|
|
|
| |
| | | |
Het gezag van een ‘Algemeen Beschaafd’.
(Vervolg van blz. 14).
IV. Het onderzoek van het ‘Algemeen Beschaafd’: eenheid en verscheidenheid: de invloed van de geschreven taal.
Eer we normen trachten vast te stellen en te bereiken, moeten we de werkelike taaltoestanden grondig kennen. Opmerkelik is het, hoe weinig aandacht onze taalkundigen tot nu toe daaraan geschonken hebben. Begrijpelik is het wel. Germanisties geschoolde dialekt-onderzoekers stellen alleen belang in het ‘zuivere’ dialekt. Begint in dat dialekt de middelpuntzoekende kracht te werken, dan spreken ze van ‘bederf’.1) De onderzoekers van de ‘schrijftaal’ - waarin dan de taal van de letterkunde en het algemene schrijven van de ontwikkelden samenvielen - zochten het materiaal voor hun Spraakkunst voornamelik in de boeken. Natuurlik werd die taal ook ‘uitgesproken’, en diende er dus in de Spraakkunst een hoofdstuk te zijn voor de klanken, en hun schrijfwijze, maar het is niet toevallig dat dit hoofdstuk bij Terwey en Den Hertog achteraan komt te staan. Bij deze beschouwing zijn we aan de tegenpool: het dialekt is hier niet het ‘natuurlike’, maar het ‘onbehoorlike’; alle overgangsvormen tussen het dialekt en het Algemeen Beschaafd worden gekarakteriseerd als ‘slechte’ of ‘bedorven’ uitspraak.
In een volgend hoofdstukje zullen we aantonen dat de waardebepaling waaruit deze veroordelende termen voortvloeien, recht van bestaan heeft. Evenzeer heeft de Germanist een betrekkelik recht2)
| | | | om bij het nasporen van klankwetten ‘bastaardvormen’ van dialekt en Beschaafd als minderwaardig te verwerpen. Maar beide beschouwingen worden eenzijdig, wanneer daardoor het bestuderen van die overgangsvormen beneden de aandacht van de taalwetenschap geacht wordt. Van sociologies standpunt wordt stellig de vraag van belang: langs welke tussentrappen ontwikkelt zich de streektaal tot de algemene taal, en met welke verscheidenheid wordt op het ogenblik die algemene taal in de verschillende gewesten door mensen van verschillende ontwikkeling gesproken?
Van Ginneken, die in zijn Handboek uitgaat van het juiste inzicht dat een breed tafreel van het werkelik gesproken Nederlands, een ‘sociologiese struktuur van de Nederlandse taal’ het eerst nodige is, toont ook oog voor de groei van het dialekt naar het Beschaafd. Maar terwijl hij een schat van gegevens heeft voor de taal van de ‘zuivere’-dialektsprekers, blijkt juist uit zijn boek hoe het materiaal geheel ontbreekt als men de overgangsvormen wil laten uitkomen, zodat hij zich met algemeenheden tevreden moet stellen.
In het bestek van dit artikel passen alleen die tussenvormen, die zeer dicht bij de norm komen, m.a.w. de schakéringen, die men in het spreken van beschaafden opmerkt. Om daar studie van te maken, zou men een materiaal moeten bijeenbrengen van fonografiese opnamen, van transscripties door geschoolde fonetici gemaakt naar hun eigen taal en die van hun omgeving. Bestudeert men ook het woordgebruik en de zinsvormen, dan kan men ook stenografen aan het werk zetten. Het terrein van onderzoek is zeer uitgebreid. Van Ginneken heeft vroeger het ‘Gesprek’ als voorwerp van studie aanbevolen;1) voor het meer vormelike spreken zou daarnaast de ‘Rede’ een onderzoek verdienen: de taal van leraren en hoogleraren, van rechters en advokaten, van predikanten en politici. Van belang zou het b.v. zijn, een reeks van stenogrammen te bezitten, toegelicht door fonetiese transscripties, die ons een beeld gaven van de taal die door Kamerleden en Ministers, van verschillende landstreek en stand, in het Parlement gesproken wordt. Ook op andere publieke plaatsen zou men zonder stoornis dergelijke waarnemingen kunnen doen: bij de rechtbanken zou men tevens onder de getuigenverhoren kunnen nagaan, in hoeverre ook onbeschaafden en minder beschaafden zich op een ‘vormelik’ spreken toeleggen.
Dat de studie van het werkelik gesproken Beschaafd hier te lande verwaarloosd is, werd mij vooral duidelik door de lektuur van het
| | | | reeds genoemde artikel, Das Problem und die Darstellung des ‘Standard of spoken English,’ door Prof. Dr. A. Schröer.1) In Engeland hebben de taalgeleerden zich eerst beziggehouden met de vraag ‘how one does speak’, en niet ‘how one ought to speak.’ H. Sweet tekende zijn individuele uitspraak op; Lloyd, uit Liverpool, deed hetzelfde voor zijn Noord-Engels. Daardoor leerden ze waarnemen en vergelijken.
Voor het Nederlands ken ik nog slechts de proeve van L. Scharpé, die in zijn Nederlandsche Uitspraakleer2) teksten in klankschrift meedeelt naar een Noord-Nederlandse spreker en een Zuid-Nederlandse. Minder juist gezien lijkt het mij om hier de voordrachttaal te kiezen: de spreker uit het Noorden is Willem Royaards, terwijl die uit het Zuiden niet genoemd wordt. Bedoelt de schrijver zijn eigen taal, of tracht hij een - altijd gevaarlike - ‘doorsnee’ te geven? Liever hadden we in die teksten Leuvense hoogleraren gehoord, sprekende voor hun studenten in de kollegezaal.
