|
|
|
| |
Uit de tijdschriften (September - Oktober).
De Gids. Sept. Een jubileum-nummer voor Mevr. Bosboom - Toussaint. Na een inleidend woord van de redaktie volgt een belangrijk artikel van J. Prinsen J.Lz. over De liefde in den Leycestercyclus. Hij ziet in deze cyclus ‘het boek van de Liefde, de Liefde in al haar uitingen’. Daardoor wordt ‘wat aanvankelijk een wonderlijke doolhof leek, een wel geordend, volkomen harmonisch bouwwerk’. Tegenover de Platoniese liefde (van Sidney en Martina) opgaand in idealen van schoonheid en toewijding buiten het geloof, buiten het huwelik - verleidelik en gevaarlik - en ‘de verwoestende woeling van drieste passiën’, die onverbiddelik ten val voeren, staat ‘de door het geloof geheiligde huwelijksliefde in Gideon en Jacoba.’ Toussaint is ‘de groote kunstenares, die het menschelijk hart heeft doorzien, zijn hartstochten en woelingen heeft weten te ontleden, den groei van zijn begeerten in al hare wendingen heeft weten te volgen, het leven van gansch een maatschappij uit het verleden tot een grootsch geheel heeft weten saam te vatten.’ Voor de massa
| | | | van romanlezers, die oppervlakkig vermaak zoeken, is dit werk ongeschikt, maar het kan nog steeds genot geven aan kunstkenners en aan eenvoudige gelovigen. ‘Want in Toussaint's werk spreekt bovenal een goed, rein en groot hart.’ - Frans Erens schrijft eveneens Over Mevrouw Bosboom - Toussaint. Eerst behandelt hij de aard van het genre dat zij bij voorkeur beoefende: de historiese roman, en wijst er op dat haar werk, ‘van zeer ongelijke waarde, om een gids roept.’ Daarna weegt hij het oordeel van Potgieter en van Busken Huet, die met nadruk op de Protestantsche tendenz van haar werk gewezen heeft. Z.i. neemt de tendenz altijd iets van de schoonheid af, maar ‘de protestantsche neigingen werden door haar gave van ziening en uitbeelding overschaduwd’, zodat wij ‘met gemak ons oog op het algemeen menschelijke kunnen richten, dat in haar werk met vollen luister straalt’. Voor haar gebreken heeft deze schrijver een open oog: ‘Langen tijd heeft zij als eene grootvorstin in ons land getroond, wanneer men let op het aanzien, dat zij genoot. Toch was hare gevoelssfeer, hoe vreemd het ook moge lijken, eene scherp begrensde. Er bloeien dan ook uit hare romans geene stemmingen op: Zij zijn niet omhangen door een dampkring van pessimisme, ook lacht er niet uit eene zon van humor. Er is iets kouds in haar werk. De warmte, die er nog in ligt, ontving zij uit haar geloof. Zelfs in de romans van Flaubert en Zola ligt eene stemming De handelende personen daar krioelen dooreen tegen een somberen en onafzienbaren horizon. Zij hebben hunne eigene atmosfeer. In de romans van Mevrouw Bosboom voel ik er geene. Er ligt in haar verhaal een lichte pedanterie, een didactisme, dat niet bekoort. Zij is geheel zielkundige: dat is hare kracht en grootheid. Haar stijl is volkomen onartistiek. Zij bekommert zich weinig of de sleep harer
volzinnen stof en onkruid meevoert in zijn gang: zij heft hem niet op tot luchtigen tred.’ ‘Zuivere groote kunst is die van Mevrouw Bosboom niet. Haar proza is grootendeels verouderd, zooals het meeste van haren tijd.’ Maar uit haar beeldengalerij zijn stukken van waarde overgebleven. Die waarde karakteriseert de schrijver door deze vergelijking: ‘Beter nog dan van levende beelden bij hare figuren te spreken, zou ik hare werken willen vergelijken met oude kunstig bewerkte gobelins. De gobelin is droger van voorstelling dan de schilderij en men mist in hem den gloed en het leven daarvan, daarenboven is de uitdrukking der gezichten en der gebaren daarin ietwat verwrongen, stijf en onbeholpen. Doch het geheel geeft den indruk eener deftige antiquiteit.’ - Vervolgens is afgedrukt een fragment van een novelle uit haar Alkmaarse tijd, De Cornetjes, door
| | | |
Dyserinck in handschrift gevonden. - J. Bosboom Nz. geeft een overzicht van de belangrijke Brieven van A.L.G. Bosboom - Toussaint aan Potgieter, dat hij met het jaar 1842 afbreekt. - J.N. van Hall publiceert Drie brieven van juffrouw Toussaint aan Willem de Clercq; J. Dyserinck doet mededelingen Uit de brieven van Mevrouw Boshoom - Toussaint aan Mr. Is. da Costa, Mevr. Elise van Calcar, Ds. O.G. Heldring en Mr. G. Groen van Prinsterer. Voor de kennis van de schrijfster, haar tijd en haar omgeving bevatten deze brieven vrijwat waardevolle gegevens.
