmateriaal’ aan de volksschool op te dringen zou averechtse gevolgen hebben.
C.G.N. de Vooys.
|
1)Deze korte beschouwing is dus een voortzetting van het artikel Wanbegrippen over taal en spelling bij letterkundigen ( De N. Taalg. IV, 225) en een aanvulling van Schrijven en spreken, in Noord- en Zuid-Nederland, onlangs als brochure herdrukt door de ‘Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur.’
1)Geldt dat ook voor de Duitse spelling sch en k in bastaard-woorden? Voor Scharten stempelt de ordinaire k het woord komplement tot ‘volkstaal’, terwjjl de c van insect het woord gedistingeerd maakt!
1)Grappig is die Kollewijnse ‘uitspraak’, met ‘netjes uitgesproken’ z! Ieder die zijn oren open heeft, weet dat elke Nederlander in deze zin na de t een s doet horen. En wie heeft ooit ' ns gehoord? Hoe ‘gek’ het ook staat, voor de meerderheid van de ‘beschaafd’ sprekenden geldt de transscriptie: Wat snlləwə nu əz bədengkə. Natuurlik zijn de Noord-Oostelike vormen zulle n (zul n) en bedenke n niet minder ‘goed’ Nederlands. Dat de spelling zich aansluit bij de taal van de minderheid is meer een gevolg van traditie dan van taxatie.
2)Met verbazing troffen we deze redenering op nieuw aan bij niemand minder dan Dr. A. Kuyper, in het Rapport van de Staatskommissie.
1)Onze gevaarlike spelling, blz. 8.
1)De beschuldiging van Scharten, dat wij ‘bij voorkeur de schrijvers of de werken onderzoeken, die ons in de praktijk gelijk geven’ is ongegrond. De statistiek waartegen deze beschuldiging gaat ( De letterkundigen tegenover de Vereenv. Sp., in De Beweging April 1910) was immers opzettelik gegrond op de bundel Zelfkeur dus op schrijvers en fragmenten, die ik niet zelf gekozen had. Kan Scharten uit een andere bundel het tegendeel aantonen?
2)Evenmin als der, dier, ener door van de, van die, van een. Scharten verkeert nog altijd in de waan dat het verminderd gebruik van die genitieven elke bladzijde vermeerdert met een gelijk aantal keren van. Een statisties onderzoek naar het van-gebruik bij goede schrijvers zou tot andere uitkomsten leiden. Het ‘voortstrompelen’ op voorzetsels komt juist in de ministerie-stijl, die niemand van nieuwerwetsheid zal verdenken, veelvuldig voor. Wat zegt men b.v. van deze zin: ‘De minister acht zich niet gerechtigd tot openbaarmaking van adviezen ter zake van door de Kroon gedane benoemingen uitgebracht ten aanzien van een hoogleeraar in de technische hygiëne.’
1)Onlangs vond ik het bij Frans Coenen: ‘Ziedaar dan de onderdelen van het gewrocht. Deszelfs geheel is niet beter.’ Hier schijnt het deftig-spottend bedoeld. Anders zou het eenvoudige lidwoord volstaan.
2)Nog een aardig voorbeeld vond ik van het pronken met dit ‘deftige’ woord, n.l. deze zin, van Prof. Lulofs, in De Gids (1838, blz. 591):
Wie heeft Schiller in deszelfs Don Carlos, deszelfs Maria Stuart, deszelfs Jungfrâu von Orleans, deszelfs Wallenstein, deszelfs Braut von Messina, deszelfs Wilhelm Tell niet vaak bewonderd?
1)Vergelijk het stukje van D.C. Hesseling, De toekomst van de Afrikaanse Letterkunde ( De N. Taalg. IV, 247), gericht tegen Scharten's opvatting.
2)B.v. de datieven ener en der, die Scharten graag gebruikt (b.v. ‘eener taal een te zwaren val verleenen’). Scharten schrijft bewust: leer den kinderen vormen gebruiken. Moet in dit geval een derde-vierde naamval geschapen worden?
3)B.v. bij Frans Coenen: ‘te onzere bevrediging en genot’; ‘van het doen zulker figuren’; bij H. Robbers: ‘de stijl des mensch’, ‘in het tijdschrifts eigen kolommen’, ‘om der distinctie wille n’.
4)Ook omdat behalve aanstellerij, misbruik er een onvermijdelik gevolg van is. Uit een advertentie tekende ik b.v. aan: ‘Duur der onze bekende opruiming.’ Der klinkt immers voornamer dan van? En uit een dagblad: ‘ Den vroegeren partijgenooten.... gaan zoetjes aan het belang onzer beweging weer duidelijk worden.’ Ontglipt zelfs aan een fijn schrijver als Coenen niet soms een zin als ‘dat dien menschen van eertijds te benijden zijn’? ( De Amsterdammer, 17 Julie 1910).
|
|