Een belangrijk en niet te verwaarlozen punt, juist bij het meer vormelike spreken, is de invloed van de geschreven taal, of liever van de schrijfwijze, het schriftelike woordbeeld.3) Ook dit dient voor onze taal onbevooroordeeld onderzocht te worden.4) Wilhelm Braune heeft - gelijk Kruisinga opmerkte - de tegenstelling naar beide zijden overdreven, wanneer hij zegt dat het Engels ‘von Haus aus eine speaking pronunciation besitzt’, terwijl ‘das unserer Aussprache von Anfang an zu grunde liegende System die spelling pronunciation ist.’5) Elk Algemeen Beschaafd is uitvloeisel van een kultuur, die
| | | | zowel door persoonlike omgang als door boeken en schrifturen tot stand komt. Zodra die algemene taal aangeleerd wordt in oorspronkelik
anders sprekende gewesten, kan ook het woordbeeld op de nieuw aangeleerde taal invloed krijgen. Maar de wijze waarop die algemene taal ontstond en
zich verbreidde - en daarin heeft Braune gelijk - kan de ‘spellingpronunciation’ bevorderen of belemmeren. In Engeland en
Frankrijk, waar sinds eeuwen de beschaafd gesproken taal van één centrum toongevend was, zal men niet zo licht ‘op de letter’ gaan spreken; in
Duitsland, waar de ‘Schriftsprache’ als 't ware op papier geboren werd uit de Saksiese kanselarijtaal, terwijl later het zwaartepunt van het Rijk
naar Berlijn verplaatst werd, moest bij zoveel taalverschil het gezag van de taal-op-papier wel groot worden. Er komt, dunkt mij, nog iets bij: hoe
verder de schrijfwijze van de taal afwijkt van de klank, hoe minder men er toe komt in de letters een norm voor ‘uitspraak’ te zoeken. Wanneer een
Fransman van jongs af met de lettergreep eau of aux de klank ō verbindt, dan zou men bijna van
een woordschrift of woordspelling, in plaats van een klank-spelling kunnen spreken.1) In het Duits, waar zulke sterk-etymologiese spellingen niet voorkomen, is men dus veeleer geneigd de spelling te beschouwen als een voorschrift hoe het woord ‘eigenlik’ uitgesproken moet worden. Als men evenwel geneigd zou zijn de paradox te verkondigen dat een zeer onnauwkeurige spelling, als die van het Frans en Engels, de nauwkeurige overlevering van het levende woord het best bevordert, dan zou men verzuimen rekening te houden met de streken waar het dialekt overheerst en het Beschaafd voornamelik door officiële schrifturen,
opschriften, kranten en boeken, dus als letter, waargenomen wordt. Vandaar dat ook talen als het Frans en Engels, en waarschijnlik ‘von Haus aus’, het verschijnsel van spelling-pronunciation kennen. Tenslotte mag ook de schoolmeesterij, het hangen aan de letter bij het onderwijs, als faktor van spelling-pronunciation niet over het hoofd gezien worden: een dergelijke schooluitspraak is wel aan slijtage onderhevig, maar kan invloed krijgen, als de invloed bij elk opgroeiend geslacht herhaald wordt.
Wat Braune voor de Duitsche Schriftsprache betoogt, geldt stellig voor het Nederlands niet in zo sterke mate. Dat ligt voor een groot deel aan de oorsprong van onze algemene taal, die sinds eeuwen zich vanuit eenzelfde centrum, de Hollandse gewesten, verbreidde. Wel
| | | | zijn er andere omstandigheden, die de verhoudingen ingewikkelder maken dan b.v. in Engeland en Frankrijk. Gelijk bekend is bevatte de letterkundige taal van de 16de en 17de eeuw - deels door M.E.-letterkundige overlevering, deels door immigranten-invloed - veel Zuid-Nederlandse bestanddelen, die van daar uit in de zogenaamde ‘schrijftaal’ voor algemeen gebruik doordrongen, om dan weer het spreken te beïnvloeden. Maar in de 18de en 19de eeuw komt het tegenwicht van het Hollands Beschaafd zo krachtig te voorschijn, dat die Zuid-Nederlandse elementen - door een redenerende spraakkunst vervormd en gereglementeerd! - nooit die normgevende kracht ontwikkelden die de Saksiese taal vormen in Neder-Duitsland verkregen. De historiese verschillen in schrijfwijze, b.v. s-sch, e-ee, ij-ei, die De Vries en Te Winkel bestendigden, zijn door niemand - behalve wellicht door enkele dwalende Zuid-Nederlanders - als ‘uitspraakvoorschriften’ opgevat. Ook de buigings-vormen van Zuid-Nederlands-letterkundige oorsprong (den, mijne, enen) werden in beschaafden-taal niet anders opgevat dan als histories geworden schrijfvormen. Terwijl dus in de Duitse Schriftsprache spelvorm en taalvorm vaak samenvielen, kon in het algemene Nederlands de buiging-op-papier geschrapt worden, zonder dat men aan de levende grammatika raakte. Toch zouden we de macht van het geschreven woord in de taalgeschiedenis miskennen, als we - ook na de invoering van de vereenvoudigde spelling - de toestand hier te lande gelijk stelden met de Engelse. In bepaalde kringen van taal bestaat ook ten opzichte van de buiging een spelling-pronunciation: de taal van de kansel, van het spreekgestoelte, van de dichtkunst bezit de oude buigingsvormen, en zal dus goed doen, die in de schriftelike aanduiding te handhaven zolang ze werkelijk bestaan. Wie ze op grond daarvan voor
onze algemene taal onontbeerlik acht, verwart gewoonlik de Duitse Schriftsprache, een levende norm in de mond van beschaafden, met onze schrijfvormen, die het door historiese oorzaken niet verder dan spel-vormen hebben kunnen brengen. Juist uit eerbied voor de historiese wording van onze nationale eenheidstaal, bepleiten we een zo nauwkeurig mogelike schrijfwijze, die het vlotte gebruik en het expansie-vermogen bevordert. Dit laatste is bedoeld in dubbele zin. Dat het gemak bij het aanleren in de konkurrentie met Frans of Engels een voordeel is, werd meermalen betoogd. Een tweede voordeel wordt juist duidelik, als we op de macht van de geschreven taalvorm letten, in streken waar men de algemene taal voornamelik op papier leert kennen. De ‘beschaafde uitspraak’ zal dàn het best bevorderd worden, wanneer het schrift een zo nauwkeurig mogelike aanduiding geeft van het
| | | | levende woord.1) Bij die expansie behoeft men niet alleen aan het buitenland te denken. Ook binnen onze grenzen liggen streken als Limburg en Friesland, waar het volkskind de algemene taal als een vreemde moet aanleren.