Okt. Just Havelaar wijdt een uitvoerig artikel aan Lodewijk van Deyssel, voor hem ‘het volledigst voorbeeld van den auteur uit de dagen der Tachtigers’: ‘hij veranderde, maar zwenkte niet òm.’ Tot dat inzicht brengt zijn laatste boek, Frank Rozelaar. Met grote bewondering wordt dan uit het werk de ontwikkelingsgang van de schrijver nagegaan. De slotsom luidt: ‘In deze eeuw van experimenteeren schijnt soms geheel de Van Deyssel-figuur mij toe zelf een enorm en levend experiment te zijn: het experiment van 't individualisme, dat in telkens wisselende wijze zich te handhaven zoekt en tot zijn synthese tracht te komen.’ - Dirk Coster schrijft waarderend over Adama van Scheltema's Faustvertaling, door J. van Looy ten onrechte veroordeeld. Ondanks de gebreken staat die vertaling als geheel ‘op de hoogte ongeveer van het gemiddelde poëtische vermogen van het oogenblik in Nederland.’ - Carel Scharten trekt, in een artikel De Passeïsten een zeer overtuigende en leerzame parallel tussen het schilderwerk van de Italiaansche Futuristen en het voorbijgegane sensitivistiese proza van onze Tachtigers. - J.N. van Hall betreurt dat aan De Alkmaarsche Gedachtenisviering zo weinig aandacht geschonken werd door hedendaagse Letterkundigen.
De Beweging. Sept. J. Koopmans huldigt Mevrouw Bosboom - Toussaint door een diepgaande ontleding van haar Lauernesse. Hij wijst er op dat de schrijfster ‘zich alleen sterk voelde bij 't volgen van haar eigen lijnen.’ Aan het begin van die ontwikkelingslijn staat Het huis Lauernesse: daar vindt men in kern het ‘evangelies priesterschap’ zoals zij dat verstond. ‘Haar gaven toch wilde zij zo gaarne dienstbaar maken aan de verheffing van een breder kring; zich gewijd voelende door een Hogere Macht, meende zij haar arbeid ook te kunnen bestemmen voor een werk, dat zij middellik aan de Leiding der wereld verwantschapt wist. Zij kende zich 't liefst als opvoedster.’ Achtereenvolgens worden de voornaamste personen uit het boek getypeerd en de twee lijnen waarlangs haar histories-theologiese
| | | | roman gebouwd is, nagegaan, nl. de positieve, die ‘de geestelike groei in de eminentste geesten dier dagen volgt’, en de negatieve, die ‘de kerk zoekt bloot te leggen in haar toenemende decadentie.’ Achter de verbeeldingen van de schrijfster zien we dan telkens haar eigen gedachten- en gevoelsleven.
Okt. In de nieuwe rubriek Kunst en Geest in Literatuur, geeft P.N. van Eyck een uitvoerige kritiese beschouwing over Boutens' Carmina. Hij acht deze bundel, vergeleken met Stemmen een achteruitgang, voornamelik om ‘het gebrek aan ziel en liefde, dat het grootste gedeelte dezer verzen in hun wezen kenmerkt, vergeleken met het aanzienlijk aantal malen, dat ziel en liefde hun aanleiding en hun onderwerp werden.’ Hij spreekt zelfs van ‘dit noodwendige, noodlottige boek, waarin wij het groene hout van Boutens'dichtkunst zien verdorren.’ Voor hem is Boutens ‘de typische dichter eener tusschenperiode.’ Van een jong geslacht hoopt en verwacht hij een nieuwe dichtkunst.
De Nieuwe Gids. Sept. W. Kloos wijst in enkele bladzijden (Mevrouw Bosboom - Toussaint herdacht) op de betekenis van deze schrijfster. Daarna wordt een weinig bekende brochure (Fantasiën in December 1848) herdrukt, die haar politieke denkbeelden in het revolutiejaar weergeeft.
Okt. In de Literaire Kroniek van W. Kloos wordt de prozabundel Idealen en Ironieën van R. van Genderen Stort besproken.