Het zou ons te ver voeren, als wij uitvoerig aantoonden dat ook ten opzichte van het woordgebruik en de zinsbouw het Algemeen Beschaafd in al zijn schakeringen, enerzijds onder invloed van het dialekt, anderzijds onder invloed van verschillende groepstalen en van letterkundige taal, te weinig bestudeerd is en wordt. Liever knopen we aan het voorafgaande enige beschouwingen vast over:
| |
V. De regeling van de ‘uitspraak’.
Invloed van de woordspelling op de woordklank heeft dus in sommige gevallen bestaan en bestaat nog. Iets anders is of die invloed zou behoren te bestaan, en dus bestendigd dient te worden. Braune, die de oorsprong van de tegenwoordige eenheid van uitspraak in de Duitse ‘Schriftsprache’ uitsluitend meent te vinden in de leuze ‘Sprich wie du schreibst,’ drijft de konsekwentie zó ver, dat hij die leuze tot een ‘Prinzip’ verheft, en ook voor de toekomst vaste eenheid zou wensen door ‘systemgemässe’ aansluiting bij de schrijfwijze. Bijna betreurt hij het, dat ‘dieses System schon früher einige Durchbrechungen erlitten hat’2) Deze geleerde begaat de fout dat hij het verleden in het heden overbrengt. Al heeft het Schriftdeutsch een kunstmatige oorsprong, en al is het voor velen, vooral Zuid-Duitsers, nog een taal-op-papier, voor brede kringen in Noord-Duitsland is de Schriftsprache werkelik de levende ‘Gemeinsprache’ geworden, die, gelijk Oskar Brenner zegt3) ‘ein zweifellos selbständiges wirkliches Dasein hat in Bewusztsein und Erinnerung’, evengoed als het beschaafde Nederlands. Zijn gelegenheids-anachronisme - dat dan ook niet in voorstellen omgezet werd! - zou dan ook onder jongere vakgenoten weinig bijval vinden. In landen waar men de invloed
| | | | van het schrift zo sterk niet gekend heeft, zoals bij ons, lijkt de leuze ‘Sprich wie du schreibst’ in de mond van een taalgeleerde zelfs een absurditeit. Wie het wezen van de spelling, als gebrekkige aanduiding, doorziet, zal daarin niet licht een norm voor ‘uitspraak’ zoeken. Ja, de nieuwere taalgeleerde zal voor de eigen taal de term ‘uitspraak’, die zo licht de prioriteit van de letter, die ‘uitgesproken’ kan worden, doet aannemen, liefst vermijden. Maar kan hij dan, met zijn moderne opvattingen, zich wel inlaten met een regeling van de ‘uitspraak’, of staat hij daar principieel vijandig tegenover? Ik bedoel niet dat hij het standpunt van Hugo Verriest zou innemen, die zijn landgenoten aanspoort: ‘Wordt beschaafde Vlamingen, en uw taal zal beschaafd worden’, want daarachter schuilt het gewone misverstand dat een taal in zich zelf min of meer beschaafd zou kunnen zijn, terwijl met ‘beschaafde taal’ niets anders bedoeld wordt dan de taal die gemeenschapsmiddel is tussen beschaafden.1)
Als evenwel dat gemeenschapsmiddel mèt de behoefte ontstaat, door de aangewezen faktoren, moet dan de tegenwoordige taalgeleerde niet overtuigd zijn dat kunstmatig ingrijpen overbodig en zelfs schadelik zal zijn? Deze veronderstelling, veelal door tegenstanders geopperd,2) komt voort uit een half-begrijpen van de nieuwere beschouwingen. Kultuur is niet erfelik, maar moet door elk nieuw geslacht verworven worden. In streken waar de taal oorspronkelik vrij sterk van de algemene afwijkt, is tweetaligheid niet slechts een uitvloeisel van toenemende ontwikkeling en aanraking met beschaafde kringen, maar het aanleren van de algemene taal is vooral een middel om die ontwikkeling machtig te worden en met die kringen in aanraking te komen. Het onderwijs wordt dus vanzelf een bewust ingrijpen, een poging om een jong geslacht in het vlot mondeling en schriftelik gebruiken en verstaan van de algemene taal het middel te verschaffen om zich te ontwikkelen, als lid van een grotere gemeenschap. En het volkskind dat zich later een weg wil banen naar hogere stand of ontwikkeling, zal na de schooltijd bewust nauwere aansluiting bij het Algemeen Beschaafd nastreven.
| | | |
Een andere vraag is: hoever moet, met dit doel voor ogen, de eenheid van uitspraak doorgevoerd worden? Laten we eerst opmerken dat taaleenheid, in
bovenbedoelde zin, meer en belangrijker elementen omvat dan de zogenaamde eenheid van ‘uitspraak’. Kluge, die de wording van de Duitse taaleenheid in biezonderheden bestudeerd heeft, en dus tot oordelen uiterst bevoegd is, neemt drie ‘Stufen’ aan, n.l. ‘lexikalischer Ausgleich’, ‘grammatische Einigung’ en ‘phonetische Einheitsbewegungen’. In hoofdzaak zal dat wel gelden voor elke wordende eenheid, al moet men daarbij natuurlik niet denken aan gesloten, opeenvolgende perioden,1) Van de laatste ‘Stufe’ zegt Kluge: ‘die phonetische Einigung kann für die Schriftsprache der Litteratur und für die gebildete Umgangssprache - wie wir es täglich an uns erfahren - keineswegs als notwendig erachtet werden.’2) Voordat we de juistheid van deze uitspraak toetsen in verband met de omstandigheden in ons taalgebied, moeten we nagaan in welke kringen en met welk recht zich een dergelijk eenheidstreven openbaart.
In de eerste plaats kan de behoefte aan een standaard-uitspraak gevoeld worden, wanneer de taal van een land door buitenlanders aangeleerd moet worden. Wie Frans of Engels studeert, verlangt en verwacht van zijn leermeester de ‘goede’ uitspraak, d.w.z. een streng geformuleerde norm. Voor onze taal zal die behoefte uiteraard zeer gering zijn, maar toch moet ieder die een vreemdeling les geeft, bij weifeling tussen tweeërlei ‘uitspraak’, de knoop doorhakken.
Veel belangrijker voor onze taal is een andere eenheidsbehoefte. Er zijn namelik ook Nederlands-sprekende buitenlanders, de Zuid-Nederlanders, die een eigen Algemeen Beschaafd missen, omdat sinds eeuwen voor de meest ontwikkelden het Frans als de ‘fatsoenlikste’ omgangstaal gold, en die dus nauwe aansluiting zoeken bij het Noorden. Ook zij moeten natuurlik een vastere richtsnoer hebben, en aansturen op een strenger eenheid dan in het land zelf gangbaar is, en door maatschappelike tendenzen gangbaar blijft. Door het optreden van de Antwerpse Vereniging voor beschaafde Nederlandse, uitspraak is dit vraagstuk, waarop we in de volgende paragraaf terugkomen, dus aktueel geworden.
Onder de landgenoten kan de eenheidsbeweging voornamelik op tweeërlei gebied te voorschijn komen: het toneel en de school. De toneelleider, die spelers uit verscheiden landstreken doet samenwerken
| | | | in één drama, de onderwijzer die een klasse dorpskinderen de algemene taal moet leren, stuurt bewust in een bepaalde richting. Hij moet dus weten op welk doel hij aanstuurt. Vandaar dat ‘regeling’ gewettigd en zelfs noodzakelik kan zijn. Een belangrijke vraag is nu, of toneel en school dezelfde eenheidseisen kunnen en mogen stellen. In ons land is deze vraag eigenlik nooit ernstig aan de orde geweest: de Kalvinistiese afkeer van het toneel bij een belangrijk volksdeel, het ontbreken van een grote toneellitteratuur in de negentiende eeuw zijn de oorzaken dat van het toneel niet de toon- en normgevende macht uitging, die het in Frankrijk sedert de zeventiende eeuw, in Duitsland sedert Goethe bezat.
In Duitsland is de stoot tot een strenge eenheids-regeling van de ‘uitspraak’ uitgegaan van toneelkringen. Bij de wisseling van toneelspelers, ook tussen Noord- en Zuid-Duitsland, waren Bühnen-lokalsprachen niet duldbaar. In 1898 had een konferentie plaats van drie leden der ‘deutsche Bühnenverein’ met drie taalgeleerden, de professoren E. Sievers, K. Luick en Th. Siebs. De resultaten werden door Siebs samengevat in het bekende boek Deutsche Bühnenaussprache.1) Het moderne standpunt van deze taalkenners is een waarborg dat we hier geen taaldekreten zullen vinden, in achttiende-eeuwse geest, maar regeling van een bestaand gebruik in de Duitse schouwburgen: geen ‘Umbildung’, maar ‘Ausgleich’. Tegenover dilettanten verklaren ze uitdrukkelik: ‘Die Schreibung kann nie und nimmer als Massstab für die Aussprache dienen; das gute alte Wort “schreibe, wie du richtig sprichst” kann in seiner einfachsten Bedeutung nicht genug empfohlen werden, und man hüte sich davor, seinen Sinn in das Gegenteil zu verkehren!’2)
De taal die onderzocht en geregeld wordt, is de voordracht-taal van het ernstige drama: er wordt rekening gehouden met het langzame tempo, met ‘auf die Fernwirkung abzielendem Kraftaufwand,’ waarbij zelfs overdrijving geen kwaad kan. De regeling is dus ontworpen voor een bepaald doel, voor een biezonder taalgebruik.
Door de inleiding krijgt evenwel deze studie, nog een andere betekenis. Sedert Goethe's ‘Regeln für Schauspieler’ van 1803, zegt de schrijver, heeft de Bühnensprache een histories recht om als norm te gelden voor elk beschaafd taalgebruik. Het toneel is de ‘Lehr- | | | | meisterin Deutschlands’; de school is geroepen om deze norm gezag en verbreiding te geven. De opgang die het boek van Siebs maakte, bracht de schrijver er toe, in de latere drukken steeds meer nadruk te leggen op de ‘lautreine Aussprache’, die in de richting van de ‘Bühnensprache’ moet liggen, te spreken van ‘verbieden’ en ‘aanbevelen’, gezag te winnen, over de toneelspelers heen, in ‘die weiten Kreisen an die wir uns wenden.’1) Hier komt een tegenstelling aan het licht, die zich in Siebs z'n boek als innerlike tegenstrijdigheid openbaart, en die weldra onder de Duitse geleerden tot openlik partij kiezen aanleiding zou geven.
In 1897 had Prof. K. Erbe op de jaarvergadering van Der Allqemeine Deutsche, Sprachverein voorstellen gedaan tot vaststelling van een ‘mustergültige Aussprache’, die door de meerderheid koel, en door de aanwezige Germanisten zelfs afwijzend ontvangen werden. Het was te voorzien dat de regeling van de Berlijner konferentie geen beter lot ten deel zou vallen. De Verein vroeg, na de verschijning van de Deutsche Bühnensprache de gevoelens van enige toongevende taalgeleerden over de bruikbaarheid van deze norm voor het algemene spreken. De Gutachten und Berichte daaromtrent werden gepubliceerd.2) Het scherpst afwijzend luidt het oordeel van Fr. Kluge en H. Paul. Kluge zegt: ‘Reinheit deutscher Aussprache’ betekent niet: ‘einheitliche Aussprache’. ‘Wir sind der Meinung dasz sich dies nicht gehört.’ - ‘Wer soll sich die Ausspracheregeln aneignen? Der einzelne hat kein Bedürfnis darnach sich eine Fessel anzulegen, die ihm jeden Augenblick lästig ist. Jeder wird nach wie vor sprechen, die gebildete Aussprache der Landschaft bleibt nach wie vor maszgebend.’ Paul antwoordt: ‘Wenn das Unternehmen gelänge, so würde dadurch alle Natürlichkeit der Sprache vernichtet werden. Es hat auch keinen Zweck, dasz wir Deutschen alle völlig einerlei reden. Es genügt wenn die Besonderheiten auf ein solches Masz eingeschränkt sind, dasz das
| | | | gegenseitige Verständnis nicht mehr behindert ist.’1) In dezelfde geest lieten Prof. O. Brenner en Prof. O. Behaghel zich uit.2) De afwijzende houding van de Germanisten is dus samen te vatten in Kluge's woorden: ‘Nur für die Bühne zunächst.’