Onze Eeuw. Sept. J. Bosboom Nz. geeft in een artikel Over mevrouw Bosboom - Toussaint al zijn herinneringen aan zijn tante en de schilder Bosboom, voornamelik wat hun uiterlik leven gedurende hun latere huwelijksjaren betreft.
Groot-Nederland. Sept. In de rubriek Literatuur beoordeelt J. Walch met grote ingenomenheid Querido's Jordaan, waarin hij de zelfbeheersing prijst, al zijn er nog overblijfsels van vroegere buitensporigheid in het taalgebruik. - H. van der Wal bespreekt Een kleine wereld van Frans Hulleman.
Okt. J. Walch beoordeelt een reeks Nieuwe Verzenbundels, nl. van Jan Prins en Réné de Clercq, samen besproken als ‘vernieuwers en verdiepers’, van A. Roland Holst, Alex Gutteling en P.N. van Eyck, als verdienstelike dichters geprezen.
Ons Tijdschrift. Sept. J. van der Valk bespreekt Ten Bruggencate's proefschrift over Rhijnvis Feith. Zijn bezwaar, is ‘dat het
| | | | ons Feith te eenzijdig laat zien, van zijn zwakke zijde. De jonge doctor is niet met voldoende sympathie tot Feith gegaan, hij heeft hem onderschat.’ - G. Gossaert beoordeelt de Stille Festijnen van Adolf Herokenrath, Eerste Oogst van Adama van Scheltema, en Doorgloeide wolken van Alex Gutteling.
Okt. J. Petri geeft onder de titel Kunst en Synthese een bespreking van Twee Hollandsche romans, nl. De roman van een gezin door H. Robbers en Armoede door I. Boudier Bakker. De eerste noemt hij ‘een psychologische’, de tweede ‘een idiëele of liever een roman met een leidende Idee’. - J. van der Valk geeft een ongunstige beoordeling van het veelbesproken boek van H.F. Wirth: Der Untergang des Niederländischen Volksliedes. In 't biezonder protesteert hij tegen de geringschatting van het Kalvinisme bij deze auteur.
De Tijdspiegel. Sept. A.S. Kok behandelt het echtpaar Bosboom - Toussaint, naar aanleiding van Dyserinck's boek en de uitgave van Bosboom's brieven door Jeltes. Met de laatste is hij het oneens in de waardering van Mevr. Bosboom's talent. In 't biezonder bespreekt hij de verhouding van de echtgenoten en het weinige begrip dat Mevr. Bosboom had van schilderkunst.
Den Gulden Winckel. Sept. J. Esser oefent afbrekende kritiek op een gelegenheidsuitgave, Mevr. Bosboom - Toussaint, Haar leven en werken. Voor het Nederlandsche volk geschetst door W. Wijker. - J. Kalff Jr. beoordeelt De Vreemde Heerschers door C. en M. Scharten.
Van onzen Tijd. No. 47-50. L.J.M. Feber geeft een opmerkelik, uitstekend geschreven artikel over De Nieuwste Nederlandsche literatuur. Daarin ‘neemt hij stelling tegen Binnewiertz beschouwing van de nieuwste Nederlandsche verzen.’ Hij gelooft niet dat de beweging van '80 doodgelopen is: wel in dichters als Kloos en H. Swarth, maar niet in Van Deyssel en Boutens. In het biezonder gaat hij Van Deyssel's ontwikkeling na, en zijn houding tegenover het naturalisme.
XIII. No. 1. F.V. Toussaint van Boelaere schrijft een beknopt artikel: Hendrik Conscience, bij zijn eeuwfeest.
Elseviers Maandschrift. Sept. H. Robbers vindt in Dyserinck's Levensschets van Mevr. Bosboom - Toussaint aanleiding om zijn mening te zeggen over haar jubileum in verband met de Consciencefeesten, over de schrijfster en haar biografie.
| | | |
Okt. H. Robbers bespreekt de jongste werken van een zevental prozaschrijfsters en -schrijvers, van wie Ina Boudier - Bakker en Zoetmulder warm geprezen, Jeanne Reyneke van Stuwe en Van Genderen Stort met voorbehoud gewaardeerd, de overigen te licht bevonden worden.
De Vlaamsche Gids. Sept. - Okt. Maurits Sabbe publiceert een voordracht, te Antwerpen gehouden, ter ere van Hendrik Conscience's eeuwfeest.
Vlaamsche Arbeid. No. 7-9 geeft een geïllustreerde aflevering, aan Conscience gewijd.