Uit het laatste woord blijkt evenwel, dat de taalgeleerden volstrekt niet het goed recht ontkennen van ‘eine ideale Norm, die angibt, wie gesprochen werden soll,’3) en de mogelikheid om die norm steeds meer te naderen. Zij verzetten zich alleen tegen de opvatting dat alle beschaafden ‘eigenlik’ aan dezelfde taaltucht onderworpen dienden te worden als de toneelspelers, dat elke dialektiese schakering, ook in familiaar Beschaafd, onbehoorlik zou zijn. De algemene regel die O. Jespersen verdedigt: ‘slechts hij spreekt beschaafd aan wie men niet horen kan uit welke streek van het land hij afkomstig is,’4) willen ze dus voor Duitsland niet aanvaarden. Regeling van de ‘uitspraak’ in de zin van: voorschriften voor ‘beschaafden’ verwerpen ze; regeling van de ‘uitspraak’ als norm voor toneeltaal, maar ook ter vaststelling van onderwijsnormen voor het opgroeiend geslacht, om richting te geven aan een ontwikkeling die van de streektaal moet leiden naar een Algemeen Beschaafd, achten ze in beginsel gerechtvaardigd. Maar daarbij is de grote vraag: kan en mag de onderwijsnorm met de strenge toneelnorm samenvallen? Dit belangrijke pedagogiese vraagstuk verdient een afzonderlike beschouwing.
| |
VI. De taalnormen voor het onderwijs.
‘In der Schule herrscht vielfach die heilige Orthographie’, schreef E. Sievers in 1898.5) Moeten we voor ons land, anno 1914, nog
| | | | beginnen met de verdediging van de negatieve stelling: de norm voor het beschaafde spreken is niet in de letters te zoeken? Ongetwijfeld is er in de laatste jaren, dank zij de vereenvoudigingsbeweging, veel ten goede veranderd, maar verdwenen is de fetischdienst van de letter niet. ‘Lezen wat er staat’ betekent voor menig onderwijzer: de letters achtereenvolgens ‘uitspreken’, behalve enkele, als de ch, die soms het voorrecht hebben ‘stom’ te zijn. De onderwijzeres die de kinderen kastje of lichtje met een t leert zeggen, houdt vol: die woorden hèbben immers een t! Nog onlangs rapporteerde een schoolopziener aan de Regering dat zijn onderwijzers zo slordig spraken, en ten bewijze voerde hij aan dat ze korsje zeiden.1) Algemeen zou men het ongerijmd vinden, wanneer iemand, als in Siegenbeek's dagen, iongeling met twee g's wilde zeggen, omdat er tweemaal een dubbele medeklinker staat. Maar sommige voordragers - ik meen ook Royaards - leggen zich er op toe, in langzaam een z te laten horen.... op groud van de schrijfwijze! Wanneer Hugo Verriest de onjuist geformuleerde vraag neerschrijft: ‘Wat moet men doen met de eindletter n?’ dan blijkt daaruit dat hij zich het ‘algemene Nederlands’ op papier voorstelt, met n's die wèl, en n's die nièt ‘uitgesproken’ worden.2) Bij leken, vooral wanneer ze een hoge leeftijd bereikt hebben, is dat begrijpelik. Maar nog onlangs werd door een onderwijzer, die in andere opzichten op nieuw taalstandpunt staat,
stilzwijgend aangenomen dat de n van de infinitieven en meervouden ‘uitgesproken’ behoort te worden, terwijl hij toch weet dat van de beschaafd-sprekende Nederlanders - vooral in het norm-gevende gedeelte van ons land - de overgrote meerderheid als regel infinitieven en meervouden op -e gebruikt.3) De merwaardige zinsnede luidt:
‘Zooals ik aangaf, moet de onderwijzer er voor zorgen die n te laten hooren bij de leesles en het dictée. Het beschaafde Nederlandsch eischt
| | | | deze n, en de schoonheid van de taal lijdt door de weglating, 't Is heel moeielijk de ware uitspraak te vinden, die ligt tusschen de Amsterdamsche (duidelijke ĕ: loopĕ), de Groningsche (sonantische n: loopn)1) en de schoolmeesterachtige uitspraak loopen (met veel accent). Wanneer men de 1e lettergreep flink accentueert, de tweede zwakker, en toch de n laat hooren, komt de goede uitspraak van zelf. In de vlotte, alledaagsche spreektaal zal de n (zelfs in 't O.) wel meestal wegvallen, maar in de spreektaal-van-het-schrift hoort zij thuis.’2)
Dit is geheel het voorschrift-Den Hertog. Alleen moet de nieuwe term ‘spreektaal-van-het-schrift’ er een nieuwerwets tintje aan geven. Gewapend met die moeielik vindbare ‘ware uitspraak’, die eigenlik dus alleen bestaat waar die ingestudeerd is, zal de leerling dus tot de gevolgtrekking moeten komen dat ook in de beschaafdste Hollandse kringen bijna niemand zijn taal goed ‘uitspreekt’. Stel u voor dat iemand zijn leerling naar Parijs stuurde met een ‘ware uitspraak’ van het Frans, die door bijna alle beschaafde Fransen verlochend werd!
Voor dit bewust of onbewust uitgaan van de letter mag wel eens nadrukkelik gewaarschuwd worden, omdat vooral een quasi-modern ‘spreekonderwijs’, door de autoriteiten met zoveel ingenomenheid begroet, er zich aan schuldig maakt. Met veel instemming las ik voor enige jaren de afstraffing die Th. Thijssen toediende aan ‘Mevrouw de Spraaklerares.’3) Het volgende, door hem aangehaalde staaltje klinkt als een parodie:
Wanneer de kinderen 't volgende aardige versje zeggen:
Het zonnetje schijnt in het tuintje,
Het vogeltje zingt er zijn lied.
En ijverig breit voor haar deurtje,
De vriendelijke, kleine Margriet,
dan beginnen de meesten, dat weet ik al vooruit: ‘Het sonnetje’ en verder de tweede regel: ‘Het fogeltje, en het is heel vergeeflijk dat ze dat doen, want de uitspraak van de woorden: zonnetje en vogeltje wordt daar iets moeilijker voor een ongeoefend orgaan, door de verbinding met het woordje “het”, dat eindigt met een stemlooze medeklinker. De kinderen hooren die slordige (N.B.!) uitspraak over 't algemeen veel van de grooteren, en nemen ze dus ook daardoor over.
Ik vertel dan mijn kleintjes van zes, zeven jaar en ouder, dat ik dat
| | | | woord “zonnetje” zoo mooi vind! dat ik al in die mooie z, zoo vol met stem uitgesproken de warmte van dat heerlijke zonnetje ga voelen.... zoo ook: “het vogeltje” - mooi de v met volle warme stem, de o met stembuiging en de uitspraak der overige letters, snel, vol stem, zónder klemtoon en juist! wat klinkt dat woordje dan mooi, als jelui 't zoo zeggen, dan hooren we niet alleen in gedachten 't lieve vogeltje zingen, maar 't is net of we 't zien zitten op den tak en we genieten alles meê met die kleine Margriet!
Dus niet fogeltje - hoor kinderen, want zoo'n dier ken ik niet, dus kan ik er niets liefs van weten en voelen’.
Met Thlissen vragen we: Is dit geen kostelik staaltje? Naar deze opvatting is heel Nederland spraakgebrekkig, behalve enkele voordragers, spraakleraars en hun leerlingen! Of het spreekonderwijs dat van overheidswege op de Haarlemse kursus gegeven wordt, zich van dergelijke onzuivere ‘taalzuiverheid’ vrij weet te houden, is ons niet met zekerheid bekend. Van de spraakleraar mag naast kennis van de spreektechniek geëist worden dat hij werkelik taal-kundig is, en dus de taal niet aanziet als groepen van ‘uitgesproken’ letters. Anders is zijn invloed voor jonge onderwijzers, die maar al te veel geneigd zijn zulke nieuwe wijsheid dadelik in de school over te planten, inderdaad een gevaar.
In de veroordeling van een norm, die niet op werkelik gebruik in de beschaafdste kringen, maar op voorschriften van ‘spraakleraars’ berust, zullen dus alle taalkundigen het wel eens zijn. Zij zien in, dat taalonderwijs niet is het verbeteren van een ‘bedorven’ uitspraak, maar ook dat het kind dat van huis uit dialekt spreekt, het Algemeen Beschaafd niet, als een vreemde taal, dadelik in de meest ‘korrekte’ vorm kan aanleren. Wij hebben immers gezien dat de nieuwe taal niet, zoals b.v. met Frans het geval zou zijn, los naast de eigenlike moedertaal staat; vermenging van dialekt en Beschaafd, die meestal nauw verwant zijn, en trapsgewijze overgang van het een naar het ander ligt in de aard van de zaak. Kan nu de opvatting van H. Paul: ‘Es kann sich vernünftigerweise nur um eine langsame, stufenweise Annäherung handeln’1) ook leiding geven aan de onderwijs-praktijk? Deze geleerde is er van overtuigd, want hij laat er op volgen: ‘Der Lehrer musz in Bekämpfung der mundartlichen Eigenheiten der Aussprache ein bestimmtes Masz halten.’ Deze vage aanduiding is nog iets anders dan een praktiese raad: waar moet de onderwijzer de grens trekken tussen tucht en vrijheid? Al geeft men geen streng
| | | | geformuleerde regels, de onderwijzer wil weten hoe die middenweg loopt en waarheen hij voert.
Enige jaren later, in 1904, werd dit moeielike vraagstuk grondig en met helder doelbewust inzicht behandeld door Karl Luick, hoogleraar te Graz, een van de drie taalgeleerden op de Berlijner konferentie. Hij deed dat in zijn Deutsche Lautlehre,1) en beknopter in een voordracht Bühnendeutsch und Schuldeutsch, gehouden op de Neuphilologentag te Keulen (25 Mei 1904).2) Naar mijn overtuiging is hier het juiste midden aangegeven. De taal van huiselike en vertrouwelike omgang duldt geen dwang, maar de taal die men tegenover vreemden, in vergaderingen, bij het onderwijzen gebruikt, vereist met het oog op afstand en kalmer tempo zorgvuldiger artikulatie. Tegenover de omgangstaal heeft de voordrachtstaal ‘einen gewissen Zug des kunstmäszigen, ja künstlichen’, als men dit niet in de ongùnstige zin neemt. De omgangstaal dient zonder ‘künstliche Beeinflussung’ te blijven, maar de voordrachts- en de schooltaal kan aan zekere tucht onderworpen worden, en van die taal kan dan weer uitvloed uitgaan op de omgangstaal. Kan nu de norm voor de toneeltaal - waaraan Luick zelf meewerkte - ook voor alle voordrachtstaal en schooltaal geldig verklaard worden? Ondanks de ‘Schwankungen’ die ook de toneeltaal heeft, blijft een zo strenge eenvormigheid voor de algemene voordracht en de school onaannemelik. Dat zou aanleiding geven tot ondraaglike gemaaktheid. Nu wordt de kwestie nog ingewikkelder, doordat niet in alle streken hetzelfde als gemaakt zou gelden. ‘Daraus folgt dasz es nicht möglich ist, einen kanon der
deutschen schulaussprache für das ganze deutsche sprachgebiet aufzustellen, sondern dasz diese frage für jede landschaft, für jedes dialektgebiet besonders zu lösen ist.’3) De ‘Bühnensprache’ is dus het richting gevend centrum van eenheid; de schooltaal is rondom een middelpuntzoekende toenadering.