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Academie. Aug. 1912. Jac. Muyldermans geeft een voordracht over Conscience in zijn leven en streven. - Een en ander over de lectuur van het Vlaamsche Volk vóór Conscience is de titel van een voordracht, door G.J. Boekenoogen in de Academie gehouden. Hij schetst daarin de geschiedenis van de volksboeken, die in de Renaissance-tijd als litteraire onderstroom bleven bestaan. Aanvankelik behoorden de lezers tot de gezeten burgerij, en waren deze goed gedrukte en versierde boeken stellig geen goedkope uitgaven, maar geleidelik zakken ze af naar lager kringen. ‘Het blijft evenwel een feit dat deze geschriften lange jaren een voornaam deel der lectuur van ons volk hebben gevormd en uit dien hoofde ook thans nog onze belangstelling verdienen.’
Tijdschrift voor Ned. taal- en letterkunde. XXXI, afl. 3 en 4. J.W. Muller wijdt een zeer uitvoerig artikel aan De twee dichters van Reinaert I. Achtereen volgens behandelt hij het verschil in woordenschat, het verschil in taalvormen, dialekt, plaatsnamen, verschil in geest en stijl, karakteristiek der beide dichters, gelijkenis en gemeenschap, aanvang en slot van B., de fabel der kikvorsen, de proloog, Arnout en Willem. Samenvattend zegt de schrijver aan het einde: ‘Ik meen met vrij groote zekerbeid te hebben aangetoond dat de beide helften van Reinaert I in woordenschat, stijl en geest een on miskenbaar onderscheid vertoonen, en dat men die beide helften redelijkerwijze mag toeschrijven aan de in den proloog genoemde dichters Aernout en Willem, en wel waarschijnlijk aan den eerstgenoemde het tweede, oudste, aan laatstgenoemde het eerste, jongste gedeelte.’ Al zijn hiermee niet alle raadsels opgelost, in allen gevalle - meent de schrijver - is daarmee ‘de bodem iets beter voorbereid voor eene
| | | | waarlijk critische uitgave van ons Nederlandsch dierenepos.’ - J. Verdam geeft een aantal Middelnederlandsche varia (braeuwen; inbornstich, inbruystich; swellen; misvattingen veroorzaakt door de schrijfwijze su roor sw; doctrine, drochtijn). - N. van Wijk bespreekt de Gerekte ŏ en ŭ in Oostnederlandse dialekten. - Ten slotte enkele kleinere bijdragen van P. Leendertz (Varianten in een gedicht van Bilderdijk), F.P.H. Prick van Wely (Het to bliktri-raadsel opgelost?) en W. de Vries (guet, oliessel).
Volkskunde. Afl. 9-10. Het artikel van A. de Cock, De onwondbaarheid en de Achilleshiel werd geschreven naar aanleiding van een Duitse studie over dit onderwerp door Otto Berthold. Verder geeft hij een vervolg van zijn Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op volksgeloof berustend (over De Mensch). - Th. Peeters vervolgt de Oude Kempische Liederen. Aan het einde vindt men aankondigingen van buitenlandse folkloristiese werken.
Paedagogisch Tijdschrift voor het Christelijk Onderwijs. Aug. H.A. Westrate publiceert een voordracht over Het onderwijs in de Nederlandsche taal op de lagere school, gehouden in de ‘Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs’. Het is een heuglik teken des tijds dat ook in deze kringen de nieuwere denkbeelden omtrent taal en taalonderwijs veld winnen. In hoofdzaak verenigt de schrijver zich met de denkbeelden die aan dit tijdschrift ten grondslag liggen. Met ons bindt hij de strijd aan tegen de oude ‘stijloefeningen’, pleit hij voor een beter leesonderwijs, en waarschuwt hij voor de overschatting van het ‘zuiver schrijven’. De buigings-n, voorzover die alleen op papier bestaat, wil hij uit de volksschool verbannen. De oude grammatika moet vereenvoudigd worden, want ‘het nut van 't ontleden is en wordt nog schromelijk overschat.’ Omtrent het verband tussen de spelling-vereenvoudiging en een beter taalonderwijs is de schr. nog niet tot voldoende helderheid gekomen.
De Nieuwe School. Sept. Het artikel Litteratuurstudie, van A.M. de Jong, is de inleiding tot een bundel Studies over Litteratuur, die weldra zal verschijnen, en waarmee hij een slag wenst toe te brengen aan het oude régime van ingedrilde studie van letterkunde, zoals die bij onderwijzers, vooral voor het hoofdakte-examen, gebruikelik is, en waardoor men ‘stenen voor brood’ krijgt.
C.d.V.
|
|
|