Aan deze theoretiese uiteenzetting verbindt hij lessen voor de praktijk: de onderwijzer moet goed weten wàt hij bereiken wil: hij moet niet vragen om een afgerond stelsel van uitspraakregels, zoals er spelregels zijn. Maar hij moet zorgen de eigenaardigheden die te diep geworteld zijn, eenvoudig niet ter sprake te brengen, en alle
| | | | aandacht geven aan wat geweerd kàn worden. Alleen met ‘Rücksicht auf das Bestehende’ kan men uitmaken hoe ver de toenadering mogelik is, en of veranderde omstandigheden meer toenadering dulden. Gaat men bij wijze van proef op de volkschool verder, dan kan dat ‘zum Zweeke allgemeiner Schulung ganz nützlich sein. Aber derartige Lautungen haben keine Aussicht, auf die Dauer zu haften und mit dem Schüler ins Leben überzugehen.’1)
Zijn nu Luick's beschouwingen geheel op de Nederlandse taaltoestanden toepasselik? Wij zullen daarbij het oude beschavingscentrum dienen te onderscheiden van de streken waar de streektaal machtig is. In het grote en zeer verscheiden Duitse taalgebied, waar onder beschaafden de ‘Abstufungen in der Richtung zur Mundart hin’ talrijk zijn en nog lang talrijk zullen blijven, zal de toenadering tot een eenheidscentrum niet zo gemakkelik zijn als in onze Noordelike Nederlanden. Daarentegen lijken mij voor de Zuidelike Nederlanden Luick's raadgevingen van groot gewicht. Bij veel verschil, is er tussen het Germaanse taalgebied van Oostenrijk en België ten opzichte van Duitsland en Nederland grote overeenkomst. In beide landen lagen vroeger de toongevende beschavingscentra, terwijl ze nu de norm voor hun Beschaafd in een groter taalgebied buiten de landgrens zoeken. Zuid-Nederland verkeert intussen in veel ongunstiger omstandigheden, doordat het Frans de taak van een Algemeen Beschaafd vervuld heeft. Een boek als dat van Luick zou voor Zuid-Nederland nog niet te schrijven zijn, maar dat het mettertijd geschreven zal moeten worden, lijkt mij niet twijfelachtig. Er is nog geen Zuid-Nederlands Beschaafd, en het zal er alleen komen door op een algemeen-Nederlandse eenheid aan te sturen. Maar gelijktijdig moet men ernstig gaan onderzoeken: hoe wordt werkelik in allerlei Zuid-Nederlandse kringen gesproken en langs welke wegen moet het volksonderwijs de toenadering tot stand brengen. Men ontkomt niet aan het verwijt van inkonsekwentie - zegt Luick in de genoemde voordracht - als men een algemene norm stelt, en tegelijk in toenadering berust, und dieses wort (n.l. inkonsequenz) hat ja auf viele eine starke wirkung. Aber ich finde, wir müssen den mut zu dieser inkonsequenz haben, sonst werden wir durch miszerfolg zu ihr gezwungen.2)
| | | |
Het is begrijpelik dat de strijders voor de eenheidsbeweging in Zuid-Nederland met kracht streven naar een strenge eenheidsnorm. Opmerkelik is dat Willem de Vreese dat in zijn Antwerpse voordracht bijna in dezelfde termen deed die Josef Seemüller uit Iunsbrück gebruikte, toen hij zijn instemming betuigde met de norm van de ‘Bühnensprache’:1) ‘Trachte nach Einheit - für das Streben nach reicher individueller Gliederung sorgst du willkürlich und unwillkürlich selbst genug!’ Even begrijpelik is het, dat de Noord-Nederlander, die de eenheid stevig gewaarborgd ziet, meer oog heeft voor de noodzakelikheid van verscheidenheid.
Een Algemeen-Beschaafd - en dit hopen we duidelik gemaakt te hebben - bezit eenheid-in-verscheidenheid. Naar het standpunt dat men inneemt, brengt men òf de eenheid òf de verscheidenheid naar voren. Wie vooruitgang verwacht van een grotere volksgemeenschap zoekt eenheid; wie zich in vertrouwelike kring afsluit, verlangt vóór alles karaktervolle verscheidenheid. Het streven van de pedagoog is gericht op eenheid, dat van de kunstenaar op verscheidenheid. Én door het miskennen van de noodzakelike eenheid, èn door het verwerpen van de verscheidenheid kan men tot een eenzijdigheid komen, die het juiste inzicht belemmert en voor een gezonde taalontwikkeling schadelik kan worden.
C.G.N. de Vooys.
|
1)Let b.v. op de terminologie van Draaijer, als hij schrijft: ‘Het getal “vleeseters” is in Deventer op onrustbarende wijze gestegen, en dat der “vleiseters” in dezelfde mate gedaald.’ (Aangehaald in Van Ginneken's Handboek I, 66).
2)Slechts betrekkelik, want in zo'n ‘natuurlik’ ontwikkeld dialekt kan zich vroeger hetzelfde verschijnsel afgespeeld hebben: de oplossing van kleinere taalkringen in een vrij sterk afwijkende grotere kring, waaruit dan zogenaamde ‘uitzonderingen’ te verklaren zijn.
1)De Nieuwe Taalgids III, 86.
1)In de Germ. Rom. Monatsschrift 1912, Heft 4-5.
2)Lier, 1912, blz. 112-118.
3)De duidelikste gevallen vindt men uiteraard bij vreemde woorden, omdat die zoo dikwels het eerst gezien worden in boeken, kranten, opschriften enz., b.v. koevert, dessert, korps, kaakjes (uit cakes), en bij minder ontwikkelden tram naast trem, meeting (met Nederlandse ee) naast het Engelse meeting (met ie). Bij Nederlandse woorden is het vaak twijfelachtig: de eerste t van laa tste zal wel door invloed van de geschreven taal gehandhaafd zijn; in Nederlan dse kan de t-klank ook door de bijgedachte aan Nederlan d hersteld worden. Is de w in wreed, wreken enz. (naast vreed, vreken) ook ‘spelling-pronunciation’? In streken waar het algemene Nederlands aangeleerd moet worden, gaat de invloed van de schrijfwijze, gesteund door schoolonderwijs, dieper. Men verzekert mij dat in de provincie Groningen de t in kas tje, de h en ĕ in ‘ het was’ door beschaafden, ook in ongedwongen spreken vaak gezegd worden.
4)E. Kruisinga heeft daarop reeds de aandacht gevestigd in zijn Openbare Les over Taal en Maatschappij (Utrecht 1909, blz. 7-11).
5)Ueber die Einigung der deutschen Aussprache (Halle,
1905, blz. 19).
1)De opmerking is van Eugen Herzog: Historische Sprachlehre des neufranzösischen I, 22.
1)Dit werd mij eerst goed duidelik, toen ik de kwestie doordacht met het oog op een voordracht voor de Vereniging voor Beschaafde Nederlandse uitspraak te Antwerpen. In die voordracht, gehouden de 22 ste Des. 1913, heb ik juist op die grond het nut van de Vereenvoudigde Spelling, ook voor Zuid-Nederland, betoogd.
2)Vgl. de aangehaalde Rede, blz. 12 en 18.
3)Ueber Sprache und Aussprache ( Wissenschaftliche Beihefte zur Zs. des Allg. Deutschen Sprachvereins, Heft 22 (Berlin 1903, blz. 50).
1)Helder wordt dat geformuleerd door Prof. H.C. Wyld ( The Growth of English) in het hoofdstukje: In what Sense Standard English is Better than Other Forms (blz. 49): ‘No form of language is, in itself, better then any other form. A dialect gains whatever place of superiority it enjoys solely from the estimation in which it is commonly held.’
2)O.a. door Dr. J.H. Gunning in het aan de Regering uitgebrachte Verslag over het taalonderwijs.
1)Kluge zegt dan ook dat ze ‘ineinander übergreifen und niemals einen endgültigen Abschlusz erlangt haben oder je erlangen können.’
2)In de aangehaalde Antrittrede van 1894, blz. 2.
1)Berlin, Köln, Leipzig 1898; in 1912 verscheen de 10 de druk.
2)In de eerste uitgave, blz. 13. Omgekeerd zoeken ze juist het wetenschappelik belang van hun regeling daarin, dat een toekomstige betere spelling-regeling daardoor een grondslag krijgt.
1)Daarvan wordt hem een ernstig verwijt gemaakt door de Würzburger hoogleraar O. Brenner, die de laatste drukken afkeurend besprak in het Lituraturblatt für Germ. und Rom. Philologie, Juni 1913. De beoordelaar heeft meer grieven; Die Mechanisierung ist noch weiter fortgeschritten als ehedem; das Buch ist noch gefährlicher geworden als ehedem. - ‘Die deutsche Sprache wird wie ein gefrorner Kadaver behandelt.’ In 't biezonder keurt hij het af dat Siebs voorschrijft ‘Hochdeutsch mit niederdeutschen Laute’, dat hij met het Zuiden geen rekening houdt, terwijl hij toch de denkbeelden van Karl Luick - waarover later - in beginsel aanvaardt.
2)In de Wissenschaftliche Beihefte zur Zeitschrift des Ally. D. Sprachvereins, Heft 16 (Berlin 1899).
1)Vgl. de bredere uiteenzetting van H. Paul in het slothoofdstuk van zijn Prinzipien der Sprachgeschichte, 4 te Aufl. (1909), blz. 406-407): ‘die Bühnensprache nie absolutet Muster für die Umgangssprache.’ In dezelfde geest liet zich in 1883 prof A. Osthoff uit ( Schriftsprache und Volksmundart): Zie de aanhaling in mijn brochure Spreken en schrijven, in Noord- en ZuidNederland, blz. 40.
2)De eerste schrijft: Het toneel zal weinig invloed hebben als de school niet helpt: ‘dies kann aber in den nächsten Jahrzehnten nicht geschehen, da der Unterschied noch zu grosz ist;’ de tweede: ‘Eine umfassende Ausgleichung der Verschiedenheiten erscheint zur Zeit undurchführbar.’
3)Deze woorden zijn van H. Paul, Prinzipien, blz. 404.
4)Vgl- zijn Phonetische Grundfragen (1904), Kap. III: Die beste Anssprache en Logeman's samenvatting van Jespersen's opvatting, naar zijn Fonetik, in Taal en Letteren 1902, blz. 449.
5)In een aanhangsel van Deutsche Bühnensprache: Die Bedeutung der Phonetik für die Schulung der Aussprache, blz. 25: ‘Phonetik steht in einem gewissen Gegensatz zu der Schulansicht, die von der Schrift abhängig zu sein pflegt.’
1)Men kan dit feit vinden in het Verslag over het L.O., afgedrukt in de Handelingen van de Staten Generaal, 1913.
2)Zie de bovengenoemde Voordracht in de Vlaamsche Academie.
3)Gesteld dat er een handleiding nodig was voor buitenlanders die korrekt Nederlands wilden leren, zou het dan niet noodzakelik zijn, er op te wijzen dat bij infinitieven en meervouden aan de schrijfwijze - en meestal de klank ə beantwoordt, behalve soms vóór klinkers, b.v. geve n en neme(n)? Anders bleven ze steeds geaffekteerd spreken. Een uitzondering zou wellicht te maken zijn voor Duitsers die zich voor hun leven in Groningen gingen vestigen.
1)Bedoeld is de sonantiese m (loop m).
2)G.J. Nieuwenhuis; Individueel Taalonderwijs: (Groningen, J.B. Wolters, 1913), blz. 18.
3)In De Nieuwe School 1907, N o. 7-8, blz. 245.
1)In de bovengenoemde Gutachten, blz. 189.
1)De volledige titel is: Deutsche Lautlehre, mil besonderer Berücksichtigung der Sprechweise Wiens und der Österreichischen Alpenländer (Leipzig und Wien - Franz Deuticke - 1904).
2)Afgedrukt in Die neueren Sprachen XII (1904-1905), blz. 345 vlg.
3)Bühnendeutsch und Schuldeutsch, blz. 349.
1)Deutsche Lautlehre § 118: Aufgabe der Schule. In dit boek kan men zijn denkbeelden voor de Oostenrijkse landen prakties uitgewerkt vinden. Hij staat daarbij tegenover Viëtor ( Wie ist die aussprache des deutschen zu lehren?) die de strenge toneeltaalnorm voor het volksonderwijs wil aanvaarden.
2)Met deze woorden eindigde ik ook mijn voordracht voor
de Vereeniging voor beschaafde Nederlandsche uitspraak te Antwerpen. Van deze voordracht - waarvan een stenografies verslag in de Mededeelingen zal verschijnen - is dit artikel de omwerking en uitbreiding.
1)In de meermelen genoemde Gutachten, blz. 491.
|
|